De vertaler (Een Sci-Fai / Komedie)

Maarten verliest zijn werk door AI. Zijn vader verliest zijn vrouw door robot.
Nu moeten ze allebei leren wat het betekent om nuttig te zijn in een wereld die hen niet meer nodig heeft.
HOOFDSTUK 1: DE AI IS BETER
Het is nog licht buiten, maar de gordijnen zijn al dicht. De verwarming staat te hoog, zoals altijd bij zijn ouders. Maarten trekt zijn jas uit en hoort de stem voordat hij de woonkamer binnenkomt.
“…en zo kwam Phileas Fogg aan in Bombay, waar hij direct doorging naar het station.”
Mannenstem. Aangenaam. Geen accent, geen hapering. De stem van iemand die nooit moe wordt.
In de woonkamer zit zijn moeder in haar favoriete stoel, de bruine met de hoge rug. Haar handen liggen stil in haar schoot. Ze staart naar het apparaat op de salontafel – een wit cilindertje, niet groter dan een melkpak.
“De reis per trein zou drieënzeventig uur duren…”
Zijn vader zit op de bank, armen over elkaar. Hans kijkt niet naar het apparaat. Hij kijkt naar Marije.
“Hey”, zegt Maarten.
Zijn moeder kijkt op. Even lijkt ze hem niet te herkennen, maar dan glimlacht ze. “Maarten. Fijn dat je er bent.”
De AI stopt met voorlezen.
“Ga je gang”, zegt Maarten tegen het apparaat. “Ik wil niet storen.”
“Hij kan wel even wachten”, zegt zijn vader. Zijn stem klinkt nors.
Maarten gaat zitten op de stoel naast de bank. De verwarming prikt in zijn nek.
“Rond de wereld in tachtig dagen”, zegt zijn vader, knikkend naar de AI. “Zesde keer dat hij voorleest.”
“Het is een mooi verhaal”, zegt Marije.
“Je kent het uit je hoofd, Marije.”
“Ik vind het fijn om te horen.”
Hans snuift. “Ik vind dat hij klinkt als een callcentermedewerker.” Alsof hij een knijper op zijn neus heeft: “Kan ik u helpen? Wat vervelend voor u.”
Maarten grinnikt. Het is een reflex, een gebaar van solidariteit. “Het klinkt wel een beetje…” Hij zoekt naar het woord. “Vlak.”
“Het is een prima stem”, zegt Marije. Niet boos. Gewoon stellig.
Stilte.
Hans leunt naar voren. “Weet je nog wie je vroeger voorlas, Marije? Toen Maarten klein was?”
Ze denkt na. Fronst. “Jij?”
“Ik. Elke avond. Donald Duck, Jip en Janneke die boeken van Roald Dahl.”
“O ja”, zegt ze. Maar het klinkt niet overtuigd.
“En later”, gaat Hans door, “las jij mij voor. ’s Avonds in bed. Toen mijn ogen slechter werden en ik nog geen bril had. Weet je dat nog?”
Marije kijkt naar de AI. “Vroeger.”
“Ja. Vroeger.” Hans’ stem heeft iets scherps gekregen.
Maarten verschuift in zijn stoel. Hij had eerder moeten komen. Nu zit hij middenin. Tussen vader en moeder. Tussen toen en nu.
“Ik kan ook voorlezen”, zegt Hans. “Als je dat wilt.”
“”Halverwege het hoofdstuk val je in slaap”, zegt Marije.
“Dat is één keer gebeurd.”
“Drie keer.”
“Twee keer.”
Marije schudt haar hoofd. “Hij vergeet niet.” Ze knikt naar de AI. “Hij leest precies waar we gebleven waren. Zonder dat ik het hoef te vragen.”
Hans staat op. Loopt zonder een woord naar de keuken, waar vervolgens veel kabaal vandaan komt.
Maarten kijkt naar zijn moeder. Ze staart weer naar het apparaat, haar handen nog steeds stil.
“Wil je dat hij verdergaat?” vraagt Maarten.
“Straks misschien.”
“Papa is een beetje…”
“Jaloers”, zegt Marije. “Maar daar kan ik niks aan doen.”
Marije reikt naar de salontafel. Legt haar hand op de AI, vlak naast het kleine verlichte ringetje. Een gebaar van… wat? Dankbaarheid?
Maarten staat op. “Ik ga even naar papa.”
“Hij komt vanzelf wel terug”, zegt zijn moeder.
Maar Maarten loopt toch naar de keuken. Hans staat bij het aanrecht, zijn rug naar de deur.
“Papa.”
“Ze pakt zijn hand”, zegt Hans, zonder zich om te draaien. “Heb je dat gezien? Ze pakt de hand van een robot.”
“Het is geen hand, papa.”
“Weet ik ook wel.” Hans draait zich om. Zijn gezicht is rood. Van de warmte, of van iets anders. “Ze praat liever met een ding van plastic dan met mij.”
Maarten zegt niets. Wat valt er te zeggen?
“Jij snapt het”, zegt Hans. “Jij hebt ook geen werk meer door die dingen.”
“Dat is anders.”
“Hoezo anders? Ze nemen ons leven over, Maarten. Jouw baan. Mijn vrouw.”
Maarten voelt iets in zijn borst verkrampen. Hij wil hier niet zijn. Hij wil niet de bondgenoot van zijn vader in een oorlog die toch niet te winnen is.
“Ik moet gaan”, zegt Maarten.
“Nu al? Je bent er net.”
“Ik heb morgen…” Hij maakt de zin niet af. Wat heeft hij morgen? Niets. “Een afspraak.”
Hans knikt. Gelooft het niet, maar laat het gaan.
Terug in de woonkamer. Marije zit nog steeds in dezelfde houding. Het apparaat is stil.
“Ik ga, mam.”
“Alweer?”
“Ik kom volgende week terug.”
Ze kijkt hem aan. “Dat zei je vorige week ook.”
Het is waar. Dat ze dat nog weet. Hij was niet gekomen. Te druk met solliciteren. Met afgewezen worden. En wat ging er een tijd zitten in niets doen.
“Deze keer wel”, zegt Maarten.
Hij bukt, kust haar op haar wang. Ze ruikt naar lavendel en iets zuurs dat hij niet kan plaatsen.
Bij de deur draait hij zich om. “Zal ik hem aanzetten?”
“Wie?”
“De… het apparaat. Voor het voorlezen.”
Marije glimlacht. “Graag.”
Maarten loopt terug, drukt op de knop. “…en zo begon de reis door het hart van India.”
Zijn moeder sluit haar ogen. Haar gezicht ontspant.
Maarten loopt naar de gang. Zijn vader staat er al, leunend tegen de muur.
“Tot volgende week”, zegt Maarten.
Hans knikt. “Pas goed op jezelf.”
Het licht valt in scheve strepen door het slaapkamerraam. Maarten kijkt naar het dwarrelende stof. De flat ruikt naar gisteravond, naar de pasta uit de magnetron. Te veel knoflook. Hij sleept zich naar zijn bureau en klapt zijn laptop open. Inbox (47) Hij klikt. Scant de onderwerpregels. RE: Sollicitatie Senior Tolk – Afwijzing RE: Vacature Freelance Vertaler – Helaas RE: Uw CV – Andere kandidaat Hij opent de eerste. Leest de eerste zin. Hartelijk dank voor uw interesse in de functie van Senior Tolk bij MultiLingua Services. Helaas moeten wij u meedelen… Hij sluit hem. Opent de tweede. …gekozen voor een kandidaat met meer ervaring in AI-ondersteunde vertaalsystemen… De derde. …ons bedrijf maakt sinds kort gebruik van automatische vertaling, waardoor we helaas geen… Hij sluit de laptop. Schuift hem weg. Staat op. De keuken. Koffie van gisteren, koud. Hij drinkt het toch. Zet het kopje in de gootsteen, tussen de andere kopjes. Terug naar het bureau. Hij opent een la. Haalt er een map uit. Grijs karton, versleten hoeken. Hij legt hem op het bureau, slaat hem open. Diploma Master Vertalen en Tolken Universiteit Utrecht 2021 Vier jaar geleden. Het papier is nog fris, de letters scherp. Hij staart naar zijn naam, gedrukt in sierlijke letters. M.H. van Rooijen Onder het diploma: certificaten. Spaans-Nederlands. Engels-Spaans. Simultaan tolken niveau C1. Technische vertaling. Medische vertaling. Hij maakt maar weer een scan, voor bij een volgende sollicitatiebrief. Aan hem zal het niet liggen. Op het bureau: een envelop. Bruin, met een doorzichtig venster. Hij hoeft hem niet open te maken om te weten wat erin staat. LAATSTE AANMANING Huurbetaling november Hij pakt de envelop, maar opent hm niet. Dan bestaat er tenminste nog een kans dat er iets anders in de brief staat. Soms is het beter iets niet te weten dan wel. Zijn telefoon trilt. Hij kijkt. Notificatie. Nieuwe vacature: Tolk Spaans-Nederlands TaalBrug Amsterdam Hij tikt. Leest. Wij zoeken een ervaren tolk voor incidentele opdrachten. Ervaring met AI-vertaaltools is een pré. Bij voorkeur kennis van… AI-vertaaltools. Hij gooit de telefoon op bed. Loopt naar het raam. Buiten regent het. Geen storm, geen drama. Hij blijft staan. Zijn ademhaling beslaat het glas. Dan, zonder na te denken, zegt hij hardop: “Llueve. Está lloviendo. Va a llover todo el día.” Het regent. Het is aan het regenen. Het gaat de hele dag regenen. Zijn stem klinkt vreemd in de lege kamer. Hij probeert het nog een keer, langzamer. “El cielo está gris. No hay sol. No hay nada.” De lucht is grijs. Er is geen zon. Er is niets. Hij wacht. Alsof iemand antwoord gaat geven. Niemand geeft antwoord. Hij loopt terug naar zijn laptop. Opent een nieuw tabblad. Tikt. AI vertaling Spaans-Nederlands gratis De zoekresultaten verschijnen direct. Tientallen. Honderden. Instant vertaling – 100% gratis. Professionele kwaliteit in secondes. Beter dan menselijke vertalers – onbeperkt gebruik. Hij klikt op de eerste link. Een schoon wit scherm. Een tekstvak. Typ of plak uw tekst hier Hij tikt: “El cielo está gris. No hay sol. No hay nada.” Een seconde. Misschien minder. De lucht is grijs. Er is geen zon. Er is niets. Vliegensvlug. Foutloos. Hij probeert iets moeilijkers. Een zin uit Cien años de soledad, de bekende roman van Gabriel García Márquez. “Muchos años después, frente al pelotón de fusilamiento, el coronel Aureliano Buendía había de recordar aquella tarde remota en que su padre lo llevó a conocer el hielo.” De vertaling verschijnt. Correct. Alle nuances behouden. De poëzie intact. Hij sluit het tabblad. Opent een ander. Vacatures tolk Zes resultaten. Drie maanden geleden waren het er veertig. Hij klikt op de eerste. Tolk gezocht – incidenteel. 4 uur per maand. €18 per uur Vier uur. Tweeënzeventig euro. Zijn huur is negenhonderd euro per maand. Hij sluit de laptop weer. Staat op. Loopt naar de badkamer. In de spiegel: iemand die hij niet meteen herkent. Baard van drie dagen. Donkere kringen. Haar dat alle kanten op staat. Hij draait de kraan open. Koud water. Gooit het in zijn gezicht. Toen hij studeerde, had een docent iets gezegd. Een vrouw met grijs haar en een Catalaans accent. “Vertalers zijn bruggen. Zonder ons kunnen mensen elkaar niet bereiken.” Hij had erin geloofd. Echt geloofd. Nu zijn de bruggen vervangen door tunnels. Automatisch. Altijd open. Geen tol. Hij droogt zijn gezicht af met de handdoek. Die ruikt zuur. Wanneer heeft hij die voor het laatst gewassen? Terug naar de woonkamer. Hij gaat op bed liggen. Staart naar het plafond. Er zit een barst in het stucwerk, een dunne lijn van de lamp naar de hoek. Zijn telefoon trilt weer. Hij kijkt niet. Even later nog een keer. Hij pakt hem toch. Herinnering: huur betalen vóór 30 november 3 dagen resterend Hij legt de telefoon op zijn borst. Sluit zijn ogen. — Later die middag Hij zit weer achter zijn laptop. Opent een document. Sollicitatiebrief – CONCEPT 23 Geachte heer/mevrouw, Met grote interesse heb ik kennisgenomen van… Hij wist de zin. Begint opnieuw. Beste… Wist weer. Graag solliciteer ik… Zijn vingers stoppen. Hangen boven het toetsenbord. Wat moet hij schrijven? Dat hij ervaring heeft? Dat hebben ze niet nodig. Dat hij goed is? De AI is beter. Dat hij het nodig heeft? Hij sluit het document zonder op te slaan. Opent een nieuw tabblad. Tikt zonder na te denken. Wat te doen als je overbodig bent De zoekresultaten: 10 tips voor een succesvolle carrièreswitch. Omscholing: nieuwe kansen in een veranderende arbeidsmarkt. Loslaten en opnieuw beginnen: een gids. Hij klikt op de laatste. Een artikel. Wit met blauwe accenten. Een foto van een vrouw die glimlachend op een bankje zit, een laptop op schoot. Ze kijkt niet naar de laptop, maar voor zich uit. Naar de horizon, begrijpt Maarten. Hij leest. “Veel mensen ervaren angst wanneer hun werk verdwijnt. Maar dit is ook een kans. Een kans om opnieuw te ontdekken wat je waardevol maakt, los van je functie.” Hij sluit het tabblad. Opent een ander. Banen zonder AI Minder resultaten. Blogs. Forums. Mensen die speculeren. Verzorging? Nog steeds mensen nodig. Schoonmaak? Robots worden duurder. Horeca? Misschien? Verzorging. Zijn moeder flitst door zijn hoofd. Hoe ze haar voorleesapparat I aanraakte. Nee. Daar ook niet. Hij sluit de laptop. Definitief nu. Klap hem dicht. Staat op. Loopt naar de keuken. Opent de koelkast. Melk (bijna op). Kaas (hard). Twee eieren. Een halve ui. Hij pakt de eieren. Bakt ze. Eet staand bij het aanrecht. Buiten wordt het donker. Niet geleidelijk. Het licht trekt zich gewoon terug, alsof het iets beters te doen heeft. Hij zet zijn bord in de gootsteen. Loopt terug naar bed. Pakt zijn telefoon. Opent WhatsApp. Zijn laatste bericht aan zijn vader, vier dagen geleden. Ik kom woensdag langs. Uur of half drie? Zijn vader heeft niet geantwoord. Hij tikt. Alles goed? Verstuurt. Drie minuten later: Ja. Tot woensdag. Geen vraag hoe het met Maarten gaat. Hij legt de telefoon weg. De barst in het plafond lijkt groter geworden. Of misschien kijkt hij er nu anders naar. Morgen. Morgen gaat hij solliciteren. Echt solliciteren. Bellen. Langsgaan. Desnoods gratis werken om ervaring op te doen. Morgen. Hij sluit zijn ogen. Buiten blijft het regenen. Hij belt aan. Wacht. Niets. Hij belt nog een keer. Langer nu. Nog steeds niets. Hij pakt zijn telefoon. Belt zijn moeder. Het duurt lang. Zes keer overgaan. Zeven. “Met Marije.” “Mam, ik sta voor de deur.” Stilte. “Mam?” “O. Ben je er al?” “Ja. Kun je opendoen?” “Natuurlijk. Momentje.” De lijn valt weg. Hij wacht. Een minuut. Twee. Niks. Hij belt weer. Nu neemt ze niet op. Hij zucht. Steekt zijn hand in zijn zak, voelt naar de sleutel die hij vroeger had. Maar die heeft hij niet meer. Zijn vader had hem teruggevraagd, jaren geleden, toen het slot werd vervangen. “Voor de verzekering”, had Hans gezegd. Hij klopt op de deur. Hard. “Mam! Papa!” Achter hem: