Goede vraag

Uiteraard wilde hij maar één ding weten: wat iedere vader wil weten als zijn vijtienjarige dochter voor het eerst zonder haar ouders met vakantie is geweest.

Er was een tijd dat ze hem alles toevertrouwde, maar die tijd was voorbij. Ze had geheimen voor hem. En zelfs als iets niets geheim was, vertrouwde ze het hem niet meer altijd uit zichzelf aan hem toe. Het hoorde ongetwijfeld tot het volwassen worden. Naarmate iemand je minder vertelt, ontstaat er meer afstand. Het grote losmaken was begonnen.

Hij moest haar vragen hoe het zat. Maar hoe, zonder dat het ongemakkelijk werd?

Met vragen is het is de kunst om het midden te houden tussen twee uitersten, overwoog hij.

Aan de ene kant van het vragenspectrum heb je de indringende vraag. “Zeg, je hebt toch niet….?” Een gerichte, gevoelloze vraag, uitsluitend gesteld uit doelmatigheidsoverwegingen. Maar al te vaak krijg je de vraag “wat is jouw mening?” Terwijl bedoeld wordt: “Heb je nog suggesties die ik kan gebruiken?” En als uit jouw antwoord blijkt dat er niets bruikbaars tussenzit, is de de aandacht van de indringende-vragensteller verslapt voordat jij bent uitgesproken. Of iemand legt je een vraag voor met geen andere bedoeling dan dat hij zijn eigen nieuwsgierigheid wil bevredigen. Soms met heuse een wetenschappelijke inslag (klopt zijn vermoeden wel? Is zijn hypothese correct?), maar meestal gaat het om weinig meer dan plat ongeduld. Of hij wil je simpelweg de maat nemen. “Wat vind jij er nou eigenlijk van?”, klinkt er. Terwijl bedoeld wordt: “Vind je wel wat ik vind?” Of: “Vind je wel wat je hoort te vinden?” Er spreekt geen werkelijke belangstelling voor de ander uit: als de vragensteller zijn antwoord heeft, weet hij genoeg. Op naar de volgende vraag, op naar het volgende slachtoffer.

Het andere uiterste is de schijnvraag. De schijn-vragensteller is in het geheel niet geïnteresseerd in de ander, maar zoekt een opstapje om zijn eigen verhaal te vertellen. Waar de indringende-vragensteller tenminste nog op zoek is naar iets van kennis, weet de schijn-vragensteller al hoe het zit en wil hij niets liever dan dat wereldkundig maken. Zijn vraag is een soort verbaal kuchje, ten teken dat hij het woord gaat nemen. Wees niet verbaasd dat hij je in de reden valt terwijl jij naar woorden zoekt om zijn vraag te beantwoorden. Met een “Ik kan me voorstellen dat jij ook…. ” of een “Mijn ervaring is….” of een bot “Ik vind…” snoert hij je de mond. En bereid je dan maar voor op het ergste. Voorlopig ben je nog niet af van zijn levenslessen en kant-en-klare adviezen. Reken er maar niet op dat jij er nog tussen komt, want zijn gedachten zijn oneindig veel interessanter dan die van jou.

De indringende-vragensteller pakt wat hij pakken kan, de schijn-vragensteller dringt zich op. De een trekt, de ander duwt. Allebei zien ze jou als instrument, allebei zijn ze erop uit jou te gebruiken.

De vragensteller die het goed aanpakt, weet de ander daarentegen op zijn gemak te stellen. Door aandacht te geven. Door voorzichtig na te gaan of jij ergens mee zit, ergens door geboeid bent of hulp nodig hebt. Of helemaal niets van dat alles, en juist geen enkele behoefte hebt je te uiten. Waar de indringende-vragensteller en de schijn-vragensteller zelfzuchtig zijn, is deze vragensteller – laten we hem de oprechte-vragensteller noemen – werkelijk geïnteresseerd in de ander. Uit zijn vragen spreekt dienstbaarheid, sympathie en een zekere schroom om jou niet te kwetsen. Oprechte belangstelling tonen: ik ben er voor je en als wilt kunnen we met elkaar in dialoog treden. Dát probeert hij over te brengen met zijn vragen, zó probeert hij een gesprek op gang te brengen. Zachtjes trekken én zachtjes duwen. Aftasten. Meebewegen. Vertrouwen wekken. Verleiden.

En zodoende vroeg hij: “Hoe was het?”

En zei zij: “Leuk, hoor.”

En bracht ze de oordopjes van haar iPhone een fractie van een seconde eerder in dan anders.

(Illustratie: Nevit Dilmen, Wikipedia.org)

Deel:

Geef een reactie