Het professionalismevirus

Het professionalisme verspreidt zich. Wat rest de amateur?

Het zou een open deur kunnen zijn, maar is het volgens mij niet: we leven in een wereld waarin de professional oprukt. Zeker, hobbyisten bestaan nog. Door de toename van vrije tijd komen er zelfs steeds meer – de zondagsschilder en de zatermiddagvoetballer en de doordeweekse kok kunnen er over meepraten. Alleen staan belangrijke prestaties in de sport, kunst, wetenschap en politiek nog maar zelden op naam van amateurs.

Lees: edellieden en hooggeplaatste burgers die in de pre-industriële tijd niets om handen hadden, geestelijken die het bidden beu waren en vermogende vrouwen die tijd moesten doden. Indrukwekkende figuren vaak, zoals de briljante knutselaar Leonardo da Vinci, de sympathieke Benjamin Franklin en zijn vlieger, de laatste universele geleerde Johann Wolfgang von Goethe. Zij zijn al lang en breed voorbijgestreefd door de professional: de man (m/v) die ergens zijn beroep – zijn professie, inderdaad – van heeft gemaakt.

Overal zie je de professionalisering, overal zie je dat amateurs aan belang inboeten, al komt dat niet altijd in de cijfers tot uitdrukking en verschilt de getalsmatige verhouding tussen professional en amateur per vakgebied. In de medische sector tref je zelfs vrijwel alleen professionals aan (al worden ze dan geacht te handelen in de geest van de amateur Hippocrates). Het aantal broodschrijvers, -schilders en -voetballers is daarentegen miniem. De Olympische Spelen waren ooit voor amateurs, nu hebben alleen de professioneelste onder de professionele sporters er iets te zoeken.

Kleinvakman

Om de boel te compliceren worden sommige professionals niet als zodanig aangemerkt. Iemand die op Koningsdag voor zijn lol wat koeken verkoopt, geldt wel als een amateur; een middenstander die zichzelf zichzelf professionele kwaliteiten toedicht, wekt de lachlust op (‘Jan de grote Kleinvakman’ op de Albert Cuyp voorop). Sommige erkende professionals benadrukken daarentegen dat ze ongeschoold zijn, bij toeval ergens zijn ingerold, dat ze het vooral niet voor het geld doen, dat ze weliswaar van hun hobby hun werk hebben gemaakt, maar dat het hun toch vooral om het plezier gaat (‘het spel, en niet de knikkers’) – kortom, ze ‘rotzooien maar wat an’ zoals professioneel meesterschilder Karel Appel placht te zeggen.

Kennelijk associëren we ‘professionalisme’ met bepaalde eigenschappen en vaardigheden die soms wel en soms niet gunstig zijn. Een professional geldt als iemand die een vak beheerst, iemand die waardevolle diensten levert en die daarom geld kan vragen. De chirurg, de rechter, de ouderwetse vakman – je moet er niet aan denken dat hun werk door amateurs zou worden overgenomen, want er geldt: professionaliteit = kwaliteit. Maar een professional – zeker als hij een specialist ergens in is – wordt ook gezien als een beetje nerdy figuur die zich strikt aan de regels houdt, zich niet laat meeslepen door zijn emoties en overzicht heeft over wat hij doet. En dat geldt in sommige vakken misschien als een diskwalificatie: de professional is wellicht te star, te ongevoelig en te weinig creatief.

Geen wonder dat artistieke en artistiekerige personen zich zelden laten voorstaan op hun professionaliteit, en zich eerder beroepen op hun aangeboren gaven, dat ze hoog opgeven van de inspiratie die hun komt aanwaaien – ze zijn tenslotte ‘altijd kind gebleven’. Geen wonder ook dat ze keer op keer een romantisch beeld van zichzelf schetsen: amateurs die maar wat an rotzooien, zonder verstand van geld en andere zaken die zo belangrijk zijn in de dorre, zakelijke wereld van de door en door volwassen professionals. Zelfs erkende professionals willen zich nog wel eens zo profileren. Denk aan politici en professionele bestuurders die benadrukken dat ze ook maar gewone mensen zijn, die maar al te graag de taal van de straat spreken.

Professionelerige prutsers 

Omgekeerd zijn er maar al te veel amateurs die besmet lijken met het professionalismevirus. Buikige amateurwielrenners die zich in vol ornaat op fietsen hijsen die in de Tour de France niet zouden misstaan – en wegrijden in een tempo waarvoor de bezemwagen zou moeten afremmen. Hardlopers die in aerodynamische kostuums ornaat voortsjokken en toch kans zien zich een  blessure te verwerven. Voetballers die zich elke week het veld opslepen om hun puntjes in hun amateurklasse bij elkaar te sprokkelen, en (wie weet) te promoveren – naar, inderdaad, een andere amateurklasse. Waar doen ze het allemaal voor?, vraag je je af als je ze zo bezig ziet.

Voor de lol natuurlijk, is het eerste antwoord dat je te binnen schiet. Een amateur, dat is een liefhebber, het (Franse) woord zegt het al.  Wat geeft het als hij een prutser is? Een amateur hoeft niets, hij doet iets omdat hij het leuk vindt – en misschien geniet hij zelfs wel meer dan zijn professionele tegenhanger, die moet concurreren, moet presteren, moet doorgaan of hij wil of niet.

Toch zijn die professionelerige amateurs lang niet altijd zo vrolijk en ontspannen. Misschien zitten ze er wel tussen: amateurs die het zuiver en alleen doen uit hobbyisme en al tevreden zijn om domweg door het Hollandse landschap voort te ploegen, een persoonlijk record te verbreken of die zich verheugen op de gezelligheid in de kantine na afloop van de degradatiewedstrijd – mensen die het om het spel gaat, kortom, en niet om de knikkers. En dat ze dat spel niet eens beheersen – dat mag de pret niet drukken. Maar dit ‘l’amateurisme pour l’amateurisme’ lijkt dun verspreid, en de amateur die vrede heeft met zijn onprofessionalisme lijkt een uitstervend menssoort.

Waarom dossen zo veel amateurs zich anders uit alsof ze een Olympiade moeten bijwonen? Waarom zijn ze zo fanatiek? Waarom willen ze zo graag winnen? Waarom lijkt het alsof ze er helemaal niets aan vinden, en teleurgesteld zijn dat ze niet het niveau van de echte professionals hebben? Dat zal het zijn: het professionalismevirus heeft hen in de greep, met prestatiedrang en frustratie als belangrijkste symptomen.

De verbeten ‘would be’s’ die door het professionalismevirus zijn bevangen hebben wel de wil, maar niet de kwaliteiten om echt mee te tellen. Waarom houden deze professionals er niet helemaal mee op? Niemand dwingt ze, het is toch vrijblijvend? Het is en blijft een raadsel. Want als je geen zin hebt omdat het geen zin heeft – stop dan toch gewoon.

Beeld: Benjamin Franklin en zijn vlieger/bliksemafleider (wikimedia.org)

Deel:

Geef een reactie