Het rampenplan van Naomi Klein

Naomi Klein, auteur van No Logo en The Shock Doctrine, over het neoliberale ‘rampenkapitalisme’, pakt in haar nieuwe boek het probleem van de klimaatverandering aan. Ze pleit ervoor de wereld te redden door dat rampenkapitalisme maar helemaal af te schaffen. Hoe realistisch en wenselijk is die gedachte?

Het nieuwe boek van journaliste/activiste Naomi Klein heet in het Nederlands No Time. Verander nu voordat het klimaat alles verandert, terwijl de oorspronkelijke titel No Time is, en de ondertitel Capitalism versus the Climate. Kapitalisme versus het klimaat, met andere woorden – en dat geeft in een notendop waar het Klein om te doen is: “Wat het klimaat nodig heeft om instorting te voorkomen, is de inkrimping van het menselijk gebruik van grondstoffen. Wat ons economische model vereist om instorting te vermijden, is onbelemmerde expansie. Er kan maar één stel regels worden veranderd en dat geldt niet voor die van de wetten van de natuur”, schrijft Klein. En ze concludeert: “We staan voor de grimmige keus: alles in de wereld laten veranderen door de ontwrichting van het klimaat of zo ongeveer alles aan onze economie veranderen om aan dat lot te ontkomen.” Ze wil de planeet redden door afschaffing van het (ongebreidelde) kapitalisme. Haar boek gaat niet alleen over broeikasgassen, maar ook – vooral zelfs – over het kapitalisme, of liever gezegd het ‘neoliberaal marktfundamentalisme’ dat ze in ‘The Shock Doctrine’ ook al op de schop nam.  Als het niet wordt afgeremd, zal het de planeet vernietigen.

Klein meent dat de klimaatcrisis schreeuwt om een totale omwenteling van onze maatschappij. We moeten consuminderen, energiebesparende maatregelen nemen, alleen nog hernieuwbare energie gebruiken, en tegelijkertijd toewerken naar een localere economie, een andere landbouw en een eerlijker verdeling van bezit en inkomen binnen en (vooral) tussen landen over de hele wereld. Een andere economie dus. Een heel andere economie: ze pleit voor het terugdraaien van privatisering van nutsbedrijven; voor op de lokale markt gerichte productieprocessen tot een moratorium op het boren naar schaliegas en andere nieuwe, extreme vormen van energiewinning; voor desinvesteringen door publieke instellingen en pensioenfondsen uit de fossiele industrie tot investeringen in hernieuwbare energiebronnen; voor zware belastingheffing op vervuilende industrieën, voor enorme overheidsuitgaven om alle veranderingen te financieren.

Verslaafd

Dat is nogal wat, en Klein geeft onmiddellijk toe dat het niet makkelijk zal zijn de weg naar een betere wereld af te leggen. Want wie zal zich hiervoor inzetten?

Grote bedrijven in elk geval niet, die zijn te zeer ingesteld op winststreven en te zeer aan groei zijn verslaafd. Voorzover ze al mooie groene dingen doen, dan is dat volstrekt onvoldoende om de klimaatverandering te keren door ons naar nul uitstoot te brengen. Miljardairs zoals Richard Branson van de luchtvaartmaatschappij ‘Virgin’ beloven meer dan ze waarmaken. Nieuwe technieken dan? Een grote schoonmaak van de wereld kan ertoe leiden dat er allerlei nieuwe diensten en producten worden ontwikkeld. Tot verduurzaming van de bouw, bijvoorbeeld, tot het inwisselen van inferieure voor verantwoorde producten. Tot ‘groene groei’, kortom, waarbij het klimaat en het kapitalisme beide gedijen. Klein gelooft er niets van. Ze gruwt bij het idee om helium-ballonnen sulfaat de atmosfeer in blazen, als een soort verduisteringsgordijn. Onverantwoord riskant, vindt ze dergelijke pogingen tot ‘geo-engineering’ in het slechtste geval, want maar al te vaak dreigen er allerlei onbedoelde effecten. En altijd leiden dergelijke ‘spielereien’ af van wat écht moet gebeuren.

En regeringen? Die bepalen toch of bedrijven een ‘license to operate’ krijgen? Zij kunnen de voorwaarden waaronder bedrijven werken toch dicteren? Welnee, stelt Klein. Zij heeft niet veel op met de politiek, die volgens haar is overgeleverd aan het grote bedrijfsleven. Dat blijkt wel uit de halfhartige pogingen om CO2-emissies te beperken. De emissiedoelen zijn volstrekt onvoldoende, constateert Klein, en bovendien veel te vrijblijvend.

