Pasen van Wagner zo christelijk nog niet

Wagners opera Parsifal lijkt oppervlakkig beschouwd nog het meest op een uiting van 19e eeuws cultuurchristendom, waarbij de mystiek van de hoogmis vermengd is met de opiumvisioenen van het symbolisme.

Toch is dit mysteriedrama beslist meer dan een knieval voor het kruis (zoals de filosoof Nietzsche meende). Via de filosofie van Schopenhauer was Wagner in aanraking gekomen met de Indiase filosofie en het boeddhisme. Lange tijd heeft Wagner met de gedachte gespeeld een boeddhistisch gegeven teĀ toonzetten. Uiteindelijk koos hij er voor zijn Oosterse preoccupaties te vertalen in Westerse beelden middels de Arthur-legenden rond de reine dwaas Parsifal.

Aldus daalde Wagner diep af in de talloze betekenislagen van deze verhalen, om zo de gemeenschappelijke Indogermaanse wortels op het spoor te komen die Oost en West met elkaar verbinden. De klankwereld die Wagner voor dit visioen bedacht, behoort tot het meest serene van de hele Westerse muziektraditie. Onvergetelijk is de schildering van de Goede Vrijdag in de derde akte, waarin de hele natuur getransformeerd wordt door het mysterie van Pasen.

Bron: Muziekweb

Deel:

Geef een reactie