Ecce Homo: de filosofie van Karlsson op het dak

Ecce Homo: de filosofie van Karlsson op het dak

In de reeks ‘Intelligente boeken om te lezen tijdens een al dan niet intelligente lockdown’: Ecce Homo van Friedrich Nietzsche.

Ecce Homo (ondertitel: ‘Hoe iemand wordt wat hij is’) is geen autobiografie.

Zo noemt Friedrich Nietzsche het wel, maar over zijn leven komt de lezer bitter weinig te weten. Geen uitgebreide persoonlijke herinneringen in elk geval, slechts hier en daar een Baron von Münchhausen-achtige anekdote: “Een dokter die mij geruime tijd als zenuwpatiënt behandeld heeft, zei uiteindelijk: ‘Nee! aan uw zenuwen ligt ’t niet, ik zelf ben degene die nerveus is.’ “

Zijn jeugd komt kort (niet krachtig) aan de orde. Over zijn vader komen we niet veel meer te weten dat dat hij stierf toen hij zesendertig was. En dat hij ‘zachtmoedig, beminnelijk en ziekelijk was, een wezen dat slechts bestemd leek om voorbij te gaan, – eerder een milde herinnering aan het leven dan het leven zelf.’ En zijn moeder? Of zijn zuster? ‘Als ik de diepste tegenstelling tot mezelf zoek, de onuitroeibare laagheid van de instincten, dan vind ik altijd mijn moeder en zuster, – mezelf met zulk canaille verwant te achten zou een belastering zijn van mijn goddelijkheid.’

Inderdaad: Nietzsche heeft het over ‘mijn goddelijkheid’. Zo weinig als hij loslaat over wat hij in het leven heeft meegemaakt en wie hij heeft gekend, zo breedsprakig is hij waar hij het heeft over zichzelf en zijn voortreffelijke eigenschappen. “In mijn geschriften is een psycholoog aan het woord die zijns gelijke niet kent”, roept hij.  Aldus Sprak Zarathoestra zou een werk zijn dat in ‘een azuren eenzaamheid leeft’; ‘een Goethe, een Shakespeare zou geen ogenblik op de hoogte van deze ontzaglijke hartstocht kunnen ademhalen’ en ‘Dante is vergeleken met Zarathoestra, enkel een gelovige en niet iemand die de waarheid eerst schept’.

Leukdoenerij

Dit gebral roept de vraag op of Ecce Homo een komisch of juist een tragisch boek is. Vooral het laatste, vrees ik.

Nietzsche mikte met al die provocerende grootspraak vermoedelijk op de lach. Waarom zou hij anders hoofdstukken titels meegeven als Waarom ik zo wijs ben, Waarom ik zo knap ben en Waarom ik zulke goede boeken schrijf? Alleen iemand die niet goed bij z’n hoofd doet zoiets in alle ernst – en Nietzsche was nog een paar maanden verwijderd van krankzinnigheid toen hij Ecce Homo schreef. Niet gek, niet megalomaan, hooguit wat excentriek en door jaren van eenzaamheid vervreemd van zijn tijdgenoten.

Maar diezelfde eenzaamheid klinkt in het hele boek door, en dat maakt het een behoorlijk tragisch werk – zie ik nu, nu ik het voor het eerst in jaren herlezen heb.

Te midden van alle leukdoenerij en grootspraak staat een zinnetje waarin Nietzsche het heeft over zijn eenzaamheid: ‘adequaat gezelschap: dat ontbreekt nu evenzeer als het altijd ontbrak’. Hij probeert dat ontbreken van adequaat gezelschap te bagatelliseren: het kan hem niet beletten ‘levenslustig en vol goede moed’ te zijn, schrijft hij. Met dat soort uitlatingen onderstreept hij zijn tragiek alleen maar. Het is alsof hij zijn wanhoop als een soort Karlsson op het dak probeert te overschreeuwen, maar deze daardoor juist accentueert. Je zou bijna medelijden met hem krijgen, als dat niet zo vloekte met alles waar de stoerdoenerige Nietzsche voor staat.

Eenzelfde ongemakkelijke gevoel roept deze passage op: “Hoe zou ik niet voor mijn hele leven dankbaar zijn? En zo vertel ik mezelf mijn leven”, zegt hij. Ja, zo is  het: ‘mezelf’. Friedrich Nietzche schreef voor Friedrich Nietzsche. Hoe hard hij ook schreeuwde, vrijwel niemand luisterde behalve hij zelf; vrijwel niemand die interesse had in de memoires van een pas 45-jarige amateurfilosoof.

