Een verre vriend (Een Sci-Fai / Tragedie)
Achttien jaar heeft Henk zijn verre vriend Laurens weten te ontlopen. Nu staat Laurens bij hem op de stoep. Als Henk borg staat voor Laurens’ ontwenningstraject, krijgt hij bij succes zijn geld terug. Dubbel zelfs.
Henk gaat in op het aanbod. Niet zozeer omdat hij Laurens wil helpen maar eerder omdat hij van hem af wil zijn. Maar dat valt tegen.
HOOFDSTUK 1: ‘DAT ZEG IK NU’

In zeker zin heb ik dit allemaal over mezelf afgeroepen. Ik had een ander nummer kunnen nemen als ik had willen voorkomen dat hij mij zou bellen. Niet gedaan. Ik had zijn nummer kunnen blokkeren. Ook nagelaten. En ik had niet hoeven opnemen toen hij belde. Maar nu liet ik de telefoon zes keer overgaan – vaak genoeg om de indruk te wekken dat ik het druk had en hem de kans te geven op te hangen. Alleen hing hij niet op – natuurlijk niet – en dus kreeg ik hem na die zes keer toch aan de lijn. En toen hing ik (pun intended).
“Henk”, zei hij. “Met mij.”
“Ik zie het”, zei ik.
“Ik kom even langs”, zei hij. “Dat wilde ik aankondigen, leek me wel zo netjes.”
Een minuut later ging de deurbel.
Ik had niet hoeven open doen. Of ik had via de intercom kunnen zeggen: sorry, ik heb me bedacht, ik kan dit niet. (Waar heb je anders een intercom voor?!) Had een smoes kunnen verzinnen. Druk, verhuizing, mijn moeder. Maar nee, ik deed gewoon open.
Zijn gezicht was opgezet, de huid verrassend grauw (ik dacht dat de huid alcoholisten meestal rood kleurden, maar kennelijk niet). Zijn ogen waren bloeddoorlopen, het oogwit zelf was gelig. Hij had zich geschoren maar had zichzelf daarbij op allerlei plekken gesneden; een korstje op zijn bovenlip bloedde een beetje. Hij trok ongevraagd zijn jas uit en hing deze op aan de kapstok in het portaal. Zijn handen trilden licht, waardoor het hem moeite kostte de jas op te hangen.
“Kom binnen”, zei ik.
Hij omhelsde me. Hij rook nergens naar. Hij had geen kegel. Maar ik rook ook geen zeep of aftershave, terwijl dat altijd de manier was geweest om de alcohol lucht te overstemmen. Niets. Het was alsof hij alle sporen van zichzelf zorgvuldig had uitgewist. “Goed je te zien”, zei Laurens.
“Ja”, zei ik, want wat moest ik anders zeggen? “Niet goed je te zien? Ik wil je niet zien?” Daar was het nu te laat voor. De kans daarop was verkeken toen ik de deur voor hem opendeed. Of eerder nog, toen ik de telefoon opnam. Of nog eerder misschien.
Henk ging me voor naar de keuken en nam plaats aan het hoofd van de tafel. Ik volgde en ging zo ver mogelijk van hem af zitten. Hij pakte een lichtblauwe folder en legde die voor zich op de keukentafel neer. En begon te vertellen over het Borg-systeem. Over ‘het traject’, over de ’tweede kans’ die hij kon krijgen.
Het systeem bestond al vier jaar. Ik had erover gelezen toen het werd ingevoerd – een stuk of twee in de krant, een column die ik me niet meer kon herinneren, iets op de radio. Het idee was dat de overheid bereid was een door de instelling Detox begeleid re-integratietraject voor te schieten als een privépersoon financieel borg wilde staan. Sociale betrokkenheid als vliegwiel, werd het genoemd. Als het mislukte, draaide de borgsteller op voor het verschil. Maar als het traject slaagde, nam de overheid de kosten over. Dat niet alleen, zo bleek: “En als alles goed gaat”, zei Laurens, “krijg je de Participatiepremie.”
“De wat?”
“De Participatiepremie. Als het traject slaagt – als ik alle mijlpalen haal en aantoonbaar stabiel ben krijg jij vierduizend euro. Hetzelfde bedrag als jouw borgstelling. Een soort winstverdubbelaar.”
Ik weet nog dat ik het Borg-systeem een interessant idee had gevonden. Progressief, zelfs. Ik had er iets over gezegd tegen een collega, iets in de trant van: eindelijk een systeem dat mensen aanspreekt op hun verantwoordelijkheid tegenover elkaar. Mijn collega had geknikt. Daarna hadden we het over iets anders gehad. Ik had er tot nu toe niet meer aan gedacht. En ik had al er helemaal niet aan gedacht dat ik er ooit iets mee te maken zou krijgen. Hoe lang had ik Laurens al niet gezien? Jaren had ik hem zorgvuldig ontlopen. Toch zeker 18 jaar.
Laurens schoof de folder naar me toe. Er stond een logo op dat vertrouwen moest uitstralen: een cirkel, een open hand, grauwblauwe kleuren die deden denken aan overheidswebsites en brochures in wachtkamers.
“Je hoeft het niet meteen te lezen”, zei hij.
“Nee”, zei ik.
“Ik leg het wel uit.”
“Dat hoeft niet. Ik begrijp hoe het werkt.”
