King Crimson in het Concertgebouw: nog één keer koninklijk geweld

Afgelopen week deed de progrock-groep King Crimson het twee keer het Concertgebouw in Amsterdam aan, als onderdeel van de ‘Uncertain Times Tour’ waarmee de band door Europa trekt. Het is wellicht de laatste toer van de groep. Voorman Robert Fripp heeft in elk geval gezegd dat het door de Brexit zoveel gedoe wordt om te toeren dat hij het waarschijnlijk voor gezien houdt. Wie erbij was, hoorde nog één keer de volgens Jimi Hendrix ‘beste band ter wereld’. Een krachtig slotakkoord.

Op YouTube staat een monoloog van King Crimson-voorman Robert Fripp over zijn ontmoeting met gitarist Jimi Hendrix. Kort samengevat komt het erop neer dat Hendrix en Fripp handen hebben geschud, en dat Hendrix zich zou liet ontvallen dat hij King Crimson de beste band ter wereld vond.

Maar Fripp is niet van de korte samenvattingen. Hij kleedt het verhaal helemaal aan. Hendrix zou zijn linkerhand hebben gegeven omdat deze zich dichterbij het hart bevond. En Fripp vertelt dat hij zittend speelde tijdens het optreden dat Hendrix had bijgewoond, wat de irritatie had gewekt van bassist en zanger Greg Lake; Fripp leek volgens hem wel een paddenstoel. Waarop Fripp had geantwoord een paddenstoel in veel culturen staat voor vruchtbaarheid. In 1981 vroeg iemand – een zus van die en die – Fripp of hij zich de ontmoeting met Hendrix nog herinnerde. Natuurlijk, had Fripp geantwoord, dat is mijn ‘Hendrix-anekdote’. Waarop de zus van die en die had gezegd: “Ik was erbij. En Jimi vertelde mij dat hij King Crimson de beste band ter wereld vond.”

Het is Robert Fripp ten voeten uit. Lang van stof, associatief en gretig verwijzend naar zijn eigen verleden (egocentrisch zelfs, volgens sommige commentaren bij het filmpje). Zo is de man, en zijn muziek vaak ook. Nummers van King Crimson duren zelden korter dan 10 minuten en wisselen even vaak van stemming als een vrouw in de greep van een meedogenloze menopauze. De grootste bijdrage van Fripp aan de muziekgeschiedenis is vermoedelijk zijn ‘Frippertronics’, waarmee hij kan improviseren op zijn eigen gitaarimprovisaties en zo hele ‘soundscapes’ bij elkaar kan musiceren. Ideaal voor de in zichzelf gekeerde Fripp, die niet echt als mensenmens bekend staat.

Wonderlijke muziek

Volgens oud-drummer Bill Bruford is Fripp zelfs een ‘een amalgaan van Stalin, Gandhi en Marquis de Sade’. Gezien de autoritaire trekjes van Fripp is het begrijpelijk dat King Crimson ook geen echte groep is, maar eerder een gelegenheidsformatie van steeds wisselende musici (rond de 70 in totaal). Een project of ‘projeKct’ zoals Fripp het soms noemt. Een experiment dat oneindig vaak kan worden herhaald.

Maar wonder boven wonder draagt de muziek van King Crimson toch veel minder het stempel van Robert Fripp dan je zou verwachten. De musici die hij belt als hij King Crimson weer eens wil reïncarneren moeten zich vooral kunnen vinden in zijn idee dat King Crimson ‘a way of doing things’ is. Dat wil zeggen: ze moeten een innerlijke noodzaak voelen om samen muziek te maken; als die ontbreekt, mogen ze niet meedoen – sterker nog, dan komt King Crimson waarschijnlijk niet eens bij elkaar. Daarnaast lijkt Fripp zijn musici vooral te selecteren op hun improvisatievermogen en originaliteit (waarschijnlijk wordt het King Crimson-lid dat bluesriff speelt op staande voet ontslagen). Maar verder valt het wel mee met de eisen die Fripp stelt. Hij gunt zijn bandleden enorm veel vrijheid; de muzikanten hebben zelfs zo veel inbreng dat elke formatie van King Crimson heel anders kan klinken dan de vorige.

