Paria-noia (Over de verkettering van Woody Allen)

Je zult maar vrouw, zwart, homoseksueel (vul hier een minderheid naar keuze in) zijn geweest in 1890, 1940 of zelfs 1960 (vul hier een willekeurig jaar in, zolang het maar voor het midden van de jaren zestig is). Wat zul je dan een last hebben gehad van vooroordelen, discriminatie en ongelijke behandeling.

Gelukkig is duidelijk met welke principes we achterlijke denkbeelden te lijf kunnen.

Het principe dat iemand – ongeacht afkomst, huidskleur, geslacht etc. (vul naar keuze in) – onschuldig is totdat zijn schuld bewezen is. Dat discussies over iemands (on)schuld prima zijn. Maar dat het uiteindelijk aan de bevoegde instanties is of iemand schuldig wordt bevonden: de rechter, de beroepscommissie, de tuchtraad – niet aan ‘publieke opinie’ of ‘de media’ in elk geval.

En in de tweede plaats natuurlijk dat we onderscheid kunnen maken tussen iemand en zijn eventuele wandaden.  

Vandaar dat iemand die ergens schuldig is bevonden die schuld ook kan inlossen, zonder de rest van zijn leven te worden achtervolgd: een crimineel die zijn gevangenisstraf heeft uitgezeten, hoeft geen boete meer te doen, maar kan weer worden opgenomen in de samenleving.

Vandaar ook dat iemands denkbeelden niet per se verwerpelijk zijn omdat hij misschien niet helemaal zuiver op de graat is. Trouwens, zelfs de beste mensen zijn tot slechte daden in staat en de slechtste mensen kunnen de beste gedachten hebben. Als je geen scheiding aanbrengt tussen wie hij is en wat hij zegt, kun je elk debat doodslaan: hij zegt nu wel dat (vul argument in naar keuze), maar zelf neemt hij het ook niet zo nauw met (vul misstap of karakterfout naar keuze in). Ad hominem-argumenten zijn de dood in de pot.

Dat is het wel in grote lijnen, geloof ik. Simpel. Maar ook effectief, in die zin dat de vooruitgang ermee is gediend. Wetenschappelijke kennis is gebaat bij eerlijke debatten, gebaseerd op redelijke argumenten. De maatschappij is beter af als mensen zonder aanziens des persoons (ongeacht hun ‘identiteit’ zoals dat tegenwoordig geloof ik heet) worden behandeld. De onderlinge omgang is gebaat bij een minimum aan vooringenomenheid, gejijbak en identiteitspolitiek.

Dit alles als lange – en ik geef het direct toe, wellicht zelfs slaapverwekkende inleiding – tot een commentaar op het bericht dat de regisseur Woody Allen geen uitgever voor zijn memoires kan vinden.

Waarom niet?, vraag je je af. De memoires van iemand die van invloed is geweest op talrijke komieken en filmers, van de in vergelijking tot Allen misantropische  Larry David (Seinfeld, Curb Your Enthousiasm) en veel slaafsere navolgers als Ricky Gervais (The Office) en Rob Reiner (When Harry Met Sally): interessant toch?  

Vooral (wat mij betreft dan) waar hij het over zijn ambacht heeft – hoe herken je een komische situatie, hoe bouw je grappige scène op, dat soort zaken. Ik kan me voorstellen dat er ook mensen die vooral de autobiografische passages willen lezen. Zeker aangezien Allen ooit beschuldigd is van incest. En hoewel de rechter hem onschuldig heeft verklaard, zullen veel mensen  wellicht benieuwd wat hij hier nog over heeft te vertellen. Kortom, een uitgever moet wel brood zien in die memoires van Woody Allen, zou je zeggen.

Toch ziet het er niet naar uit dat ze zullen verschijnen. Zoals hij waarschijnlijk ook geen films meer zal maken, nu steeds minder acteurs met hem willen werken. En de films die hij nog op de plank heeft liggen waarschijnlijk ook niet zullen worden uitgebracht.

Woody Allen is een paria geworden, en wie durft zich nog met een paria in te laten? Het zijn de jaren zestig niet.

Beeld: Wikipedia, still uit Take the Money and Run (1969)

Deel:

Geef een reactie