Hij legde het toch uit. Het kwam erop neer dat hij 12 weken lang een intensief programma moest volgen, een combinatie van werkervaring en therapie. Met groepssessies (twee keer per week) en individuele begeleiding. Met wekelijkse check-ins via de app, een combinatie van werkervaring en therapie.
“12 weken?”, vroeg ik. “Net als bij de Alcoholics Anonymous?”
“Daar lijkt het op.”
“Met kringgesprekken?”
“Ik ben Laurens en ik ben een alcoholist”, zei hij met sonore stem.
“Ja, en dan over je moeilijke jeugd vertellen.”
“Mijn vader dronk”, grapte hij, vrij naar Kamagurka. “En mijn moeder at.”
We moesten allebei lachen. Net als vroeger.
“En het werk?”, vroeg ik. “Je hebt toch al ervaring?”
“Ja, maar ik moet mezelf opnieuw bewijzen. Onderaan beginnen.”
“Ik kan terecht bij een uitgeverij die zich richt op boeken voor laaggeletterden.”
“Boeken voor mensen die niet lezen.”
“Uitgeverij Nieuw Blad.”
“Nieuw Blad?”
“Ja. Voor mensen die willen leren lezen. Een nieuw blad openslaan als het ware.”
Een kansloze onderneming, leek me. Laaggeletterden zijn tenslotte laaggeletterd omdat ze zo weinig lezen en ze lezen zo weinig omdat ze laaggeletterd zijn – boeken uitgeven voor die doelgroep is zoiets als een restaurant houden voor mensen zonder smaakpapillen. Maar het was een gesubsidieerd bedrijf, zei Laurens, het ging er vooral om dat die boeken er kwamen. Of iemand ze las was van ondergeschikt belang. Voor hem helemaal, want hij zou slechts eindredacteur worden. Werk dat hij best aankon: onnodig lange zinnen inkorten en voor zover nodig versimpelen.
“En als het goed gaat, mag ik me misschien ook een beetje tegen het redactionele beleid aan bemoeien”, zei hij.
“Als het goed gaat”, zei ik.
“Ik drink al een maand niet. Daarom ben ik toegelaten.”
Ik knikte.
“Ik weet wat je denkt”, zei hij.
Ik zweeg.
“Je denkt: dat zegt hij nu.”
Ik zweeg.
“Dat klopt”, zei hij. “Dat zeg ik nu. En dat is alles wat ik heb: nu. Ik kan je niet garanderen hoe het over drie maanden gaat. Maar ik kan je vertellen hoe het nu gaat, en nu gaat het goed. Het gaat elke dag een beetje beter.” Hij zweeg even. “Ik vraag je dit niet omdat ik geen andere opties heb. Dus als je niet wilt, dan niet. Even goede vrienden.”
Even goede vrienden? Waren we vrienden, dan? Jaren geleden misschien. Toen hij mij – een ‘nobody’ in wie niemand was geïnteresseerd mijn eerste opdrachtgever werd. Daarna, toen hij me mijn eerste baan bezorgde. En de paar jaar daarop, toen we samenwerkten voor Het Signaal – hij als hoofdredacteur, ik als zijn secondant. Toen had ik hem misschien als vriend beschouwd, ook al was onze band op papier misschien vooral zakelijk. Maar nu? Als ik al een vriend was, dan hooguit een verre vriend. Maar eerder was ik een goede bekende. Of eigenlijk een niet zo goede bekende, want zo goed kenden we elkaar niet. Niet meer.
En ook al stond ik voor mijn gevoel misschien bij hem in het krijt. Een gevoel dat nooit helemaal is overgegaan, dat ik nooit heb uitgesproken en ook nooit heb hoeven uitspreken. Ik mocht hem graag en hij mocht mij. We zagen elkaar vrijwel dagelijks, ook buiten het werk. Al gingen de gesprekken dan weer wel voornamelijk over werk. Maar een beetje journalist is nu eenmaal bezeten van zijn vak. Logisch dat je ook buiten werktijden ermee bezig bent. Zo zagen wij dat tenminste. Die gedrevenheid herkenden we in elkaar, en vormde de basis van onze vriendschap. Ik bezit die bezetenheid nog steeds, het vuur in mij is nooit gedoofd. Maar hij? Hij had al jaren andere zaken aan zijn hoofd dan een ‘blaadje maken’ (zoals wij ons werk ooit liefkozend aanduidden). Hij was al lang afgekickt van zijn werkverslaving en had die ingeruild voor een verdrietverslaving en een alcoholverslaving. Wat was er dan nog dat ons bond? Hoe konden we dan nog vrienden zijn?
Ik keek naar de folder. De open hand in het logo deed me opeens denken aan die oude Amerikaanse poster om soldaten te werven: ‘Uncle Sam needs you’.
“Denk er maar even over na”, zei Laurens.
—
Diezelfde avond kreeg ik een mailtje:
Borgaanvraag BO-7741, ingediend door L.A. Dijkstra. Uw reactie wordt binnen 72 uur verwacht. Download hier de Borg-app.
