Uitstel van ontbinding (Een Sci-Fai / Romantiekverhaal)

Uitstel van ontbinding (Een Sci-Fai / Romantiekverhaal)

SFRRomantiekmettekst

Wanneer uitgezaaide kanker haar lichaam breekt, neemt Carmen een radicale beslissing: ze laat zich invriezen in een metalen cilinder bij CyoyNed. Maar Nederland kreunt onder de ergste hittegolf in decennia. En CryoNeds noodaggregaten zijn niet gebouwd voor deze temperaturen. Wat moet Maarten, haar man doen?

Terwijl hij een paneel van zestiende-eeuws glas-in-lood restaureert, komt hij tot een besluit.

HOOFDSTUK 1: DIAGNOSE

1 (Aangepast)

Maartens handen waren bedekt met een dunne laag grijs stof toen de telefoon ging. Kalkstof, vermengd met eeuwenoud vuil – de restanten van het oude cement dat het paneel op zijn plaats had gehouden. Hij veegde zijn vingers af aan zijn werkschort.

Het paneel lag op de lichtbak voor hem, een zestiende-eeuws raam uit het klooster in Hallum. Anderhalve bij twee meter, vijftien kilo zwaar glas en lood. Hij had het paneel gisteren verhuisd. Voorzichtig, met twee man, elk stukje getapet zodat er geen stukken uit zouden vallen. Het had zes uur gekost om het los te maken zonder extra breuken te veroorzaken. Nu lag het hier, in afwachting van Maartens diagnose.

De telefoon ging opnieuw. ‘Ziekenhuis Groningen’, wist hij al voordat hij het op de display las.

“Meneer Visser?” De stem was vriendelijk maar zakelijk. “U kunt beter komen.”

Hij zei niets. Buiten zijn atelier sloeg de regen tegen de ramen. Oktober, maar het voelde als augustus. Zevenendertig graden sinds gisteren. De hele stad voelde zweterig aan.

“Meneer Visser? Bent u daar nog?”

“Ik kom eraan.”

Hij trok zijn schort uit en pakte zijn jas. Buiten voelde de lucht als een sauna. De stad rook naar teer en uitgedroogde grachten. In de verte, boven de Martinitoren, hing een grijze waas. Rook, had iemand op het nieuws gezegd. Bosbranden in Duitsland.

Het ziekenhuis was te koud. Airconditioning op volle kracht, patiënten in dunne dekens. Hij liep door gangen die te fel verlicht waren, langs kamers waar mensen vochten voor hun leven en stierven, en alles rook naar ontsmettingsmiddel en angst.

Kamer 314. De deur stond op een kier.

Carmen lag in het bed bij het raam, haar grauwe gezicht tegen de witte kussens. Haar ogen waren dicht. Een infuus in haar arm. Het piepen van machines. Hij was hier zo vaak geweest de afgelopen maanden dat het bijna normaal aanvoelde. Bijna.

“Maarten.”

Hij schrok. Haar ogen waren open. Ze keek naar hem met die blik die ze altijd had – alsof ze iets zag wat hij niet kon zien.

“Hoe voel je je?” vroeg hij. Een domme vraag.

“Ik heb iets gedaan”, zei ze. Haar stem was zwak maar helder.

Hij ging zitten op de stoel naast het bed. “Wat dan?”

“Beloof me dat je niet boos wordt.”

“Wat?”

“Beloof het.”

Hij zweeg. Buiten het raam zag hij de stad liggen, uitgestrekt en glimmend in de hitte. Ergens daar beneden was zijn atelier, het paneel dat half af was, de barsten die wachtten om gerepareerd te worden.

“Beloof je het?”

“Ik beloof het”, zei hij.

Ze glimlachte, maar het was een trieste glimlach. “Ik ben een cryonist geworden.”

“Een wat?”, vroeg Maarten. “Zal wel een of andere sekte zijn”, dacht hij De een bekeert zich op zijn sterfbed tot het katholicisme uit angst om anders niet in de hemel te komen, de ander wordt cryonist.

“Als ik er niet meer ben… dan ben ik niet helemaal weg”, zei ze.

“Hoe dan niet?”

“Ik word ingevroren.”

Hij staarde haar aan. De machines piepten. Een verpleegster liep voorbij in de gang, haar voetstappen zacht op het linoleum.

“Wat?”

“Ik wil nog niet weg, Maarten. Er is zoveel dat ik nog wil doen. Zien. Begrijpen. En over twintig, dertig jaar, als ze de technologie hebben…” Haar stem stierf weg.

“Ik weet het niet…”

“Is het waanzinniger dan crematie? Dan begraven worden? Dan gewoon… verdwijnen?”

Hij wilde iets zeggen, maar de woorden bleven in zijn keel steken. Carmen had altijd in die dingen geloofd – apps die je gelukkiger maakten, algoritmes die je perfecte partner konden vinden, coaches die je leerden positief te denken. Ze had een fortuin verdiend met die onzin. “Je gelooft hier toch niet echt in?”, zei hij uiteindelijk. “Als je straks ontdooid wordt, leef je toch niet? Dus wat heeft het voor zin? Je koopt alleen maar uitstel… uitstel van ontbinding.”

Ze keek hem aan, en in haar ogen was iets wat hij niet kon plaatsen. “Maar misschien kunnen ze me straks wel tot leven wekken. En me genezen. Het zou toch kunnen? Is dat niet genoeg reden om het te proberen?”

Maarten stond weer in zijn atelier. Hij knipte de lichtbak aan. Het paneel lichtte op van onderaf.

De schade was erger dan hij had gedacht. Zeven grote barsten liepen door het glas als rivieren op een kaart. Twaalf kleine scheurtjes. Drie stukken die bijna loslieten. Het lood was op meerdere plaatsen doorgerot – honderd jaar verwaarlozing had zijn tol geëist.

Hij pakte zijn notitieblok en begon te documenteren.

Barst 1: Kathedraal glas, helderblauw, diagonale breuk van linksboven naar rechtsonder. 18 centimeter. Advies: Breukloodje, 4mm breed.

Barst 2: Antiekglas, amberkleurig, verticale scheurtje, 6 centimeter. Advies: Mogelijk verlijmen, mits randen schoon.

Barst 3

Hij werkte door tot zijn hand verkrampte. Vierentwintig beschadigingen in totaal. Elke barst gedocumenteerd, gefotografeerd, geclassificeerd. Lichte scheurtjes, minimale verzakkingen en subtiele oxidatie horen bij het karakter. Die hoefde hij niet te repareren. Maar alles wat het paneel structureel verzwakte – dat moest aangepakt worden.

Hij keek naar zijn documentatie. Dit was een categorie B-restauratie: grootschalig herstel in het atelier. Herloden, kitwerk, mogelijke glasvervanging. Weken werk.

