Het rendementsdenken voorbij

Als ik het wel heb, zijn er volgens de protesterende studenten twee bezwaren tegen het alomtegenwoordige ‘rendementsdenken’.

Het eerste is dat het rendementsdenken alomtegenwoordig is. Ten onrechte, want er is toch meer in het leven dan ‘rendement’? Je kunt niet alles in geld uitdrukken, er is meer in het leven, de mens leeft niet bij brood alleen. Als het aan het rendementsdenkers lag, zou er bijvoorbeeld geen literatuur meer worden geschreven. Rendementsdenkend gezien is iemand die boeken schrijft in elk geval flink van lotje getikt: schrijven is maximale input, minimale output (geringe financiële beloning en maatschappelijke waardering, één keer per jaar naar het Boekenbal). Waanzinnig, zoals het thema van deze boekenweek terecht suggereert. Terwijl literatuur toch ook ‘waardevol’ is – al is die dan niet of nauwelijks te bepalen.

Het tweede bezwaar is dat het rendementsdenken zichzelf ondermijnt – dat de investeringen (de studiekosten) onvoldoende (welvaart) opleveren, en dus onrendabel zijn zolang het rendementsdenken domineert. Dat kan beter. Door minder op rendement te sturen (wat levert dat college, die studie etc. student en maatschappij) op, zou er juist meer rendement uit de hoge hoed van de universitaire studie kunnen worden getoverd. Studenten zouden meer tijd moeten krijgen vooor dagdromen, luieren, sociale en creatieve activiteiten: dat zou meer opleveren dan de huidige cijferdwang en prestatiedruk.

Die twee bezwaren zijn niet nieuw. In de geschiedenis van de economie (zo’n vak waarvan het nut twijfelachtig is en dat dus met uitsterven wordt bedreigd) zien we dit aan de kritiek op het ‘scientific management’ van de eerste denker over management, Frederic Taylor (1856-1915). Voor Taylor was de natuurlijke luiheid van de werknemer een van de oorzaken van inefficiency van ondernemingen. Taylor stelde voor het productieproces uiteen te rafelen en een vergaande rationalisering door te voeren in het productieproces. Er moest voor elke werknemer een soort van programma van opeenvolgende handelingen gemaakt worden om tot een op en top efficiënt productieproces te komen met, jawel, een maximaal rendement voor het bedrijf.

Kritiek was er genoeg. Een eerste punt was dat Taylor geen oog had voor de sociale behoeften van de mens, zoals behoefte aan waardering en erkenning. Dit was de kritiek van iemand als Elton Mayo (in de jaren ’30), die – mutatis mutandi – in grote lijnen overeenkomt met de kritiek op het rendementsdenken in het onderwijs: je kunt niet alles ‘monetariseren’, de geest moet ook gevoed worden etc. Het is ook in het voordeel van de universiteit/het bedrijf wanneer men de studenten/werknemers het gevoel kan geven dat ze belangrijk zijn: ze denken dan meer mee, spannen zich beter in en leveren een hoger rendement op.

Veel radicaler is het tweede kritiekpunt, tegen de extreem doorgevoerde arbeidsverdeling, en de gevoelens machteloosheid, zinloosheid en – op z’n Marxistisch gezegd – vervreemding die deze oplevert. William Morris (1834-1896) drukt het nog het duidelijkst uit: “Duizenden mannen en vrouwen maken Niets met vreeselijke en onmenschelijke inspanning die de ziel doodt en het leven verkort.” (Uit: Kunst en Maatschappij, vertaling van Art & Society).” Schaf dus de (leer)fabriek af, ondermijn de regels en de procedures, vervang desnoods de autoriteiten en hervind de zin van en in het leven. Exit rendementsdenken – en je krijgt maximaal rendement. Hoe dan? Wat is het alternatief? Tja.

Morris zelf was voorstander van een heropleving van het ambacht. Hij probeerde dit te realiseren door een werkgemeenschap op te richten naar het voorbeeld van de middeleeuwse gildes. Deze werkgemeenschap vormde een platform voor verscheidene middeleeuwse ambachten, waaronder het ontwerpen van glasramen, het maken van meubilair, borduurwerk en behangsels. “Wij moeten onze ziel zuiveren van de zucht naar winstbejag”, schreef hij. Hij wilde ‘opnieuw die schoonheid en orde voort brengen, die slechts de hand des menschen, die geleid wordt door zijn ziel, kan scheppen’. Ideeën die we terugvinden bij Bauhaus en De Stijl en her en der bij de hippiebeweging. Ideeën ook die mij best sympathiek voorkomen, maar naar ik vrees wel erg wereldvreemd zijn.

Een alternatief voor het rendementsdenken? Dat is er volgens mij niet. Misschien kunnen we wel de dominantie ervan terugdringen. Of dat in elk geval proberen. Laatst begon een vriend tijdens een concert in de Kleine Komedie uit te rekenen wat de artiest overhield aan het concert (Bitter weinig, volgens hem. Zijn redenatie: in de zaal passen misschien 500 mensen, die betalen ieder 30 euro, en van de 15.000 euro omzet moeten 5 mensen worden betaald, de zaalhuur, reis- en verblijfkosten – als de artiest er 500 euro aan overhoudt is het veel).

Toen had ik kunnen zeggen: houd op met dat eendimensionale rendementsdenken, doe jezelf niet zo tekort, er is zoveel meer in het leven. Luister naar de muziek.

Deel:

Geef een reactie