Die 72 uur had ik niet nodig. Mijn beslissing (of gebrek daaraan) was eigenlijk al genomen op het moment dat hij zijn jas had aangetrokken en de deur achter zich dicht had gedaan. toen had ik mezelf al aangepraat dat aangepraat dat het systeem goed in elkaar zat, met z’n check-ins en mijlpalen en groepsbijeenkomsten. Dat Laurens er best goed uitzag voor een alcoholist. Dat hij al een maand sober was. Dat ik, als vooruitstrevend mens met een stabiel inkomen, misschien niet al te lang moest nadenken over de vraag of ik bereid was een kleine bijdrage te leveren aan het herstel van een vriend (soort van). Wat had ik te verliezen? 4000 euro, dat kon ik best lijden. Een beperkt risico; in het ergste geval ging ik een keertje niet op vakantie. En daarbij maakte ik oog nog eens kans op de participatiepremie van 4000 euro.
Dit gokje moest ik gewoon wagen. Dan had ik mijn plicht gedaan. Dan kon ik verdergaan met mijn leven, zonder het idee dat Laurens nog iets verschuldigd was. Het enige wat ik daarvoor nodig had was deze aflaat. Daarmee zou ik me vrij kunnen kopen en van Laurens af zijn.
En dus downloadde ik de Borg-app en vulde ik de aanvraag in. Naam, BSN, relatie tot de deelnemer – ik koos ‘vriend’ uit een keuzelijst – en mijn rekeningnummer zodat de 4000 euro kon worden geïncasseerd. Ik vinkte een hokje aan dat ik akkoord was met de algemene voorwaarden (zonder deze te hebben gelezen) en drukte op ‘Bevestigen’.
Borgstelling BO-7741 is geactiveerd. U ontvangt per e-mail een bevestiging.
Het bericht met de bevestiging kwam twaalf minuten later. Ik sloeg het op in een map die ik ‘Admin’ noemde en klapte mijn laptop dicht.
De eerste vier weken ging het goed. Detox stuurde me elke vrijdag een voortgangsrapport. Eén mailtje, met een samenvatting van de afgelopen week: welke mijlpalen waren wel of niet gehaald, aanwezigheid bij de sessies, wat aantekeningen van de ‘case manager’ van Detox en van Laurens’ begeleider bij uitgeverij Nieuw Blad. Ik las ze op zaterdagochtend, bij mijn koffie, met het gevoel van iemand die de kwartaalcijfers doorneemt van een bedrijf waar hij aandelen in heeft maar zelden naar omkijkt. Week 1: aanwezig, mijlpaal gehaald. Week 2: aanwezig, mijlpaal gehaald. Week 3: één sessie gemist wegens ziekte, ingehaald. Week 4: aanwezig, mijlpaal gehaald. De case manager van de GGZ en Laurens begeleider bij uitgeverij Nieuw Blad hadden geen bijzonderheden. Ik sloeg de rapporten op in de map ‘Admin’, samen met het bevestigingsmailtje. Laurens belde een keer, aan het einde van de tweede week. “Ik wilde je even laten weten dat het goed gaat”, zei hij. “Elke dag een beetje beter.” “Ik weet het”, zei ik. “Ik krijg de rapporten.” “O.” Een korte stilte. “Oké. Dan weet je het.” “Ja.” “Mooi”, zei hij. “Dan val ik je niet meer lastig.” “Je valt me niet lastig. Ik had niets anders te doen.” Dat had ik niet moeten zeggen. “In dat geval. Kan ik je wat vragen?” En zonder mijn antwoord af te wachten, vroeg hij me wat: “Ik moet een boek redigeren. En vroeg me af of jij misschien interesse hebt.” “Om jouw werk te doen?” “Ik kom er niet aan toe. Je krijgt uiteraard betaald. Commercieel tarief.” — Twee dagen later kreeg ik een manuscript toegestuurd. Gezien de titel ‘Verslaving en hoe je er samen afkomt’ , kon ik me voorstellen dat Laurens het boek terzijde had gelegd. Te pijnlijk, te dichtbij. Maar mij leek het interessant. Ik had me nog nooit echt verdiept in het onderwerp, terwijl je deze tijd volgens mij pas kunt begrijpen als je er wat vanaf weet. Want deze tijd, waarin we moeten laveren tussen hard werken en uitbundig genieten, moedigt verslaving aan. Of liever gezegd: moedigt de menselijke neiging aan om zich volledig ergens aan over te geven. Prestatiegerichte mensen zoals ik worden gestimuleerd om vooral hard te werken, en raken daaraan gehecht. Wie de afslag de andere kant op neemt en kiest voor genot in plaats van werk, raakt al snel aan genotsmiddelen verslaafd. De ene verslaving geldt als nuttig, de andere als schadelijk, maar wezenlijk verschillen ze niet van elkaar. Ik kan me ook best voorstellen dat in een andere samenleving de waardering precies andersom zou zijn: dat mensen die zich weten te vermaken met niets dan wat drank hoog in aanzien zouden staan en streberige droogkloten geminacht. Ik bladerde wat door het manuscript en bleef haken aan een hoofdstuk over ‘enabling’. De auteur legde uit dat het brein voortdurend vergelijkt wat het verwacht met wat er werkelijk gebeurt. Als de werkelijkheid beter uitvalt dan verwacht, maakt het brein extra dopamine aan: een