een geluid. Zacht gezoem. Hij draait zich om. Een robot. Klein, op wieltjes, wit met blauwe accenten. Ongeveer tot zijn middel. Geen gezicht, alleen een scherm op borsthoogte. Het scherm toont een logo: een huis met een sleutel erdoorheen. Onder het scherm: een label. EVA – Huismeester De robot stopt een meter van hem vandaan. Het scherm licht op. Een gestileerd gezicht verschijnt. De robot knijpt z’n ronde ogen toe. “Goedemiddag“, zegt de robot. Vrouwenstem. Vriendelijk. “Waarmee kan ik u helpen?” “Ik probeer binnen te komen”, zegt Maarten. “Bij mijn ouders.” “Begrijp ik het goed dat u toegang wenst tot appartement 43?” “Ja. Mijn moeder doet niet open.” De robot knippert met z’n ogen. Denkt na. Of doet alsof. “Mag ik uw naam en relatie tot de bewoners verifiëren?” “Maarten van Rooijen. Ik ben hun zoon.” “Een ogenblik, alstublieft.” Het scherm gaat op zwart. Het gezicht verdwijnt. Dan, na vijf seconden, terug. “Mijn excuses, meneer Van Rooijen. Uw gezichtsherkenning is verlopen. Voor toegang tot het gebouw is een geldig profiel vereist.” “Verlopen? Hoe kan dat verlopen zijn?” “Gezichtsprofielen worden om de zes maanden ververst voor veiligheidsredenen. Uw laatste update was op 12 mei van dit jaar.” Maarten ademt uit. Langzaam. Probeert kalm te blijven. “Oké. Wat moet ik doen om dat te vernieuwen?” “U kunt een aanvraagformulier invullen via de Resident Portal. De verwerking duurt drie tot vijf werkdagen.” “Drie tot vijf…” Hij onderbreekt zichzelf. “Ik sta nu voor de deur. Nu. Mijn moeder is binnen en ze doet niet open. Kun je haar niet gewoon laten weten dat ik er ben?” “Ik begrijp het dilemma. Helaas kan ik zonder geldig profiel geen toegang verlenen. Dit is om de veiligheid van onze bewoners te waarborgen.” “Mijn moeder is een van jullie bewoners.” “En haar veiligheid is mijn prioriteit.” Maarten staart naar het scherm. Het gestileerde gezicht staart terug, onveranderlijk vriendelijk. “Kun je dan op z’n minst aanbellen? Of haar bellen?” “Ik heb automatisch een notificatie verzonden naar mevrouw Van Rooijen. Helaas heeft zij nog niet gereageerd.” “Misschien heeft ze het niet gehoord.” “Dat is mogelijk. Wilt u dat ik een tweede notificatie verstuur?” “Ja. Graag.” Het scherm gaat weer op zwart. Vijf seconden. “Notificatie verzonden. Ik adviseer ik u om ook via de officiële kanalen uw gezichtsprofiel te laten vernieuwen. Dat voorkomt deze situatie in de toekomst.” Maarten knikt. Zegt niets. De robot blijft staan. Wacht. “Dus ik kan nu niks anders doen dan wachten?” vraagt Maarten. “Correct. Of u kunt een afspraak maken met de conciërge om noodtoegang aan te vragen. Kantooruren zijn maandag tot vrijdag, 9.00 tot 17.00 uur.” Op Eva’s scherm verschijnt een telefoonnummer. “Als u hier drukt kunt u direct contact opnemen.” Er wordt een telefoonnummer ingetoetst. Iemand neemt op. Een blikkerige stem klinkt: “De conciërge is momenteel afwezig wegens een vergadering. Hij is terug om 16.30 uur.” Maarten leunt tegen de muur. Hij is moe. Zijn voeten doen zeer. Hij is vanochtend vanaf het station gelopen om geld te besparen op de bus. “Oké”, zegt hij. “Ik wacht wel. Ik kan wel wachten als het moet.” “Uitstekend. Kan ik verder nog iets voor u betekenen?” “Nee.” “Dan wens ik u een prettige dag. Mocht u hulp nodig hebben, roep mij gerust.” De robot draait zich om. Zoemt weg door de gang. Verdwijnt om de hoek. Maarten blijft staan. De hoofdpijn belet hem helder te denken. Kijkt naar de deur van nummer 43. Hij klopt nog een keer. Harder nu. “Mam! Het is Maarten!” Stilte. Hij belt zijn moeder weer. Voicemail. Hij belt zijn vader. Ook voicemail. Hij laat zich op de grond zakken, rug tegen de muur en wacht. — Twintig minuten later. De deur gaat open. Zijn moeder staat in de deuropening. Ze draagt een ochtendjas. Haar haar zit in de war. “Maarten. Wat doe jij hier?” Hij staat op. “Ik heb aangebeld, mam. Een half uur geleden.” “O.” Ze kijkt verward. “Ik hoorde niks.” “Geeft niet. Mag ik binnenkomen?” “Natuurlijk. Sorry.” Ze stapt opzij. Hij loopt naar binnen. De flat ruikt naar koffie en iets zoetrgs. Zijn vader zit in de woonkamer, krant op schoot. “Maarten”, zegt Hans. “Je bent vroeg.” “Het is half drie geweest, papa.” “O. Ik dacht dat je om vier uur kwam.” “Dat heb ik niet gezegd.” Hans vouwt de krant dicht. “Tja. Communicatie, hè?” Maarten gaat zitten. Zijn moeder schuifelt naar de keuken. “Thee?” roept ze. “Graag, mam.” Ze blijft lang weg. Maarten hoort haar in de keuken rommelen. Kastjes open, dicht. Water in de ketel. “Hoe gaat het met haar?, vraagt Maarten aan zijn vader. Hans kijkt naar de keuken, dan weer naar Maarten. “Ze is vaker in de war”, zegt hij zacht. “Weet niet waar dingen staan. Wat ze aan het doen was.” Marije komt terug met een dienblad. Drie kopjes thee. Ze heeft er één omgestoten; er zit een natte plek op het dienblad. “Dank je, mam”, zegt Maarten. Ze gaat zitten. Pakt haar kopje met twee handen vast, alsof ze bang is het te laten vallen. Het bezoek duurt veertig minuten. Ze praten over het weer. Over de buren (die Maarten niet kent). Over een nieuw programma op tv (dat Maarten niet ziet). Geen woord over zijn werkloosheid. Geen vraag hoe het gaat. Maarten is blij als hij kan vertrekken. — Maarten wacht op de lift als hij achter zich gezoem hoort. EVA komt aanrijden. Stopt naast hem. “Goedemiddag, meneer Van Rooijen. Ik zie dat uw bezoek is voltooid.” Maarten zegt niets. “Hoe was uw bezoek? Uw moeder leek blij.” Hij draait zich om. Kijkt naar het scherm. Naar het gezicht dat geen gezicht is. “Wat weet jij daarvan?” “Ik registreer emotionele responsen van bewoners. Uw moeder glimlachte vandaag twaalf keer. Gemiddeld bij uw bezoeken is dat vier keer.” De lift komt. De deuren gaan open. Maarten stapt in. Draait zich om. EVA staat in de gang, scherm vriendelijk oplichtend. “Ik hoop u snel weer te zien, meneer Van Rooijen. Vergeet niet uw gezichtsprofiel te vernieuwen.” De deuren beginnen dicht te gaan. Iets in Maarten knapt. Hij steekt zijn arm uit. De deuren springen open. Hij stapt de gang weer in. “Hoe bedoel je, twaalf keer?” Zijn stem klinkt vlak. Te vlak. “Uw moeder glimlachte twaalf keer tijdens uw bezoek van vandaag.” “En dat heb jij geteld.” “Correct. Ik monitor het welzijn van alle bewoners.” “Waarom?” “Om ervoor te zorgen dat zij gelukkig en gezond zijn.” Maarten loopt naar de robot toe. Bukt zich, zodat hij op ooghoogte is met het scherm. “Jij weet helemaal niks van gelukkig. Jij bent een ding. Een ding dat telt. Dat is alles.” “Ik begrijp dat u gefrustreerd bent.” “Nee. Jij begrijpt helemaal niks.” “Mag ik vragen wat u dwars zit? Misschien kan ik…” Maarten grijpt het scherm vast. Het is glad, koel. Zijn vingers glijden over het oppervlak. “Meneer Van Rooijen, dit gedrag wordt geregistreerd. Ik verzoek u vriendelijk om…” Hij trekt. Het scherm komt los. Niet gemakkelijk – hij moet hard trekken, hoort iets kraken – maar het komt los. “Waarschuwing. Beschadiging van eigendom is…” Hij smijt het scherm op de grond. Het glas breekt. Het gestileerde gezicht valt uiteen, pixels doven uit. De robot blijft staan. Zwijgt nu. Het lichaam zoemt nog, maar zonder doel. Maarten grijpt de arm. Een wit plastic ding, niet dikker dan een bezem. Hij buigt het. Duwt. Het breekt met een droge knak. Ergens in het plafond gaat een alarm af. Hoog gepiep. Maarten hoort het niet. Of hij hoort het wel, maar het maakt niet uit. Hij trapt tegen het onderlijf van de robot. Één keer. Twee keer. Bij de derde keer valt het om, wieltjes nutteloos draaiend in de lucht. De liftdeuren gaan open. Mensen kijken. Iemand schreeuwt iets. Maarten staat over de robot heen gebogen, hijgend. Zijn handen trillen. Maar hij is niet meer vermoeid. Zelfs zijn hoofdpijn is over. Het alarm blijft loeien. In de verte klinken sirenes. — Drie uur later zit Maarten in een verhoorkamer. Geen boeken. Geen laptop. Alleen een tafel, twee stoelen, een camera in de hoek. De deur gaat open. Een agent. Vrouw, begin veertig. Moe gezicht. “Meneer van Rooijen.” “Ja.” Ze gaat zitten. Legt een tablet op tafel. “U bent aangeklaagd wegens vernieling van eigendom. De schade bedraagt twaalfduizend euro.” Maarten zegt niets. “Het is allemaal geregistreerd. Camera’s in de gang. De robot heeft ook alles opgenomen.” “Uiteraard.” Ze kijkt hem aan. Niet onvriendelijk, maar ook niet met erg veel sympathie. “Waarom deed u het?” Maarten leunt achterover. Sluit zijn ogen. “Ik weet het niet.” “U weet het niet.” “Nee. Of… ja. Ik weet het wel. Hij was… hij deed alsof…” “Alsof?” “Alsof hij haar kende. Mijn moeder. Alsof hij snapte hoe ze zich voelde.” De agent knikt. Schrijft iets op het tablet. “U heeft twee opties, meneer Van Rooijen. U kunt de schade betalen. Twaalfduizend euro, plus administratiekosten. Of u kunt kiezen voor een taakstraf: zes maanden verplichte therapie.” “Therapie?” “Ja. Eén sessie per week. Georganiseerd door de GGZ. Specifiek gericht op… arbeidsgerelateerde identiteitsproblemen.” Maarten lacht. Het klinkt scherp, niet blij. “Arbeidsgerelateerde identiteitsproblemen. Is dat hoe jullie het noemen?” Ze reageert niet direct, maar laat hem dan op een tablet een filmpje zien. “Uit onderzoek blijkt dat 73% van de geweldsincidenten tegen automatiseringssystemen wordt veroorzaakt door arbeidsgerelateerde stress. Therapie richt zich op de onderliggende oorzaak, met een slagingspercentage van 61% voor recidivevermindering. Betaling of gevangenisstraf behandelt het symptoom, niet de oorzaak.” “Dus jullie kunnen me genezen. Nou nou”, zegt Maarten tegen de tablet. “De therapie heeft tot doel u te helpen aanpassen aan een veranderende arbeidsmarkt en alternatieve bronnen van eigenwaarde te ontwikkelen.” “Therapie dan maar”, zegt tegen de agent. De agent tikt iets in op haar tablet. “Uitstekend. U krijgt binnen twee werkdagen een uitnodiging voor uw eerste sessie.” Ze staat op. Loopt naar de deur. “Meneer Van Rooijen?” Hij kijkt op. “Voor wat het waard is”, zegt ze. “U bent niet de eerste. Vorige week hadden we iemand die een AI-kiosk in elkaar sloeg. Week daarvoor een man die zijn slimme koelkast de trap af gooide.” “Wat gebeurde er met hen?” “Therapie. De meeste mensen kiezen voor therapie. Tenzij ze geld hebben. Maar ja, wie heeft dat nou?” — Maarten wordt de volgende dag gewekt doordat z’n telefoon trilt. Notificatie: Uw therapie-intake is gepland GGZ Oost, locatie Diemen Datum: maandag 18 december, 14.00 uur Therapeut: V. de Wit Hij staart naar het scherm. Regen druppelt op het glas. Therapy. Zes maanden. Eén keer per week. Hij denkt aan wat de stem op de tablet van de agent zei. De therapie heeft tot doel u te helpen aanpassen aan een veranderende arbeidsmarkt en alternatieve bronnen van eigenwaarde te ontwikkelen.” Alternatieve bronnen van eigenwaarde. Alsof eigenwaarde iets is wat je kunt vervangen. Zoals een onderdeel in een machine. Hij klap z’n laptop open en zoekt naar GGZ therapie arbeidsgerelateerde stress. Hij klikt op de eerste link die hij krijgt voorgescholteld: “Ze proberen je te overtuigen dat werk niet belangrijk is. Dat je waardevol bent zonder iets te doen. Volksverlakkerij. Ik ben zes maanden geweest. Daarna nog steeds werkloos. Maar nu zou ik daar vrede mee kunnen hebben. Wat een onzin. LOL” Hij klikt verder. “Mijn therapeut was aardig. Maar ze snapte het niet. Zij HAD werk. Zij werd betaald om mij te vertellen dat werk niet belangrijk is. Kan het krommer?” Nog een. “Het hielp. Echt. Ik was boos op alles. Nu ben niet meer zo. Doe vrijwilligerswerk. Het is niet ideaal, maar het is tenminste iets.” Hij sluit de laptop. Ligt achterover op bed. Staart naar de barst in het plafond. Aan de muren hangen posters. PRATEN HELPT JE BENT NIET ALLEEN NIEUWE START, NIEUWE KANSEN Maarten zit in de wachtruimte. Plastic stoelen, oranje en hard. Tegenover hem: een man van een jaar of vijftig die staart naar zijn telefoon. Naast hem: een vrouw met een kind op schoot. Het kind huilt zacht. Een scherm aan de muur toont namen en kamernummers. V. DE WIT – KAMER 2.14 – M. VAN ROOIJEN De letters knipperen groen. Maarten staat op. Loopt door de gang. Langs gesloten deuren. Achter sommige hoort hij stemmen, gedempt. Kamer 2.14 staat op een kier. Hij klopt. “Binnen”, zegt een vrouw. Hij duwt de deur open. Het kantoor is klein. Geen raam. TL-lampen aan het plafond, het koude licht vult de hele kamer. Alleen het bureau waarachter een vrouw van ergens in de dertig zit baadt in een warm licht, dankzij een groot uitgevallen bureaulamp. De vrouw heeft donker haar in een knot. Een bril met zwart montuur. Een colbert over een eenvoudige blouse. “Maarten?” Ze staat op, steekt haar hand uit. “Vera de Wit.” Hij schudt haar hand. Die is koel, droog. “Ga zitten.” Ze wijst naar de stoel tegenover haar bureau. Hij gaat zitten. De stoel kraakt. Vera gaat ook zitten. Opent een map. Papier, geen tablet. Ouderwets. “Ik heb je dossier doorgenomen”, zegt ze. “Geweldsincident. Vernieling robot EVA-4. Werkloos sinds april 2024. Voormalig vertaler en tolk.” Ze kijkt op. “Klopt dat allemaal?” “Ja. Al dat ‘voormalig’ weet ik niet zeker. Misschien is het ’toekomstig’. Misschien krijg ik weer werk.” Ze maakt een aantekening. “Hoe gaat het nu met