De opdrachtgever – de directeur van een gerestaureerde kerk die nu een cultureel centrum was – wilde het eigenlijk terug in de originele staat: “Niemand hoeft te weten dat het kapot is geweest.” Maarten had uitgelegd dat dat niet kon. Hij had uitgelegd dat sommige barsten ook juist zichtbaar moesten blijven. Dat dat juist de schoonheid was. Dat hij daarom de voorkeur gaf aan breukloodjes. “Zo’n breukloodje laat de geschiedenis van het glas laat zien in plaats van het te verbergen.” En authenticiteit was belangrijker dan esthetiek, vond Maarten.

“Kun je het niet gewoon verlijmen?”, had ze gevraagd. “Dat is toch een soort geschiedvervalsing”, had Maarten gezegd. “Bovendien: de barst is er nog steeds op moleculair niveau. Over 50 jaar kan de lijm verkleuren.”

Ze had hem aangekeken alsof hij een vreemde taal sprak. “Dat zien we over 50 jaar dan wel weer. Misschien is er dan betere lijm.”

Ze had gezucht. “Kun je het glas niet gewoon vervangen?”

“Dat zie je ook altijd als je goed kijkt. Oud glas is veel onregelmatiger dan nieuw glas, het licht dat er doorheen schijnt is veel diffuser. ”

Toen had ze het opgegeven: “Jij bent de expert.”

Nu begreep hij waarom Carmen en hij nooit dezelfde taal hadden gesproken. Hij wilde barsten zichtbaar laten. Zij wilde ze onzichtbaar maken. Hij wilde eerlijkheid. Zij wilde perfectie. Kunstmatige perfectie, desnoods.

Die nacht stierf Carmen in haar slaap. Het ziekenhuis kende de procedures, had formulieren, beschikte over telefoonnummers. Maarten kon op de automatische piloot alles regelen wat hij moest regelen. Een dag na de dood van Carmen had Maarten de overlijdensakte al en de volgende dag kon hij meteen door naar de notaris. Zo lang als Carmens stervensproces was geweest, zo snel was de afwikkeling van haar erfenis.

De notaris was een jonge vrouw met een perfect kapsel en een stem die te luid was voor een klein kantoor. Ze had het testament voorgelezen alsof het een reclamefolder was. Huis, bankrekening, auto – alles naar Maarten. En dan, bijna terloops: “Mijn lichaam zal worden overgedragen aan CryoNed voor cryopreservatie.”

“Maar er moet toch een uitvaart zijn”, had hij gezegd. “Voor haar familie. Voor haar vrienden.”

De notaris had haar hoofd geschud. “Het contract is bindend. CryoNed heeft het lichaam al.”

HOOFDSTUK 2 (FLASHBACK): DE TOEKOMST TOEN

3 (Aangepast)

Carmens spullen waren er nog – haar boeken op de planken, haar jas aan de kapstok. Maar het voelde leeg. Alsof ze al jaren weg was in plaats van weken.

Hij liep naar de keuken en schonk zichzelf een glas wijn in. Zijn blik viel op de koelkast. Foto’s, magneten, een boodschappenlijstje in Carmens handschrift. En, bijna verscholen achter een magneet van Barcelona: een polaroid.

Carmen, tien jaar jonger, met een baby in haar armen. Niet haar baby. De dochter van haar zus, Sophie. Carmen keek naar de camera met een glimlach die Maarten herkende – die blik van “dit had ik kunnen hebben”. Hij had die foto jaren niet gezien. Hij had niet geweten dat ze hem nog had.

Ze hadden het er op een regenachtige zondag over gehad. Ze waren net terug van een bezoek aan Carmens zus in Utrecht. Sophie had net haar tweede kind gekregen. “Het ruikt hier naar babypoeder en geluk!”, had Carmen gekird.

“Ik wil dat ook”, had Carmen gezegd in de auto, terwijl de ruitenwissers heen en weer gingen.

“Wat?”

“Een kind.”

Maarten had zijn handen strakker om het stuur geklemd. Ze hadden het hier al jaren over gehad. Of eigenlijk: ze hadden hier al jaren omheen gedanst.

“Lief…”

“Ik weet wat je gaat zeggen. Dat we te oud zijn. Dat het niet het goede moment is. Dat we eerst moeten … ”

“We zijn niet te oud. Jij bent tweeënveertig. Dat is niet te oud.”

“Maar?”

Hij zweeg. De waarheid was ingewikkeld. De waarheid was dat hij niet wist hoe hij vader moest zijn. Dat zijn eigen vader hem die vaardigheid niet had meegegeven. Dat hij bang was dat hij zou falen, dat hij een kind zou krijgen en het zou verwaarloozen zoals hij alles verwaarlooste wat niet met glas te maken had.

“Ik denk niet dat ik een goede vader zou zijn”, zei hij uiteindelijk.

“Dat is onzin.”

“Carmen, kijk naar me. Ik breng twaalf uur per dag door in mijn atelier. Ik praat tegen glas. Ik heb geen geduld voor mensen. Hoe zou ik geduld hebben voor een baby?”

“Je zou het kunnen leren. Mensen kunnen leren.”

“Niet iedereen. Sommige mensen zijn niet gemaakt om—”

“Dus je wilt het niet.” Haar stem was vlak.

“Het is niet dat ik niet wil. Het is dat ik niet denk dat ik kan.”

Ze hadden de rest van de rit naar huis gezwegen.

Die avond had Carmen op de bank gezeten met een glas wijn en had ze gezegd: “Ik accepteer het.”

“Wat accepteer je?”

“Dat we geen kinderen krijgen. Dat jij niet… dat je er niet klaar voor bent. Dat is oké.”

Maar het was niet oké geweest. Hij had het gezien in haar ogen, in de manier waarop ze de maanden daarna naar kinderen keek in de supermarkt, in het park, op straat. Die blik van iemand die een deur ziet die dichtgaat.

Een jaar later was Carmen gestopt met erover te praten. Ze was zich gaan storten op haar werk, haar startup, haar dromen van ‘de toekomst bouwen’. Alsof ze had besloten dat als ze geen toekomst kon maken in de vorm van een kind, ze het op een andere manier moest doen.

En hij had haar laten gaan. Opgelucht dat het onderwerp van tafel was. Dankbaar dat ze niet had aangedrongen.

Nu realiseerde hij zich: ze had niet geaccepteerd. Ze had opgegeven. Er was verschil.

HOOFDSTUK 3: DE HERDENKINGSDIENST

2 (Aangepast)

Hij organiseerde een herdenkingsbijeenkomst. Geen begrafenis – dat kon niet zonder lichaam – maar een viering van haar leven. Carmen zou het zo gewild hebben. Groot. Vrolijk. Vol mensen en verhalen.

Hij huurde een zaal in het centrum van Groningen. Hij schreef een lijst met namen, mensen die Carmen had gekend. Vrienden, collega’s, familieleden. Hij kocht bloemen – witte lelies, haar favoriet. Hij liet een fotocollage maken, Carmen door de jaren heen.

De avond van de bijeenkomst kwamen honderden mensen. Ze vulden de zaal met hun stemmen, hun lachen, hun herinneringen. Maarten stond bij de ingang en schudde handen, accepteerde condoleances, knikte bij verhalen die hij half hoorde.

