De Lotus en de Robot: collectief gevaar

De Lotus en de Robot: collectief gevaar

In de reeks ‘Intelligente boeken om te lezen tijdens een al dan niet intelligente lockdown’: De Lotus en de Robot van Arthur Koestler.

Voorzover De Lotus en de Robot van Arthur Koestler uit 1960 nog bekend is, dan vooral omdat het boek in India enige tijd verboden is geweest vanwege de ‘aanstootgevende opmerkingen over Mahatma Gandhi’.

Wat Koestler over India te melden heeft is echter veel minder interessant dan zijn overpeinzingen over Japan. Een gespleten samenleving, schrijft hij, die wel de westerse levensstijl heeft overgenomen, maar niet de bijbehorende waarden. “Vandaar de tegenstellingen in het moderne Japan: aan de ene kant het wetenschappelijke leven dat Japan het aanzien geeft van een Robotland (mensen met maskertjes, dalende geboortecijfers), aan de andere kant de primitieve waarden van Lotusland – kinderlijk, onschuldig, gezagsgetrouw. De Japanners zijn er niet in geslaagd beide bestaansvlakken te verenigen: ze nemen afwisselend de leiding; Japan brengt dualistische persoonlijkheden voort.”

De Lotus en de Robot is geschreven na een reis door India en Japan, maar het is alsof Koestler zijn kamer in India bijna niet uit is gekomen, zo sterk leunt hij hier op andere schrijvers. In Japan doet hij daarentegen de ene na de andere interessante observatie en verbindt daar keer op keer de origineelste conclusies aan.

Waarom de straten geen namen en geen nummers hebben, bijvoorbeeld? Om dezelfde reden dat Japanners vasthouden aan het Sino-Japanse hybridische schrift, de moeilijkste geschreven taal die er bestaat (‘de taal van de duivel’): “Ze voelen er niets voor de gemakken van dubbelzinnigheid af te danken, en zie liever dat de gedrukte pagina, net als de straten van de hoofdstad, een labyrint blijft.”

Ambiguïteit en ontwijking liggen als ‘een dunne nevel over het Japanse landschap’, en zijn symptomen van de ‘schaamtecultuur’ waarvan Japan is doortrokken. De Japanner streeft naar harmonische verhoudingen tussen zichzelf en zijn medemensen. Hij kent geen religieuze bezorgdheid, geen gewetenswroeging – zaken die in ‘schuldculturen’ domineren – maar des te meer bezorgdheid over prestige. De ergste tragedie die Japanners kennen.

Gezichtsverlies of ongewild gezichtsverlies veroorzaken: die zijn voor de Japanner beide riskant. Vandaar dat Japanners ‘zoeken naar ontwijkende, gezichtreddende manoeuvres’. Dus liever geen straatnamen en -nummers, en liever geen heldere taal.

Het krampachtige streven naar harmonie trekt een zware wissel op de Japanse samenleving.

De gevolgen zijn het duidelijkst in de twee krankzinnigeninrichtingen die Koestler bezoekt, in de gedachte dat ‘het soort conflict waar het brein aan wordt blootgesteld en de symptomen waarmee het reageert niet allen kenmerkend zijn voor het individu maar ook voor het de cultuur waarin het leeft’ – kortom dezelfde gedachte die Michel Foucault even later systematisch zal uitwerken in zijn Geschiedenis van de waanzin. De gedachte dat je aan de gek herkent wat voor normaal doorgaat, met andere woorden. In Japan is het prototype van de gek ‘een vriendelijke, volgzame, teruggetrokken, zich goed gedragende geesteszieke’. Voor zover hij agressief is, dan richt zijn agressie zich meestal naar binnen: hij wordt depressief, melancholiek of suïcidaal.

Buiten het krankzinnigengesticht blijkt de Japanse consensussamenleving mensen mentaal slecht voor te bereiden op de westerse concurrentiemaatschappij. “De westerse geest is gekneed naar de aard van een concurrerende maatschappij die het kind leert het leven te beschouwen als een soort golvende lijn, een opeenvolging van kleine triomfen en mislukkingen waar het zich bij neer moet leggen. Het kind wordt geleerd een goed verliezer te worden; dat nederlaag in eerlijke concurrentie geen smet of blaam op iemands eer werpt, en dat te veel bezorgdheid over prestige kwesties een teken van onevenwichtig gedrag is.”

In het Westen wordt een kind zo weerbaar, leert het zich te ontwikkelen, leert het te concurreren: met vallen en opstaan. Doordat in Japan (en in India en in zoveel andere Aziatische landen) de angst om te ‘vallen’ zo groot is, komt er van ‘opstaan’ ook weinig. In India leidt het kastensysteem en het fatalistisch makende geloof in karma tot schrijnende armoede, het groepsgeoriënteerde en tot conformisme dwingende school- en werksysteem van Japan tot robotisering van de werknemer (die af en toe wel stoom kan afblazen door op vrijdagavond dronken te worden en zijn baas uit te schelden, maar die maandag gewoon weer aan het werk moet).

De reis van Koestler naar Japan en India levert dus inzicht in het Westen op – precies zoals zijn onderzoek naar wat er voor ‘gek’ doorgaat inzicht biedt in wat ‘normaal’ wordt gevonden.

Hij begon die reis uit teleurstelling over het Westen met z’n ‘verwarring en vastgelopen problemen’ (wat we daaronder moeten verstaan is mij overigens niet helemaal duidelijk, ik neem aan dat hij het ‘materialisme’ en ‘individualisme’ bedoelt, maar het kan ook zijn dat hij teleurgesteld in de VS en de Sovjet Unie om na de Tweede Wereldoorlog een betere wereld in het leven te roepen, of dat hij het gedachtegoed van de Verlichting en het daarop gestoelde vooruitgangsgeloof te beperkt vindt, te weinig spiritueel. Van alles een beetje misschien).

Zijn reis eindigt evenwel met een lofzang op het Westen, althans op Europa: “Het indrukwekkende van de Europese evolutie, van het Aziatische perspectief uit gezien, is de organische integratie van de verschillende stromingen die erin optraden. De euclidische meetkunde, Plato’s Timaeus en Aristoteles’ categorieën, waren niet zomaar op de Tien Geboden en de Bergrede geënt; ze waren verenigd door een proces van kruising, een geestelijk huwelijk, met als resultaat de vleeswording van de logos. Het leverde de schakel tussen de mystiek en de logica, tussen de poëzie van Johannes van het Kruis en het speuren van de jezuïtische astronomen naar orde en harmonie in het universum. Het is deze synthese die alle overige grote culturen verwierpen.”

De Lotus en de Robot is 60 jaar oud en in vele opzichten gedateerd. India is een heel ander land geworden, Japan ook, zij het in mindere mate. Het Westen is misschien nog sterker veranderd, in die zin dat wij nu veel sterker in de greep van een conformistische ‘schaamtecultuur’ leven dan toen het boek werd gepubliceerd. De mogelijke gevolgen van zo’n cultuur – de ophemeling van het collectief, de onderdrukking van het individu, de maatschappelijke verstarring – staan in De Lotus en de Robot allemaal zo goed beschreven dat het boek leest alsof het vandaag is uitgekomen.

Deel:

Geef een reactie