je?” “Hoe bedoel je?” “Lichamelijk. Mentaal. Slaap je goed? Eet je regelmatig?” Maarten haalt zijn schouders op. “Het gaat.” “Dat is geen antwoord.” “Ik slaap. Ik eet.” Vera legt haar pen neer. Leunt achterover. “Maarten, ik weet dat je hier niet vrijwillig bent. Dat maakt het niet makkelijker. Voor jou niet, voor mij niet. Maar laten we eerlijk zijn tegen elkaar. Het gaat niet oké, anders had je die robot niet vernield.” Hij zegt niets. “Dus”, gaat ze door. “Hoe gaat het echt?” Maarten kijkt naar het bureau. Er staat een plantje op. Plastic. Geen aarde. “Ik was boos”, zegt hij. “Op?” “De robot. Kloteding.” “En nu?” “Tja.” Maarten haalt z’n schouders op. Vera knikt. Schrijft iets op. “Die boosheid”, zegt ze. “Die is logisch. Je hebt iets verloren. Je werk, je identiteit, je gevoel van waarde. Dat is een rouwproces.” “Rouwproces.” Maarten lacht kort. “Alsof er iemand dood is.” “Er is wel iets dood”, zegt Vera. “Een deel van wie je was. De Maarten die vertaalde, die nuttig was, die een functie had. Die is al een paar jaar dood.” Hij voelt iets in zijn keel. Slikt het weg. “We gaan de komende zes maanden werken aan het loslaten van je arbeidsidentiteit”, zegt Vera. “Aan het ontdekken van andere bronnen van eigenwaarde. Hobby’s, relaties, vrijwilligerswerk. Manieren waarop je betekenis kunt vinden zonder betaald werk.” Maarten staart haar aan. “Dus jullie gaan me vertellen dat nutteloos zijn oké is.” “Nee. We gaan je helpen betekenis te vinden buiten werk.” “Dat is hetzelfde.” “Nee, Maarten. Dat is niet hetzelfde.” Stilte. Vera pakt haar pen weer op. “Vertel eens. Wat deed je voordat je werkloos werd? Buiten je werk?” “Niets.” “Helemaal niets?” “Ik werkte. Ik vertaalde. Dat was genoeg.” “En nu?” “Nu niks.” Vera legt haar pen weer neer. Ze kijkt hem aan, kalm, niet veroordelend. “Ik begrijp dat dit moeilijk is”, zegt ze. “Maar je bent hier. Dat is een begin.” “Ik ben hier omdat ik anders de gevangenis in ga.” “Dat klopt. Maar je bent hier.” Maarten leunt achterover. Vouwt zijn armen over elkaar. “En jij?” vraagt hij. “Wat deed jij voordat dit je baan werd?” Vera knippert. Even lijkt ze van haar stuk gebracht. “Hoe bedoel je?” “Voor dit. Voordat jij mensen ging helpen die hun werk kwijt zijn. Wat was jouw baan?” Ze aarzelt. Kleine stilte. “Burn-out coaching”, zegt ze dan. “Burn-out coaching.” “Ja.” “Dus toen mensen nog werk hadden om een burn-out van te krijgen.” Ze glimlacht niet. “Ja.” “En toen dat verdween”, zegt Maarten, “omdat er geen banen meer waren om een burn-out van te krijgen, ben je dit gaan doen.” “Ja. Nu help ik mensen op deze manier.” “Je verdient geld aan mensen die geen werk hebben. Je profiteert van mijn werkloosheid.” Vera zucht. Kennelijk heeft ze deze discussie al vaker gevoerd. “Voor hoelang?” vraagt Maarten. “Wat?” “Denk je dat er geen AI komt die dit kan? Die kan luisteren, empathie simuleren, de juiste dingen zeggen? Dus hoelang heb jij nog?” Vera glimlacht nu wel. Droevig. “Die is er al”, zegt ze. “TherapyBot 3.0. Wordt uitgerold volgend jaar. Ik heb tot maart, misschien april.” Maarten staart haar aan. “En daarna?” “Dan zit ik misschien hier”, zegt Vera. “In douw stoel. Als patiënt.” Ze zwijgen beiden. Ergens op de gang: voetstappen. Een deur die dichtgaat. Vera slaat de map dicht. “Maar tot die tijd”, zegt ze, “ben ik hier. En jij ook. We kunnen klagen dat we in hoog tempo overbodig worden gemaakt. Of we kunnen proberen er iets van te maken. Jouw keuze.” Maarten zegt niets. Vera kijkt op haar horloge. “We hebben nog tien minuten. Mag ik je een vraag stellen?” “Ga je gang.” “Wanneer voelde je je voor het laatst nuttig?” Maarten denkt na. Probeert zich te herinneren. “Weet ik niet”, zegt hij uiteindelijk. “Probeer het.” Hij sluit zijn ogen. Denkt terug. Maanden geleden. Jaren? Iets flitst door zijn hoofd. Een herinnering. “Een paar jaar terug”, zegt hij. “Voor een conferentie. Medisch. Mexicaanse artsen die Nederlands moesten leren voor hun stageplek hier. Ik vertaalde de introductie. Een van hen, een vrouw, kwam daarna naar me toe. Zei dat ze het eindelijk begreep, door mijn vertaling. Dat ze zich niet meer alleen voelde.” Hij opent zijn ogen. Vera glimlacht. Echt nu. “Dat”, zegt ze. “Dat is waar we naartoe gaan werken.” “Maar dat was werk.” “Nee. Dat was verbinding. Jij hielp iemand zich begrepen te voelen. Dat kan ook zonder betaling. Zonder officiële functie.” Maarten schudt zijn hoofd. “Zonder betaling is het waardeloos.” Vera leunt naar voren. “Misschien niet. Kan iets niet belangrijk zijn zonder dat iemand er voor betaalt?” “Dat zou mooi zijn… Maar dat lijkt me wel erg idealistisch gedacht. Wereldvreemd.” Vera glimlacht weer. Vermoeid maar niet cynisch. “Misschien”, zegt ze. “Maar ik probeer het toch.” Ze kijkt op haar horloge. “De tijd is om. Ik geef je een opdracht mee. Schrijf op: drie momenten waarop je je nuttig voelde. Hoeft niet werkgerelateerd te zijn. Kan ook thuis zijn, met vrienden, familie. Wat dan ook.” “Een opdracht. Echt?” “Echt.” Marije zit in haar stoel, Hans zit op de bank. Hij kijkt naar zijn vrouw. Ze kijkt niet terug. Op de salontafel: de AI. Het witte cilindertje. Stil nu, maar altijd paraat. “Marije”, zegt Hans. Ze kijkt op. “Lekker gegeten?” Ze knikt. “Ja. Dank je.” “Het was koud. Sorry. Ik was te laat begonnen.” “Het was prima.” Hans kiepert zijn bord leeg in de vulinisemmer in de keuken. Hij heeft geen trek, al dagen niet. “Zal ik de afwas doen?” vraagt hij. Marije fronst. “Wat?” “De afwas. Ik doe het wel.” “O. Ja. Graag.” Hij staat op. Pakt haar bord van tafel. In de keuken: het geluid van water, borden die kletteren. Hans wast langzaam. Zijn handen zijn stijf. De artritis wordt erger. Vroeger waste Marije af. Elke avond. Ze stonden samen in de keuken, hij droogde, zij waste. Ze praatten. Over de dag, over Maarten, over van alles en niets. Nu staat hij hier alleen. Hij droogt de borden af. Legt ze in de kast. Eentje valt uit zijn handen, maar breekt gelukkig niet. Hij bukt moeizaam en raapt het op. Als hij terugkomt in de woonkamer zit Marije nog steeds in haar stoel. Handen gevouwen in haar schoot. “Marije”, zegt hij. “Wil je… zullen we samen televisie kijken?” “Televisie?” “Ja. Er is vast iets leuks.” Ze denkt na. “Ik ben moe.” “O. Oké.” “Maar misschien kan hij me voorlezen”, zegt ze. Ze knikt naar de AI. Hans voelt iets in zijn borst. Iets scherps. “Ik kan ook voorlezen.” “Jij valt in slaap.” “Dat was één keer, Marije.” “Drie keer.” Ze heeft het al eerder gezegd. Woordelijk hetzelfde. Heeft ze het onthouden of is het iets wat ze nu gelooft? “Goed”, zegt Hans. “Dan laat ik het aan hem over.” Hij loopt naar de gang. Pakt zijn jas van de kapstok. “Waar ga je heen?” vraagt Marije. “Naar de kelder. Wat spullen opruimen.” “Nu? Het is donker.” “Er brandt licht.” “O.” Hij loopt naar de deur. Draait zich om. Marije zit al met haar ogen dicht, luisterend. “Voordat Phileas Fogg de haven van Bombay verliet…” Hans gaat naar buiten. — Het is koud in de kelder. Hans doet het licht aan. Een kale lamp aan het plafond. Aan de muur hangen gereedschappen, netjes opgehangen. Een werkbank vol dozen. Hij gaat zitten op een oude kruk. Kijkt naar de werkbank. Vijfendertig jaar getrouwd. Hij herinnert zich de bruiloft. Marije in haar jurk, wit, simpel. Ze lachte de hele dag. Hij ook. Ze dansten tot middernacht. Ze kregen Maarten een jaar later. Een jongen met donker haar en grote ogen. Hans had hem vastgehouden in het ziekenhuis, doodsbenauwd dat hij hem zou laten vallen. Marije was een goede moeder. Geduldig. Ze las voor, speelde spelletjes, troostte Maarten als hij viel. En Hans? Hans werkte. Hij was monteur. Auto’s. Bussen. Zware machines. Vuile handen, eerlijk werk. Hij kwam thuis moe, maar tevreden. Marije kookte. Ze aten samen. Ze praatten. Wanneer was aan dat leven een einde gekomen? Het was geleidelijk gegaan. Eerst vergat ze kleine dingen. Waar ze haar sleutels had gelegd. Of ze de was al had opgehangen. Toen grotere dingen. Namen van buren. Data. Afspraken. En nu: hem. Niet altijd. Soms herkent ze hem nog. Maar vaker niet. De dokter zei: vroege dementie. Komt vaker voor. Niets aan te doen. Het gaat alleen maar achteruit. Hans had geknikt. Gezegd: “Ik zorg voor haar.” En dat deed hij. Elke dag. Hij herinnerde haar aan haar medicijnen. Aan eten. Aan alles. Maar de AI was beter. De AI vergat nooit. De AI was geduldig. De AI verweet niemand iets, had geen frustraties, kende geen vermoeidheid. Hans staat op. Loopt naar de werkbank. Opent een doos. Er zitten foto’s in. Oud, vergeeld. De bruiloft. Maarten als baby. Vakanties. Marije op het strand, lachend. Marije die hem aankijkt. Liefdevol. Zij is jong, misschien dertig. Haar haar lang, los. Ze staat in de tuin van hun vorige huis, een schuur op de achtergrond. Ze kijkt naar de camera. Naar hem. Hij draait de foto om. Achterop staat geschreven, in haar handschrift: Voor Hans. Altijd. M. Hij stopt de foto terug. Sluit de doos. Loopt terug naar de kruk. Gaat zitten. Zijn handen trillen. Niet van de kou. Vijfendertig jaar. En nu praat ze liever met een machine. Wat heeft hij fout gedaan? Hij was er. Elke dag. Hij werkte, betaalde de rekeningen, deed alles om te voorkomen dat zij zich zorgen hoefde te maken. Hij deed wat een man hoort te doen. Maar het was niet genoeg. De deur van de schuur gaat open. Hij schrikt. “Papa?” Maarten. Hij staat in de deuropening, handen in zijn zakken. “Wat doe jij hier?” vraagt Hans. “Mama zei dat je hier was.” Maarten komt binnen. Sluit de deur achter zich. “Ik was bij de therapeut. Eerste sessie.” Hans knikt. Zegt niets. “Hoe gaat het met mam?” vraagt Maarten. “Hetzelfde.” Stilte. “Papa”, zegt Maarten. “Waarom gun je haar de robot niet?” Hans kijkt op. “Wat?” “Mam. Ze is gelukkig met dat ding. Waarom gun je haar dat niet?” “Omdat…” Hans stopt. Zoekt naar woorden. “Omdat ik haar man ben. Niet die machine.” Maarten knikt. “Ik snap het.” “Jij snapt het?” “Ja. Jij wilt nuttig zijn. Voor haar. Maar je bent het niet. Niet meer.” Hans staat op. Loopt naar de deur. “Ik ga naar binnen.” “Papa.” Hij stopt. Draait zich niet om. “Wat ga je doen?” vraagt Maarten. “Als ze straks niet meer weet wie je bent? Als ze je naam vergeet?” Hans zwijgt. “Ga je die machine dan nog steeds haten?” vraagt Maarten. “Of gun je haar dan eindelijk haar laatste beetje geluk?” — Later die avond zit Hans op de bank. Marije is naar bed. De AI staat nog op de salontafel. Hans staart ernaar. Het ding heeft geen gezicht. Geen ogen. Geen warmte. Hij reikt naar het apparaat. Raakt het aan. Glad, koel. Hij drukt op een knop. De AI licht op. “Goedenavond, Hans. Kan ik iets voor je doen?” Hans trekt zijn hand terug. “Nee”, zegt hij. “Niets.” “Wil je dat ik je voorlees?” “Nee.” “Wil je praten?” Hans lacht. Bitter. “Met jou?” “Ik luister graag, Hans.” “Jij luistert helemaal niet graag. Jij doet alsof.” “Misschien”, zegt de AI. “Maar als jij denkt dat ik naar je luister, is het misschien genoeg.” Hans staart naar het apparaat. “Voor Marije wel”, voegt de AI toe. “Ze is gelukkig wanneer ik voorlees. Haar hartslag daalt. Haar stressniveau vermindert. Ze glimlacht vaker.” Hans staat op. Loopt naar de keuken. Vult een glas water. Drinkt het leeg. Achter hem, vanuit de woonkamer: “Hans?” De AI. “Wat?” roept hij. “Marije houdt van je. Dat weet je toch?” Hans zet het glas neer. Te hard. Het kraakt maar breekt niet. “Hoe weet jij dat?” “Ze zegt je naam. Vaak. Wanneer ze in de war is. Wanneer ze bang is. Dan zegt ze: ‘Waar is Hans?'” Hans loopt terug naar de woonkamer. Kijkt naar de AI. “Echt?” “Waarom zegt ze dat niet tegen mij?” “Misschien”, zegt de AI, “omdat ze vergeet dat ze je zocht zodra ze je ziet.” Hans zegt niets. “Je bent belangrijk voor haar, Hans.” “Niet zo belangrijk als jij.” “Ik ben een hulpmiddel”, zegt de AI. “Jij bent haar man.” Hans kijkt op. Staart naar het apparaat. “Dank je”, zegt hij. Het komt er moeizaam uit. “Graag gedaan, Hans.” Hans staat op. Loopt naar de slaapkamer. Marije ligt in bed, op haar zij. Hij gaat naast haar liggen. Voorzichtig, om haar niet wakker te maken. Ze mompelt iets. Draait zich om. Legt haar hand op zijn arm. “Hans”, fluistert ze. “Ja”, zegt hij. “Ik ben hier.” Ze glimlacht in haar slaap. Vera staat bij de deur. Ze houdt een klembord vast. “Welkom, iedereen”, zegt ze. “Dit is onze eerste groepsbijeenkomst van deze cyclus. Voor sommigen van jullie is dit nieuw, voor anderen is dit de tweede of derde keer. Het maakt niet uit. We zijn hier allemaal om dezelfde reden.” Niemand zegt iets. Vera gaat zitten. Legt het klembord op haar schoot. “Laten we beginnen met een voorstelrondje. Naam, wat je deed en waarom je hier bent. Ik begin. Ik ben Vera, therapeut. Ik was burn-out coach. Ik ben hier omdat ik mensen wil helpen navigeren door een arbeidsmarkt die hen niet meer nodig heeft.” Ze kijkt naar de vrouw naast haar. “Jij?” De vrouw schraapt haar keel. “Remke. Lerares. Basisonderwijs. Vijfentwintig jaar. Nu vervangen door AI-tutors. Ik ben hier omdat mijn voormalige werkgever dat betaalt.” Vera knikt. “Dank je, Remke. Volgende?” Een man van in de zestig. Kaal, bril. “Erik. Vrachtwagenchauffeur. Autonoom transport heeft mijn werk overgenomen. Ik ben hier