“Ze heeft mijn leven veranderd”, zei een vrouw met een bril die te groot was voor haar gezicht.

“Ze geloofde dat ik het kon”, zei een jonge man met tatoeages op zijn armen.

“Ze was zo inspirerend”, zei een meisje met roze haar en tranen op haar wangen. “Ze heeft me geleerd dat het beter is om iets te proberen en te falen dan om het helemaal niet te proberen.”

Een paar mensen kende hij wel – enkele collega’s en de vrienden die Carmen en hij gemeenschappelijk hadden gehad. Langzaam kwam het verhaal naar boven – dingen die hij nooit had geweten.

Van Linda, Carmens beste vriendin, hoorde hij dat Carmen het contract met CryoNed een jaar voor haar dood had getekend. Ze had het geld betaald van haar eigen rekening, geld dat ze had overgehouden aan de verkoop van haar onderneming. Het was haar beslissing geweest. Haar keuze.

“Ze wilde je er niet mee belasten”, zei Linda. “Ze wist ook dat je het niet zou begrijpen.”

“Waarom zou ik het niet begrijpen?”

“Begrijp je het dan?”

“Nou nee…”

“Precies.”

Maarten besefte dat hij Carmen nooit echt had gekend. Niet zoals deze mensen haar hadden gekend. Voor hen was ze een mentor, een vriend, een bron van inspiratie. Voor hem was ze… wat? Zijn vrouw. Zijn tegenhanger. De persoon die hij had liefgehad maar inderdaad nooit helemaal begrepen.

Aan het eind nam hij het woord. Hij stond op het podium, het licht in zijn ogen, en zei: “”Carmen geloofde in de toekomst.” Zijn stem klonk vreemd door de microfoon. “Ze geloofde dat we dingen konden maken, veranderen, verbeteren. Hij stopte. Zijn keel was droog. “Carmen geloofde dat er altijd hoop was. Zelfs als het onmogelijk leek. Zelfs toen ze ziek was… het is jammer dat die hoop niet is uitgekomen. Oneindig jammer dat ze ongelijk heeft gekregen.”

De zaal applaudisseerde. Mensen huilden. Maarten stapte van het podium en liep de zaal in. “Wat had ik dan moeten zeggen?”, vroeg hij zich af.

Een man klampte hem aan. “Meneer Visser? Ik ben Jasper van CryoNed.”

“CryoNed?” Het kwam Maarten vaag bekend voor, maar niet meer dan dat.

“We hebben uw vrouw… we hebben Carmen veilig opgeslagen. Ik wilde even weten of u langs wilt komen. Voor een rondleiding. Als u wilt.”

Maarten zei niets.

“Het helpt soms”, zei Jasper. “Om te zien waar ze is. Hoe we voor haar zorgen.”

“Ze is dood”, zei Maarten.

“Ja”, zei Jasper. “Maar toch. Mensen putten soms hoop uit een bezoek aan ons.”

“Hoop?”

“Of troost.”

HOOFDSTUK 4: CYRONED

4 (Aangepast)

CryoNed zat verscholen achter een geluidswal aan de A9, vlak bij Schiphol. Maarten had het adres drie keer moeten checken. Geen borden, geen logo’s. Alleen een laag gebouw van betonnen platen en spiegelglas, omringd door een hek met prikkeldraad. Het leek meer op een distributiecentrum voor diepvriesgroenten dan op een plek waar mensen hun laatste hoop bewaarden.

De parkeerplaats was leeg op twee Tesla’s na. Maarten zette zijn Volvo tussen hen in en bleef zitten met zijn handen op het stuur. Hij had geen idee waarom hij gekomen was. Hij had ‘ja’ gezegd zonder erbij na te denken. Nu, hier, voelde het als een vergissing. Door de voorruit zag hij vliegtuigen opstijgen, hun buiken glanzend in de hitte. Het was weer zevenendertig graden. De airconditioning in zijn auto deed zijn best. Carmen was dood. Wat maakte het uit waar haar lichaam lag? Toch stapte Maarten uit, tegen een warme muur.

Binnen was het koel. De receptie was leeg – alleen een balie met een tablet en een ficus die dood was maar nog overeind stond. Maarten keek om zich heen. Witte muren, laminaatvloer, een poster met de tekst: “De toekomst wacht. Ben jij er klaar voor?”

“Meneer Visser!”

Jasper kwam de hoek om. Hij was jonger dan Maarten had gedacht – begin dertig misschien – met een strak pak en een glanzende stropdas.

“Fijn dat u er bent. Echt waar. Ik weet dat dit moeilijk is.”

“Laten we het maar doen”, zei Maarten.

Jasper knikte en ging hem voor door een gang. De vloer kraakte onder hun voeten. Maarten zag deuren met labels: CONTROLERUIMTE. VITRIFACTIELABORATORIUM. PERSONEELSKEUKEN. Alles was te fel verlicht. Het deed pijn aan zijn ogen. Het rook naar chemicaliën en gerecyclede lucht.

“We zijn eigenlijk een kleine organisatie”, zei Jasper over zijn schouder. “Acht fulltime medewerkers. Zevenentwintig pods tot nu toe. Carmen is nummer zevenentwintig.” Hij zei het alsof het een prijs was. “Dat is een van de nieuwste. Temperatuur constant op min 196 graden Celsius. Vloeibare stikstof. Het beste wat er is.”

“Hoeveel hebt u er teruggebracht?” vroeg Maarten.

Jasper stopte bij een deur. “Nog niemand. Maar dat komt hopelijk nog. Over tien, twintig jaar. De medische wetenschap maakt enorme sprongen. Orgaanregenatie, neurale reparatie, moleculaire herstel…”

“Maar nog niet.”

“Nog niet.” Jasper legde zijn hand op de deurknop. “Maar we bereiden ons erop voor. Dat is het hele punt.”

De deur ging open.

De koelruimte was groter dan Maarten had verwacht – een magazijn vol metalen cilinders, elk zo groot als een menselijk lichaam, opgesteld in rijen als bomen in een boomgaard. Overal digitale displays met cijfers in groen en rood. Het gonsde van machines, een diep, constant gebrom dat hij voelde in zijn botten.

De kou sloeg tegen hem aan. Zijn adem vormde wolkjes.

“Hier”, zei Jasper. Hij liep naar de derde rij. “Pod zevenentwintig.”

Maarten volgde. Zijn schoenen piepten op de betonnen vloer. Ergens links klonk een sissend geluid – stikstof die vrijkwam, dacht hij. Hij keek naar de pods. Sommige hadden namen op kleine plaatjes. Anderen alleen nummers.

“Dit is Carmen”, zei Jasper. Hij legde zijn hand op een cilinder halverwege de rij.

Maarten keek naar de pod. Het metaal was mat, bijna grijs, met condens erop. Op het display stonden cijfers: -196.4°C. Onder het scherm een plaatje: CARMEN VISSER-DE GROOT. 1973-2025.