signaal dat zegt, doe dit vaker. Als de werkelijkheid tegenvalt, zakt de dopamine onder het basisniveau: een signaal dat zegt, doe dit minder. Zo leert het brein. Een verslaving kaapt dit systeem. Alcohol veroorzaakt een dopaminepiek die niets in het gewone leven kan evenaren. Het brein onthoudt dat en wil het herhalen. Wat het minder goed onthoudt, of wat naar de achtergrond verdwijnt, zijn de consequenties: de ruzie, de gemiste kansen, de onbetaalde rekeningen. Zeker als iemand anders consequent helpt de gevolgen van zijn eigen gedrag te ontlopen. De auteur gebruikte daarvoor het woord ‘enabling’: faciliteren. Gedrag, vaak goedbedoeld, dat een verslaafde in staat stelt te blijven gebruiken zonder de natuurlijke gevolgen van dat gedrag te ervaren. Als je de huur niet kunt betalen, registreert het brein dat als een signaal: dit gedrag kost iets. Alcoholgebruik verdooft dat signaal misschien. Maar als iemand anders de huur betaalt, verdwijnt dat signaal helemaal niet. Het brein krijgt de rekening niet. Het leert dus niet. De hersenen blijven gericht op de directe dopamine-impuls door de alcohol, omdat het systeem dat de lange-termijn schade moet registreren, door de helper wordt uitgeschakeld Zat wat in, al werd me niet helemaal duidelijk wat het alternatief was voor ‘enablen’. Toekijken? De huur niet betalen voor iemand, hem laten stikken? Misschien werd dat ergens anders nog uitgelegd. Erg goed was het boek trouwens niet geschreven. Alleen die titel al, ‘Verslaving en hoe je er samen afkomt’. Was ‘Samen sterker dan verslaving’ niet veel beter? Of een allitererende titel zoals ‘Vrij van verslaving’? Dat ‘samen’ kon je dan desnoods in een ondertitel verwerken (‘Samen uit de greep’ of iets dergelijks). Ik besloot de eindredactie van het boek op me te nemen. In week 5 miste hij twee sessies. De noot van zijn case manager was beknopt: deelnemer heeft aangegeven persoonlijke omstandigheden als reden. Contact gezocht, terugbelafspraak gemaakt. Geen paniek, dus. Wel een mededeling onderaan die mij bevreemdde: Als borgsteller ontvangt u dit bericht ter informatie. Er is geen actie van u vereist. Nee. Ik had ook niet verwacht dat er ‘actie’ van mij vereist was. Waarom dan die mededeling? Ik dacht er verder niet over na. En ik was het al lang vergeten toen volgende week het geruststellende bericht verscheen dat Laurens aanwezig was geweest bij alle sessies. Kennelijk ging het toch weer ‘elke dag een beetje beter’, zoals Laurens zou zeggen. Maar in week 6 werd ik toch weer herinnerd aan dat zinnetje. Detox nodigde mij uit voor een ‘borgstellersbijeenkomst’, een avond ‘waarop borgstellers en deelnemers samen zouden reflecteren op het traject’. Aanwezigheid was niet verplicht, stond er in de uitnodiging, maar werd ‘warm aanbevolen’. Dus besloot ik maar te gaan. Ik kwam terecht in een vergaderzaal in een voormalige school die nu dienst deed als welzijnscentrum. De tafels waren aan de kant gezet zodat de stoelen in een kringen konden staan. Er was koffie en thee die we zelf werden geacht in te schenken in plastic bekertjes. Er was een koekjestrommel die de hele avond gesloten zou blijven. Op uitnodiging van een verdacht positieve man die zich voorstelde als Thomas ging ik zitten. Laurens zat schuin tegenover me. Hij knikte toen ik ging zitten. Ik knikte terug. Hij zag er beter uit dan de avond dat hij aan mijn deur had gestaan — nog steeds niet goed, maar beter. De zwelling in zijn gezicht was iets minder. Hij hield een plastic bekertje in zijn rechterhand, zonder merkbaar te trillen. Thomas legde uit dat de avond bedoeld was om de relatie tussen borgsteller en deelnemer te ‘versterken en verdiepen’. Er werden vragen gesteld over verwachtingen, over communicatie, over wat borgstellers nodig hadden om zich ‘ondersteund te voelen in hun rol’. Een van de andere borgstellers — de moeder, een vrouw van ergens in de zestig met het vermoeide gezicht van iemand die dit gesprek al honderd keer had gevoerd — zei op een gegeven moment iets wat me bijbleef. Thomas had gevraagd wat haar grootste zorg was, en ze dacht even na en zei toen: “Dat ik meer van hem hou dan van mezelf. En dat hij dat weet.” Het werd even stil in de kring. Thomas knikte op de manier waarop therapeuten het patent lijken te hebben – langzaam, bevestigend, zonder iets te zeggen. Totdat er toch iets uitkwam: “Herkenbaar”, zei hij toen. “Niet voor mij”, dacht ik. Aan het einde van de avond nam Thomas me even apart. Hij had een prettig gezicht — het soort gezicht dat mensen vertrouwen inboezemt juist omdat het niets specifieks