Mijn robot en ik

Ik zie er wel naar uit, naar een bestaan met zo’n geautomatiseerde en klaagvrije huisvriend die stofzuigt, poetst en boent. Misschien kan ik hem zelfs af en toe laten koken, misschien zelfs gerechten laten maken die voor mij te moeilijk zijn. Ja, een robot die mij deels kan vervangen of versterken lijkt me een uitkomst. Kan ik doen waar ik zin in heb, of juist niets doen omdat ik daar zin in. Of desnoods iets doen omdat het moet. Robots maken, bijvoorbeeld. Of erop toezien dat robots die robots maken hun werk goed doen. Of misschien wel iets creatiefs, schrijven over robots of zo, want dat schijnen ze niet zo goed te kunnen.

Ik ken iemand die straks minder enthousiast over mijn robot zal zijn: mijn schoonmaakster. Zij heeft het nu al niet makkelijk. Straks wordt het helemaal ploeteren. Ik kan haar toezeggen dat ze af en toe mag komen koken op avonden dat ik geen zin heb om te koken en geen trek in robotvoedsel. Maar ik vrees voor haar dat ze toch grotendeels overbodig zal worden. Dan kan ik wel zeggen dat ze zich net als ik moet heroriënteren op de arbeidsmarkt, wat moet sleutelen aan haar kerncompetenties of zich misschien zelfs helemaal moet laten omscholen – maar ik vrees dat ze daar geen boodschap aan heeft. Wie geen buffer heeft, kan het zich nu eenmaal niet veroorloven rustig aan een betere toekomst te werken.

Misschien zijn de problemen op de arbeidsmarkt door de opmars van de robots van tijdelijke aard. Optimisten zoals econoom Bas ter Weel verwijzen naar de Industrië Revolutie. De introductie van het weefgetouw vernietigde weliswaar banen, maar er ontstond ook nieuw werk. Direct, dankzij de nieuwe technologie: iemand moest het weefgetouw tenslotte bedienen. Of indirect: de wevers die overbodig waren geworden gingen gewoon wat anders doen. En voorzover ze niets anders vonden? Tja, de collectieve voorzieningen waren toen nog nog niet wat ze nu zijn, dus gingen ze dood. Wellicht dat hun kinderen wel werk vonden. In elk geval herstelde het evenwicht op de arbeidsmarkt zich vrij snel. Met een hoger welvaartspeil bovendien, dankzij de toegenomen productiviteit. Zo zal het deze keer met de robotisering ook wel gaan.

Hier valt wel wat tegenin te brengen. Om te beginnen is het waarschijnlijk dat er veel sneller en veel meer banen verloren gaan dan tijdens de eerste industrialisatiegolf. Ik vermoed dat mijn huishoudrobot alleen al tientallen schoonmaaksters kan vervangen (aangenomen dat het apparaat 24 uur per dag aan de slag kan en ik hem via een Robot-N-B-achtig platform kan verhuren als ik hem niet nodig heb). De verdringingscoëfficiënt van een weefgetouw lag waarschijnlijk veel lager. Een tweede bezwaar is dat er straks misschien voor een veel grotere groep mensen helemaal geen betaald werk zal zijn. Want wie zegt dat er vraag zal zijn naar hun activiteiten? Best mogelijk dat dat helemaal niet zo is, en dat er structureel minder mensen aan het werk kunnen dan vroeger.

Nu maar hopen dat ik straks genoeg verdien om mijn robot te kunnen betalen. In elk geval totdat het basisinkomen er eindelijk is.

Deel:

Geef een reactie