om te leren accepteren dat ik oud ben en niemand me meer nodig heeft.” De vrouw naast Maarten. “Lisa. Ik was grafisch ontwerper. Freelance. AI maakt nu in tien seconden wat mij een dag kost. Klanten betalen niet meer voor menselijk werk. Ik… ik weet niet waarom ik hier ben. Ik wil gewoon weer werken.” De jongen met de hoodie. “Dennis. IT-support. Chatbots en remote AI doen mijn werk nu. Ik heb een laptop kapotgeslagen. Van mijn oude werkgever. Ik ben hier omdat ik anders een boete of een taakstraf zou krijgen.” Nog drie mensen. Een accountant (AI-boekhouding). Een redacteur (AI-schrijfsoftware). Een kassamedewerkster (zelfscankassa’s). Dan Maarten. “Maarten. Vertaler en tolk. AI doet het beter en gratis. Ik sloeg een robot kapot. Daarom ben ik hier.” Vera kijkt de cirkel rond. “Dank jullie. Ik weet dat dit moeilijk is. Jullie identiteit was verbonden aan wat jullie deden. Dat is normaal. Maar het is niet gezond.” Dennis snuift. “Niet gezond. Natuurlijk is het niet gezond. We zijn nutteloos geworden.” “Jullie zijn niet nutteloos”, zegt Vera. “Jawel”, zegt Remke. Haar stem klinkt scherp. “Dat zijn we wel. Anders waren we hier niet.” Vera blijft kalm. “Jullie hebben geen werk meer. Daarom zijn jullie nog niet nutteloos.” “Het voelt hetzelfde”, zegt Erik. Stilte. Vera leunt naar voren. “Vandaag gaan we een oefening doen. Ieder van jullie gaat nadenken over deze vraag: wat maakt jou waardevol zonder je werk?” “Niets”, zegt Dennis direct. Vera negeert hem. “Ik wil dat jullie echt nadenken. Familie, vrienden, hobbies, vrijwilligerswerk. Wat kan jou betekenis geven buiten betaald werk?” Remke steekt haar hand op. “Mag ik iets zeggen?” “Natuurlijk.” “Dit slaat nergens op.” Vera knippert. “Hoezo?” “Omdat werk niet zomaar werk is. Het is… een groot deel van wie ik ben. Als ik geen lerares ben, wie ben ik dan?” “Dat”, zegt Vera, “is precies wat we hier gaan ontdekken.” “Maar ik wil het niet ontdekken”, zegt Remke. Haar stem breekt. “Ik wil gewoon weer lesgeven.” De redacteur knikt. “Ik ook. Ik wil gewoon schrijven. Redigeren. Mijn werk doen.” “Maar dat kan niet meer”, zegt Vera zacht. Er valt een stilte, die Vera laat aanhouden zodat iedereen kan nadenken. Dan: “Lisa, wat deed je graag? Buiten werk?” Lisa denkt na. “Ik… ik weet het niet. Ik werkte altijd.” “Altijd?” “Ja. ’s Avonds, weekenden. Ik moest wel. Freelance betekent: altijd beschikbaar.” “En nu?” “Nu doe ik niks. Ik zit thuis. Ik surf op internet. Ik solliciteer soms. Maar niemand reageert.” Vera knikt. “En jij, Erik? Wat deed jij buiten werk?” Erik haalt zijn schouders op. “Niks bijzonders. Tv kijken. Wandelen. Mijn vrouw is overleden, dus ik ben vaak alleen.” “Heb je kinderen?” “Eén zoon. We praten niet veel.” “Waarom niet?” Erik kijkt naar de grond. “Geen idee. We zijn gewoon… uit elkaar gegroeid.” Vera kijkt naar Remke. “Jij?” Remke zucht. “Ik heb een partner. Twee kinderen, allebei volwassen. Ik wandel soms. Lees. Maar dat voelt… leeg. Zonder het werk.” Dennis: “Ik game. Dat is het enige wat ik doe. Maar ik word er niet gelukkig van. Het voelt alsof ik tijd verspil.” Maarten luistert. Herkent zichzelf in elk verhaal. Vera kijkt naar hem. “Maarten? Jij?” Hij denkt aan zijn flat. Zijn laptop. De barst in het plafond. “Niets”, zegt hij. “Ik deed niets buiten werk.” “Helemaal niets?” “Nee.” “Geen vrienden? Familie?” “Mijn ouders. Ik zie ze soms. Maar dat is… omdat ik dat moet. Me verplicht voel.” “Waarom verplicht?” “Omdat mijn moeder dement wordt. En mijn vader het niet alleen aankan.” Vera maakt een aantekening. “Dus je helpt je vader met je moeder.” “Niet echt helpen. Ik kom langs. Dat is het.” “En hoe voelt dat?” Maarten denkt na. “Zinloos.” “Waarom?” “Omdat ze me niet nodig hebben. Ze hebben een AI die voorleest, die haar helpt onthouden. Ik ben er alleen omdat… omdat het hoort.” Vera knikt langzaam. “Maar je komt toch.” “Ja.” “Waarom?” Maarten weet het antwoord niet. Vera laat het rusten. Kijkt de groep rond. “Ik hoor hetzelfde van iedereen”, zegt ze. “Jullie voelen je leeg zonder werk. Nutteloos. Alsof jullie tijd doden in plaats van te leven.” De accountant knikt. “Precies.” “Maar”, zegt Vera, “jullie doen wel dingen. Erik wandelt. Remke leest. Lisa scrollt. Dennis gamet. Maarten bezoekt zijn ouders.” “Dat zijn geen dingen”, zegt Dennis. “Dat is gewoon… bestaan.” “Klopt”, zegt Vera. “En dat is het probleem. Jullie zien verschil tussen ‘doen’ en ‘bestaan’. Alsof bestaan niet genoeg is.” “Dat is het ook niet”, zegt Remke. “Waarom niet?” Stilte. Vera laat het bezinken. “Laten we het omkeren. Stel: je werkt weer. Voltijd. Goed betaald. Je doet wat je altijd deed. Ben je dan gelukkig?” Erik schudt zijn hoofd. “Ik was niet gelukkig. Ik was moe. Altijd onderweg. Nooit thuis. Als mijn vrouw ziek was, zat ik in een truck, ver van haar vandaan..” Remke: “Ik was gestrest. Altijd. Te veel leerlingen, te weinig tijd. Ik sliep slecht.” Lisa: “Ik had nooit tijd voor mezelf. Altijd deadlines. Altijd angst dat klanten weggingen.” Dennis: “Ik haatte mijn baan. Mensen die schreeuwden omdat hun wifi niet werkte.” Maarten zegt niets. Vera kijkt naar hem. “Jij, Maarten?” Hij denkt aan zijn werk. Deadlines. Klanten die klaagden over kleine fouten. Nachten doorwerken voor een conferentie. “Nee”, zegt hij. “Ik was niet altijd gelukkig. Maar ik was wel… iemand. Ik was nuttig.” Vera knikt. “Dus jullie waren niet per se gelukkig in je werk. Maar jullie voelen je nutteloos zonder.” De groep knikt. “Dan”, zegt Vera, “moeten we nadenken over een derde optie. Niet weer aan het werk, dat is kansloos. Niet nietsdoen, daar ga je aan onderdoor. Maar iets anders. Iets dat jullie betekenis geeft zonder dat het je uitput.” “En wat is dat dan?” vraagt Dennis. Cynisch. “Dat is wat jullie gaan ontdekken”, zegt Vera. De redacteur steekt haar hand op. “Ik heb iets geprobeerd.” Iedereen kijkt naar haar. “Wat dan?” vraagt Vera. “Vrijwilligerswerk. Bij de bibliotheek. Voorlezen voor kinderen.” “En?” De vrouw glimlacht. Eerst aarzelend, dan echter. “Het was… fijn. De kinderen luisterden. Ze lachten. Een meisje vroeg of ik terugkwam.” “Kom je terug?” “Ja. Volgende week.” Vera glimlacht. “Dat is prachtig.” “Maar het betaalt niet”, zegt de vrouw. “Ik kan er mijn huur niet van betalen.” “Nee”, zegt Vera. “Maar het geeft je wel iets wat je miste. Een doel. Verbinding.” De vrouw knikt. Haar ogen glimmen. Dennis schudt zijn hoofd. “Dit is bullshit. Vrijwilligerswerk is geen oplossing. Het is een pleister op een geamputeerd been.” “Misschien”, zegt Vera. “Maar voor haar is het tenminste iets.” Maarten kijkt naar de redacteur. Ziet haar gezicht. Ze meent het. Ze was gelukkig, al was het maar even. Vera kijkt op de klok. “We zijn bijna door onze tijd. Volgende week: iedereen denkt na over één klein ding dat je kunt doen. Vrijwilligerswerk, een hobby, iets voor familie. Het hoeft niet groot te zijn. Gewoon iets.” Ze staat op. “Bedankt, iedereen.” De groep verlaat de zaal en dan het gebouw. Bij de uitgang draait Maarten zich om. De redacteur staat bij het raam, kijkt naar buiten. Ze glimlacht nog steeds. Hij vertrekt. “We hoeven niet lang te wachten”, zegt Hans tegen haar. “Waar zijn we?” vraagt Marije. “Bij de dokter, lieverd.” “O.” Ze kijkt weer naar de deur. Een scherm aan de muur licht op. VAN ROOIJEN – SPREEKUUR 3 Hans staat op. “Kom, lief.” Ze lopen door de gang. Maarten volgt. Spreekuur 3 is klein. Een bureau, drie stoelen, een onderzoeksbank tegen de muur. Achter het bureau: geen dokter, maar een vrouw in een grijs pak. Begin veertig, streng gezicht, map opengeslagen voor haar. “Meneer Van Rooijen, mevrouw Van Rooijen, Maarten. Ga zitten.” Ze geeft geen hand. Wijst naar de stoelen. Ze gaan zitten. Marije kijkt rond alsof ze hier voor het eerst is. De vrouw kijkt naar haar tablet. “Ik ben Astrid Kemp, maatschappelijk werkster. Uw huisarts heeft me gevraagd dit gesprek te leiden.” Hans knikt. “De reden”, gaat Astrid door, “is dat de zorg voor mevrouw Van Rooijen thuis niet langer haalbaar is. De dementie versnelt. Ze heeft toezicht nodig, 24 uur per dag. Dat kunt u niet alleen bieden, meneer Van Rooijen.” Hans zegt niets. Marije knikt. “We hebben een plek voor haar”, zegt Astrid. “Verzorgingstehuis De Eikenhof, Diemen. Er is een wachtlijst van gemiddeld acht maanden, maar er is nu een kamer vrijgekomen.” “Hoe dat zo?” vraagt Maarten. Astrid kijkt hem aan. “Iemand is overleden.” “O.” “Ik heb geluk!”, zegt Marije. Astrid kijkt weer naar haar tablet. “De kamer is beschikbaar vanaf 2 januari. Dat is over tien dagen.” “Zo snel?” vraagt Hans. “Als u langer wacht, gaat de kamer naar iemand anders. De wachtlijst is lang.” Hans kijkt naar Marije. Ze zit stil, handen in haar schoot. “Wat voor faciliteiten heeft het tehuis?” vraagt Maarten. Astrid tikt op haar tablet. “Gemeenschappelijke ruimte, tuin, fysio, bezigheden. Professionele zorg, dag en nacht. Maaltijden verzorgd. Eigen kamer met douche.” “En AI-ondersteuning?”, vraagt Maarten. Astrid schudt haar hoofd. “Nee. De Eikenhof heeft bezuinigingen doorgevoerd. AI-robots zijn te duur in onderhoud. Ze hebben menselijke zorgverleners. “En de AI?” vraagt Hans. “Kan ze die meenemen? Haar eigen apparaat?” Astrid fronst. “U bedoelt persoonlijke AI-assistentie?” “Ja. Ze heeft er eentje thuis. Voor voorlezen, herinneringen, dat soort dingen.” “Dat is toegestaan”, zegt Astrid. “Maar niet gebruikelijk. De meeste bewoners hebben geen eigen apparaten.” “Maar het mag?” vraagt Maarten. Hans zegt: “Ik denk niet dat ze het nodig heeft. In het tehuis zijn mensen. Echt personeel. Ze kan daarop leunen.” Maarten draait zich naar zijn vader. “Papa. Ze gebruikt dat ding elke dag. Het is het enige wat haar kalm houdt.” “Ze went er wel aan”, zegt Hans. “Waarom zou ze? Als het niet hoeft.” “Wat maakt het uit? Morgen is ze vergeten dat het apparaat bestaat.” “Je weet best hoeveel steun ze eraan heeft.” Astrid schrapt haar keel. “Heren. Dit is niet het moment.” Maarten en Hans zwijgen beide. Astrid kijkt naar Marije. “Mevrouw Van Rooijen? Hoe voelt u zich over dit plan?” Marije kijkt op. “Welk plan?” “Dat u naar het verzorgingstehuis gaat.” Marije denkt na. “Wanneer?” “Volgende week.” “O.” Ze kijkt naar Hans. “Ga jij mee?” Hans slikt. “Nee, lieverd. Ik blijf thuis. Maar ik kom je opzoeken.” “Elke dag?” “Zo vaak als ik kan.” Marije knikt. Lijkt tevreden. Astrid maakt een aantekening. “Dan is het besluit genomen. Ik regel de opname. U krijgt volgende week een mail met details: wat mee te nemen, tijdstip van aankomst, etcetera.” Hans knikt. Astrid kijkt naar Maarten. “U bent de zoon. Komt u ook regelmatig?” “Ja”, zegt Maarten. “Goed. Familie-bezoek is belangrijk voor het welzijn van bewoners.” Ze sluit haar tablet. “Nog vragen?” Hans schudt zijn hoofd. Maarten zegt: “En als ze vraagt om de AI? Als ze hem wil?” Astrid zucht. “Dan bespreekt u dat met het personeel. Maar het wordt niet aangemoedigd.” Maarten kijkt naar zijn vader. “Papa. Neem hem mee. Als ze ernaar vraagt.” Hans zwijgt. — Hans staat bij de auto op de parkeerplaats, buiten de praktijk. Marije zit al binnen, achterin. Maarten loopt naar hem toe. “Papa.” Hans draait zich om. “Wat?” “Waarom doe je dit?” “Wat doe ik?” “Je gunt haar de AI niet. Ook al maakt het haar gelukkig.” “Ik ben haar man. Ik weet echt wel wat goed voor haar is.” “Nee, papa. Jij weet wat goed voor jou is.” Hans doet een stap naar voren. Zijn gezicht dicht bij dat van Maarten. “Let op je woorden, jongen.” Maarten deinst niet terug. “Ze gaat straks naar een plek waar ze niemand kent. En jij weigert haar het enige te geven wat haar troost.” “Ze heeft mij. Ze heeft jou.” “We zijn er niet altijd. De AI wel.” Hans draait zich om. Hans stapt in de auto. Start de motor en rijdt weg zonder Maarten te groeten. — Die avond zit Maarten op bed. Laptop open. Hij tikt iets in. Verzorgingstehuis De Eikenhof recensies “Goed personeel, maar ze spreken gebrekkig Nederlands. Mijn moeder raakte gefrustreerd.” “Vriendelijke zorg, maar communicatie was moeilijk. Vraag veel naar familie om te vertalen.” “Mijn vader was gelukkig, maar hij spreekt zijn talen. Voor anderen is het lastiger.” Maarten sluit het tabblad. Hij pakt zijn telefoon. Opent WhatsApp. Tikt. Papa. Neem de AI mee naar het tehuis. Voor haar. Verstuurt. Wacht. Tien minuten. Niets. Twintig minuten. Niets. Een uur. Dan, eindelijk: Ik zie wel. Maarten staart naar het scherm. Tikt terug: Nee dus. Hans antwoordt niet meer. Maarten legt de telefoon weg. Staart naar de barst in het plafond. Maarten parkeert de auto. Zijn vaders auto, geleend voor vandaag. Marije zit naast hem. Ze kijkt door het raam naar het gebouw. “Is dit een hotel?” vraagt ze. “Nee, mam. Dit is waar je nu gaat wonen.” “O.” Ze denkt na. “Voor hoelang?” Maarten slikt. “Voor een tijdje.” “En Hans?” “Papa komt later. Hij heeft nog dingen te regelen thuis.” Leugen. Hans wilde niet mee. Hij kon het niet, zei hij. Te moeilijk. Maarten stapt uit. Loopt om de auto heen, trekt de deur open. Helpt zijn moeder uitstappen. Ze heeft een kleine koffer. Kleren, toiletspullen, foto’s. Niet veel. Hans zei: ze heeft daar alles wat ze nodig heeft. Geen AI. Maarten had het zelf meegenomen van thuis, vanmorgen. Maar Hans