Onvermijdelijke cellulitis (Over de cellentheorie van Eckart Wintzen)

Onvermijdelijke cellulitis (Over de cellentheorie van Eckart Wintzen)

Nu de cellen van Eckart Wintzen zich niet meer delen is het misschien een goed moment even stil te staan bij zijn belangrijkste nalatenschap: zijn cellentheorie.

Kort samengevat komt die er op neer dat een onderneming het beste presteert als de schaalgrootte beperkt is. Een ‘business unit’, een ‘cel’ met maximaal 70 mensen of zo, en niet veel meer want a) meer mensen kunnen de voor het bedrijf zo belangrijke leiders niet persoonlijk aansturen en b) je kunt het dan stellen zonder wat ik maar even ‘cellulitis’ noem : personeelsmanagers en ander ondersteunend personeel dat voornamelijk in de weg zit.

Als zo’n onderneming door z’n succes groter groeit, dan kun je deze maar het beste opsplitsen. Dan kan de tweede man van de betreffende cel voor zichzelf beginnen met de helft van het oude personeel en de klanten. Die tweede man kan dan concurreren met z’n oude baas, en reken maar dat hij zich wil bewijzen. En zo kan er celdeling na celdeling plaatsvinden, en kan de onderneming blijven groeien.

Wel is er enige centralisatie nodig. Er zijn nu eenmaal overkoepelende, celoverstijgende activiteiten nodig. Denk aan: strategieontwikkeling, in- en externe communicatie, levering van ondersteunende diensten en financiering (extern/’in house banking’). Maar hoe meer zelfstandigheid de de cellen hebben, hoe beter.

Is dit een goede theorie? Soms wel, soms niet. Wel als je een paar kleine klanten hebt en als je niet al te ingewikkelde diensten hoeft te leveren. Een uitzendbureau kan zo wel functioneren. Waarbij het dan wel voor lief moet nemen dat het bepaalde schaalvoordelen misloopt (één groot centraal kantoor is bijvoorbeeld goedkoper dan tientallen afzonderlijke kantoortjes). En dat je de flexibiliteit en slagvaardigheid ontbeert van kleine zelfstandigen en van losvaste samenwerkingsverbanden (‘netwerkorganisaties’ en andere adhocratieën).

Je hebt weinig aan deze theorie als je grote klanten hebt, klanten die in verschillende landen actief zijn of als verschillende disciplines vast moeten samenwerken binnen jouw bedrijf of je erg kapitaalintensief bent. Een cel is dan al snel te klein om klanten te acquireren en bedienen en is bovendien te duur. Een elektronicaconcern kan zo niet bestaan.

De tragiek van Wintzen was, dat zijn bedrijf BSO te groot groeide. Hij moest daardoor de rol van het centrum zwaarder aanzetten: dat moest de werving van grote klanten op zich nemen en ervoor zorgen dat de cellen samenwerkten om grote opdrachten te kunnen uitvoeren. Op termijn bleek met name dit laatste niet te doen. Cellen moesten worden samengevoegd, en aan de bijbehorende cellulitis viel toen niet meer te ontkomen.

Deel:

Geef een reactie