Geen gevoel voor cabaret

Geen gevoel voor cabaret

Van de week las ik een bericht dat enkele cabaretiers in navolging van Najib Amhali zijn overgestapt (of was het ‘overgelopen’?) van de Vara naar RTL.

Het riep bij mij de herinnering op aan die avond enkele jaren geleden, toen ik een voorstelling van de cabaretier Youp van ’t Hek bezocht die enorm geestig moet zijn geweest. Overal om me heen mensen die moesten schuddebuiken van het lachen, maar bij mij kon er geen glimlach af. Aanvankelijk had ik nog geamuseerd gekeken, met een welwillende glimlach op mijn gezicht. Maar naarmate de avond vorderde, werd ik meer en meer afgeleid door al die proestende woe-ha-ha-ers die me omringden. Een gevoel van eenzaamheid besloop me. Wat een gezellige avond uit had moeten zijn, werd een treurige bedoening.

Het lag niet aan ‘Youp’. Nee, ‘Youp’ is een ‘vakman’ , een ‘entertainer pur sang’, een ‘geboren clown’ . Het lag aan mij: geen gevoel voor humor, of in elk geval geen gevoel voor cabaret.

Ooit legde ik mijn probleem voor aan de toen nog niet zo bekende cabaretier Micha Wertheim. Hij bleek vol begrip: hij had ook een hekel aan cabaret, zo’n hekel zelfs dat hij cabaret maakte voor mensen die een hekel hadden aan cabaret! Ik moest echt eens een van zijn voorstellingen bijwonen. Het is er nooit van gekomen, misschien heb ik het nooit aangedurfd door mijn traumatische ervaring bij Youp van ’t Hek. Toen ik Wertheim onlangs weer ontmoette (hij herkende mij niet, maar ik hem wel), herhaalde ik maar eens dat ik niet van cabaret hield. Het succes bleek hem te hebben veranderd. Niet van cabaret houden? Maar er waren zoveel verschillende soorten cabaret en zoveel verschillende cabaretiers. Wat een onzin om alles over één kam te scheren. Ik had net zo goed kunnen zeggen dat ik niet van muziek hield. Of dat ik een hekel had aan oorlog.

Zat iets in natuurlijk – al zou ik zo gauw niet weten welke soorten oorlog mijn voorliefde hebben – en het zette me aan het denken wat het toch is dat me tegenstaat aan cabaret. Aan alle soorten cabaretiers, bedoel ik. Of liever gezegd aan de twee soorten cabaretiers (daarmee heb je ze bijna allemaal wel gehad) die met elkaar wedijveren om onze gulle lach en aandachtige overpeinzing.

De ene soort is de erfgenaam van de dominee. Hij geselt zijn toehoorders, hekelt het grootkapitaal, de politici en de heersende mode. Hij prikt valse pretenties door, hij preekt zijn preek en hij spreekt zijn zalvende woorden. Zijn vele grappen dienen om zijn boodschap kracht bij te zetten. Waarom dan nog lollig doen, vraag ik me altijd diep ongelukkig af. Kom liever direct ter zake, dan kan ik tenminste naar huis.

Voor de tweede soort (die in zijn zuivere vorm evenmin voorkomt als de eerste soort; het gaat hier ff om de idealtypen) zijn de grappen juist eerder doel dan middel. De ene grap na de andere rolt van zijn mond, zonder enig verband, zonder enige richting. Van mij mag iedereen krampachtig leuk doen, dat is het niet. Maar waartoe?, vraag ik me altijd af. En ook hier: wanneer mag ik weer weg?

Soms, heel soms, breekt er wel een lach bij me door als ik een cabaretier zie, en wel wanneer ik de indruk heb dat hij iets van zijn oprechte emoties laat doorschemeren. Vooral wanneer hij zijn (zelf)haat of verontwaardiging over de ‘condition humaine’ of het onrecht in de maatschappij in humor weet te vatten. Volgens mij heb ik Najib Amhali dat wel eens zien doen. Wel lang geleden trouwens, volgens mij zat hij toen nog niet eens bij de Vara.

Deel:

Geef een reactie