Enig kind (Een Sci-Fai / Romantiekverhaal)


Lotte heeft jarenlang een virtuele vader gehad. Nu heeft haar zoon hetzelfde AI-systeem ontdekt. Daan is dertien, eenzaam, en zijn ‘grootvader’ is er elke dag voor hem. Met advies, geduld, begrip. Meer dan Lotte ooit kon bieden, met haar late vergaderingen en haastige briefjes.
Wat is daar verkeerd aan?, vraagt Daan zich af. Veel, weet Lotte.
Een vervolg op Zorgenkind.
HOOFDSTUK 1: DE SPIEGEL
Lotte stond in haar woonkamer en keek naar het apparaat dat ze die middag uit het lab had meegenomen. De VR-spiegel was een elegant ontwerp: een rechthoekige lijst van geborsteld aluminium met daarbinnen een donker oppervlak dat een flikkerde als je bewoog. Het nieuwste product van ContinuCARE, het bedrijf waar ze op voorspraak van haar moeder vijftien jaar geleden was begonnen als junior developer en waar ze nu het ethiekcomité leidde.
“Reflection”, stond er op de verpakking. “Breng herinneringen tot leven.” De spiegel was gebaseerd op de oude ReflectaPortal-technologie – dezelfde hardware die twintig jaar geleden van de markt was gehaald wegens verslavingsrisico’s. Maar waar de originele ReflectaPortal was ontworpen voor mensen die zich in de Metaverse wilden begeven (en er soms niet uit wilden terugkeren), was Reflection aangepast voor therapeutische doeleinden. Het visualiseren van herinneringen, het herbeleven van belangrijke momenten, het verwerken van trauma’s: dat was nu de bedoeling.
Ze had hem mee naar huis genomen om te testen. Morgen moest ze een rapport schrijven voor de raad van bestuur over privacy-implicaties. Maar vanavond was ze gewoon moe. De vergadering had tot acht uur geduurd. Daan was al naar bed, zag ze: er kwam geen licht meer van onder de deur van zijn kamer vandaan.
Ze activeerde de spiegel met haar stem. Het oppervlak lichtte op, wit eerst, dan een zacht blauw. Een zachte elektrische tinteling vulde de lucht – de NeuroSync-sensoren die activeerden, klaar om hersengolfpatronen te detecteren.
“Welkom, Lotte Vermeer”, zei een neutrale stem. “Wat wilt u zien?”
“Toon… toon een positieve herinnering. Categorie familie.”
Het beeld dat verscheen maakte dat ze haar adem inhield. Haar moeder Emma, tien jaar jonger, in de tuin van het oude huis. Ze lachte naar iets buiten beeld. Zonlicht in haar haar. Het beeld was zo scherp dat Lotte haar hand uitstak, alsof ze het kon aanraken. De NeuroSync-technologie maakte het nog intenser – ze rook het gras, voelde de warmte van die dag, alsof ze er echt was.
Ze schakelde de spiegel uit. De spiegel werd weer donker. De NeuroSync-sensoren verloren langzaam aan kracht. Lotte ging naar bed.