uitdrukt. “Laurens spreekt veel over u”, zei hij. “O”, zei ik. “Hij zegt dat u de enige bent die hem nooit heeft afgeschreven.” “Zo kun je het ook zeggen.” “Zou jij het niet zo zeggen?” Inderdaad had ik Laurens telefoonnummer niet verwijderd. Inderdaad had ik me laten overhalen om borg voor hem te staan. Inderdaad nam ik nu deel aan dit kringgesprek. Maar zag deze man dan niet dat ik dit allemaal deed om gedoe te vermijden? Tussen iemand ‘niet afschrijven’ en er werkelijk zijn voor iemand ligt een wereld van verschil. “Ik had meer kunnen doen.” “Is het glas halfvol of is het halfleeg?”, zei Thomas, en hij keek me aan alsof hij net de diepzinnigste opmerking had gemaakt sinds de uitvinding van de boekdrukkunst. “Ik weet niet eens of er wel een glas is.” Week 7: aanwezig, mijlpaal gehaald. Week 8: aanwezig, mijlpaal gehaald. In week 9 belde Thomas me op woensdagmiddag. “Er is niets ernstig aan de hand”, zei hij, als eerste zin, wat erop wees dat er iets ernstigs aan de hand was. Laurens had een moeilijke week gehad. Details kon hij me niet geven – ‘privacyredenen’ – maar hij wilde me laten weten dat de situatie ‘aandacht vroeg’. Of ik beschikbaar was voor een kort gesprek met Laurens. Op ‘vrijwillige basis’, uiteraard. Ik wist niet wat ik zeggen moest, wat Thomas opvatte als een aanmoediging om op mij in te praten: “Hij durft u niet zelf te bellen.” “Ok…”, zei ik, “… ik bel hem meteen.” “Niets ernstigs”, herhaalde Thomas. “Maar hij zou het erg op prijs stellen.” Ik belde Laurens die avond. “Hoe is het?” “Elke dag een beetje beter.” “Je wilde me geloof ik spreken…” Het gesprek duurde twaalf minuten. Hij vertelde me dat zijn zus had gebeld. Dat hij dat niet had verwacht, na wat er allemaal was gebeurd. Dat hij het op prijs had gesteld, hoewel ze niet alles hadden uitgesproken. Ik vroeg er verder niet naar, want wat ging het mij aan? Als hij de behoefte voelde de vuile familiewas buiten te hangen, zou ik hem niet tegenhouden. Maar ik voelde geen enkele aandrang om die vuile was aan een nadere inspectie te onderwerpen. Ik liet hem maar praten, Vroeg of laat zou hij wel ophangen, dacht ik. “Ik had bijna een fles wijn gekocht”, hoorde ik hem zeggen. “Maar ik heb het niet gedaan.” “Gelukkig”, zei ik. En ik meende het “Ik wilde het je vertellen”, zei hij. “Ja, natuurlijk”, zei ik sussend. “Dat je het weet”, zei hij, en hing op. Dat viel mee, dacht ik toen. Lastig dat hij per se met mij wilde spreken natuurlijk. Maar gelukkig deed had verder geen beroep op me gedaan. Nog maar drie weken en mijn taak zat erop. Als ik geluk had, was dit het laatste gesprek dat ik met Laurens had hoeven voeren. Zo kwam ik er misschien toch nog genadig van af (en als het goed was 4000 euro rijker, ook niet verkeerd). Maar toen ging de telefoon alweer. “Waar ik eigenlijk voor belde…”, zei Laurens. Ik gaf hem even de tijd om de woorden te vinden. Ik had gemerkt dat hij aanmerkelijk slechter formuleerde dan vroeger. Veel zinnen die halverwege doodliepen en de zinnen die die hij wel afmaakte herhaalde hij keer op keer. Steeds luider, alsof ze daardoor aan kracht wonnen. “Kun je morgen langskomen?”, perste hij er met veel moeite uit. “Weer een sessie voor borgstellers?”, vroeg ik, met – dat was tenminste de bedoeling – hoorbare tegenzin. “Bij Nieuw Blad. Over het boek.” “Samen sterker dan verslaving”, zei ik op gedragen toon. “Dat wordt de titel. Ik ben zo goed als klaar. Misschien kan ik de auteur nog wat vragen voorleggen.” — Uitgeverij Nieuw Blad was gevestigd in zo’n straat waar Amsterdam er teveel van heeft. Zo’n straat waar het altijd lijkt te waaien, waardoor het vuil uit de opengebroken vuilnisbakken zich over de stoep verspreidt. Waar de trams dag en nacht schurend en piepend doorheen rijden, een geluid dat in de slecht geïsoleerde huizen doorklinkt en het vergalt voor de bewoners. Gelukkig was de vergaderzaal van Uitgeverij Nieuw Blad niet aan de straatkant gevestigd, maar aan de achterkant, met uitzicht over zo’n typisch Amsterdamse binnenplaats. Veel balkons met fietsen, kratten bier en afval. Veel getegelde tuinen, een enkele met een heus gazon (alhoewel: grote kans dat het kunstgras was) en hier en daar een heuse rozenstruik of een ligusterhaag, daar neergezet door iemand die het tegen beter weten in gezellig had proberen te maken. Gezellig was het niet, die vergaderruimte van Uitgeverij Nieuw Blad. Tegen de muren stonden boekenkasten met – naar ik aannam – eigen uitgaven. Ik zag veel levensbeschouwelijke boeken, met titels als ‘De bijbel herverteld’, ‘Wat Jezus bedoelde’ en ‘Grote