De vrijetijdsmaatschappij (Meer welvaart, minder werk)

De angst dat de techniek met ons op de loop zal gaan is oeroud, getuige de mythe van Prometheus, het sprookje van de tovenaarsleerling en de horrorroman over Frankenstein. En de laatste tijd wordt de technofoob in ons bediend met verhalen over banenloze groei. Die verhalen raken een gevoelige snaar, zo veel is zeker. Maar hoe serieus moeten we ze nemen? Hoe bang moeten we zijn voor ‘jobless growth’?

Helemaal niet, zeggen sommige economen: zo de technologische vooruitgang al banen vernietigt, zorgt ze ook dat er banen bij komen en dat de welvaart stijgt. De Luddieten in het 18e eeuwse Engeland die weefgetouwen stuksloegen omdat ze vreesden voor hun broodwinning hadden ongelijk. Of liever gezegd: misschien dat zij zonder werk kwamen te zitten, maar de samenleving ging er op vooruit: meer textiel, lagere kosten, lagere prijzen, meer consumptie, meer banen, meer welvaart. Ook nu is technofobie – deze keer ingegeven door de voortgaande ‘digitalisering’ van allerlei industrieën – ongegrond. Kodak op de fles? Polares failliet? De redactie van Libelle ontslagen? Een crisis die maar aanhoudt? Ach, creatieve destructie is niets om bang voor te zijn. De welvaart zal wel weer stijgen, die banen komen wel weer.

Maar tot dusver lijkt het erop dat de geschiedenis zich niet herhaalt. De welvaart neemt toe, maar er komen niet meer vacatures. ‘Jobless growth’, inderdaad. Waardoor de tweedeling in de maatschappij verder lijkt toe te nemen. Of een driedeling is het eigenlijk: tussen de hele rijken met enorme vermogens aan de ene kant, de (slinkende) middencategorie met een baan en de groep daaronder die geen van beide heeft.

Die eerste groep – aangevoerd door de 85 rijkste mensen op aarde die samen 1,2 biljoen euro bezitten, evenveel als de armste 3,5 miljard mensen – trekt steeds meer welvaart naar zich toe, met dank aan de technologische vooruitgang. De andere twee groepen moeten toezien hoe ze uit de markt worden geprezen door goedkope, krachtige (digitale) technologieën. Deze keer moeten zelfs witteboorden/professionals te vrezen: nog even en een computer kan net zo goed een jaarrekening controleren als een accountant, onderwijs kun je nu al vaak beter volgen bij een topdocent van een virtuele universiteit dan in de collegebanken bij een humeurige professor.

Dat ‘jobless growth’ leidt tot verdere ongelijkheid komt natuurlijk niet door de technologie, maar door ons. En met ‘ons’ bedoel ik natuurlijk jullie: de politici die bepalen hoe de welvaart wordt verdeeld. ‘Jobless growth’ komt niet doordat de technologie onbeheersbaar is, en het is geen economisch maar een politiek vraagstuk: hoe ongelijk willen we het hebben? Enige economische ongelijkheid is nodig om groei en ondernemerschap te stimuleren, maar een extreme concentratie van rijkdom kan tot sociale spanningen leiden (en misschien – maar daar zijn de geleerden het niet met elkaar over eens, leidt ongelijkheid ook wel lagere groei). Hoe dan ook, nu lijkt toenemende ongelijkheid uit te groeien tot de meest waarschijnlijke bedreiging van de wereldeconomie in de komende tien jaar (zegt het World Economic Forum tenminste).

Hoe de ongelijkheid door ‘jobless growth’ tegen te gaan? Je kunt als politicus natuurlijk krampachtig proberen om banen te creëren, maar waarom zou je? Waarom moeten mensen werken? Om geld te verdienen? We zijn welvarend genoeg – nogmaals, dat is – lang leve de techniek – het probleem niet. Laten we ons liever instellen op een vrijetijdsmaatschappij. Laten we erkennen dat het probleem niet is dat er zo weinig banen zijn, maar dat de welvaart niet goed is verdeeld en dát proberen te verhelpen. Een voor de handliggende oplossing is het om hogere belastingen te heffen bij de rijksten zodat de rest van de mensen in de vrijetijdsmaatschappij beter kunnen worden beloond (een basisinkomen, waarom niet). Gezien de vele complicaties die dit met zich mee zal brengen is dit lastig uitvoerbaar – alleen door de belastingconcurrentie tussen verschillende landen zal het moeilijk worden om de belasting naar believen te verhogen.

Daarom misschien een ketterse suggestie. Laten we meer staatsbedrijven oprichten, die tegen schappelijke prijzen producten en diensten aanbieden en hun winsten grotendeels afdragen als belasting. Het belangrijkste gebruikelijk bezwaar (er zijn er meer) tegen een dergelijke constructie met ‘de overheid op de stoel van de ondernemer’ is dat dit inferieure producten en diensten oplevert en bovendien met een enorme verspilling gepaard gaat. Dat zal best, maar wat zou het? De overheidsbedrijven bedienen mensen aan de onderkant van de markt, die liever inferieure producten hebben dan helemaal geen producten. En die verspilling? Ach, dankzij alle productiviteitswinst die de voortschrijdende technologie oplevert is dat wel het minste probleem.

Deel:

4 gedachten over “De vrijetijdsmaatschappij (Meer welvaart, minder werk)”

  1. Een mooie Bletzpraat weer…

    Het probleem van gratis geld uitdelen (een basisloon voor iedere inwoner) is dat werk zo belangrijk blijkt te zijn voor mensen. In Amerikaanse wijken met hoge werkloosheid zijn veel meer sociale problemen (o.a. criminaliteit) dan in wijken waar wel werk is, maar even weinig welvaart.

    Daniel Pink stelt in zijn boek ‘Drive’ dat mensen gedreven worden door drie dingen: autonomy, mastery and purpose. Een baan voorziet ze hierin.

    Er zullen dus toch banen gecreëerd moeten worden, om te compenseren voor de banen die door technologie verloren gaan. Staatsbedrijven zijn daar mischien wel een hele mooie mogelijkheid voor.

  2. Ik weet het ook niet wat betreft dat basisloonverhaal. Er zullen hoe dan ook nieuwe banen gecreëerd moeten worden, of mensen moeten leren omgaan met veel meer vrije tijd. Lastig lastig.

Geef een reactie