De vakantieruzie

Vakantieruzies zijn vaste prik, maar tegenwoordig maken we over heel andere zaken ruzie dan vroeger. Toen ging het vooral om ruzies onderweg, over een gemiste afslag of een verkeerd begrepen wegaanduiding. Meestal kreeg de kaartlezer (moeder) de schuld dat de bestuurder (vader) zich vergist had in de route. Waarop de kaartlezer van de zenuwen weer de fout inging, en de bestuurder zijn irritaties de vrije loop liet. Dankzij de technologische vooruitgang behoren dit soort ruzies tot het verleden – TomTom, de Nederlandse aanbieder van navigatiesystemen, suggereerde in een advertentie ooit zelfs dat de kastjes van het bedrijf een soort relatieredders waren. Onzin natuurlijk, want de ruzie kruipt waar ze niet gaan kan. Gemiste afgeslagen – “Ik zei toch”- en verkeerd begrepen wegaanduidingen – “Ja, maar ik bedoelde”- zijn er nog altijd.

En zo zit ik hier nu met F., van de weg geraakt, uit de bocht gevlogen, in een relatieberm beland.

De tranen biggelen over haar wangen. Mijn eerste impuls is om te doen alsof er niets aan de hand is. Grote kans immers dat er een ruzie ontstaat als we het erover hebben. Woorden kunnen zaken beschrijven die er zijn. Maar soms gaan de woorden aan het bestaan van zaken vooraf. In den beginne er het woord, en als het woord er niet was geweest – dan was er misschien niets ernstigs aan de hand geweest. Dan had ze haar tranen gedroogd, dan had ze zich teruggetrokken in een ander vertrek om na een uurtje of zo met een niets aan de hand-toontje te vragen wat ik vanavond met eten wilde doen. Ja, zo had het kunnen gaan. Maar zo gaat het het niet. Ik vraag wat er aan de hand is.

“Je snauwde tegen me”, snottert ze.

Dat moet dan al weer even geleden zijn geweest, bedenk ik me, want het laatste halfuur hebben we zij aan zij gelegen wat gelezen en gelummeld. Ik tenminste. Zij moet zich minuten lang hebben ingehouden, tot de tranen zich niet meer lieten stoppen. Wat kan de aanleiding zijn geweest? Ik herinner me vaag dat zij vanuit de keuken riep of ik ook wat koffie wilde. Graag!, had ik geantwoord. Waarop ze de vraag herhaalde. “GRAAG, ZEI IK”, toen. Dat moet het geweest zijn. Zet zachtjes een plaat met lieflijke muziek op en niemand hoort het. Draai de volumeknop hoger, en het klinkt als heavy metal.

“Sorry. Het spijt me. Ik bedoelde het niet zo”, zeg ik.

Ik hoop niet dat ze hoort hoeveel moeite me dit kost. Hoe groot mijn neiging is om een kort en kernachtig ‘ONZIN’ uit te roepen. Of om juist omstandig uit te leggen dat ze me de eerste keer kennelijk niet heeft gehoord – wat erop kan wijzen dat haar gehoor achteruitgaat (de oude dag?), of misschien een bewijs is van mijn innerlijke beschaving (dat ik me, beleefd als ik ben, een zachte stem heb aangemeten) of een combinatie van beide natuurlijk. Dat ik me genoodzaakt zag mijn stem te verheffen in elk geval. Dat het me de enige manier leek om tot haar door te dringen. Dat mij hoe dan ook niets te verwijten valt als iemand mij niet hoort of verstaat, en al helemaal niet als ik me gedwongen voel mijn woorden luid te herhalen. Maar ik weet: de aanval is even heilloos als de verdediging, ik moet begrip veinzen. Ik moet, ik moet, ik moet.

Ze trapt er niet in. “Ik doe zo mijn best”, zegt ze. “Het is gewoon nooit goed genoeg.”

“Nu maak je van een mug van olifant.” Ik hef mijn handen in de lucht, alsof ik grote ballon vasthoud. “Zo escaleren ruzies. Kunnen we hier echt niet aan voorbijgaan?” Ik knijp mijn handen samen: ik heb van de olifant weer een mug gemaakt en de mug doodgedrukt.

Ze zwijgt hardnekkig.

Ik probeer nog één keer het conflict in de kiem te smoren. “Wat kan ik doen om het goed te maken?” Volgens het boekje, volgens mij. Niet volgens haar, want ze blijft zwijgen. Ik ook. Een demonstratief zwijgen: wat ik ook zeg is verkeerd. Zou zij dat met haar zwijgen ook willen zeggen, vraag ik me af. Volgens mij is het eerder: “Je begrijpt me niet, wat ik ook zeg.”

“Ik heb het zo druk, zo druk, zo druk. Een beetje begrip zou helpen.”

“Is het dan mijn schuld dat je het druk hebt?”

“Dat zeg ik toch niet.”

Enzovoorts.

Enzovoorts.

Enzovoorts.

Meestal eindigt de ruzie ermee dat ik dreig op te stappen. Deze keer pak ik het iets subtieler aan: misschien moeten we stoppen, want als iets niet werkt kun je er maar beter een einde aan maken. Laten we erover nadenken. Een nachtje over slapen. We hebben het er nog wel over.

De volgende ochtend hebben we het erover.

“Goed dat we ruzie kunnen maken”, zegt zij. “We durven onze gevoelens te uiten: een bewijs dat we goed bij elkaar passen.”

“Mensen die goed bij elkaar passen maken geen ruzie”, zeg ik. Gisteren geloofde ik dat ook, vanochtend niet meer.

Beeld: guvo59 via Pixabay

Deel:

Geef een reactie