wijsheid in grote letters’. Zou ons boek wel in dit assortiment passen, vroeg ik me af. Religie was natuurlijk ook een vorm van verslaving, wat dat betreft zou het wel passen. Alleen was ons boek er toch echt op gericht om verslaving tegen te gaan. Die gedachte was Uitgeverij Nieuw Blad misschien vreemd. “‘Verslaving en hoe je er samen afkomt'”, zei een vrouw met een hoornen bril die zich als Marianne had voorgesteld en tussen Laurens en mij aan de vergadertafel was gaan zitten. “‘Samen sterker dan verslaving’ is denk ik een betere titel”, zei ik. “Of ‘Vrij van verslaving’.” Marianne nam haar bril in haar handen en begon peinzend de glazen te poetsen. “Ik begreep van Laurens dat u er al aan bent begonnen”, zei ze. “Ik ben al bijna klaar”, zei ik verheugd. “Nu moeten we het wel uitgeven”, zei Laurens. “Laurens… “, zei Marianne vermoeid. “Hij is al bijna klaar”, zei Laurens, met nadrukkelijke stemverheffing. “Laurens….”, zei Marianne wee, nu met iets meer nadruk. “Ik bedoel… dan kun je toch niet.. Niet zomaar… hè”, kermde Laurens nu. “Laurens…. “, zuchtte Marianne. “Ik heb toch gezegd dat we er naar zouden kijken.” En tegen mij: “Misschien wil iemand anders het uitgeven?” “Jezus”, vloekte Laurens. “Je kunt toch niet zomaar…” “Laurens…” zei Marianne. “Ik heb het je uitgelegd. Misschien kun jij het aan je vriend uitleggen?” Het scheelde niets of ze had hem gedwongen zijn mond met zeep schoon te wassen. “Die heeft er echt de ballen verstand van”, zei Laurens toen ze de kamer had verlaten. Hij had nog gelijk ook. Alleen was er niemand meer die naar hem luisterde. Week 10: aanwezig, mijlpaal gehaald. Week 11: aanwezig, mijlpaal gehaald. Ik merkte dat de wekelijkse rapportages mij steeds meer op mijn zenuwen begonnen te werken. Ik las ze niet meer alsof het kwartaalrapportages waren van bedrijven waarin ik had geïnvesteerd, maar als weersberichten: gaat het regenen of niet. En dat ik hoopte dat het niet zou gaan regenen, omdat ik geen zin had om nat te worden. Dat mag dan misschien erg egoïstisch klinken (ik hoopte dat het goed ging met Laurens zodat ik niet werd lastig gevallen, daar kwam het in feite op neer), maar het lag ook aan de rapporten zelf, bedenk ik me achteraf. Detox rapporteerde over Laurens’ gedrag: kwam hij opdagen op sessie of niet en had hij de drank wel laten staan. Wat er in Laurens omging stond er niet in. Of hij elke avond vocht tegen de aandrang om zich te bezatten, of hij zich wel thuis voelde bij Uitgeverij Nieuw Blad, of hij iets van een visie op zijn toekomstige bestaan als ex-alcoholist had – daar werd met geen woord over gerept. Misschien dat ze het daar wel met hem over hadden bij Detox en op de uitgeverij, maar in de rapportages werd er met geen woord over gerept. Misschien dat ik daardoor ook zo verrast was toen ik onder het eten (pasta uit de pan) op woensdagavond in week 12 – in het zicht van de finish nota bene! – Thomas aan de lijn kreeg. Hij klonk aanmerkelijk minder opgewekt dan tijdens de ‘borgstellersbijeenkomst’. “Laurens is niet op komen dagen bij zijn avondsessie. We hebben geprobeerd hem te bereiken. Zijn telefoon gaat niet over”, zei hij. En na een korte pauze: “We hebben reden om ons zorgen te maken.” Ik legde mijn vork neer. “Wat voor reden?” “Hij had gisteren een moeilijk gesprek. Met zijn case manager. Er zijn dingen naar boven gekomen die hem hebben geraakt. We denken dat het goed is als iemand die hij vertrouwt even bij hem langs gaat.” “Hij heeft een zuster…”, probeerde ik. “Die wil hem niet zien. We dachten daarom aan jou. Er is verder niemand.” — Laurens bleek aan de rand van de stad te wonen, vlakbij het gruwelijke Station Sloterdijk, in een straat waar ik wel eens was doorgereden toen ik rijlessen had gehad (lees: een straat die zo stil is dat een onervaren chauffeur er geen kwaad kan aanrichten). Daarna was ik er nooit meer geweest. Ik belde aan bij nummer 34-III, in een portiekwoning in het midden van de straat. Het duurde even, maar toen ging de deur open: Laurens half aangekleed, in een spijkerbroek, die voor mijn ogen een T-shirt aantrok. “Goedemorgen”, zei ik. “Ik lag al in bed”, zei hij. “Wist ik veel dat jij langs zou komen.” Hij was niet aangeschoten. Dat zag ik meteen: zijn ogen waren helder, hij wankelde niet en verspreidde alcohollucht. Maar hij zag er moe uit, veel vermoeider dan de vorige keer dat ik hem had gezien. Wallen onder zijn ogen, zijn huid nog bleker dan de vorige keer. “Doodsbleek”, dacht ik. “Eindelijk zie ik eens iemand die werkelijk doodsbleek is.” “Thomas heeft me gebeld”, zei ik. “Ah. Ja. Dat