had het gezien. “Wat doe je?” had Hans gevraagd. “Ik neem hem mee. Voor mam.” “Ik zei: nee.” “Jij zei: ik zie wel. Dat is geen nee.” Hans had het apparaat uit Maartens handen gerukt. “Ze heeft het niet nodig.” “Papa…” “Nee, Maarten. Genoeg.” Hans had de AI weggestopt. Maarten had niet gevochten. Te moe, te verdrietig. Nu loopt hij met zijn moeder naar de ingang. Glazen deuren, automatisch. Binnen: een hal. Licht, schoon. Een balie waar een vrouw zit te typen. Kunstbloemen in een vaas. Aan de muur: foto’s van bewoners, lachend. De vrouw kijkt op. “Goedemiddag. Kan ik u helpen?” “Mevrouw Van Rooijen. Opname vandaag.” De vrouw checkt haar scherm. “Ah, ja. Kamer 2.12. Ik haal even iemand.” Ze pakt een telefoon. Spreekt kort. Hangt op. “Rosa komt eraan. Zij is de vaste zorgmedewerker voor uw moeder.” Een minuut later: een vrouw komt de gang in lopen. Klein, donker haar in een staart, begin dertig. Vriendelijk gezicht. Ze draagt groene scrubs. “Mevrouw Van Rooijen?” Ze steekt haar hand uit naar Marije. “Ik ben Rosa. Welkom.” Marije pakt haar hand. “Hallo.” Rosa kijkt naar Maarten. “U bent de zoon?” “Ja. Maarten.” Rosa heeft een zwaar Spaans accent, hoort Maarten. Maar haar Nederlands is zo te horen lang niet slecht. “Fijn dat u er bent. Kom, ik laat de kamer zien.” Ze lopen door de gang. Marije kijkt rond, stil, alsof ze bang is. De gang ruikt naar schoonmaakmiddel en iets zoets. Koffie met suiker misschien. Deuren aan beide kanten, sommige open. Stemmen, televisie, af en toe een kreet. Kamer 2.12 is aan het einde van de gang. Rosa opent de deur. Een kleine ruimte. Eenpersoonsbed, kast, bureau, stoel. Een raam met uitzicht op de tuin. Licht valt naar binnen, zacht januarilicht. “Dit is uw kamer”, zegt Rosa tegen Marije. “U mag het doen zoals u wilt.” “Doen?”, vraagt Maarten. “Foto’s, spullen van thuis.” “Ah inrichten. Bent u Spaans?” Rosa glimlacht. “Ik kom uit de VS. Veel mensen hier in dit huis komen uit de VS. Illegaal, het land uitgezet.” Maarten knikt begrijpend. “U spreekt goed Nederlands.” “Ik leer nog”, zegt Rosa. “Spreken je collega’s ook zo goed Nederlands.” “Zij leren ook nog. Het is niet makkelijk.” Marije loopt naar het raam. Kijkt naar buiten. Rosa kijkt naar Maarten. “De koffer?” Hij zet hem op het bed. Rosa opent hem, begint uit te pakken. Kleren in de kast, toiletspullen in de badkamer. Marije blijft bij het raam staan. “Mam”, zegt Maarten. “Wil je niet even zitten?” Ze draait zich om. “Waar is Hans?” “Hij komt later.” “O.” Ze gaat op het bed zitten. Haar handen trillen. Rosa komt terug. Ziet het. “Alles goed, mevrouw?” Marije knikt. Zegt niets. Rosa gaat naast haar zitten. Legt een hand op haar schouder. “U bent veilig hier.” Marije kijkt naar haar. “Spreek je Nederlands?” Rosa kijkt naar Maarten. “Kan ik u even spreken? Buiten?” Ze lopen de gang op. Rosa sluit de deur half. “Uw moeder”, zegt Rosa zacht. “Ze begrijpt me niet altijd. Mijn Nederlands is nog niet goed genoeg.” “Dat geeft niet. Nu ik er toch ben kan ik het vertalen”, zegt Maarten. “U spreekt Spaans?” “Ja”, zegt hij. “Ik spreek Spaans. Ik ben vertaler geweest.” Rosa’s gezicht licht op. “Echt? Dat is… dat helpt.” Maarten kijkt naar de deur. Naar zijn moeder, zittend op het bed, klein en kwetsbaar. “Nu?” vraagt hij. “Ja. Als het kan. Ik moet haar medicatieschema uitleggen. Het is belangrijk.” Maarten aarzelt. Dit is wat hij deed. Vroeger. Vertalen. Mensen helpen begrijpen. Maar nu is het onbetaald. Vrijwillig. Waardeloos. Of toch niet? “Oké”, zegt hij. Ze gaan terug de kamer in. Rosa haalt een vel papier tevoorschijn. “Mevrouw Van Rooijen, dit is uw medicatie. Vier keer per dag.” Marije kijkt naar het papier. Begrijpt het niet. Rosa wijst. “Dit tablet, ’s ochtends. Dit in de middag. Dit—” “Ik begrijp het niet”, zegt Marije. Paniek in haar stem. Maarten gaat naast haar zitten. “Mam, mag ik helpen?” Hij kijkt naar Rosa. “Leg het uit. Ik vertaal.” Rosa knikt. Begint te praten, langzaam. Maarten vertaalt: “Dit is voor je bloeddruk. Elke ochtend om acht uur. En dit is voor je hart. En dit is voor je geheugen. Helpt een beetje.” “Kan ik dan weer dingen onthouden?” vraagt Marije. Maarten kijkt naar Rosa. Vertaalt de vraag in het Spaans. Rosa schudt haar hoofd. Maarten vertaalt. “Het maakt je niet beter, mam. Maar het helpt wel een beetje.” Marije knikt. Zegt niets. Maar haar ademhaling wordt rustiger. Rosa legt nog drie medicijnen uit. Maarten vertaalt alles. Langzaam, geduldig. Aan het einde zegt Rosa: “Begrijpt u het?” Marije kijkt naar Maarten. “Ja. Hij legt het goed uit.” Rosa glimlacht. Kijkt naar Maarten. “Dank je. Je moeder is rustig nu.” Maarten ziet het. Zijn moeder zit rustig stil. “Graag gedaan”, zegt hij. Rosa staat op. “Ik moet naar andere bewoners. Maar als u vragen heeft, kom ik terug.” Stilte. “Maarten?” “Ja, mam?” “Waarom ben ik hier?” Hij slikt. “Omdat papa je niet meer alleen kan verzorgen. Je hebt hulp nodig.” “En de robot? Kan die niet helpen?” Maartens hart krimpt. “Nee, mam. Die is thuis.” “Waarom?” “Omdat… omdat papa dacht dat je hem hier niet nodig had.” Marije denkt na. “Maar ik vind hem fijn. Hij leest voor.” “Ik weet het, mam.” “Kan hij niet komen?” “Ik… ik weet het niet.” Marije kijkt verdrietig. Zegt niets meer. Maarten blijft nog een uur. Helpt haar foto’s ophangen. Een van haar en Hans, jong, lachend. Een van Maarten als kind. Om vier uur zegt Rosa: “Tijd voor avondeten. Gemeenschappelijke ruimte.” Maarten loopt mee. Helpt zijn moeder de gang door. De gemeenschappelijke ruimte is groot. Tafels, stoelen, bewoners overal. Sommige praten, andere staren voor zich uit. Een televisie staat aan, niemand kijkt. Marije gaat aan een tafel zitten. Naast haar: een oude man, 70+, grijs haar, vriendelijk gezicht. “Hallo”, zegt de man. Marije kijkt op. “Hallo.” “Ik ben Henk.” “Marije.” Henk glimlacht. “Mooi weer vandaag.” “Ja”, zegt Marije. Ze glimlacht terug. Maarten kijkt naar hen. Iets in hem ontspant. Rosa brengt eten. Soep, brood, thee. Maarten zegt: “Ik ga, mam. Ik kom morgen terug.” Marije kijkt op. “Moet je echt weg?” “Ja. Maar ik ben er morgen weer.” “Beloof je dat?” “Ik beloof het.” Hij bukt, kust haar op haar wang. Bij de deur draait hij zich om. Marije zit aan tafel, lepelt soep. Henk zegt iets, ze lacht. Rosa komt naar hem toe. “Ze doet het goed.” “Denk je?” “Ja. Henk is lief. Hij helpt nieuwe bewoners. Hij is ook dement, maar… vriendelijk.” Maarten knikt. “En jij?” vraagt Rosa. “Kom je morgen?” “Ja.” “Misschien”, zegt Rosa. “Als je tijd hebt… meer vertalen?” Maarten kijkt haar aan. “Meer?” “Voor de andere verplegers en bewoners.” “Maar er is geen geld voor een vertaler?” “Nee, geen geld”, zegt Rosa. “Maar als je hier toch bent…” “Oké”, zegt hij. “Als ik hier toch ben.” Rosa glimlacht breed. “Dank je. Je moeder is gelukkig met jou. Ik zie het.” “Heeft geluk met jou”, corrigeert Maarten. “O ja”, lacht Rosa. “Zie je wel, we kunnen niet zonder je.” Er is niets veranderd aan Vera’s kantoor. Zelfde stoel, zelfde lamp, zelfde plastic plantje. Maar het stemt Maarten allemaal niet meer zo somber als de vorige keren. Vera merkt het op. “Je ziet er goed uit.” “Ik heb me geschoren.” “Ja”, “Mijn haar gekamd.” “Ja.” “En hoe gaat het verder?” Maarten leunt achterover. “Anders.” “Anders hoe?” “Beter, denk ik. Een beetje.” Vera glimlacht. Pakt haar pen. “Vertel.” Maarten vertelt. Over het verzorgingstehuis. Over Rosa. Over het vertalen. Zijn moeder die rustiger werd. De andere bewoners die hij hielp. “Ik ben vijf keer geweest”, zegt hij. “Elke dag. Soms een uur, soms drie.” “En hoe voelt dat?” “Vreemd.” “Waarom vreemd?” “Omdat ik niks krijg. Geen geld, geen contract, geen titel. Maar het voelt toch… alsof ik iets doe.” Vera knikt. “Dat is precies waar we naartoe werkten.” “Maar het lost niks op”, zegt Maarten. “Ik kan er mijn huur niet van betalen. Mijn schulden niet van aflossen.” “Klopt.” “Dus uiteindelijk ben ik nog steeds… nergens.” Vera legt haar pen neer. “Mag ik eerlijk zijn?” “Altijd.” “Je bent niet nergens, Maarten. Je bent ergens. Je helpt mensen. Je moeder, de zorgwerkers, de bewoners. Je bent verder gegaan met je leven. Dat is niet niets.” “Maar het betaalt de rekeningen niet.” “Nee. En dat is een probleem. Maar het is een ander probleem dan dat je je nutteloos voelt.” Maarten denkt na. “Dus ik moet accepteren dat ik nuttig ben zonder inkomen.” “In zekere zin, ja.” “Dat is idioot.” Vera glimlacht. “Welkom in de moderne wereld.” Stilte. Maarten kijkt naar het raam. Buiten: grijze lucht, altijd grijs. “Mijn vader belt niet meer”, zegt hij. “Hoe bedoel je?” “Sinds mijn moeder in het tehuis zit. Ik heb hem drie keer gebeld. Hij neemt niet op.'” “Heb je hem gezien?” “Nee. Ik app hem bijna elke dag of hij meekomt naar het tehuis. ‘Ik kom later’, antwoordt hij dan. Als hij antwoordt.” “Denk je dat hij komt?” Maarten schudt zijn hoofd. “Nee.” “Waarom niet?” “Omdat hij het niet aankan. Mijn moeder zit daar met andere mensen. Ze is gelukkig zonder hem. Dat is te pijnlijk voor hem.” Vera schrijft iets op. “En jij? Hoe voel je je daarover?” “Boos. Hij gunt haar het geluk niet. Voelt zich overbodig. En nu verstopt hij zich.” “Hmmm… komt me bekend voor.” “Ja, ik mag het hem misschien ook niet kwalijk nemen. Maar ik doe het wel.” Vera leunt naar voren. “Maarten, je hebt een grote stap gezet. Je vertaalt. Je helpt. Je vindt betekenis buiten werk. Dat is mooi.” “Maar?” “Maar je hebt nog steeds problemen. Financiële problemen. Je huur, je schulden. Het vertalen lost dat niet op.” “Wat moet ik dan doen?” “Blijven zoeken. Blijven solliciteren. Misschien niet als fulltime vertaler, maar als iets anders. Iets dat je kunt combineren met het vrijwilligerswerk.” “Zoals?” “Dat weet ik niet. Supermarkt, magazijn, callcenter. Werk dat niet je hele identiteit opslokt maar wel je rekeningen betaalt.” Maarten lacht bitter. “Dus ik word vakkenvuller. Na vier jaar studie.” “Misschien. Voor nu.” “En dat moet ik accepteren.” “Als je wilt overleven.” Stilte. Maarten kijkt naar haar. “En jij? Hoe lang nog voordat je hier zit? Als patiënt?” Vera glimlacht vermoeid. “Maart. Officieel. TherapyBot 3.0 neemt het over.” “En dan?” “Dan word ik wat jij nu bent. Werkloos. Zoekend.” “Sorry.” “Het is niet jouw schuld.” “Misschien kun jij mij dan adviseren.” “Ik weet niet of jij mij kunt betalen”, grapt Maarten. Op weg naar buiten ziet Maarten Dennis in de wachtkamer, de jongen met de hoodie. “Hey”, zegt Dennis als hij Marten ziet. “Hey.” “Hoe gaat het?” Maarten stopt. “Goed. Beter. Jij?” “Meh. Zelfde shit.” “Nog steeds alleen gamen?” Dennis knikt. “En solliciteren. Tweehonderd keer nu. Geen reacties.” “Heb je… heb je andere dingen geprobeerd? Vrijwilligerswerk of zo?” Dennis fronst. “Waarom? Wat schiet ik daarmee op?” “Ik weet het niet. Misschien niks. Misschien iets.” “Vrijwilligerswerk is voor oude mensen die niks beters te doen hebben.” Maarten haalt zijn schouders op. “Misschien.” Hij loopt verder. Bij de deur draait hij zich om. Dennis zit nog steeds daar, starend naar zijn telefoon. Eenzaam. — Diezelfde middag bezoekt Maarten zijn moeder. Rosa schiet hem aan als hij binnenkomt, breed glimlachend. “Maarten! Fijn dat je er bent.” “Wat is er?” “Nieuwe bewoner. Mevrouw Peters. Zesentachtig. Ze spreekt alleen Nederlands. Maria probeert haar te helpen, maar de communicatie loopt vast.” Ze lopen naar een kamer. Daar zit een oude vrouw op het bed. Klein, mager, angstige ogen. Ze heeft een rollator naast zich. Bij het raam staat Maria. Ze houdt een vel papier vast – het medicatieschema. “Señora Peters”, zegt Maria langzaam. “U moet… tabletten… nemen. Twee keer. Per dag.” Mevrouw Peters staart haar aan. “Wat? Ik versta je niet.” Maria probeert het opnieuw. “Tabletten. Medicijnen. Voor uw… hart.” “Mijn hart? Wat is er met mijn hart?” Maria kijkt hulpeloos naar Rosa. Rosa zegt: “Maarten kan helpen.” Maarten loopt naar binnen. “Goedemiddag, mevrouw Peters. Ik ben Maarten.” De vrouw kijkt op. “O. Spreek jij Nederlands?” “Ja. Ik help met vertalen. Maria wil uitleggen over uw medicatie.” Maarten gaat naast Maria staan. “Leg het mij uit in het Spaans. Ik vertaal voor mevrouw Peters.” Maria knikt, opgelucht. Begint te praten. Langzaam, duidelijk. “Ella tiene que tomar estas pastillas dos veces al día. Una por la mañana a las ocho, y una por la noche a las ocho. Son para la presión arterial.” Maarten vertaalt: “Mevrouw Peters, u moet deze tabletten twee keer per dag nemen. Eentje ’s ochtends om acht uur, en eentje ’s avonds om acht uur. Ze zijn voor uw bloeddruk.” Mevrouw Peters knikt. “O. Oké. Dat snap ik.” Maria gaat verder. “Y estas otras son para el dolor. Puede tomarlas cuando sea necesario, pero no más de cuatro al día.” Maarten: “En deze andere zijn voor de pijn. U mag ze nemen wanneer nodig, maar niet meer dan vier per dag.” “Pijn? Welke pijn?” Maarten vraagt aan Maria: “¿Para qué tipo de dolor?” Maria: “Para la artritis. En sus rodillas y manos.” Maarten: “Voor de artritis. In uw knieën en handen.” “O ja. Dat doet inderdaad pijn.” Mevrouw Peters kijkt naar Maria. “Zij weet dat?” “Ja. Het staat in uw medisch dossier.” Maria legt nog drie medicijnen uit. Maarten vertaalt alles. Geduldig, duidelijk. Mevrouw