Trade or aid? (Liever handel dan ontwikkelingshulp?)

Trade or aid? (Liever handel dan ontwikkelingshulp?)

Vroeger liep Nederland voorop omdat we een hoog percentage van het nationaal inkomen wegschonken aan ontwikkelingshulp, nu lopen we voorop omdat we een heuse ‘minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking’ hebben. “De Rijksoverheid wil duurzame economische groei in ontwikkelingslanden bevorderen. Het verband tussen ontwikkelingssamenwerking en buitenlandse handel wordt daarom sterker”, heet het op de site van de Rijksoverheid.

‘Daarom’ dus. Omdat ontwikkelingshulp niet helpt, is de gedachte. We geven geld uit een soort plichtsbesef, medelijden of schuldgevoel. Misschien sympathiek en goedbedoeld, maar wordt de ontvanger daar minder arm en hulpbehoevend van? Nee. Wie hulp ontvangt, raakt er al gauw aan verslaafd en verleert het de eigen broek op te houden. Hulp brengt geen groei, maar corruptie, luie politici en een impotente, van hulp afhankelijke economie. Zoals de Zambiaanse econome Dambisa Moyo zegt: Afrika is nog steeds arm ondanks de één biljoen (1.000.000.000.000.000.000) dollar hulp die het in de afgelopen 50 jaar ontving. ‘Daarom’ geen hulp, want hulp helpt niet.

Zit wat in, in dat ‘daarom’. Maar is ‘daarom’ bevordering van buitenlandse handel wenselijk? Moet wie zijn bedenkingen heeft tegen ontwikkelingshulp dús (daarom) voor handel zijn? Dat idee zal wel gebaseerd zijn op onze eigen ervaringen. In het westen hebben we onze welvaart te danken aan handel – of liever gezegd aan verregaande arbeidsdeling en handel, waar alle betrokken partijen aan verdienen – waarom zou dat niet ook werken in ontwikkelingslanden? Liever ‘trade’ dan ‘aid’: alleen geld geven in de verwachting een tegenprestatie te krijgen, alleen als er een ‘win-win situatie’ is.

Enkele jaren geleden was ik voor zaken (soort van) in Mumbai, en had ik nieuwe visitekaartjes nodig. Nadat ik vergeefs had aangeklopt bij een paar kruideniersachtige zaakjes, werd ik door een meisje van een jaar of 12, 13 aangeschoten: “Can I help you sir?” Ja, zij wist wel waar ik snel kaartjes kon laten drukken, zei ze. Inderdaad, een printerette: natuurlijk hadden ze die hier ook. Apparaten om zelf kaartjes te ontwerpen? Vanzelfsprekend. In een handomdraai geregeld, sir! Zo liepen we weer een paar kruideniersachtige zaakjes in en uit. “Hier hebben ze het”, zei ze, voordat we weer een winkel in liepen. “Bij de volgende volgende winkel hebben ze het”, nadat we een winkel weer hadden verlaten. Na het zoveelste kruideniersachtige zaakje geloofde ik het wel.

Voordat ik afscheid van mijn kleine gids nam, gaf ik haar nog een fooitje. Ondernemerschap moet worden beloond, nietwaar, en initiatief aangemoedigd. En zij had haar best gedaan; de prestatie had misschien niet helemaal opgeleverd wat ik ervan gehoopt had, maar haar inspanning was er niet minder om geweest. Grootmoedig stopte ik haar een bankbiljet toe. Dat heb ik geweten. Uit alle hoeken en kieren van de stad stroomden straatkinderen naar ons toe. Ondernemende types, stuk voor stuk, die in mij een klant vermoedden. Op zoek naar handel, op zoek naar een win-winsituatie. Niet naar ‘aid’ maar naar ‘trade’.

Ontwikkelingshulp wordt wel eens gezien als een druppel op een gloeiende plaat. Handel, niet dan?, dacht ik, terwijl ik door de straten van Mumbai holde en het “Can I help you sir?” uit tientallen kelen omhoog steeg.

Deel:

Geef een reactie