was te verwachten”, zei hij en deed een stap opzij. “Kom binnen.” Het appartement was klein en netjes. Alles straalde op een of andere manier armoede uit, misschien omdat de meubels overduidelijk bij elkaar gesprokkeld waren bij uitdragerijen en wereldwinkels, waardoor het interieur iets Oostblokkerigs kreeg. Maar er stonden planten op de vensterbank. Er lag een boek op de salontafel. De keuken was schoon. We gingen zitten. Hij bood me niets aan en ik vroeg nergens om. “Ik heb mijn telefoon uitgezet”, zei hij. “Ik wilde even niks.” “Kan ik me voorstellen.” “Ik heb geen terugval gehad”, zei hij. “Mocht je dat denken.” “Dat dacht ik niet.” “Wat dacht je dan?” Ik dacht aan wat Thomas had gezegd, over ‘dingen die naar boven waren gekomen, dingen die hem hadden geraakt’. En besloot er niet naar te vragen, want wat ging het mij aan welke dingen naar boven waren gekomen en hem hadden geraakt? “Ik dacht: ik ga even kijken hoe het met hem is”, zei ik. Hij knikte. Het was even stil. “Ze vroegen me vandaag naar Carice”, zei hij toen. “In de groepssessie. Hoe dat was gegaan. Het hele verhaal.” Hij keek naar het raam. “Ik heb het verteld. Ik wist natuurlijk dat ik het vroeg of laat moest vertellen. Het kostte me meer moeite dan ik had verwacht.” Hij dacht even na. “Ik kreeg wel een daverend applaus van de groep, moet ik zeggen”, grapte hij. “Hoewel het eigenlijk maar een mager verhaaltje is. het ene moment was ze er, het volgende niet. Meer kon ik er niet van maken.” “Ik kan me voorstellen dat het niet makkelijk was”, zei ik. Wat moest ik anders zeggen? Ik kon me geen voorstelling van maken hoe het zou zijn om mijn vrouw te verliezen (hee, ik had niet eens een vrouw!). En al helemaal niet hoe het was om jaar in, jaar uit met dat verlies te moeten leven. Ik heb wel eens gedacht dat Laurens het verlies van Carice had aangegrepen als excuus om in zijn eigen leven het bijltje erbij neer te gooien. Dat hij niet zozeer overmand was door verdriet, maar haar dood eerder had aangegrepen als uitvlucht. Dat hij de makkelijke weg had gekozen. Niet de weg van het harde werken die hij tot dan toe leek te bewandelen. Niet de weg die hij had kunnen inslaan na de dood van Carice – en had kunnen proberen geleidelijk te leren omgaan met zijn verdriet. Nee, dacht ik toen, hij had de makkelijke weg van het gemakzuchtige genot gekozen. Ik vond hem dan eerder zwak dan zielig. Maar nogmaals: wat weet ik ervan? Ik kende Laurens nauwelijks. “Het is al weer 20 jaar geleden”, zei Laurens. “Dat wil niet zeggen dat het minder erg is”, zei ik. “Nee”, beaamde hij. Bijna enthousiast, alsof ik hem op een idee had gebracht. “Zeker niet”. De volgende dag, op de valreep (gek woord eigenlijk) belde Laurens. “Henk”, klonk zijn stem uit de verte. “Wat is er?”, vroeg ik. Want hoewel ik wist dat het maar één ding kon betekenen als zijn stem zo zwak klonk, moest ik toch wat zeggen? “Ik heb gisteravond gedronken”, zei hij na een stilte die veel te lang duurde. Ik zei niets. “Niet veel. Twee glazen. Maar ik heb gedronken.” “Heb je Thomas gebeld?”, vroeg ik. “Nog niet. Ik wilde jou eerst spreken.” “Bel Thomas”, zei ik. “En vertel hem wat je mij hebt verteld. Je kunt beter hem bellen. Hij heeft meer verstand van dit soort dingen.” “Ja”, zei hij. “Dank je.” Toen hij eenmaal had opgehangen, moest ik denken aan een passage uit “‘Verslaving en hoe je er samen afkomt’ oftewel ‘Samen sterker dan verslaving’. Ik bladerde het manuscript nog eens door, en las het nog eens na: “Verslaafden zijn er vaak bijzonder bedreven in om mensen om zich heen te houden. Ze doen dat vaak niet eens bewust, het zit eerder ingebakken in de verslaving zelf. Ze pronken met kleine successen. Ze tonen net genoeg dankbaarheid om degene die ze helpt aan zich te binden (en als het ware verslaafd te raken aan hun rol van hulpverlener). Of ze zorgen ervoor dat latente schuldgevoelens die de hulpverlener heeft – en wie voelt zich nu niet ergens schuldig over – aanspreken.” Jammer dat Uitgeverij Nieuw Blad het boek niet wilde uitgeven, dacht ik. Er stonden zinnige dingen in. Of Laurens het met zijn alcoholische hoofd wel had kunnen lezen, betwijfelde ik overigens. Aan de andere kant: op een of andere manier leek hij zich hij de inzichten die het boek bood volledig eigen te hebben gemaakt. Misschien had hij het toch gelezen? Ik werd in mijn overpeinzingen gestoord doordat de telefoon ging. Thomas, zag ik. “Laurens heeft een terugval gehad” , zei Thomas. “Daarom zei ik dat hij jou moest bellen”, zei ik. “Dat begrijp ik, en dat was ook goed. Alleen…” “Alleen?” “We