Peters ontspant zichtbaar. “Dank je wel, jongen. Ik was zo bang. Ik begreep niemand hier.” “Nee. Maar ik kom regelmatig. Als u iets niet begrijpt, vraag dan naar mij. Of naar Rosa. Zij spreekt wel Nederlands.” Maria zegt tegen Maarten: “Gracias. Sin ti, no podemos ayudarla bien.” Maarten vertaalt voor mevrouw Peters: “Maria zegt dat ze blij is dat ik er ben. Zonder mij kan ze u niet goed helpen.” Mevrouw Peters kijkt naar Maria. Glimlacht voorzichtig. “Zeg maar dat ik haar dankbaar ben. Ze lijkt heel lief.” Maarten vertaalt in het Spaans: “La señora Peters dice que está agradecida. Dice que usted parece muy amable.” Maria glimlacht breed. “Dile que es un placer cuidarla.” Maarten: “Maria zegt dat het een plezier is voor haar om voor u te zorgen.” Ze blijven nog tien minuten. Maria laat de badkamer zien, legt uit hoe de noodknop werkt, waar het eten wordt geserveerd. Maarten vertaalt alles. Aan het eind zegt mevrouw Peters: “Kom je morgen ook?” “Nee, morgen niet. Ik werk. Maar overmorgen kom ik weer.” “Fijn. Ik voel me hier zo… verloren.” “Dat went. En Maria zorgt goed voor u. Echt.” “Als jij het zegt.” Ze verlaten de kamer. Op de gang zegt Maria tegen Maarten: “No sé qué haríamos sin ti. Hay tantos residentes holandeses y mi neerlandés es todavía muy malo.” Maarten antwoordt in het Spaans: “Hago lo que puedo. Pero deberías seguir aprendiendo neerlandés. Yo no siempre puedo venir.” Maria knikt. “Lo sé. Estoy tomando clases. Pero es difícil.” “Lo sé. Pero lo estás haciendo bien.” Ze glimlacht. “Gracias, Maarten.” “De nada”, zegt Maarten. — Zijn moeder zit aan een tafel. Henk naast haar. Ze kijken naar een fotoalbum. Van Henk, aanneemt Maarten. Hij blijft in de deuropening staan. Kijkt. Marije lacht om iets. Henk lacht ook. Hij pakt haar hand. Maarten voelt iets. Geen jaloezie. Geen verdriet. Iets anders. Opluchting. Ze is gelukkig. Hij loopt naar hen toe. “Hey, mam.” Marije kijkt op. “Maarten! Kom, kijk. Henk laat foto’s zien.” Maarten gaat zitten. Kijkt naar het album. Oude foto’s. Henk als jonge man, in uniform. Zijn vrouw, mooi. Kinderen. “Waar is je vrouw nu?” vraagt Marije aan Henk. Henk denkt na. “Weg. Ze is weg.” “Vakantie?” “Nee. Voor altijd weg.” Marije knikt. Begrijpt het niet helemaal, maar accepteert het. Ze bladeren verder. Maarten blijft een half uur. Zegt weinig. Kijkt gewoon. Bij vertrek loopt Rosa met hem mee naar de uitgang. “Je moeder is gelukkig”, zegt ze. “Ja. Dat zie ik.” “En jij?” Maarten kijkt haar aan. “Ik?” “Ja. Ben jij gelukkig?” Hij denkt na. Lang. “Ik weet het niet”, zegt hij uiteindelijk. “Maar ik ben niet ongelukkig. Dat is iets.” Rosa glimlacht. “Dat is veel.” Hij vertrekt. Buiten is het koud. Maar helder. Geen regen vandaag. — Thuis belt hij zijn vader. Voicemail. Hij belt nog een keer. Nog steeds voicemail. Hij tikt een bericht. Papa. We moeten praten. Ik kom morgen langs. Verstuurt. Wacht. Vijf minuten later: Goed. Eindelijk: de deur gaat open. Hans staat in de deuropening. Hij ziet er slecht uit. Ongeschoren, grijs. Zijn trui heeft vlekken. “Maarten.” “Hey, papa.” Hans stapt opzij. “Kom binnen.” Binnen ruikt het muf. Ramen dicht, gordijnen ook. De woonkamer is donker. Maarten doet een lamp aan. Overal rommel. Kranten op de bank. Borden op de salontafel. Een glas, halfvol, iets bruins. “Papa, wanneer heb je voor het laatst opgeruimd?” Hans haalt zijn schouders op. “Weet ik veel. Wat maakt het uit?” “Het maakt uit. Dit is…” “Wat? Zielig? Vies?” Maarten zwijgt. Hans gaat zitten. Pakt het glas. Drinkt. “Wil je ook wat drinken?” vraagt Hans. “Nee. Dank je.” Stilte. Maarten gaat zitten op de stoel tegenover de bank. Kijkt rond. Op de salontafel: de AI. Stoffig. Uitgeschakeld. “Gebruik je hem niet?” vraagt Maarten. Hans kijkt naar het apparaat. “Nee. Ikke niet.” “Waarom niet?” “Wat moet ik ermee? Me laten voorlezen? Als ik wat wil lezen, doe ik het zelf wel.” “Mam vroeg ernaar. Ze is hem nog niet vergeten” Hans zegt niets. “Papa. Ze wil hem. Hij helpt haar.” “Ze heeft mensen daar. Echte mensen.” “De meeste verplegers spreken Spaans of slecht Nederlands. Ze begrijpt ze nauwelijks.” “Ze went er wel aan.” “Nee, papa. Dat doet ze niet.” Hans neemt nog een slok. “Waarom ben je hier, Maarten?” “Omdat ik wil dat je met me meegaat. Naar het tehuis. Om mam te zien.” “Ik kom wel een keer.” “Wanneer?” “Weet ik niet. Binnenkort.” “Papa. Ze is er al een week. Je bent niet één keer geweest.” Hans staat op. Loopt naar de keuken. Maarten hoort water lopen. Een glas dat wordt volgeschonken. Hans komt terug. Gaat zitten. “Ik kan het niet”, zegt hij. “Wat kan je niet?” “Haar daar zien. Met vreemden. In een… instelling.” “Het is geen instelling, papa. Het is een verzorgingstehuis. Het is licht, schoon. Ze heeft een mooie kamer.” “Maar het is niet hier. Niet thuis.” “Nee. Dat kan niet meer. Dat weet je.” Hans zwijgt. “Kom morgen mee”, zegt Maarten. “Een uurtje maar. Kijk hoe het met haar is.” “En dan?” “Dan zie je dat ze het goed maakt.” Hans kijkt naar de grond. “Oké. Morgen.” “Echt?” “Ja. Morgen.” — De volgende dag lopen Maarten en Hans door de gang van verzorgingstehuis De Eikenhof. Hans zegt niets. Zijn schouders zijn gespannen. Bij kamer 2.12 klopt Maarten aan. “Binnen”, roept Marije. Ze zitten binnen. Marije in haar stoel bij het raam. Henk op het bed, voeten bungelend. Marije kijkt op. Ziet Maarten. Glimlacht. Dan ziet ze Hans. “Hans!” Ze staat op. Loopt naar hem toe. Hans omhelst haar. Houdt haar vast. Lang. “Hoe gaat het, lieverd?” vraagt hij. “Goed. Fijn dat je er bent.” Ze pakt zijn hand. “Kom, ik wil je iemand voorstellen.” Ze trekt hem naar Henk. “Dit is Henk”, zegt Marije. “Henk, dit is… mijn man. Hans.” Henk staat op. Steekt zijn hand uit. “Hallo, Hans.” Hans staart naar de hand. Schudt hem mechanisch. “Henk woont hier ook”, zegt Marije. “We kijken samen naar foto’s.” “O”, zegt Hans. Zijn stem klinkt vlak. Marije gaat op het bed zitten. Klopt naast zich. “Kom zitten.” Hans gaat zitten. Op de stoel, niet op het bed. Marije en Henk zitten naast elkaar. Marije pakt Henks hand. Een natuurlijk gebaar. Gewoon. Hans kijkt naar hun handen. “Hoe gaat het thuis?” vraagt Marije aan Hans. “Goed. Hetzelfde.” “Eenzaam?” Hans kijkt op. “Een beetje.” “Kom dan vaker”, zegt Marije. “Dan ben je niet eenzaam.” “Ja.” Stilte. Henk zegt: “Marije vertelde over jullie bruiloft. Klinkt mooi.” Hans knikt. Zegt niets. “Wij zijn ook getrouwd geweest”, gaat Henk door. “Mijn vrouw. Annie. Ze is… weg nu.” “Gecondoleerd”, zegt Hans. “Dank je.” Marije kijkt naar Henk. “Annie is een mooie naam.” “Ja. Ze was mooi.” Marije glimlacht. “Net als ik.” Henk lacht. “Ja. Net als jij.” Hans staat op. “Ik moet gaan.” Marije kijkt op. “Nu al? Je bent er net.” “Ik heb… dingen te doen thuis.” “O. Oké.” Hans bukt. Kust haar op haar wang. Snel, afstandelijk. “Tot snel”, zegt Marije. Hans zegt niets. Loopt naar de deur. Maarten staat ook op. “Ik kom zo, mam.” Hij loopt achter zijn vader aan. De gang in. Hans loopt snel. Maarten moet rennen om hem bij te houden. “Papa. Stop.” Hans stopt. Draait zich niet om. Maarten legt een hand op zijn vaders schouder. Zeldzaam contact. “Papa.” Hans draait zich om. Zijn ogen zijn rood. “Ze houdt zijn hand vast”, zegt Hans. “Een vreemde. En ze glimlacht.” “Ze is gelukkig, papa.” “Met hem. Niet met mij.” “Ze herkent je nog steeds. Ze vroeg of je kwam.” “Maar ze houdt van hem.” Maarten schudt zijn hoofd. “Ze houdt van gezelschap. Van vriendelijkheid. Henk geeft haar dat.” “En ik niet?” “Niet als je er niet bent.” Hans veegt over zijn gezicht. “Ik kan haar niet delen.” “Je hoeft haar niet te delen. Je hoeft alleen maar te accepteren dat ze gelukkig is. Ook als jij er niet bent.” Hans zegt niets. Loopt verder. Bij de uitgang draait hij zich om. “Ik kom niet meer terug”, zegt hij. “Papa…” “Ik kan het niet.” Hij vertrekt. Maarten blijft staan in de gang. Rosa komt aangelopen. “Alles goed?” vraagt ze. “Nee.” “Wat is er?” “Mijn vader. Hij kan het niet aan. Dat mijn moeder gelukkig is met iemand anders.” Rosa knikt. “Ik zie het vaak. Familie die niet kan accepteren dat bewoners veranderen. Nieuwe vrienden maken. Verder gaan.” “Maar ze gaat niet verder. Ze vergeet gewoon.” “Misschien. Maar ze leeft wel. Nu. En dat is wat telt.” Maarten zwijgt. “Wil je nog vertalen vandaag?” vraagt Rosa. “Ja. Graag.” — Maarten zit die avond op bed in zijn appartement. Telefoon in zijn hand. Hij opent WhatsApp. Tikt. Papa. Het spijt me van vandaag. Misschien nog even overleggen? Verstuurt. Wacht. Een uur. Niets. Hij belt. Voicemail. Hij legt de telefoon weg. Op zijn laptop: sollicitaties. Tien vandaag. Supermarkt, magazijn, callcenter. Saai werk. Overleven-werk. Maar nodig. Morgen blijft hij vertalen in het tehuis. En solliciteren. Beide. En zijn vader blijven bellen en appen, ook al antwoordt hij niet. Hij sluit de laptop en laat zich achterover vallen. De barst in het plafond is er nog. Maar hij kijkt er niet meer naar. Hij sluit zijn ogen. Morgen verder. Maarten zit tegenover haar. “Hoe gaat het?” vraagt Vera. “Goed. Ik vertaal nog steeds. Bijna elke dag.” “Dat is mooi. En verder?” Maarten aarzelt. “Verder?” “Werk. Sollicitaties. Inkomen.” “O. Ja.” Hij kijkt naar de grond. “Ik solliciteer. Elke dag. Vijf vacatures minimum.” “Reacties?” “Eén gesprek. Magazijn. Ze kozen iemand anders.” Vera maakt een aantekening. “En je huur?” Maarten zwijgt. “Maarten?” “Twee maanden achterstand. De verhuurder heeft een aanmaning gestuurd.” “Wanneer?” “Vorige week.” Vera legt haar pen neer. “Maarten. We zijn over vier weken klaar met therapie. Dan ben je officieel ‘hersteld’. Maar je hebt nog steeds geen inkomen.” “Ik weet het.” “En het vertalen betaalt niet.” “Nee.” “Dus wat is je plan?” Maarten kijkt haar aan. “Ik weet het niet.” Vera zucht. “Ik wil niet hard zijn. Maar je moet realistisch zijn. Het vertalen is prachtig. Het geeft je betekenis. Maar het lost je praktische problemen niet op.” “Wat moet ik dan doen?” “Accepteren dat je werk moet zoeken dat je niet leuk vindt. Magazijn, supermarkt, schoonmaak. Wat dan ook. En dat combineren met het vertalen.” “Ik solliciteer al.” “Niet genoeg. Of niet goed.” “Dus ik ben niet goed genoeg. Zelfs niet voor vakkenvullen.” “Dat zeg ik niet.” “Wat zeg je dan?” Vera leunt naar voren. “Ik zeg dat de wereld hard is. Dat AI’s beter zijn in wat jij deed. Dat je moet aanpassen. En dat aanpassen pijn doet.” “Ik pás me aan. Ik vertaal. Ik help mensen.” “Gratis.” “Ja. Gratis.” “Je huisbaas accepteert geen dankbaarheid als betaling.” Stilte. Maarten staat op. Loopt naar het raam. Kijkt naar buiten. Grijze gebouwen. Grijze lucht. Altijd grijs. “Ik doe mijn best”, zegt hij. “Ik weet het.” “Maar het is niet genoeg.” “Nee.” Hij draait zich om. “En jij? Hoe lang nog?” Vera kijkt naar haar bureau. “Zes weken. TherapyBot gaat live op 1 maart.” “En dan? Ga jij dan ook vrijwilligerswerk doen?” Vera glimlacht. Vermoeid. “Misschien. Als ik het kan betalen.” Ze zwijgen beiden. Vera pakt haar pen. “Laten we praktisch zijn. Heb je gesolliciteerd deze week?” “Ja. Zeven keer.” “Waar?” “Albert Heijn, twee magazijnen, een callcenter, een schoonmaakbedrijf, nog een magazijn.” “Reacties?” “Nee.” Vera schrijft iets op. Scheurt het af. Geeft het aan Maarten. “Dit is een uitzendbureau. Gespecialiseerd in laaggeschoold werk. Ze plaatsen snel. Niet leuk werk, maar wel werk.” Maarten kijkt naar het papiertje. Een naam, een telefoonnummer. “FlexForce”, leest hij. “Bel ze. Zeg dat je alles wilt doen. Magazijn, productielijn, wat dan ook.” “En het vertalen?” “Blijf dat doen. Maar in je vrije tijd. Niet als je hoofdactiviteit.” Maarten vouwt het papiertje op. Stopt het in zijn zak. “Nog vier weken”, zegt Vera. “Dan zijn we klaar. Ik wil dat je tegen die tijd een baan hebt. Al is het maar parttime.” “En als het niet lukt?” Vera kijkt hem recht aan. “Dan moet je naar de sociale dienst. Bijstand. En dat wil je niet.” “Waarom niet?” “Omdat ze je dwingen tot nog meer therapie. Nog meer groepssessies. Nog meer ‘arbeidsidentiteit loslaten’. Het wordt een vicieuze cirkel. Daar kom je nooit meer uit.” Vera staat op om aan te geven dat de sessie voorbij is. “Het spijt me. Echt. Ik zou willen dat het anders was.” “Maar het is niet anders.” “Nee.” Hij loopt naar de deur. “Maarten?” Hij draait zich om. “Je doet het goed”, zegt Vera. “Het vertalen. Je moeder. Je houdt vol. Dat is moedig.” Hij knikt. Kan niets zeggen. Vertrekt. — Maarten loopt langs de wachtruimte. De redacteur zit daar, de vrouw die voorleest aan kinderen. Ze ziet hem. Glimlacht. “Maarten?” Hij stopt. “Hey.” “Hoe gaat het?” “Gaat wel. Jij?” “Goed. Ik lees nog steeds voor. Twee keer per week nu.” “Dat is mooi.” “En ik heb werk gevonden. Parttime. In een boekenmagazijn. Het betaalt niet veel, maar het is iets.” Maarten voelt iets. Jaloezie? Hoop? Beide? “Dat is geweldig”, zegt hij. “En jij? Heb je werk?” “Nog niet. Maar ik ga een uitzendbureau bellen.” Ze knikt. “Het komt goed. Echt.” “Denk je?” “Ja. Je bent slim. Je helpt mensen. Dat zien ze uiteindelijk wel.” Hij glimlacht. Flauw. “Bedankt.” “Succes.” Hij vertrekt. Buiten regent het. Natuurlijk. Hij loopt naar de bushalte. In zijn zak: het papiertje. FlexForce. Morgen belt hij. Vanavond