De dood van het verhaal (Voorbij het postmodernisme?)

De dood van het verhaal (Voorbij het postmodernisme?)

Sta me toe een eenvoudig verhaal te vertellen. Een verhaal over de dood van het verhaal. Een verhaal dat al jaren oud is, al vaak verteld, maar dat nog niets aanzeggingskracht heeft ingeboet. Misschien wel een waar verhaal.

Laten we bij het begin beginnen, zo hoort dat in verhalen. Het verhaal is geboren toen de mens zich van zijn omgeving bewust werd. Nog voordat de mens kon spreken, zoals blijkt uit de rotstekeningen van onze verre voorvaderen. Het bekendste verhaal is misschien wel de bijbel – ‘The Greatest Story’ ever told, zoals het heette in een overigens geflopte film. Een verhaal dat al een kleine 2000 jaar oud is, maar waarin we al de structuur herkennen van latere verhalen. Begin: schepping. Midden: spannende en mindere spannende gebeurtenissen, contemplatie en dialogen. Einde: afhankelijk van je interpretatie de ondergang of juist de herrijzenis (er zijn maar drie verhalen: die goed aflopen, die slecht aflopen en die waarvan je het niet zeker weet. De bijbel is van alledrie een beetje).

Waarmee we bij het middengedeelte zijn beland, nog steeds conform de regels van het verhaal. Het verhaal heeft in de loop van de eeuwen allerlei tegenstanders gekend. Neem alleen de opkomst van de televisie. Dit medium was niet zozeer een bedreiging voor het verhaal omdat het zich bediende van beelden (dat deden de eerste verhalenvertellers ook), maar omdat het zo fragmentarisch was. Natuurlijk, lange televisieuitzendingen zijn er ook, maar de hoofdmoot bestaat toch uit snelle passages en kortebaanwerk. En sinds de invoering van afstandsbediening is televisie alleen maar kortademiger geworden en steeds minder ‘verhalend’. De zapcultuur is met de komst van de nieuwe media helemaal dominant geworden. Het valt ons steeds zwaarder om de aandacht op te brengen die nodig is om een artikel te lezen, laat staan een boek. Een film uitzitten lukt al bijna niet meer.

Opmerkelijk genoeg (en hier neemt dit verhaal een filosofische wending) heeft zich parallel aan deze technologische fragmentatie ook een culturele fragmentatie voorgedaan. Het geloof in ‘grote verhalen’, zoals de mythen van het christendom, het socialisme en het liberalisme, is op de achtergrond geraakt. Autoriteiten van vroeger (de kerk, de politiek, de krant) zijn van hun voetstuk gevallen. Waardenrelativisme en postmodernisme deden hun intrede: ‘misschien is niet helemaal waar, zelfs dit niet’ en ‘een ratjetoe van stijlen tot stijl verheven’.

Het is verleidelijk de opkomst van de televisie en later de nieuwe media (bedoeld om ons leven te veraangenamen en communicatie te verbeteren) te zien als oorzaak van alle postmoderne verwarring. En dus de tegenreacties ook – denk aan het neo-conservatisme, aan de hernieuwde belangstelling voor religie of aan het geloof in de zegenende werking van technologische ontwikkelingen. Maar gesteld dat dit zo is, gesteld dat de opkomst van televisie en internet inderdaad hebben geleid tot algehele verwarring. Hoe kunnen die nieuwe verhalen dan ooit aanslaan bij een breed publiek? In een zapcultuur passen geen verhalen. Het verhaal is uit de tijd, nu mededelingen in 140 twittertekens moeten worden gepropt.

En daarmee zijn we aan het einde van ons verhaal gekomen. Het verhaal is dood, het laat zich niet meer vertellen. Alleen het verlangen naar het verhaal wil maar niet sterven.

Deel:

Geef een reactie