“Mag ik…” Maarten stopte. “Mag ik haar zien?”

Jasper schudde zijn hoofd. “De pods zijn verzegeld. Voor de veiligheid. Eén graad temperatuurverschil kan catastrofaal zijn. Maar ze is er. In foetushouding, in een slaapzak met vitrificatievloeistof. Haar lichaam is intact. Geen ijskristallen. Geen celdood. Zolang we de temperatuur constant houden…”

“Hoe lang?”

“Eeuwen. Millennia. In theorie: voor altijd.”

Maarten legde zijn hand op de cilinder. Het metaal was zo koud dat het bijna brandde. Hij trok zijn hand niet meteen terug. Hij probeerde zich voor te stellen dat Carmen daarbinnen was. Haar lichaam, klein gemaakt, opgerold. Haar gezicht, bevroren in een uitdrukking die hij nooit zou zien. Was ze bang geweest, op het moment dat ze insliep? Of opgelucht?

“Ze was heel beslist”, zei Jasper. “Toen ze het contract tekende. Ik bedoel, sommige mensen twijfelen. Maar zij niet. Ze zei: ‘Ik wil nog niet weg. Punt.'” Hij lachte zacht. “Ze was indrukwekkend.”

“Dat was ze”, zei Maarten. Zijn stem klonk vreemd, gedempt door de kou.

Ze stonden zwijgend bij de pod. Om hen heen het gezoem van de machines, het af en toe sissende geluid van ontsnappende stikstof. Maarten keek naar de andere pods. Al die mensen. Al die hoop. Hij vroeg zich af hoeveel partners hier stonden, net als hij, met hun hand op koud metaal, wachtend op een wonder dat nooit zou komen.

“Ze geloofde erin”, zei Maarten. Zijn stem klonk vreemd in de grote ruimte.

“Dat weet ik. Ze heeft me verteld over jullie laatste gesprek. In het ziekenhuis. Ze zei dat u boos zou zijn.”

“Ik ben niet boos.”

“Nee?”

Maarten dacht eraan. Was hij boos? Of was het iets anders? Verdriet. Verwarring. Het gevoel dat hij iets had verloren dat hij nooit terug zou krijgen.

“Gelooft u erin?” vroeg hij.

Jasper aarzelde. “Ik geloof dat we het moeten proberen. Dat het… dat het beter is dan niets.”

“Beter dan begraven worden.”

“Ja.”

“Beter dan loslaten.”

Jasper keek hem aan. “Meneer Visser, als u het wilt weten: ik heb mijn twijfels. Ik werk hier al drie jaar en soms denk ik: wat zijn we aan het doen? Dode mensen bewaren in de hoop dat de toekomst hen kan redden? Het klinkt krankzinnig. Maar dan bedenk ik: wat als het werkt? Wat als we over vijftig jaar terugkijken en denken: waarom hebben we niet meer mensen gered toen we de kans hadden?”

“En als het niet werkt?”

“Dan hebben we mensen tenminste een keuze gegeven. Een alternatief voor acceptatie. Dat is niet niks.”

Maarten dacht daarover na. Hij dacht aan Carmen, zoals ze was geweest in die laatste weken. Haar wanhoop. Haar weigering om op te geven. “Ik ben nog niet klaar”, had ze gefluisterd. Hij had gedacht dat ze bedoelde dat ze niet klaar was om te sterven. Maar misschien had ze bedoeld: ik ben niet klaar om te stoppen met hopen.

“Hoop doet leven?”, vroeg Maarten.

“Bij wijze van spreken… we blijven hopen in elk geval”, zei Jasper.

“Ook al is er nog geen teken van leven”, zei Maarten.

“Ik wil u iets laten zien”, zei Jasper, in plaats van met Maarten in discussie te gaan.

De VR-ruimte was aan het einde van een gang, een kleine kamer met zwarte muren en een stoel in het midden. Een headset lag op de stoel, dik en zwaar, met kabels die naar een computer liepen.

“Dit is experimenteel”, zei Jasper. “We gebruiken het om familieleden te helpen… nou ja, het proces te begrijpen. Het is een simulatie.”

“Een simulatie van wat?”

“Van het moment dat ze wakker wordt. Als het werkt.”

Maarten keek naar de headset. Een deel van hem wilde weglopen. Een ander deel – het deel dat Carmen had gekend, had liefgehad – wilde blijven.

Jasper zag dat Maarten weifelde. “Ze heeft u nooit meegenomen, geloof ik”, zei Jasper. “In haar werk. Haar dromen.”

“Nee.”

“Waarom niet?”

Maarten keek naar hem. “Omdat ik niet geloof in dromen. Ik geloof in wat ik kan zien. Voelen. In wat er is. En dat behouden of misschien iets beter maken. Al het andere is…”

“Naïef?”

“Escapisme.”

Jasper knikte langzaam. “Misschien. Maar er zijn ergere dingen. Zoals opgeven zonder te proberen. Je bij er bij voorbaat neerleggen dat iets niet gaat lukken. Dan doe je jezelf tekort.”

Ze stonden zwijgend voor de pod. Maarten dacht aan Carmen, zoals ze was geweest voor de ziekte. Haar lach. Haar optimisme dat soms irritant was maar ook aanstekelijk. De manier waarop ze naar de toekomst keek alsof die iets was wat je kon ontwerpen, zoals een huis of een tuin of een leven. Hij zag het anders. Dat wist ze, en hij wist dat zij het wist. Maar ze hadden het er nooit over gehad. Daardoor hadden ze elkaar misschien toch nooit echt leren kennen. Hij zou haar ook nooit meer leren kennen. Maar misschien dat hij haar nu alsnog iets naderbij kon komen.

“Oké”, zei hij, terwijl hij in de stoel ging zitten. “Laat maar zien.”

Jasper hielp hem met de headset, paste de riempjes aan. Het ding was zwaar, drukte op zijn schedel. Alles werd zwart.

Toen: licht.

Hij stond in een kamer. Wit. Helder. Geen schaduwen. Voor hem een bed met schone lakens. En in het bed…

Carmen.

Ze zag er jonger uit. Haar huid had kleur. En haar haar! Niet die dunne, grijze slierten van de laatste maanden, maar dikke, kastanjebruine lokken, zoals hij het zich herinnerde van twintig jaar geleden. Ze ademde rustig.

Carmen opende haar ogen. Ze keek hem aan en glimlachte. “Maarten.”

Hij wilde iets zeggen maar zijn keel zat dichtgeknepen.

“Ik wist dat je zou komen”, glimlachte ze. Ze ging rechtop zitten, de lakens vielen van haar schouders. Ze droeg een wit ziekenhuishemd. “Hoelang is het geweest?”

“Je bent niet echt.”

“Misschien niet. Maar het voelt echt. Toch?”

Hij zei niets.

Ze strekte haar hand uit. “Kom hier.”

Hij deed een stap naar voren. Zijn voeten voelden zwaar, alsof hij door water liep. Hij pakte haar hand. Ze was warm. Haar vingers sloten zich om de zijne.