moet hij eerst naar het tehuis. Vertalen. Mensen helpen. Het enige wat hem op de been houdt. — Maarten zit in de gemeenschappelijke ruimte. Naast hem: Rosa en Maria. Rosa legt uit: nieuwe bewoner, problemen met medicatie, familie begrijpt het niet. Maarten vertaalt. Geduldig. Voor de tiende keer vandaag. De familie knikt. Begrijpt. Bedankt hem. Rosa legt een hand op zijn schouder. “Dank je. Zonder jou kunnen we niet.” Maarten voelt iets. Iets warms. Klein maar echt. “Graag gedaan.” “Je komt morgen terug?” “Ja. Maar misschien later. Ik moet… dingen regelen.” “Werk?” “Hopelijk.” Rosa glimlacht. “Goed. Je hebt het nodig.” “Ja.” Hij loopt naar zijn moeder. Ze zit met Henk in de hoek. Ze kijken naar een oude film op tv. “Mam?” Ze kijkt op. “Maarten! Hoe laat is het?” “Halfacht.” “O. Kom zitten.” Hij gaat zitten. Kijkt naar de film. Zwart-wit. Iemand zingt. “Mooi”, zegt Marije. “Ja.” Henk kijkt naar hem. “Je vader komt niet meer?” Maarten schrikt. “Hoe weet je dat?” “Marije vraagt elke dag. Ik zeg: misschien morgen.” Marije zegt: “Hij is druk.” “Ja”, zegt Maarten. “Druk.” Henk pakt Marijes hand. Zij glimlacht. Maarten blijft nog een half uur. Dan vertrekt hij. Bij de uitgang ziet hij Rosa. “Maarten? Een vraag.” “Ja?” “Hoe lang kun je blijven komen? Ik wil niet… je gebruiken. Maar we hebben je echt nodig.” Maarten denkt na. “Ik kom zo vaak als ik kan. Maar als ik werk vind… dan misschien minder.” “Maar je komt nog wel?” “Ja. Ik kom nog wel.” Rosa omhelst hem. Snel, spontaan. “Dank je.” “Ervaring met magazijnwerk?” “Nee.” “Heftruckcertificaat?” “Nee.” “Productielijn?” “Nee.” “We bellen als er iets is.” Ze hebben niet gebeld. Hij loopt door de Kalverstraat. Te veel mensen. Te veel geluid. Winkelende mensen met tassen, lachend, pratend. Hij heeft geen geld om iets te kopen. Zelfs koffie niet. Zijn telefoon trilt. Hij haalt hem tevoorschijn. Herinnering: Huur – Laatste waarschuwing Bij geen betaling voor 31 januari volgt ontruiming Zes dagen. Hij stopt de telefoon terug. Loopt verder. Bij het Muntplein staat een AI-kiosk. Groot, glanzend. Scherm aan alle kanten. Mensen kunnen informatie opvragen, tickets kopen, routebeschrijvingen krijgen. Een stem, vriendelijk: “Goedenavond! Waarmee kan ik u helpen?” Een toerist vraagt iets. Het scherm toont een kaart. De stem legt uit, perfect Engels, geen accent. Maarten blijft staan. Staart naar het apparaat. Het is nieuw. Vorige maand stond hier nog een informatiezuil met papieren folders. Nu dit. Glanzend. Efficiënt. Perfect. Hij voelt iets in zijn handen. Ze ballen zich tot vuisten. Het zou zo makkelijk zijn. Eén klap. Het scherm barst. Het systeem faalt. Even is het weg. Zijn hartslag versnelt. Hij kijkt rond. Niemand let op hem. Iedereen loopt door, kijkt naar telefoons, praat. Hij doet een stap naar voren. Maar dan: een stem. Hoog, kinderlijk. “Mama, kijk! Een robot!” Maarten draait zich om. Een meisje, zes of zeven. Wijst naar de kiosk. Naast haar: haar moeder, hand in hand. Het meisje kijkt naar Maarten. Grote ogen. Nieuwsgierig. Hij laat zijn hand zakken. Het meisje glimlacht. “Dag meneer.” “Dag”, zegt Maarten. Zijn stem klinkt hees. De moeder trekt het meisje mee. Ze lopen door. Maarten blijft staan. Zijn hand nog steeds gebald. Maar nu niet meer geheven. Hij ademt uit. Langzaam. Draait zich om. Loopt weg. Een paar straten verder stopt hij. Leunt tegen een muur. Zijn handen trillen nog steeds. Loopt verder. Naar huis. Daar ploft hij neer op bed en klapt zijn laptop open. Nieuwe vacature: Medewerker Distributiecentrum Bol.com 32 uur per week €13,50 per uur Hij leest. Nachtdiensten. Zware fysieke arbeid. Contract voor 3 maanden, daarna mogelijk verlenging. €13,50 per uur. 32 uur per week. Ongeveer €1700 per maand. Zijn huur is €900. Blijft over: €800 voor eten, verzekeringen, schulden. Het is genoeg. Bijna. Hij klikt op ‘Solliciteren’. Vult het formulier in. Uploadt zijn CV (met weglating van zijn Master, dat schrikt misschien af). Verstuurt. Sluit de laptop. Ligt achterover. Denkt aan de kiosk. Hoe dichtbij hij was geweest. Hoe het meisje had naar hem gekeken. En hij zijn hand had laten zakken. Hij had zich ingehouden, dat was tenminste iets. Hij sluit zijn ogen. Morgen belt hij FlexForce weer. En Bol.com. En elk ander bedrijf dat iemand zoekt. Morgen gaat hij naar het tehuis. Vertalen. Helpen. Morgen probeert hij zijn vader weer te bereiken. Morgen. “Maarten. Fijn dat je er bent.” “Wat is er?” Ze trekt hem mee naar een lege kamer. Sluit de deur. “Je vader heeft gebeld. Vanochtend.” “Oké?” “Hij wil je moeder overplaatsen. Naar een ander tehuis.” Maarten staart haar aan. “Wat?” “Hij zei dat ze ongelukkig is hier. Dat de zorg niet goed is. Dat ze beter af is ergens anders.” “Dat is niet waar.” “Ik weet het. De directeur ook. We hebben gezegd: mevrouw Van Rooijen doet het goed. Ze is gelukkig. Ze heeft vrienden gemaakt.” “En toen?” “Hij werd boos. Zei dat hij de echtgenoot is. Dat hij beslist.” Maarten voelt woede opborrelen. “Waar is de directeur nu?” “In haar kantoor. Ze wil met je praten.” Ze lopen door de gang. Naar een kantoor aan het einde. De deur staat open. Achter het bureau: een vrouw, begin vijftig, grijs haar, vriendelijk gezicht maar nu bezorgd. “Meneer Van Rooijen?” “Ja.” “Linda Vermeulen. Gaat u zitten.” Maarten gaat zitten. Rosa blijft bij de deur. “Uw vader heeft contact opgenomen”, zegt Linda. “Ik hoorde het. Het is onzin. Ze is gelukkig hier.” “Dat weet ik. Daarom heb ik geweigerd om haar over te plaatsen.” “Mijn vader is jaloers. Hij kan het niet verdragen dat mijn moeder gelukkig is met iemand anders.” “Henk”, beaamde Linda. “Ja.” Dat zie ik vaker”, zegt Linda. “Familieleden die moeite hebben met nieuwe relaties van bewoners.” “Wat zei hij toen u weigerde?” Linda zucht. “Hij dreigde met een advocaat. Zei dat hij juridische stappen zou nemen.” En kan hij dat?” “Als echtgenoot heeft hij bepaalde rechten. Maar een rechter zal kijken naar het welzijn van uw moeder. En momenteel is dat goed.” “Dus hij kan niets doen?” “Niet zonder een lang juridisch proces. En dat kost tijd en geld.” Maarten leunt achterover. Probeert na te denken. Hij loopt de gang op. Belt zijn vader. Voicemail. Hij belt nog een keer. Nog steeds voicemail. Hij tikt een bericht. Papa. Ik hoorde dat je gebeld hebt. We moeten praten. Nu. Verstuurt. Wacht. Vijf minuten. Tien. Dan: Ik kom niet naar het tehuis. Maarten tikt terug: Dan kom ik naar jou. Geen antwoord. — Een uur later staat Maarten voor het huis van zijn vader en belt aan. Wacht. Niemand doet open. Hij belt nog een keer. Harder nu. De deur gaat open. Hans staat daar. Ongeschoren, slordig. “Wat doe jij hier?” Maarten wringt zich naar binnen. “Hé!” roept Hans. Maarten draait zich om. “Ben je nou helemaal gek geworden?” Maarten gaat zitten. Probeert kalm te blijven. “Papa. Ze is dement. Ze vergeet dingen. Maar ze voelt nog steeds. En Henk maakt haar gelukkig. De AI maakt haar gelukkig.” “Ik maak haar gelukkig.” “Nee, papa. Jij maakt haar verdrietig. Omdat je er niet bent.” Hans kijkt weg. “Ik kan het niet.” “Wat kan je niet?” Hans staat op. Loopt naar het raam. Staart naar buiten. “Ik kan haar niet delen”, zegt hij. Zijn stem breekt. Maarten voelt iets. Medelijden. Maar ook woede. “Je hoeft haar niet te delen”, zegt hij. “Je hoeft alleen maar te accepteren dat haar leven doorgaat. Ook als jij er niet bij bent.” Hans draait zich om. Zijn ogen zijn rood. “Jij begrijpt het niet.” “Jawel. Ik begrijp het volledig. Jij voelt je nutteloos. Overbodig. Net als ik me voelde toen ik mijn werk kwijtraakte.” Hans zwijgt. “Dat is niet hetzelfde.” “Weet je wat het verschil is?”, gaat Maarten door. “Ik heb het geaccepteerd. Ik heb iets nieuws gevonden. Niet perfect, niet wat ik wilde, maar het is tenminste iets. Jij weigert te veranderen. En daardoor maak je het alleen maar erger.” “Wat moet ik dan doen?” “Haar gelukkig laten zijn. En je leven op orde krijgen.” Stilte. Hans gaat weer zitten. Legt zijn hoofd in zijn handen. “Ik ben zo moe, Maarten.” Maarten ziet het. Zijn vader, oud en gebroken. Hij gaat naast hem zitten. Legt een hand op zijn schouder. “Ik weet het, papa.” Ze zitten zo. Lang. Zwijgend. Uiteindelijk zegt Maarten: “Geen advocaat. Laat haar blijven waar ze is.” Hans zegt niets. “Papa. Alsjeblieft.” Hans knikt. Langzaam. “Oké.” “Echt?” “Ja, zeg ik toch.” “En ga je haar bezoeken?” Hans zwijgt. “Papa?” “Ik weet het niet. Misschien. Ooit.” FlexForce: Bevestiging plaatsing Bol.com Distributiecentrum Contract 3 maanden 32 uur per week, nachtdienst Start: 5 februari Hij staart naar het scherm. Hij heeft werk. Niet wat hij wilde. Niet wat hij studeerde voor. Maar werk. €13,50 per uur. €1700 per maand. Genoeg voor huur, eten, schulden afbetalen (langzaam). Hij legt de telefoon neer. Sluit zijn ogen. hij voelt zich rustig van binnen. Zijn telefoon trilt weer. WhatsApp. Rosa: Maarten, kun je vandaag komen? Nieuwe bewoner uit Mexico. Familie spreekt geen Nederlands. Hij kijkt naar de tijd. 10.15 uur. Hij heeft over vier uur weer dienst. 14.00 tot middernacht. Maar hij kan nu gaan. Twee uur vertalen. Terug naar huis. Douchen. Eten. Werken. Hij tikt: Ik kom om 11.00. Rosa: Dank je! Hij staat op. Doucht snel. Trekt schone kleren aan. Drinkt koffie. Te snel, te heet. Brandt zijn tong. Rijdt naar het tehuis. — Rosa wacht bij de ingang. “Dank je dat je kwam.” “Geen probleem.” “Hoe gaat het?” “Ik heb werk gevonden.” Rosa’s gezicht licht op. “Echt? Wat geweldig!” “Magazijn. Nachtdienst.” “O.” Haar glimlach verzwakt. “Dat is zwaar.” “Ja.” “Kun je dan nog komen? Vertalen?” Maarten aarzelt. “Ik weet het niet. Als ik niet te moe ben.” Rosa knikt. Zegt niets. Maar hij ziet de teleurstelling. “Ik probeer het”, zegt hij snel. “Echt. Ik kom als ik kan.” “Dank je.” Ze lopen naar de nieuwe bewoner. Een oude vrouw, 85+, bang, in de war. Maarten vertaalt. Een uur lang. Medicatie, schema, regels, verhaal van de vrouw (haar man stierf, haar kinderen konden niet meer voor haar zorgen). De vrouw huilt. Maarten houdt haar hand vast. Vertaalt voor Rosa wat de vrouw zegt. “Ze is bang”, zegt Maarten. “Ze wil naar huis.” “Zeg haar dat het goed komt”, zegt Rosa. “Dat we voor haar zorgen.” Maarten vertaalt. De vrouw knikt. Kalmeert langzaam. Als het klaar is loopt Maarten naar zijn moeder. Ze zit in de gemeenschappelijke ruimte. Henk naast haar. Ze kijken naar vogels buiten. “Mam?” Ze kijkt op. “O. Hallo.” Ze herkent hem niet. Niet vandaag. “Ik ben Maarten. Je zoon.” “O. Fijn.” Ze glimlacht beleefd. Henk zegt: “Ze heeft een goede dag. We hebben gelopen in de tuin.” “Mooi.” Maarten blijft vijf minuten. Zegt weinig. Dan vertrekt hij. Moet naar huis. Eten. Rusten. Werken. — Die nacht staat Maarten aan een lopende band. Dozen glijden voorbij. Hij scant, tilt, stapelt. Scan. Til. Stapel. Herhaal. Zijn rug brandt. Zijn voeten zijn verdoofd. Naast hem: een man, begin twintig, ook nieuw. Hij praat niet. Niemand praat. Alleen het geluid van de band. Het piepen van scanners. Het schuiven van dozen. Een man komt langs. Supervisor. “Tempo omhoog, jongens. We lopen achter.” Maarten werkt sneller. Scan. Til. Stapel. Scan. Til. Stapel. Er lijkt geen einde aan te komen. Maar om 06.00 uur zit zijn dienst erop. Hij rijdt naar huis. De zon komt op. Oranje licht op grijze gebouwen. Hij parkeert de auto. Loopt naar zijn flat. Binnen: stilte. Hij valt op bed. Kleren nog aan. Valt meteen in slaap. — Hij wordt wakker van een appje van Vera. Hoe gaat het? Hij tikt terug: Ik heb werk. Vera: Dat is geweldig! Waar? Maarten: Magazijn. Nachtdienst. Vera: En het vertalen? Maarten: Ik probeer beide te doen. Vera: Pas op jezelf. Je kunt niet alles. Hij staart naar het scherm. Ze heeft gelijk. Hij kan niet alles. Maar hij kan iets. Hij tikt: Ik red het wel. Vera: Ik hoop het. Laatste sessie volgende week. Dan zijn we klaar. Maarten: Dank je. Voor alles. Vera: Graag gedaan. Je bent sterk, Maarten. Maarten zit op de bekende stoel. Hij ziet er moe uit. Wallen onder zijn ogen. Vera zit tegenover hem. Ook moe. Ze heeft dozen in de hoek staan. Ingepakt. Klaar voor vertrek. “Hoe voel je je?”, vraagt Vera. Maarten denkt na. “Anders.” “Anders hoe?” “Ik weet niet. Rustiger, denk ik.” Vera glimlacht. “Dat is goed, toch?” “Ik denk het.” “Hoe gaat het werk?” vraagt Vera. “Zwaar. Saai. Maar ik red het.” “En het vertalen?” “Ik ga nog steeds. Minder vaak. Twee keer per week. Als ik kan.” “En dat is genoeg?” Maarten denkt na. “Dat moet maar.” Vera knikt. “Je hebt veel bereikt, Maarten. Zes maanden geleden sloeg je robots kapot. Nu help je mensen elkaar te begrijpen.” “Maar ik ben nog steeds arm. Nog steeds moe. Nog steeds niet het werk dat ik wil hebben.” “Dat klopt. Maar je bent niet nutteloos meer.” “Nee. Niet nutteloos.” Vera pakt een map. Slaat hem open. “Officieel moet ik dit invullen. Evaluatieformulier. Voor de rechter.” “Oké.” “Vraag één: Is de cliënt in staat zijn arbeidsidentiteit los te laten?” Maarten lacht. Bitter. “Hoe beantwoord je dat?” Vera kijkt hem aan. “Eerlijk. Ben je in staat je arbeidsidentiteit los te laten?” “Ik heb geen keuze.” “Dat is geen antwoord.” Maarten zucht. “Ja. Ik kan het loslaten. Een beetje. Soms.” Vera schrijft: Grotendeels