Dat wist hij uiteraard zelf ook. En weer probeerde hij zichzelf moed in te praten: ‘sommigen worden postuum geboren’ tenslotte, en waarom zou dat niet voor hem gelden? Je gunt het hem, maar je gelooft niet dat hij werkelijk overtuigd is van zijn eigen woorden. (Des te bijzonderder dat hij inderdaad ‘postuum is geboren’, gezien zijn invloed die hij na zijn dood zou hebben. Zoals het ook bijzonder is dat hij zijn oeuvre juist met dit boek afsloot, alsof hij voorvoelde dat hij daarna nooit meer iets zou schrijven – onzin natuurlijk, maar toch).

Zinnen als vishaken

Komisch is Ecce Homo kortom niet zo, tragisch des te meer.

Is het ook een goed boek? Nou en of. Ik vond het tenminste geweldig om het weer te lezen. Niet dat er iets in staat dat Nietzsche al eens vaker heeft gezegd. In Ecce Homo zet Nietzsche bespreekt hij kort elk eerder verschenen boek van zijn hand en zet hij nog één laatste keer zijn levensvisie op papier (dat heeft het boek dan toch  wel met andere autobiografieën gemeen). Maar wat is hij weer goed op dreef in die onnavolgbare aforistische stijl van hem en zijn zinnen als ‘vishaken’ (zijn omschrijving) waar je als lezer keer aan keer blijft hangen:

“Dwaling (– het geloof aan ’t ideaal –) is geen blindheid, dwaling is lafheid.”

“De mens met inzicht moet niet alleen zijn vijanden liefhebben, hij moet ook zijn vrienden kunnen haten.”

“Je beloont een leraar slecht door altijd maar zijn leerling te blijven.”

Die aforistische stijl maakt het misschien moeilijk het betoog te volgen, en de vele gedachtestreepjes, cursief gedrukte woorden, accenten, uitroeptekens en andere eigenaardigheid maken het er niet makkelijker op. Maar echt erg is dat niet, zeker niet nu Nietzsches gedachtegoed door rappers (Kanye West) wordt uitdragen en op koffiemokken is terug te vinden.

Vampiermoraal

We weten het inmiddels wel, al die jaren na Nietzsche ‘postume geboorte’ aan het einde van de 19e eeuw, waarna hij zich ontwikkelde tot filosofische superster.

Kort gezegd: het leven heeft geen zin, maar we kunnen er misschien wel zin aan geven. Want: 

De vrijheid om ons eigen leven ter hand te nemen is in de moderne samenleving in elk geval veel groter dan vroeger, toen het geloof in christelijke idealen nog onbedreigd was. Wat dat betreft is er dus geen beletsel.

Aan de andere kant: nu dat geloof zo goed als verdwenen is (‘God is dood’, tenslotte) bestaat ook het risico dat die vrijheid verkeerd valt. Christelijke idealen mogen dan – zoals alle idealen – leugens zijn; deugden als medelijden en naastenliefde en het geloof in het hiernamaals mogen de mens dan klein houden; het christendom mag dan een wangedrocht zijn dat onder ‘het heilige voorwendsel de mensheid te ‘verbeteren’ listig probeert ‘het leven zelf uit te zuigen, bloedarm te maken’ – een ‘moraal als vampirisme’, kortom. Maar toch: diezelfde leugens en listen bieden ook geborgenheid, en diezelfde vampiermoraal geeft ook richting.

Het valt niet mee te leven zonder leugens die de harde, zinloze werkelijkheid te verdoezelen. Het gevaar bestaat dat mensen overweldigd worden door de zinloosheid van het bestaan, en niet uit hun leven halen wat erin zit maar juist als ‘nihilisten’ geen enkele poging doen te ‘worden wie ze zijn’. We moeten leren omgaan met de waarheid om heer en meester te worden over ons eigen bestaan. Niet eenvoudig, maar we kunnen ons wellicht in die levenskunst bekwamen. En met Nietzsche zeggen: “Wat me niet doodt, maakt me sterker.”

Ook al geloven we daar misschien net zo min in als Nietzsche toen hij Ecce Homo schreef.

Beeld: Baron von Münchhausen, via Flickr.com

Citaten uit Ecce Homo (de vertaling van Pé Hawinkels en Paul Beers uit 2011).

Deel:

Geef een antwoord