“Zie je?” zei ze. “Echt genoeg.”

“Maar je bent nog steeds dood.”

“Nu wel. Maar straks niet meer. Over tien jaar. Twintig jaar. Wat maakt het uit? Tijd is relatief, Maarten. Dat heb je me zelf geleerd. Jij restaureert dingen van eeuwen geleden. Dit is niet zo anders.”

Hij keek naar haar gezicht. Elke rimpel, elke sproet. Het was Carmen, maar ook niet. Te perfect. Te gezond. Deze Carmen had nooit kanker gehad. Had nooit pijn geleden. Had nooit gelegen in dat ziekenhuisbed, bibberend en mager, met buizen in haar armen.

“Ik mis je”, zei hij. Zijn stem brak.

“Ik mis jou ook. Maar ik kom terug. Wacht op me.”

“En als je niet terugkomt?”

Ze glimlachte, en er was iets triests in die glimlach. “Dan heb je het geprobeerd. Dat is meer dan de meeste mensen kunnen zeggen.”

Maarten deed de headset af. Zijn handen trilden. Jasper stond bij de deur, zijn gezicht in schaduw.

“Het spijt me”, zei Jasper. “Ik dacht…”

“Het is goed.” Maarten stond op. “Ik moet gaan.”

Buiten was het nog steeds te warm. De zon hing laag aan de horizon, een oranje schijf achter de rook. Maarten stapte in zijn auto en bleef zitten, zijn handen op het stuur.

Hij huilde voor het eerst sinds haar dood.

HOOFDSTUK 5 (FLASHBACK): LIEFDESOORSPRONG

5 (Aangepast)

Nu zat hij in zijn atelier en keek naar het paneel. Buiten was het nog steeds te warm. Het nieuws had het over records. Over klimaatzones die verschoven. Over steden die zich voorbereidden op evacuatie.

Hij dacht aan een moment, jaren geleden. Een moment dat hij lang was vergeten, maar dat nu terugkwam met een helderheid die pijn deed.

Het was winter geweest. Een van die zeldzame Nederlandse winters met echte sneeuw. Carmen was net begonnen met haar startup – lang voordat het succes werd, toen het nog alleen een idee was en een hoop schulden.

Ze was thuisgekomen, die avond, doorweekt en bibberend. Haar presentatie voor investeerders was een ramp geweest. Ze hadden haar uitgelachen. Letterlijk gelachen toen ze vertelde over haar platform voor positief denken.

“Ze zeiden dat het zweverig was”, had ze gezegd. Ze stond in de deuropening, sneeuw op haar jas, tranen op haar wangen. “Dat niemand zou betalen voor ‘een beetje optimisme in een app’.”

Maarten had niet geweten wat hij moest zeggen. Dus had hij warme chocolademelk gemaakt. Ze waren op de bank gaan zitten, onder een deken, en ze had gehuild tegen zijn schouder.

“Misschien hebben ze gelijk”, had ze gefluisterd. “Misschien is het stom. Misschien ben ik stom.”

“Je bent niet stom.”

“Ik heb alles op deze kaart gezet, Maarten. Al ons spaargeld. De lening bij de bank. En voor wat? Voor een app die mensen aanmoedigt om te glimlachen?”

Hij had haar aangekeken. Haar gezicht was rood van het huilen, haar haar plakte aan haar voorhoofd. En voor het eerst had hij niet gedacht: je had naar me moeten luisteren. Hij had gedacht: je bent zo dapper.

Want dat was ze. Dapper. Idioot dapper. Ze had alles gewaagd voor iets waarin bijna niemand geloofde, behalve zijzelf.

“Het is niet stom”, had hij gezegd. “Het is… het is moedig. En ik bewonder je erom.”

Ze had naar hem gekeken alsof hij een vreemde was. “Echt?”

“Echt.”

“Maar jij vindt het toch ook zweverig.”

“Ja. Maar ik vind jou niet zweverig. Ik vind je… bewonderenswaardig.”

Ze had geglimlacht. Een kleine, onzekere glimlach. En ze had gezegd: “Dank je.”

Drie jaar later was haar app een succes. Vijf miljoen gebruikers. Verkocht voor miljoenen.

Maar dat moment op de bank, met sneeuw tegen de ramen en warme chocolademelk tussen hen in – dat was het moment geweest waarop hij echt van haar was gaan houden. Niet van haar optimisme. Niet van haar dromen. Maar van haar bereidheid om te falen. Om belachelijk te zijn. Om te blijven geloven, zelfs als niemand anders het deed.

HOOFDSTUK 6: DEMONTAGE EN ONTLODEN

6 (Aangepast)

De dag na zijn bezoek aan CryoNed begon Maarten aan de demontage van het paneel. Het oude lood moest eraf. Dat was het moeilijkste deel – het lood was bros geworden na honderd jaar, en als je te hard duwde, brak het. Als je te voorzichtig was, kwam het niet los.

Hij begon met de buitenste omlijsting. Een H-profiel van 9 mm breed, doorgerot aan de onderkant waar regenwater zich had verzameld. Hij pakte zijn loodmes – een eenvoudig werktuig, een platte kling met een houten handvat – en begon voorzichtig het lood van het glas te wrikken.

Het kraakte. Kleine stukjes lood braken af en vielen op zijn werkbank. Hij werkte langzamer. Millimeter voor millimeter. Het rook naar oud metaal en teer.

Net als bij Carmen, dacht hij. Stukje bij beetje afbreken. Voorzichtig, omdat het anders helemaal kapot gaat.

Hij stopte. Schudde zijn hoofd. Dat was een belachelijke vergelijking.

Maar toch bleef de gedachte hangen. Carmen in dat ziekenhuis, haar lichaam dat stukje bij beetje afbrak. De dokters die voorzichtig probeerden haar uit elkaar te halen en weer in elkaar te zetten. Chemotherapie. Bestraling. Experimentele medicijnen. Allemaal pogingen om het oude lood te verwijderen en nieuw lood aan te brengen.

Het had niet gewerkt.

Na twee uur had hij de buitenste omlijsting verwijderd. Nu kwamen de binnenloodlijnen – het ingewikkelde netwerk dat elk stukje glas op zijn plaats hield. Dit moest met nog meer precisie. Eén verkeerde beweging en een scherf zou barsten.

Hij pakte een fijner mes. Begon aan de eerste binnenlijn, een verticaal stuk van 6mm breed dat twee stukken blauw kathedraal glas scheidde.

Het lood liet niet makkelijk los. Het was vastgekit met stopverf die zo hard was geworden als steen. Hij moest schrapen, wrikken, trekken. Zijn vingers werden zwart.

Hoelang duurt het, had Carmen gevraagd, een week voor haar dood, om zoiets te herstellen?

Weken. Maanden soms. Afhankelijk van de schade.

En dan is het weer als nieuw?

Nee. Nooit als nieuw. De barsten blijven. Maar het wordt wel… heel.