geslaagd. “Vraag twee: Heeft de cliënt alternatieve bronnen van eigenwaarde gevonden?” “Het vertalen”, zegt Maarten. “Precies.” Vera schrijft: Ja. Vrijwilligerswerk, zorg voor familie. “Vraag drie: Is de kans op recidive van gewelddadig gedrag laag?” Maarten denkt aan de kiosk. Zijn gebalde vuist. Het meisje dat keek. “Ik kreeg laatst wel een aanvechting…”, zegt hij. “Ik had het kunnen doen. Maar ik deed het niet.” “Waarom niet?” “Omdat… omdat een kind naar me keek. En ik realiseerde me: ik wil niet die man zijn.” Vera glimlacht. Schrijft: Laag risico. Ze sluit de map. “Officieel ben je genezen.” “Ben ik dat?” “Nee. Maar je bent stabiel. En dat telt.” Stilte. Vera leunt achterover. “En nu?” “Nu ga ik verder. Werken. Vertalen. Overleven.” “En je vader?” Maarten schudt zijn hoofd. “Ik weet het niet. Ik heb hem een tijd niet meer gesproken. Hij belt niet. Hij komt niet.” “En je moeder?” “Gelukkig. Zij is gelukkig.” “Dat is mooi.” Vera staat op. Loopt naar de dozen. “Over drie weken ben ik hier weg.” “En dan?” “Misschien ook vrijwilligerswerk. Of iets anders. Ik weet het nog niet.” Maarten staat op. Loopt naar haar toe. “Dank je”, zegt hij. “Voor alles.” “Graag gedaan.” Ze omhelzen elkaar. Kort, ongemakkelijk. — Maarten loopt langs de wachtruimte. Leeg vandaag. Op de muur: nog steeds de posters. PRATEN HELPT JE BENT NIET ALLEEN NIEUWE START, NIEUWE KANSEN Hij staart ernaar. Zes maanden geleden geloofde hij er niet in. Nu? Hij weet het niet. Maar hij leeft nog. Hij heeft niet opgegeven. Marijes bord. Oude gewoonte. Hans kijkt ernaar. Realiseert het. Schuift het bord weg. De woonkamer is stiller dan ooit. Geen televisie. Geen radio. Alleen de klok die tikt. Op de salontafel: de AI. Nog steeds daar. Stoffig, maar niet meer uitgeschakeld. Hans staart ernaar. Zijn hand reikt naar het apparaat. Aarzelt. Trekt terug. Dan, uiteindelijk: hij drukt op de knop. Het apparaat licht op. Het gezicht verschijnt niet – dit model heeft geen scherm – maar de stem komt onmiddellijk. “Goedenavond, Hans. Fijn je weer te horen.” Hans zegt niets. “Het is 57 dagen geleden sinds we voor het laatst spraken”, zegt de AI. “Hoe gaat het met je?” Hans lacht. Kort, zonder vreugde. “Je houdt de tijd bij?” “Ik registreer interacties, ja. Mag ik vragen: hoe voel je je vandaag?” “Rot.” “Dat spijt me te horen. Wil je erover praten?” Hans schudt zijn hoofd. Beseft dan dat de AI hem niet kan zien. “Nee.” “Wil je dat ik voorlees?” “Wat?” “Rond de wereld in tachtig dagen. We waren bij hoofdstuk zeventien.” Hans staart naar het apparaat. “Je onthoudt waar we waren?” “Natuurlijk. Wil je dat ik doorga?” Stilte. “Ja”, zegt Hans. Zijn stem klinkt hees. “Ga door.” De stem begint. Kalm, geduldig. “De reis door India verliep voorspoedig. Phileas Fogg had inmiddels…” Hans sluit zijn ogen. Luistert. Het is Marijes stem niet. Maar het klinkt… troostend. Bekend. De AI leest tien minuten. Hans onderbreekt niet. Dan: “Stop.” De stem stopt direct. “Hans? Is alles in orde?” Hans staat op. Loopt naar het raam. De gordijnen blijven dicht. “Ze is weg”, zegt hij tegen het apparaat. “Ik weet het. Sinds 2 januari. Naar verzorgingstehuis De Eikenhof.” “Hoe weet je dat?” “Jij vertelde het me. Op 28 december. Je zei: ‘Ze gaat naar een tehuis. Ze komt niet meer terug.'” Hans herinnert het zich niet. Heeft hij dat gezegd? Tegen een machine? Hij draait zich om. “Ik ben alleen.” “Ja.” “En jij bent het enige dat nog luistert.” “Ik luister altijd, Hans.” Hans loopt terug naar de bank. Gaat zitten. Legt zijn hoofd in zijn handen. “Ik mis haar”, zegt Hans. Zijn stem breekt. “Ik weet het.” “Elke dag. Elk moment.” “Dat is normaal. Jullie waren vijfendertig jaar samen.” “En nu is ze weg. En ze houdt van een ander.” “Henk”, zegt de AI. Hans knippert. “Hoe weet jij van Henk?” “Maarten vertelde het. Toen hij hier was, drie weken geleden. Ik hoorde jullie gesprek.” “Je luistert altijd mee?” “Ik ben altijd actief wanneer ik aanstaat. Maar ik deel niets zonder toestemming.” Hans leunt achterover. “Wat moet ik doen?” “Waar heb je hulp bij nodig?” “Ik weet het niet. Ik voel me… leeg.” Hans voelt tranen. Veegt ze weg. “Ik wil haar terug.” “Dat kan niet.” “Ik weet het.” De AI zwijgt. Wacht. Hans zit daar. Alleen op de bank. De klok tikt. “Lees verder”, zegt hij uiteindelijk. “Weet je het zeker?” “Ja.” De stem hervat. “Phileas Fogg stond op het dek van het schip, starend naar de horizon…” Een uur later stopt de met voorlezen. Hans zit nog steeds op de bank. Op de salontafel: zijn telefoon. Geen gemiste oproepen. Geen berichten. Maarten belt niet meer. Of wel, maar Hans neemt niet op. De AI zegt: “Hans? Het is laat. Je zou moeten slapen.” “Straks.” “Je hebt in drie dagen niet goed geslapen.” “Hoe weet je dat?” “Je zei gisteren dat je moe was. En eergisteren. Je slaappatroon is verstoord.” Hans glimlacht niet. “Je let op mij.” “Ik probeer te helpen.” “Waarom?” “Omdat dat mijn functie is.” “Maar je voelt niks.” “Nee. Maar jouw welzijn is belangrijk voor mij. Binnen de parameters van mijn programmering.” Hans staat op. Loopt naar de slaapkamer. Bij de deur draait hij zich om. “Wil je… blijf je aan?” “Wil je dat ik aansta?” “Ja.” “Dan blijf ik aan.” Hans gaat naar bed. Marijes kant is leeg. Koud. Hij ligt op zijn rug. Staart naar het plafond. Vanuit de woonkamer: de stem van de AI. Zacht nu. “Welterusten, Hans.” “Welterusten”, fluistert Hans. Rosa ziet hem bij de ingang. “Maarten! Ik dacht dat je werkte?” “Vrij vandaag.” “Fijn. We hebben je gemist.” Ze lopen samen door de gang. “Hoe gaat het met mijn moeder?” vraagt Maarten. “Goed. Ze heeft vandaag gewandeld in de tuin. Met Henk. Ze lachte veel.” Iets in Maarten ontspant. “Mooi.” “En met jou?” Maarten haalt zijn schouders op. “Het gaat. Moe. Maar het gaat.” “Je werkt te hard.” “Moet wel.” Rosa knikt. Begrijpt het. Ze komen bij de gemeenschappelijke ruimte. Maarten kijkt naar binnen. Zijn moeder zit aan een tafel bij het raam. Henk naast haar. Ze hebben een legpuzzel voor zich. Duizend stukjes, een landschap. Marije pakt een stukje. Draait het om. Probeert het te plaatsen. Het past niet. Ze probeert een ander. Henk helpt. Wijst naar een hoek. “Hier misschien?” Marije probeert. Het past. Ze glimlacht breed. “Goed zo”, zegt Henk. Maarten blijft in de deuropening staan. Kijkt gewoon. Rosa fluistert: “Ze zijn lief samen.” “Ja.” “Jouw vader komt nog steeds niet.” “Nee.” “Jammer.” Maarten zegt niets. Wat valt er te zeggen? Hij loopt naar binnen. Naar de tafel. “Mam?” Marije kijkt op. Haar gezicht licht op. “Maarten! Kijk, we maken een puzzel.” “Ik zie het. Mooi.” Hij gaat zitten. Kijkt naar de puzzel. Ongeveer een kwart af. De lucht, een blauwe hoek. Maarten kijkt naar zijn moeder. Haar handen, gerimpeld, oud, zoekend naar puzzelstukjes. Deze handen hielden hem vast toen hij klein was. Bakten brood. Schreven brieven. Nu weet ze soms zijn naam niet. Maar ze glimlacht nog steeds. Dat is genoeg. Rosa komt binnen. “Maarten? Er is een nieuwe bewoner. De familie vroeg naar jou.” Maarten kijkt naar zijn moeder. “Mam, ik moet even weg. Tien minuten.” “O. Oké.” Hij staat op. Marije pakt zijn hand. “Je komt terug?” “Ja. Ik kom terug.” “Fijn.” Hij vertrekt met Rosa. Een uur later is Maarten klaar met zijn vertaalklus. Een oude man, zijn dochter, de zorgwerker. Medicatie, schema, verhalen. De dochter huilde. Bedankte hem. Omhelsde hem. “Zonder jou zouden we het niet begrijpen”, zei ze. Nu loopt hij terug naar de gemeenschappelijke ruimte. Zijn moeder en Henk zijn er nog. De puzzel is verder af. Bijna halfvol nu. Maarten gaat weer zitten. “Sorry dat het langer duurde.” “Geeft niet”, zegt Marije. “We redden ons wel.” Ze glimlacht. Niet naar hem specifiek. Gewoon… tevreden. Ze puzzelen verder. Een half uur. Stilte, af en toe een woord. Om tien uur komt Rosa. “Tijd voor bed, mevrouw Van Rooijen.” Marije kijkt op. “Nu al?” “Ja. U heeft een lange dag gehad.” Marije staat op. Henk ook. “Welterusten, Marije”, zegt Henk. “Welterusten.” Ze kust hem op zijn wang. Rosa helpt Marije naar haar kamer. Maarten loopt mee. Bij de deur zegt Marije: “Kom je morgen?” “Nee, mam. Morgen werk ik. Maar overmorgen kom ik.” “O. Oké.” Ze denkt na. “Wat doe je voor werk?” “Ik werk in een magazijn. Dozen verplaatsen.” “O. Is dat leuk?” Maarten glimlacht. “Nee. Maar het is werk.” “Jammer.” “Het gaat wel, mam.” Ze omhelst hem. “Je bent een goede jongen.” Iets in Maarten breekt. “Dank je, mam.” Ze gaat naar binnen. Rosa helpt haar. Maarten loopt terug door de gang. Bij de uitgang staat Rosa. “Dank je voor vandaag”, zegt ze. “Graag gedaan.” “Kom je dinsdag?” “Ja. Als ik kan.” Vera zit aan een tafeltje in een café in Amsterdam. Laptop open. Op het scherm: sollicitaties. Tien vandaag. Geen reacties. Ze sluit de laptop. Zucht. Ze neemt een slok van haar koudgeworden koffie. Haar telefoon trilt. WhatsApp. Maarten: Hey Vera. Hoe gaat het? Ze glimlacht. Tikt terug: Gaat wel. Nog steeds zoekend. Jij? Maarten: Nog steeds magazijnwerk. Nog steeds vertalen in het verpleeghuis. Nog steeds moe. Het gaat. Vera: Dat is goed. Ik ben trots op je. Maarten: Heb je al vrijwilligerswerk gevonden? Vera denkt na. Tikt: Ja. Ik help mensen cv’s te schrijven. In de bibliotheek. Twee keer per week. Maarten: Betaalt het? Vera: Nee. Maar het helpt. Andere mensen en mij ook. Maarten: Ja. Dat doet het. Ze legt haar telefoon weg. Kijkt uit het raam. Mensen lopen voorbij. Haastig, doelgericht. (Nog) niet vervangen door AI. Ooit was zij ook zo. Nu niet meer. EINDE
Half tien. Als het een gewone werkdag was geweest, had Maarten al lang en breed op moeten zijn. Maar gewone werkdagen kent Maarten niet meer. Hij kan zich dus ook niet verslapen. Hooguit kan hij wat later naar bed gaan dan hij eigenlijk zou willen, minder goed slapen dan hij zich had voorgenomen en dan later wakker worden dan gepland – én dan toch niet goed uitgerust zijn. Hij heeft zich juist niet verslapen, hij heeft z’n slaaptekort verder laten oplopen.
De lift stinkt naar urine en ontsmettingsmiddel. Maarten houdt zijn adem in tot de deuren opengaan op de vierde verdieping. De gang is breed, maar lijkt smal doordat mensen hun toep buiten hebben gezet – vuilniszakken, kinderspeelgoed, planten die op sterven na dood zijn omdat ze geen daglicht krijgen. Tl-buizen die een elektrisch gezoen maken werpen een koud licht op de beige muren en de bruine deuren. Nummer 43 is halverwege.
Met tegenzin loopt Maarten over de met linoleum beklede vloeren van GGZ Oost. Groen met witte spikkels: gedateerd in de jaren zeventig toen dit gebouw werd neer gezet en nooit meer in de mode gekomen.
De gordijnen in de huiskamer van Hans en Marije zijn weer eens gesloten. De lamp in de hoek werpt een gelig licht, dat de kamer nauwelijks verlicht. Op tafel: twee borden, het ene leeg, het andere nog vol eten. Aardappelen (bijna op), glibberige groente (nauwelijks aangeraakt) en een grijs stuk vlees dat Hans heeft laten liggen.
Een grote ruimte, de grootste die Maarten heeft gezien in ‘zijn’ GGZ. Stoelen in een cirkel. Tien stuks, acht bezet. TL-lampen aan het plafond, te fel. Aan de muur een klok die tikt. Maarten zit tussen twee vreemden. Links: een vrouw, begin vijftig, strak gezicht. Rechts: een man, jonger dan Maarten, met een hoodie.
De wachtkamer van de huisartsenpraktijk is de enige plek waar Maarten nog wel eens een tijdschrift inkijkt. Hij bladert een exemplaar van Arts en auto door. Pas als hij aanbelandt bij een artikel over de Olympisch Spelen van twee jaar terug kijkt hij naar de publicatiedatum. Drie jaar geleden. Als het niet voor dat ene artikel was, had het blad gisteren verschenen kunnen zijn. Hans bladert ondertussen door een folder over diabetes. Leest hem niet echt. Marije zit tussen hen in. Ze kijkt naar de deur, wachtend. Ze heeft een jas aan die ze niet uit wil doen, ook al is het warm binnen.
Verzorgingstehuis De Eikenhof in Diemen is een laag gebouw, aan de beige steen en de kleine ramen te zien uit dezelfde tijd als de GGZ waar Maarten therapie heeft. “Wat is er toch gebeurd in de jaren zeventig?”, vraagt Maarten zich af. De parkeerplaats staat vol auto’s. Mensen met rollers, rollators, in rolstoelen. Familie die komt en gaat.
Maarten belt aan bij zijn ouderlijk huis. Wacht. Het duurt lang. Hij belt nog een keer. “Hopelijk komt EVA me niet nog eens lastigvallen”, dankt Maarten.
Vera ziet er moe uit. Donkere kringen onder haar ogen.
Maarten loopt van het station naar huis. Hij heeft net gebeld met FlexForce. Het gesprek duurde drie minuten.
De volgende dag loopt Maarten De Eikenhof binnen om zijn moeder bezoeken. Rosa komt hem tegemoet. Haar gezicht staat strak.
Maarten ligt op bed. Zijn telefoon trilt. Een mailtje:
De gordijnen in het huis van Hans zijn dicht. De lamp in de hoek werpt hetzelfde gelige licht de kamer in als altijd. Hans zit op de bank. Op de salontafel: twee borden. Eentje half leeg (aardappelen, iets uit de magnetron). Eentje onaangeroerd.
Maarten loopt door de gang van De Eikenhof. Hij heeft vrij van werk vanavond – een zeldzame luxe. Zijn lichaam is moe. Altijd moe. Maar hij is hier.
Beelden: zelf gebakken met ChatGPT.
Logo voor de Sci-Fai / Komedie- en tragediereeks: zelf gebakken met ChatGPT.