Tot overmaat van ramp hebben veel milieugroeperingen en andere NGO’s zich aangepast aan het neoliberale model. Ze verdedigen bijvoorbeeld de CO2-emissiehandel, terwijl die is mislukt. Big Green noemt Klein ze: de Amerikaanse NGO’s die samenwerken met met politici uit Washington en grote bedrijven: Nature Conservancy, Conservation International, het Conservation Fund, WWF en het Environmental Defense Fund – organisaties die banden hebben met grote energiebedrijven, Walmart en andere bedrijven die mede-verantwoordelijk zijn voor de ecologische crisis.

Ook over de burgers annex consumenten is Klein niet onverdeeld positief. Ze realiseert zich dat dat we in beslag genomen worden door (schijnbaar) dringender zaken, dat ‘we tegen onszelf zeggen dat het enige wat we kunnen doen, is ons op onszelf te richten’, zoals ze het uitdrukt. “We mediteren, kopen biologisch voedsel en doen de auto de deur uit. Maar we vergeten het systeem te veranderen dat de crisis onvermijdelijk maakt omdat het toch niet werkt.” Toch heeft ze haar hoop gevestigd op ons, de burgers. Ze wijst er op dat er veel verzet is in ‘blockadia’ (samenvoeging van ‘blokkade’ en ‘utopie’) tegen de oliemaatschappijen en hun ontginning van teerzanden in Canada en het gevaarlijke boren op grote diepte aan de Noordpool. In ontwikkelde landen zijn het vaak steden en dorpen die meer ruggengraat tonen dan de landelijke overheid. Er zijn links en rechts al aardige successen behaald.

Moed

Hier put zij moed uit: “Als er ooit een moment is geweest om een plan te lanceren dat de aarde kan genezen en ook onze kapotte economieën en onze versplinterde gemeenschappen kan repareren, dan is het nu.” Ze betoogt dat ‘de urgentie van de klimaatcrisis de basis zou kunnen vormen van een machtige massabeweging, eentje die van al deze ogenschijnlijk verschillende zaken een coherent verhaal weeft, over hoe de mensheid beschermd kan worden tegen de verwoestingen van zowel een afschuwelijk onrechtvaardig economisch systeem als een gedestabiliseerd klimaatsysteem’. Voor Klein is de strijd tegen het broeikaseffect de voltooiing van een eeuwenoude strijd voor emancipatie, de ultieme bevrijdingsbeweging. Het gaat verder waar de strijd tegen slavernij, kolonialisme, racisme en vrouwendiscriminatie zijn opgehouden en het is de mogelijkheid deze oorlog voor eens en altijd te winnen.

De strijd tegen de opwarming van de aarde als een soort herhaling van eerdere emancipatiebewegingen? Vergezocht is die parallel wel, en misleidend bovendien. Want is het klimaatprobleem niet vooral zo moeilijk oplosbaar omdat zo weinig partijen daar direct bij gebaat zijn? Omdat iedereen voor een betere wereld is, maar vrijwel niemand er direct belang bij heeft om er naar te streven – sterker nog, omdat vrijwel niemand er een cent meer door verdient (en heel wat mensen een cent minder)? De mensen in Groningen, wier huis begint te verzakken door de boringen naar aardgas hebben misschien direct belang bij een maatschappelijke omwenteling zoals Klein die voorstaat. Maar verder? En zelfs de huizenbezitter in Groningen leidt een luxebestaan vergeleken bij dat van de slaaf, de vrouw tot aan het begin van de twintigste eeuw en de onderdrukte minderheden die veel te winnen en weinig te verliezen hadden bij een emancipatorische revolutie. Hier wringt het betoog van Klein; het is alsof ze tegen beter weten wijst op die bevrijdingsbewegingen uit het verleden.

Planet of the Apes

Een wezenlijker bezwaar is dat omwenteling zoals Klein die voorstaat misschien helemaal niet zo aantrekkelijk is als zij doet voorkomen. Tijdens het lezen van No Time moest ik onwillekeurig denken aan Rise of the Planet Of the Apes en de vervolgfilm Dawn of the Planet of the Apes.

De eerste film gaat over hoe apen de macht van de mensheid overnemen – lees: hoe de natuur wraak neemt op de mens na eeuwen te zijn mishandeld en uitgebuit. De apen zijn geen lieverdjes, maar eerlijk is eerlijk, de mens heeft zijn eigen onheil ook wel een beetje over zichzelf afgeroepen.

In het vervolg krijgen we te zien hoe de apen onderling verdeeld raken na hun succesvolle machtsgreep. De leider van de apen, Caesar, komt tot het inzicht dat de revolutie haar eigen kinderen opeet. Dat bezwaar geldt ook tegen de hemelbestormende ideeën van Klein en haar oproep tot oorlog tegen het kapitalisme. Haar ramenplan zou best eens ramzalig kunnen uitpakken. In het gebrekkige Engels van de sprekende topaap Caesar: “If we go to war, we could lose all we’ve built. Home. Family. Future.”

(Artikel geschreven voor Respons!)

Deel:

Geef een reactie