Ze had geknikt, alsof ze het begreep. Maar hij wist dat ze het niet begreep. Dat ze er allebei heel verschillende definities van ‘heel’ op na hielden.

Tegen de middag had hij alle lood verwijderd. Het glas lag nu vrij op de lichtbak – twaalf afzonderlijke stukken, sommige met barsten, sommige intact. Ze leken fragiel zonder het lood dat ze bijeenhield. Kwetsbaar.

Nu kwam de reiniging.

Hij vulde een bak met warm water en een scheutje babyshampoo – non-ionogene zeep, de enige die veilig was voor oud glas. Hij pakte het eerste stuk, het grote blauwe paneel met de diagonale barst, en legde het voorzichtig in het water.

Het vuil van honderd jaar begon los te komen. Roet. Vetresten. Stof. Hij gebruikte een zachte doek, wreef voorzichtig in cirkels. Het glas begon te gloeien onder zijn handen – niet het doffe grijs van verwaarlozing, maar het diepe kobaltblauw dat de oorspronkelijke maker had bedoeld.

Was dit niet wat CryoNed deed? dacht hij. Het vuil wegspoelen. Het lichaam terugbrengen naar een eerdere staat. Wachten tot iemand de technologie had om het opnieuw te laten functioneren.

Maar glas was simpel. Glas was chemisch stabiel. Het bleef hetzelfde, of je het nu honderd jaar in een kerk hing of honderd jaar in een doos bewaarde. Mensen waren anders. Mensen veranderden. Zelfs ingevroren mensen – hun cellen degradeerden, hun DNA fragmenteerde. En hun geest? Waar bleef die, als het lichaam stopte?

Carmen had gezegd: Het bewustzijn zit in de structuur van de hersenen. Als je die structuur bewaart, bewaar je de persoon.

Maar Maarten wist beter. Hij had genoeg glas gerestaureerd om te weten: structuur was niet genoeg. Je kon de belijning precies navolgen, dezelfde soorten glas gebruiken, dezelfde technieken toepassen. Maar het zou nooit hetzelfde zijn. Want glas veranderde in de tijd. Het werd dikker aan de onderkant. De kleuren werden warmer. Microscopische barsten groeiden.

Een echt gerestaureerd paneel was niet hetzelfde als het origineel. Het was iets nieuws dat leek op het origineel.

Was dat niet wat CryoNed deed? Beloven dat Carmen weer Carmen zou zijn, terwijl ze hooguit een licht afwijkende versie van Carmen zou kunnen zijn?

Hij dacht aan hoe ze in een metalen cilinder lag, ingevroren als een stuk vlees, in afwachting van een toekomst die misschien nooit zou komen.

Hij legde zijn gereedschap neer en pakte zijn telefoon. Hij scrollde door oude foto’s. Carmen op hun huwelijksdag, zeventwintig jaar geleden. Carmen op een strand in Griekenland, lachend met een cocktail in haar hand. Carmen achter haar bureau, gebogen over haar laptop, haar gezicht geconcentreerd.

Carmen in het ziekenhuis, kaal en bleek, maar nog steeds glimlachend.

“Ik ben nog niet klaar”, had ze gefluisterd, een week voor haar dood. “Er is zoveel dat ik nog wil doen.”

Hij had haar hand vastgehouden en gezegd: “Je hebt genoeg gedaan.”

“Nee”, had ze gezegd. “Nooit genoeg.”

HOOFDSTUK 7 (FLASHBACK): DE REST VAN JE LEVEN

7 (Aangepast)

Ze had net haar startup verkocht. Vijf miljoen euro voor haar platform voor ‘positieve levenscoaching’. Maarten had geféliciteerd, haar gekust, champagne opengetrokken.

“Wat ga je nu doen?” had hij gevraagd.

“Leven”, had ze gezegd. “Echt leven. Gewoon… dingen doen die ertoe doen.”

“Zoals?”

“Reizen. Leren. Misschien een boek schrijven. Of schilderen. Of allebei.” Ze had gelachen. “Alles is mogelijk, Maarten. Snap je dat? Alles.”

Hij had naar haar gekeken en gedacht: Nee. Niet alles. Sommige dingen kun je niet repareren. Sommige barsten blijven. Sommige dromen kun je niet verwezenlijken. Sommige wensen zullen altijd onvervuld blijven. Maar hij had niets gezegd.

Hij had wel gelijk gekregen. Van ‘echt leven’ was niet veel terechtgekomen.

De diagnose kwam op een dinsdag, nog geen maand nadat ze afscheid had genomen van haar bedrijf. Uitgezaaide borstkanker. Stadium vier. Carmen had naar de dokter geluisterd met haar handen gevouwen in haar schoot, haar gezicht kalm. Maarten had zich afgevraagd of ze het wel echt hoorde.

“Hoe lang?” had ze gevraagd.

“Dat is moeilijk te zeggen. Maanden. Misschien een jaar. Met behandeling…”

“Welke behandeling?”

De dokter had een lijst opgesomd. Chemotherapie. Bestraling. Experimentele medicijnen. Alternatieve therapieën. Het klonk als een menu waar je uit kon kiezen.

Carmen had geknikt bij elk item, alsof ze zorgvuldig aantekeningen maakte.

Op weg naar huis had ze gezegd: “Ik ga het verslaan.”

“Lief…”

“Nee. Luister. Ik ga alle therapieën proberen. Alles. Ik ben pas vijftig. Ik heb nog zoveel…”

“Denk je niet dat je de realiteit onder ogen moet zien? Dit is geen strijd die je kunt winnen. Als dat zo was zouden veel minder mensen eraan doodgaan.”

“De realiteit?” Ze had hem aangekeken, en in haar ogen was iets hards gekomen. “Realisme is voor losers. Als ik realistisch was geweest, was ik nooit begonnen met positieve levenscoaching. Ik denk niet in beperkingen, ik denk ik mogelijkheden.”

“Maar misschien is wat je wilt onmogelijk.”

“Dat kan me niets schelen. Je moet durven dromen. Anders bereik je niets. Dan weet je zeker dat je faalt.”

Hij had niets gezegd. Ze waren de rest van de rit naar huis stil gebleven.

Had hij haar toen maar aangemoedigd.

HOOFDSTUK 8: HERLODEN, SOLDEREN, KITTEN

8 (Aangepast)

Maarten had het paneel gereinigd, gedocumenteerd, en nu kon hij aan de restauratie van het paneel beginnen.

Hij pakte de epoxylijm. UV-bestendig, twee componenten, helder als water. Als hij het goed deed, zou je de barst alleen zien als je wist waar je moest kijken. Het paneel zou er bijna precies zo uitzien als voordat het brak. Net zoals Carmen had gewild: er zo uitzien als ze was voordat ze kanker had gekregen. Niet oud. Niet ziek. Maar zoals ze was geweest toen haar lichaam nog niet gebroken was.