Vandaar dat de symfonische rock uit in mellotronklanken gekleurde begintijd van King Crimson – met klassiekers als ’21st Centrury Schizoid Man’ en ‘Epitath’ – zich veel uit de begintijd van de groep zo ver af ligt van de naar jazzrock neigende muziek op ‘Lark’s Tongue in Aspic’ (1973). Vandaar ook dat het metal-achtige Red (1974) zo anders klinkt dan de manische, door de punk beïnvloede progrock van Disicpline (1981, vooral bekend van het baltslied ‘Elephant Talk’ met de dolgedraaide zanger/gitarist Adrian Belew).

Hoe verschillend ook, het zijn allemaal platen die grote indruk hebben gemaakt op heel uiteenlopende muzikanten, van de leden van Metallica tot Kurt Cobain, van Tool tot David Bowie (die Fripp de karakteristieke gitaarpartij op ‘Heroes’ liet spelen, en wiens ‘Blackstar’ ondenkbaar was zonder King Crimson). Hendrix had het zo gek nog niet gezien toen hij King Crimson de beste band ter wereld noemde. Misschien niet de groep met de beste nummers – goed in het gehoor liggende nummers vormen in elk geval een zeldzaamheid in het oeuvre van de band, zeker na de betrekkelijk toegankelijke eersteling ‘In the Court of the Crimson King ‘(1969). Eerder is King Crimson de groep met de meest spannende, onvoorspelbare en verrassende muziek.

Dagje ouder

Live is de groep helemaal overdonderend, wat de vele live-albums bevestigen.Sinds de laatste studioplaat, ‘The Power To Believe’ (2003, opnieuw met Belew als smaakmaker), doet King Crimson het wel rustiger aan. Fripp wordt een dagje ouder en de muzikanten die hij optrommelt ook. De vernieuwingszin van de groep is aanzienlijk afgenomen; anno 2018 is King Crimson muzikaal gezien nu wel grotendeels uitontwikkeld.

Wel heeft Fripp voor de huidige reïncarnatie van de groep maar liefst drie drummers heeft aangetrokken, Pat Mastelotto, Gavin Harrison en Jeremy Stacey. In slaap sukkelen zal het publiek in elk geval niet tijdens de ‘Uncertain Times Tour’ waarmee de groep nu door Europa trekt. Wellicht is het de laatste toer van de groep; Fripp heeft gezegd dat het door de Brexit zoveel gedoe wordt om te toeren dat hij het waarschijnlijk voor gezien houdt.

Geluidswal

In Nederland deed King Crimson het twee keer het Concertgebouw in Amsterdam aan. Uiteraard waren de fans toegestroomd die nog een laatste keer het koninklijke geweld wilde aanhoren; het eerste keer van de twee concerten was in elk geval uitverkocht. De akoestiek van de zaal was niet ideaal; de drie drummers wierpen een geluidswal op waar zanger en lead gitarist Jakko Jakszyk nogal eens moeite had bovenuit te komen, bassist Tony Levin stond erg luid afgesteld en Fripp erg zacht – maar onoverkomelijk was dit niet; helder was het geluid wel.

Er was muzikale krachtpatserij met de nadruk op ‘Lark’s Tongue in Aspic’ (delen 1,2 en 4 werden gespeeld) en andere sterk geïmproviseerde instrumentele nummers. Dit werd afgewisseld met melodieuze, voornamelijk vocale songs zoals ‘Moonchild’ en ‘Epitath’. Af en toe leken het wel twee verschillende concerten door elkaar, ook omdat Fripp vooral interesse leek te hebben in improvisaties en zich bij de vocale nummers nogal eens afzijdig hield – op een gegeven moment zelfs zijn gitaar ging stemmen.

Maar op de beste momenten kwam alles samen, tijdens goede songs zoals ‘Easy Money’ en ‘Indiscipline’, toen de virtuoze improvisaties van de muzikanten echt in dienst van het nummer stonden. Helemaal indrukwekkend was de afsluiter ‘Starless’, waarop we de fraaie melodie konden horen uiteenvallen en weer bij elkaar worden geschraapt door de wild musicerende leden van King Crimson. Als dit inderdaad de laatste toer blijkt te zijn van King Crimson, dan is het een waardig afscheid.

Beeld: de hoes van ‘In the Court of the Crimson King ‘ (1969)

Deel:

Geef een reactie