Voor verhoging van de kiesdrempel

De herziene Kieswet uit mei 1989 maakt het nieuwe partijen moeilijk deel te nemen aan de Tweede-Kamerverkiezingen. Dit komt vooral door de hoge waarborgsom die de nieuwe wet eist van degene die zijn partij laat registreren. De wet is in zoverre welkom dat het aantal partijen in de Tweede Kamer wellicht niet meer zal toenemen. Maar helemaal gelukkig is de ingreep in het kiesstelsel allerminst. De hoge waarborgsom schrikt niet alleen Loesje-achtige groeperingen af, die bovenal uit zijn op een glimlach van de kiezer of ander buitenpoliteke doeleinden. Ook veel partijen met een serieus partijprogramma wordt in feite de toegang tot het Parlement ontzegd. Een verhoging van de kiesdrempel was beter geweest.

Het is wenselijk dat niet al te veel splinterpartijen in de Tweede Kamer plaatsnemen. Dit kan men concluderen op grond van de volgende drie argumenten.

1. Naarmate er minder partijen zijn, kunnen onderhandelingen over wetsvoorstellen en dergelijke sneller plaatsvinden.

Er hoeven dan minder tegenstrijdige standpunten met elkaar te worden verzoend. Bovendien zijn er minder partijvertegenwoordigers bij de onderhandelingen betrokken. Een consensus tussen de betrokken partijen is al met al eerder gevonden. (zie noot 1)

2. Niet alleen funktioneert de parlementaire democratie vlotter naarmate er minder partijen zijn, ook de kwaliteit van het bestuur is beter. (2)

Momenteel is het zo dat de kiezer die uit ontevredenheid over de regering op een oppositiepartij stemt, altijd bedrogen uitkomt. Of hij stemt op een splinterpartij, die waarschijnlijk niet in de regering wordt opgenomen. Of hij stemt op een grote oppositiepartij – en die komt misschien wel in de regering, maar moet vrijwel zeker samen regeren met het CDA. Het regeringsbeleid hangt zodoende vooral af van wat het CDA wil, niet van de wensen van de kiezers. Zelfs als de oppositiepartijen op papier een kamermeerderheid zouden kunnen vormen, gebeurt dit niet. Tot een samenwerking komt het toch niet, daarvoor houden de splinterpartijen te zeer vast aan hun eigen identiteit.

Als er minder splinterpartijen in de Tweede Kamer zijn, kunnen de kiezers de regeringspartijen naar believen afstraffen en belonen. Mocht het regeringsbeleid hun niet bevallen, dan stemmen ze na vier jaar en masse op de oppositiepartijen. Die krijgen vervolgens de kans zich tot de volgende verkiezingen te bewijzen. Om hun positie te handhaven, moeten de vertegenwoordigers van de regeringspartijen hun best doen bij het publiek in de gunst te komen. De wil van de kiezer is wet. (3)

3. Beperking van het aantal partijen in de Tweede Kamer zou de bestaande afkeer van de politiek verminderen.

Allereerst is dit zo omdat de inperking de efficiency van het bestuur zou verhogen en de kwaliteit verbeteren – vanzelfsprekend zouden de burgers dit waarderen. Ook speelt mee dat de burgers bij de verkiezingen zich uitspreken voor partijen die een reële kans op regeringsmacht hebben. Ze worden zodoende gedwongen na te denken of de idealen die de partijen verkondigen uitvoerbaar zijn. Dit zal leiden tot een pragmatische instelling bij de kiezer. Hij zal zich niet meer zo snel teleurgesteld voelen wannneer er weinig terecht komt van het partijprogramma waarmee hij zich het meest vereenzelvigt: hij heeft leren schipperen tussen droom en werkelijkheid. (4)

De Kieswet uit mei 1989 zal zeker bijdragen tot beperking van het aantal splinterpartijen in de Tweede Kamer. De waarborgsom die een nieuwe partij moet indienen is opgetrokken van ?1000 per kieskring tot ?25 000, ongeacht in hoeveel van de 19 kieskringen de partij deelneemt. Bij de Tweede Kamer-verkiezingen vorig jaar (toen de oude Kieswet nog van kracht was) klaagden de nieuwe partijen al steen en been dat het hun zoveel moeite kostte geld bijeen te brengen – en vaak ging het dan om een paar duizend gulden, voor 10 kieskringen of nog minder. Hoe moeten de partijen die zich voor de volgende landelijke verkiezingen willen registreren de vereiste ?25 000 dan ooit opbrengen? Ze mogen wel meedoen aan de verkiezingen, maar kunnen het niet.