Maar Maarten kon het niet. Hij zette de lijm neer. Pakte in plaats daarvan zijn loodsnijder en begon. Maarten had nieuwe loodprofielen besteld – H-profielen van 9 mm, dezelfde als het origineel. Het lood rook scherp toen hij het uit de verpakking haalde, een metaalachtige geur die hem altijd aan zijn vader deed denken.

Zijn vader was ook restaurateur geweest. Meubelmaker. Hij had Maarten geleerd dat goed vakmanschap drie dingen vereiste: geduld, precisie en acceptatie van imperfectie.

“Je kunt een barst niet ongedaan maken”, had zijn vader gezegd. “Maar je kunt hem wel respecteren.”

Maarten had die wijsheid meegenomen naar zijn eigen vak.

Hij begon met de buitenste omlijsting. Hij mat het nieuwe lood af – exact 152,3 centimeter voor de bovenkant. Sneed het met zijn loodsnijder, een schaar-achtig gereedschap dat door het zachte metaal gleed als door boter.

Het lood paste perfect. Hij legde het om de rand van het glas, drukte het voorzichtig aan. Het lood was flexibel genoeg om de contouren te volgen, stevig genoeg om het glas te beschermen.

Nu de zijkanten. En toen de onderkant. Elk stuk lood precies op maat. Geen millimeter teveel. Geen millimeter te weinig.

Toen alle omlijsting lag, begon hij aan de binnenloodlijnen. Dit was ingewikkelder werk – het lood moest door het paneel heen lopen, elk stukje glas scheiden en tegelijk bijeenhouden. Het was als een puzzel waarbij elk stuk perfect moest passen.

Hij werkte methodisch. Links naar rechts. Boven naar beneden. Elke loodlijn geplaatst, aangepast, gecontroleerd.

Het duurde zes uur voordat alle lood lag. Een woud van loden littekens.

Nu kwam het solderen. Dit was het delicate werk. Te veel hitte en het glas zou barsten. Te weinig en de soldeer zou niet vloeien.

Hij verwarmde zijn soldeerbout – een oude Weller die hij al dertig jaar had. Het ding kreunde toen het opwarmde, de punt veranderde van grijs naar rood. De geur van verhit metaal vulde het atelier.

Hij pakte de soldeertin. 60/40, tin en lood. De klassieker. Het spoel rolde licht in zijn hand.

De eerste naad was altijd het moeilijkst. Hij moest het lood van de barst verbinden met het omringende loodkader zonder het glas te verhitten. Te veel hitte en het glas zou barsten. Te weinig en de soldeer zou niet vloeien.

Hij zette de bout neer, exact op de hoek waar het breuklood de omlijsting raakte, en bracht de tin ertegen. Het siste. De tin vloeiende, zilver en glanzend, en stolde direct. Het lood was nu één met het glas. Onafscheidelijk.

Hij werkte verder, uur na uur, dag na dag. De kleine barsten repareerde hij met lijm. De grotere barsten kregen een breukloodje. Sommige kort, nog geen vier centimeter. Andere lang, over de hele scherf. Elke soldeernaad zei: dit paneel is nu sterker dan voorheen. De barsten zijn er nog, maar het glas zal niet meer uiteenvallen. Tot hij klaar was, en het paneel alleen nog waterdicht hoefde te worden gemaakt.

Toen ging de telefoon. Jasper.

“Er is een probleem”, zei hij. Zijn stem klonk gespannen. “De temperaturen. Het is te warm. We hebben moeite de pods gekoeld te houden.”

“En?”

“We overwegen evacuatie. Naar Noorwegen. Of Antarctica. Maar het kost…” Jasper aarzelde. “Voor versnelde verplaatsing van Carmens pod: tweehonderdduizend euro.”

Maarten zei niets. Tweehonderdduizend. Net zo veel als dat hele invriezen had gekost. Hij had geld genoeg, danzij Carmen. Maar toch: hij gaf zijn geld liever uit aan zaken waarvan hij wist dat het goed besteed was. En dit was in zekere zin misschien haar geld, maar toch: hij had geen zin het over de balk te smijten.

“U hoeft nu niet te beslissen”, zei Jasper snel. “Maar als de hittegolf aanhoudt… we hebben nog enkele dagen, misschien.”

Het kitten deed hij de volgende ochtend. Dit was het vuilste werk – het werk waar zijn vader altijd een werkoverall voor had aangetrokken. Maarten deed hetzelfde nu.

Hij schepte een hand vol stopverf uit de pot. Het rook naar teer en lijnzaadolie, een geur die hem terugbracht naar zijn jeugd, naar zaterdagen in de werkplaats van zijn vader.

Hij mengde de stopverf met extra lijnzaadolie tot het de juiste consistentie had – niet te dik, niet te dun. Als pudding.

Toen rolde hij het tussen zijn handpalmen tot een worst, ongeveer zo dik als zijn duim. De kit voelde zacht aan, bijna levend. Hij legde het langs de rand van het loodprofiel en begon te duwen.

Met zijn duim drukte hij de kit onder het lood, zodat het zich verspreidde in alle hoeken tussen lood en glas. Geen luchtbellen. Geen lege ruimtes. De kit moest elk gaatje vullen, anders zou het paneel gaan lekken bij regen.

Het was zwaar werk. Zijn duim deed zeer na tien minuten. Maar hij ging door.

Links naar rechts. Boven naar beneden. Methodisch. Geduldig.

Zijn handen werden zwart. Zijn armen deden pijn. Maar het werk had iets meditatief. Het was een ritme. Duw. Verspreid. Veeg af. Duw. Verspreid. Veeg af.

Na drie uur was één kant af. Hij draaide het paneel om en begon aan de andere kant. De kit moest tweezijdig worden aangebracht – alleen zo was het paneel echt waterdicht.

Hij dacht aan Carmens lichaam in die cilinder. Ingevroren. Verzegeld tegen de tijd. Was dat niet wat hij nu deed? Het paneel verzegelen. Beschermen tegen de elementen. Zorgen dat het nog eeuwen kon meegaan. De tijd als het ware stil zetten. Al was er wel een verschil. Het paneel was al af. Het was compleet. Het hoefde alleen beschermd te worden. Carmen was niet af geweest. Ze had nog dingen willen doen. Zien. Ervaren. Ze had zich niet laten invriezen om zich te beschermen wie ze was maar om een pas op de plaats te maken. Niet om de tijd stil te zetten maar om een sprong in de tijd te kunnen maken. Ze wilde niet behouden wat er was, ze wilde gewoon verder leven.

Hij dacht aan wat Jasper had gezegd: “We bereiden ons voor. Dat is het hele punt.” Was dat niet ook wat hij deed? Voorbereiding op iets wat misschien nooit zou gebeuren? Hij restaureerde panelen die misschien nog eeuwen zouden meegaan, of die volgende week konden breken in een storm. Hij wist het niet. Maar hij deed het werk alsof het eeuwig zou duren. En misschien was dat ook wat Carmen had gedaan. Zich voorbereiden op een toekomst die misschien nooit zou komen. Niet omdat ze dom was. Ze wist dat ze kon falen, dat er niets van haar plannen op een leven in de tokomst terecht van zou kunnen komen. Toch had ze zich erop voorbereid. Eindelijk begreep hij waarom ze zich had laten invriezen door CryoNed. Haar moed, haar bereidheid om belachelijk te zijn, om te falen, om te blijven geloven: die hadden haar ertoe aangezet. Hij begreep het. En hij bewonderde het.

