De man zonder ziekte: gezondheid als gebrek

De man zonder ziekte: gezondheid als gebrek

In de reeks ‘Intelligente boeken om te lezen tijdens een al dan niet intelligente lockdown’: De man zonder ziekte van Arnon Grunberg.

Jaren geleden kocht ik De man zonder ziekte, kort nadat het was genomineerd voor zowel de AKO Literatuurprijs voor het beste boek van 2013 als voor de Zwarte Bladzijde, een prijs voor het meest overschatte boek van het jaar. Die AKO Literatuurprijs won het boek niet, de Zwarte Bladzijde wel – het boek kreeg volgens de jury (van het studentenblad Propria Cures) ‘te veel waardering voor een middelmatig tussendoortje’.

Het leek me een interessant boek.

Dat is het inderdaad, blijkt nu ik het eindelijk heb gelezen, verleid door de jaren later opeens actueel geworden, intrigerende titel.

De ‘man zonder ziekte’ over wie het boek gaat blijkt een weinig benijdenswaardige figuur. Wie wil er nou niet ‘zonder ziekte’ zijn?, zou je zeggen. Het is toch beter om gezond te zijn dan ziek? Maar dat is te simpel gedacht. Iemands ziekte – in de ruimste zin van het woord, of hij nu een lichamelijke afwijking heeft, een obsessie of een of andere eigenaardige karaktertrek – bepaalt zijn identiteit, zou je kunnen zeggen. Hij is iemand, dankzij zijn ziekte. Iemand die gezond is, is daarentegen maar al te vaak een blanco persoonlijkheid. Een man ‘zonder ziekte’ is een al gauw een man ‘zonder eigenschappen’. Iemand met wie het nog alle kanten op kan gaan, maar die vanwege zijn handicap niet ver zal komen.

Om te beginnen breekt zijn karakterloosheid hem professioneel op.

De hoofdpersoon Sam is een architect, en laat dat nu juist een vak zijn waarin je wel vaart bij een uitgesproken karakter. Tenslotte is ‘de toekomst aan hen die haar vormgeven’. Aan de architect dus, althans aan de architect die ‘de identiteit van de gebruikers van zijn gebouwen, zijn bruggen, zijn torens beïnvloedt’ zoals de sterarchitect Fehmer, de werkgever en leermeester van Sam, het uitdrukt (vermoedelijk gemodelleerd naar mensen als Rem Koolhaas, met wie Grunberg ter voorbereiding van dit boek uitvoerig sprak).

Alleen… zo’n krachtig visionair is Sam niet. Hij is een ‘toegewijd en dienend architect’, die vanuit alle perspectieven naar de wereld kan kijken en zich moeiteloos verplaatst in zijn opdrachtgevers’. Een ‘genereuze architect’, zo maakt hij zichzelf wijs. Een architect die de schoonheid en het gebruiksgemak dient. Die voortbouwt op de traditie (‘een opdracht en een leermeester, soms ook een last’) waar een architect met meer persoonlijkheid de traditie eerder als ‘een supermarkt’ ziet om zijn visie kracht bij te zetten. Een architect die niet gelooft dat ‘we de gebruiker onze interpretatie van de ruimte kunnen opdringen. Het is zíjn interpretatie. We staan machteloos tegenover zijn interpretatie. We mogen hopen dat hij de deur die wij voor hem hebben ontworpen zal openen.’

Deze visie – of liever gezegd visieloosheid – brengt hem op een doodlopend pad. Sams laatste werk is een anonieme ondergrondse bunker met verwijzingen naar Frank Lehry die niemand opvallen – een uiting van machteloze ironie. Was hij maar ziek geweest!

Diezelfde goedbedoelde, maar machteloze pogingen om het anderen naar de zin te maken breken ook zijn relatie op.

Hij ziet in dat hij ‘te lang door het leven is gegaan zonder echte keuzes te maken’, en praat zichzelf moed in: dat hij zich moet binden, dat hij zijn vriendin ten huwelijk moet vragen, dat hij daar klaar voor is. Het zit er niet in. Aan het einde van het boek verwijt zijn vriendin hem dat hij ‘behaagziek’ is (geen echte ziekte, weet de lezer inmiddels): “Kan het je dan helemaal niets schelen wat ik doe?”, roept ze. “Je vindt alles goed. Het enige wat je doet is de ander plezieren, je hebt er nooit iets van gemeend.”

Het enige waar iemand zonder ziekte wel goed in is, is paradoxaal genoeg sterven. Iemand die ziek is zal zich waarschijnlijk verzetten tegen de dood. Dit geldt zeker voor een architect – welbeschouwd iemand die leven brengt: “Oorlog vernietigde mensen en hun huizen. Architecten bouwden huizen, zij stonden tegenover de oorlog zoals de arts tegenover de dood.” Maar een architect zonder ziekte zal de dood gelaten over zich heen laten komen – en ervaren als ‘een opluchting, een verlossing, een genezing misschien’.

Beeld: 【微博/微信】愚木混株 【Instagram】cdd20 via Pixabay

Deel:

Geef een reactie