Dit valt toe te juichen op grond van de drie argumenten contra al te ver doorgevoerde pluriformiteit in de Tweede Kamer. Toch is de beperking van de pluriformiteit door een hoge waarborgsom niet wenselijk. Op deze wijze hebben vooral de armste nieuwe politieke partijen het moeilijk deel te nemen aan de verkiezingen – en de armste partijen zijn niet per definitie ook de slechtste, met de minst bruikbare ideeën en de minst geschikte bestuurders.

Beter was het geweest als niet de waarborgsom maar de kiesdrempel was verhoogd tot zeg 10%. Ook dit zou leiden tot een beperking van het aantal partijen in de Tweede Kamer – afhankelijk van de hoogte van de kiesdrempel misschien zelfs tot een afname. Deze ingreep in het kiesstelsel zou bovendien ook rechtvaardig zijn: alle partijen zouden dan een groot deel van de bevolking voor zich moeten zien te winnen – niet alleen alle nieuwe partijen, maar ook de oude zouden aan deze eerlijke strijd moeten deelnemen.

De overwinnaars onder de nieuwe partijen zouden geen van alle splintergroeperingen zijn; ze zouden stuk voor stuk steunen op een aanzienlijke basis. In de Tweede Kamer zouden ze van eenzelfde grootte zijn als de oude partijen, en met een eenzelfde invloed op het bestuur. Eindelijk.

Noten:

1. Dit is een bekend argument. Het PvdA-kamerlid Rienks gebruikte het bijvoorbeeld vorig jaar als verdediging voor een ingreep in het kiesstelsel in het nadeel van kleine partijen bij gemeenteraadsverkiezingen. Rienks: ,,Laat ik eerlijk zijn: de democratie werkt efficiënter als je niet te veel splinterpartijen hebt.”

2. Dit argument is minder bekend. Wijd verspreid is het vooroordeel dat de kwaliteit van het bestuur per definitie afhankelijk van pluriformiteit. Zelfs volgens een toch intelligent man als Martin van Amerongen is van mening dat efficiency en kwaliteit met elkaar in strijd zijn. Zie De Groene Amsterdammer van 6-2-’85, waarin Van Amerongen ervoor pleit toch vooral het `heilige principe van de evenredige vertegnwoordiging’ te eerbiedigen: ,,Het parlement funktioneert zonder kleine partijen ongetwijfeld vlotter en efficiënter. Helaas, de parlementaire democratie is niet op vlot en efficiënt werken gericht. Het is een moeizaam en ingewikkeld systeem, zulks in tegenstelling tot Oosteuropese diktaturen en Middenafrikaanse bananenrepublieken.”

3. Hannah Arendt gebruikt soortgelijke argumenten als de onder punt 2. vermelde in haar boek The Origins of totalitarianism (p. 252 e.v.). Alleen pleit zij voor een tweepartijenstelsel zoals bijvoorbeeld Engeland dat kent. Arendt: ,,Since the rule of each party is limited in time, the opposition party exerts a control whose efficiency is strengthened by the certainty that it is the ruler of tomorrow. In fact, it is the opposition rather than the symbolic position of the King that guarantees the integrity of the whole against one-party dictatorship.”

Overigens oppert Arendt geen bezwaren tegen het Engelse districtenstelsel. Voor alle duidelijkheid: ik wel. Mijn voornaamste bezwaar is dat de grootte van een partij die in het parlement belandt geen afspiegeling vormt van het aantal stemmen dat op de partij is uitgebracht. Dit is wel zo in een parlement dat tot stand is gekomen via een kiesstelsel met een hoge kiesdrempel: de zetelverhouding tussen de partijen geeft de verhouding aan tussen de stemmen die zij hebben getrokken.

4. Nu zijn het vooral de politici die schipperen tussen droom en werkelijkheid. Bij de kiezers roept dit nogal eens weerzin op, althans bij de kiezers die op een partij stemmen omdat zij zich vereenzevigen met het partijprogramma. Hun teleurstelling is vaak groot als blijkt dat van de vervulling van het ideaal minder terecht komt dan zij zich hadden voorgesteld. Zie bijvoorbeeld John Jansen van Galen in Moraal ’88 (p20 e.v.): ,,Het verwarrende van de Nederlandse politiek is dat het nog steeds lijkt alsof het te doen is om idealen en beginselen, terwijl de grote partijen allang bestaan bij de gratie van de mate waarin ze de belangen van haar achterban tegemoet komen. (…) De traditionele principes dienen tot rhetorica en vrome wensen, ze zijn de lege hulzen die de stemmen- en baantjesjacht en vooral de praatjesmakerij omhullen.” Alsof een baantjesjager geen goede bestuurder zou kunnen zijn!

(Schrijfopdracht School voor de Journalistiek)

Deel:

Geef een antwoord