Jasper belde opnieuw. “Meneer Visser, de situatie verslechtert. We hebben bevestiging nodig. Binnen achtenveertig uur. Anders… ”

“Doe maar”, zei Maarten. Hij hield de telefoon tussen zijn schouder en oor geklemd, zijn handen zwart van de kit. “Evacueer haar maar. Antartica is prima. Zij wilde er toch al een keer naar toe.”

“Weet u het zeker?”

“Nee. Maar doe het toch.”

Jasper zweeg even. “Dank u. We doen ons best.”

Maarten hing op en ging door met kitten.

Tegen de avond was het paneel af. Het was nu waterdicht. Sterk. Het zou storm en regen kunnen weerstaan. Hij veegde de laatste kitresten weg met een doek en hield het omhoog tegen het licht. Het licht brak door het glas in honderden tinten blauw en amber en groen, wierp regenbogen op zijn werkbank. Elk breukloodje vertelde een eigen verhaal. Het was prachtig.

HOOFDSTUK 9 (FLASHBACK): ANTARTICA

9 (Aangepast)

Later die avond, thuis in het atelier, viel zijn blik op een foto op zijn werkbank. Carmen op een strand in Griekenland. Hun laatste grote vakantie samen, ze wisten toen al dat ze ziek was.

“Ik wil naar Antarctica”, had Carmen gezegd. Ze zaten op de bank, een fles wijn tussen hen in. Buiten was het stil, de straat verlaten.

“Waarom?”

“Om de ijskappen te zien. Voordat ze verdwijnen.”

Maarten had gelachen. “Dat duurt nog jaren. Decennia.”

“Nee. Het gaat sneller dan we denken. Ik heb artikelen gelezen. Rapporten. Over tien, vijftien jaar is er niets meer over.”

“Carmen, je bent ziek. Je moet rusten. Niet naar Antarctica.”

“Juist omdat ik ziek ben. Ik wil zien wat er nog is. Voordat…”

Ze had de zin niet afgemaakt. Hij had haar aangekeken en iets gezien in haar ogen – een soort wanhoop, een besef dat de tijd eindig was.

Maar hij had gezegd: “Het is wel erg duur.”

“We hebben geld genoeg.”

“Het is wel erg riskant. Laten we gewoon hier blijven.”

Ze waren niet gegaan.

Nu, met de foto in zijn hand, realiseerde hij zich dat hij niet had geweigerd omdat het ‘duur’ of ‘riskant’ was. Hij had geweigerd omdat hij bang was. Bang dat het hun laatste reis zou zijn.

Nu, twee jaar later, wist hij dat het een vergissing was geweest. Dat hij haar iets had ontnomen. Niet Antarctica. Maar de hoop. De droom. Het gevoel dat er nog grote reizen mogelijk waren. “Als Carmen ooit weer tot leven wordt gewekt”, dacht hij, “dan mag ze elke reis uitkiezen die ze wil. Ik ga mee. De relatie repareren.”

HOOFDSTUK 10: HET AFSCHEID

10 (Aangepast)

De hittegolf duurde voort. Temperaturen van zevenenveertig graden. Bossen die in brand vlogen. Rivieren die opdroogden. Het elektriciteitsnet stond op instorten.

Jasper belde dagelijks. “We zijn bijna zover. Het transport staat klaar. Over drie dagen vertrekken we.”

En toen gebeurde het. Die nacht om twee uur ging zijn telefoon. Hij werd wakker in zijn stoel, het atelier donker op het schijnsel van de straatlantaarn na.

“Meneer Visser?” Jaspers stem was dik, alsof hij gehuild had. “Het spijt me. Het spijt me zo verschrikkelijk.”

Maarten wist het al voordat hij het vroeg. “Wat is er gebeurd?”

“Totale stroomuitval. Noord-Nederland. De noodaggregaten zijn uitgevallen. We… we hebben alles geprobeerd, maar…”

“Hoe lang?”

“Drie uur. De pods zijn begonnen te ontdooien. Tegen de tijd dat de stroom terugkwam…”

Maarten luisterde naar de woorden, maar ze bereikten hem niet echt. Hij zat in zijn atelier, het paneel voor hem, het licht dat door het glas viel en patronen maakte op zijn werkbank.

“Carmen is weg”, zei Jasper. “Ik bedoel, definitief weg. Het spijt me.”

“Dank je”, zei Maarten. “Voor alles.”

Hij hing op.

Hij stond op, liep naar het paneel, en legde zijn hand op het glas. Het was koud. Glad. Mooi.

Carmen was dood. Echt dood, deze keer. Geen hoop meer. Geen toekomst.

Hij zou hun relatie nooit kunnen repareren, alleen het verleden voortzetten .

De uitvaart was een stuk minder uitbundig dan de eerdere herdenkingsceremonie. Intiem. Geen speeches. Geen verhalen. Alleen Maarten en Carmens beste vriendin Linda, haar zus Sophie, diens man en hun kinderen een handjevol familieleden en naaste vrienden, op een windstille ochtend aan de Waddenzee.

Hij strooide haar as uit over het water. Het grijze poeder verdween in de golven en vermengde zich met het zout en het zand.

De tweede keer dat hij afscheid van haar nam, en nu toch echt de laatste.

EPILOOG

EpiloogDrie weken later zat Maarten in zijn atelier en keek naar het glas-in-lood paneel. Hij moest het eens terugbrengen en herplaatsen. Maar tot dan kon hij ervan genieten. Hij had het voor het raam van zijn atelier gehangen en genoot ervan hoe licht erdoorheen viel en danste over de muren.

Hij had een e-mail geschreven aan Jasper. Niets bijzonders. Alleen een bericht om te vragen hoe het ging. Jasper had geantwoord met een voorstel: wilde Maarten vrijwilliger worden bij CryoNed? Families begeleiden. Uitleg geven. Helpen.

Maarten had geaarzeld. Waarom zou hij? Het was voorbij. Carmen was weg. Cryonisme had haar niet gered. Maar toch.

Hij typte een antwoord:

“Jasper,

Ik wil graag helpen. Niet omdat ik geloof in cryonisme. Maar omdat ik begrijp waarom mensen het willen. En ik vind het goed dat ze het willen. Misschien kan ik VR-Carmen ook weer bezoeken? Zij was nog niet klaar om afscheid van het leven te nemen. Ik ben nog niet klaar om afscheid van haar te nemen.

Tot snel,

Maarten”

EINDE

Beelden: zelf gebakken met ChatGPT.

Logo voor de Science Fiction en Romantiek-reeks: zelf gebakken met ChatGPT.

Deel:

Geef een reactie