gaan de situatie evalueren. Er is een protocol voor terugval binnen het traject. Het betekent niet automatisch dat het traject is mislukt.” “Wat betekent het dan?” “Het betekent dat we moeten bijsturen. Intensievere begeleiding, extra sessies, een herziening van het plan.” Thomas klonk kalm en gestructureerd. Professioneel, zo zonder dat enthousiasme dat hij zich had aangemeten tijdens de bijeenkomst voor de borgstellers. “Alleen is in dit geval de timing ongunstig. Het traject is bijna voorbij.” “Dus?” “Dus… dus zouden we jou willen vragen of je bereid bent de borgstelling te verlengen. Vier weken, maximaal zes. Voor 2400 euro. Om Laurens de kans te geven te stabiliseren.” “En anders? “Anders is morgen de laatste dag, volgens plan. Dan moeten we maar hopen dat Laurens het op eigen kracht redt.” “Laat me erover nadenken”, zei ik. “Natuurlijk”, zei Thomas. Ik dacht erover na. En besloot dat het wel genoeg was geweest. Ik appte Thomas. “Ik zie er toch maar van af. Misschien Laurens’ zus?” De volgende ochtend kreeg ik een mailtje: Borgstelling BO-7741 is per heden verlopen. Uw borgstelling is beëindigd. Er zijn geen openstaande financiële verplichtingen. Geen openstaande financiële verplichtingen. Was Laurens dus officieel alcoholist af? Ook al had hij dan vlak voor het einde van het traject twee glaasjes wijn gedronken, dat zouden ze hem toch niet al te zwaar aanrekenen? En hoe zat het met mijn prestatiepremie? Geen woord over de 4000 euro die ik toch maar mooi had verdiend met – ja, wat was het eigenlijk – toekijken hoe het Laurens verging en hem af en toejuichen. Misschien was het een vergissing? Of kwam het bericht nog? En misschien moest ik Laurens bellen om hem te feliciteren? Maar toen later zag ik dat Thomas me probeerde te bellen. Ik liet de telefoon overgaan en op voicemail springen. Geen zin, ik was toch borgsteller af? Nou dan. Maar Thomas stuurde een overgaan. Hij stuurde een bericht: Kun je me terugbellen? Het gaat over Laurens. “Laurens is vannacht overleden”, zei hij toen ik had teruggebeld. “Hij had zeker gewild dat we jou inlichtten.” “Ach. Hoe…?”, vroeg ik. “Een hartaanval. Hij had een fles wodka leeggedronken, dat heeft er misschien ook mee te maken.” “En het ging zo goed”, probeerde ik. “Die sessie over zijn vrouw was hem misschien net iets te veel”, zei Thomas. “Hij had ook niet verteld dat hij net was ontslagen bij de uitgeverij. Als hij dat had gedaan, hadden we het rustig aan gedaan.” “Ik heb het misschien te rustig aan gedaan”, biechtte ik op. Maar Thomas zat niet te wachten op een schuldbekentenis. “Je kent onze drie C’s”, zei hij. “Nou…” “Helpers moeten accepteren dat zij de verslaving niet hebben veroorzaakt (didn’t cause it), niet kunnen beheersen (can’t control it) en niet kunnen genezen (can’t cure it).” En dat was dat, wat hem betreft. Volgende patiënt. — Thuis opende ik de map ‘Admin’. De weekrapporten, de meldingen, de bevestigingen, de algemene voorwaarden. Ik scroldde er langzaam doorheen, van het eerste bericht naar het laatste. De bevestiging van de eerste borgstelling. De uitnodiging voor de borgstellersavond. De melding van week vijf, er is geen actie van u vereist. Het rapport van de week dat hij twee sessies had gemist. Allerlei mailtjes die erop wezen dat Laurens aan het opkrabbelen was. De mededeling dat ik ‘geen openstaande financiële verplichtingen’ meer had. Een – dat was me nu wel duidelijk – dat ik kon fluiten naar mijn borg en al helemaal naar mijn prestatiepremie. Zo bijster indrukwekkend was mijn prestatie ook niet geweest, moet ik nu, maanden later, toegeven. Ik weet niet eens of het allemaal werkelijk veel heeft uitgemaakt. Het idee dat we hem misschien hadden kunnen redden heb ik sowieso al losgelaten – daarvoor was hij te ver heen, te zeer beschadigd, te zelfdestructief. Maar tegenwoordig troost ik me met de gedachte dat ik misschien toch niet alleen maar een ‘enabler’ ben geweest, zoals ik destijds vreesde. Hoe levensmoe hij ook was, ik geloof toch dat het traject, de borgstelling, de weekrapporten, de telefoongesprekken en mijn halfhartige interventies en blijken van steun – dat dit allemaal iets iets heeft betekend. Iets. Dat het hem heeft geholpen om het minder snel op te geven, om het te blijven proberen tot het echt niet langer ging. Iets. Niet veel, maar iets. Waren er maar meer mensen geweest zoals ik, denk ik nu. Want ik wil mezelf niet langer verwijten dat ik tekort ben geschoten. EINDE





Beelden: zelf gebakken met ChatGPT
Logo voor de Sci-Fai / Komedie- en tragediereeks: zelf gebakken met ChatGPT



