De visie van een huurling (Over de ondergang van het weekblad Intermediair)

In de geschiedenis staat één type mens bijzonder laag aangeschreven: de man – meestal een man – die zich kortstondig laat inhuren om arbeid te verrichten. De dagloner op wie de boeren net zo neerkijken als de edellieden, de huursoldaat die door zowel de laagste soldaat als de hoogste generaal wordt geminacht. Lieden zonder enig eergevoel, Samoerai die tot ‘Ronin’ zijn verworden – strijders die god noch gebod erkennen en plunderend door het land trekken om hun wreedheid en hebzucht te voeden. Alleen trouw aan de meestbiedende (tot iemand anders meer biedt) en slechts met de grootste moeite bereid om werk te verzetten (en dan nog). Gedoemd om tot in de eeuwigheid in het vagevuur te blijven omdat ze hun ziel hebben verloochend (het spookleger uit Lord of the Rings tenminste). Ongure types, minderwaardige mensen, het laagste van het laagste.

De eigentijdse, postindustriële dagloners zijn uiteraard de freelancers oftewel ZZP’ers of ZP’ers of, in de bouw, ‘jobbers’. Een groep die in de afgelopen jaren flink in omvang is toegenomen tot rond de 800.000. En hoewel de vaste werknemer nog steeds de standaard is (9 op de 10 werkenden is in vaste dienst), zit het er dik in dat het leger der tijdelijke werkkrachten de komende jaren zal toenemen. De aanhoudende crisis. De snel veranderende ‘omgeving’ van het bedrijf (de wereld kan er morgen heel anders uitzien dan vandaag – dus heb je wellicht ook heel andere mensen nodig). De versoepeling van het ontslagrecht. De steeds geavanceerdere communicatiemiddelen. De tekortschietende managementvaardigheden binnen de meeste organisaties (ik kan geen leiding geven – dus huur ik maar iemand in die ik nooit meer hoef te zien als hij niet bevalt). Noem maar op, het draagt er allemaal toe bij dat bedrijven het vaker buiten de deur zullen gaan zoeken om tijdelijk mensen in te huren.

Dat mag ironisch heten. Gewild – en toch geminacht, geliefd – en toch gehaat: zie daar de freelancer. Ok, ik overdrijf, maar er ‘helemaal bijhoren’ doen ze meestal niet, en maar al te vaak worden ze toch gezien als een soort tweederangswerknemers – misschien niet in beloning, maar dan toch zeker in aanzien.

Ten onrechte, zeg ik als freelancer, want juist omdat we niet zeker zijn van onze baan, spannen we ons zo hard in om ons elke keer weer waar te maken. Te hard, misschien, want omdat niemand ons loopt te klokken, dreigt het werk ons privéleven voortdurend te overwoekeren. (Niet dat ik in vaste dienst zou willen, overigens. Ik lever liever goed werk af dan een ondermaats product. Bovendien staan tegenover de weinige ‘rechten’ gelukkig ook weinig ‘plichten’. Je kunt makkelijk van je opdrachtgever af, terwijl de vaste werknemer en zijn werkgever bijna tot elkaar veroordeeld zijn – je blijft alleen bij elkaar als je het allebei wilt, niet omdat het moet).

De geringe waardering voor de nijvere freelancer is niet alleen onrechtvaardig, het is ook onverstandig. Opdrachtgevers zouden zichzelf een enorme dienst bewijzen als ze hun freelancers wat meer bij het bedrijf zouden betrekken. Ook eens een cursus aanbieden, ook eens laten meedenken over de bedrijfsvoering, ook eens een kerstpakket geven. Het zou de trouw van de freelancers bevorderen en de kwaliteit van hun werk ten goede komen. Het is toch vreemd dat bedrijven wel investeren in hun vaste personeel en niet in die van hun flexwerkers terwijl die steeds belangrijker worden? Daarmee ondermijnen ze toch hun eigen concurrentievermogen? Ik begrijp het niet. Misschien is het gewoon een kwestie van tijd, moet de freelancer zich nog verder emanciperen. Misschien draaien bedrijven nog wel bij. Ze zijn al tot het inzicht gekomen dat de vaste baan geen vanzelfsprekendheid meer is, nu moeten ze nog inzien dat de freelancebetrekking een volwaardige opvolger is.

Dit alles als lange inleiding tot een kort commentaar op het verdwijnen van het weekblad Intermediair, een van de weinige tijdschriften die freelancers regelmatig een cursus aanbood, betrok bij brainstorms over artikelen en – hoe zal ik het zeggen – ons normaal en menselijk behandelde. Heel zuur dat zo’n blad verdwijnt.

Deel:

Geef een reactie