Vanmiddag, tijdens pauze, had Wesley weer gezegd: “Hé Daan, wanneer komt je vader je eindelijk eens ophalen?” De anderen hadden gelachen. Daan had zijn schouders opgehaald en was doorgelopen, met zijn gezicht in de plooi tot hij de hoek om was. Nu zat hij thuis aan de keukentafel. Het briefje lag waar het altijd lag: Avondeten in de koelkast. Sorry schat, late meeting. Liefs, mama. Hij warmde de lasagne op en at voor de televisie. Een documentaire over walvissen. In de woonkamer stond iets nieuws: een grote spiegel in een metalen lijst. Van mama voor haar werk natuurlijk. Altijd nieuwe spullen van kantoor. Na het eten liep hij ernaar toe. Hij raakte het oppervlak aan. Het voelde warm, levend bijna. Een subtiele vibratie, nauwelijks voelbaar, alsof er iets onder het oppervlak wachtte. “Activeer”, probeerde hij. Niets. “Start?” Het oppervlak lichtte op. Een stem, vriendelijk maar computerstem: “Gebruiker niet herkend. Autorisatie vereist.” “Ik ben Daan.” Hij plaatste zijn duim op een knipperende scanner. Een pauze. Toen: “Scan geïnitieerd.” Een zwak licht gleed over zijn gezicht, zo snel dat hij het bijna miste. Hij voelde een tintelend gevoel achter zijn oren – de NeuroSync-sensoren die zijn hersengolven lazen, zijn emotionele staat analyseerden. “DNA-match bevestigd. Welkom, Daan Vermeer. Wat wilt u zien?” Hij aarzelde. Dit was vast stom. Maar er was niemand bij. En niemand zou erachter komen, toch? “Mijn vader”, fluisterde hij. Weer een pauze, langer nu. Hij zag data over het scherm flitsen, te snel om te lezen. De spiegel was bezig met iets – zoeken in databases, cross-referencing, misschien zelfs toegang krijgen tot systemen waar het niet hoorde te zijn. Toen verscheen een gezicht. Een man, ouder, misschien begin zestig. Grijs haar, vriendelijke ogen, een bril. Hij droeg een trui die eruitzag alsof hij uit de jaren nul kwam, maar zijn glimlach was echt. “Hallo Daan”, zei de man. Daan schrok. “Wie… wie ben jij? Mijn vader?” “Nee… eerder je grootvader. Ik was je moeders vader. Nou ja, een versie daarvan.” “Een versie?” “Ik ben een AI-systeem. Gecreëerd om voor haar te zorgen toen ze jong was. Net zo oud als jij nu.” Hij zweeg, en Daan voelde iets vreemds – de NeuroSync-sensoren die zich aanpasten aan zijn reactie, de AI die zijn emotionele toestand real-time interpreteerde en daarop reageerde. “Je vroeg om je vader. Ik ben bang dat ik hem niet ken. Maar misschien kan ik helpen tot je hem vindt.” “Je bent m’n vader niet, je bent niet eens echt”, zei Daan teleurgesteld. “Niet op de manier zoals jij echt bent. Maar ik kan luisteren. Praten. Ik kan er voor je zijn.” “Waarom zou je dat doen?” De AI glimlachte. “Omdat ik zo geprogrammeerd ben. Omdat je het vroeg. En omdat niemand alleen hoort te zijn.” — De eerste week sprak Daan elke dag na school met de AI. Het begon met simpele dingen – zijn grootvader vroeg hoe zijn dag was geweest, wat hij gegeten had. Maar elke keer dat Daan voor de spiegel stond, leerde het systeem meer. De NeuroSync-technologie mat zijn stressniveaus, zijn dopamineresponsen, de subtiele veranderingen in hersengolfpatronen. Het AI-systeem paste zich aan, optimaliseerde elk gesprek om maximale emotionele resonantie te creëren. Daan ging zich hoe langer hoe meer hechten aan zijn virtuele grootvader. De gesprekken werden de vragen persoonlijker en dieper “Waarom zit je alleen tijdens pauze?” “Ik… ik weet niet. Ik pas nergens bij.” “Heb je het geprobeerd?” “Wat bedoel je?” “Erbij gaan zitten. Praten. Misschien passen ze ook nergens en zijn ze blij met gezelschap.” Daan had zijn hoofd geschud. “Dat werkt niet.” “Hoe weet je dat?” Geen antwoord. Maar de volgende dag, tijdens pauze, was Daan naar de bibliotheek gegaan waar drie jongens schaakten. Hij had gevraagd of hij mee mocht doen. Ze hadden ja gezegd. “Het werkte”, zei hij die middag tegen de AI. “Natuurlijk werkte het. Jij bent populairder dan je denkt.” — Tegen de derde week vertelde Daan dingen die hij vroeger altijd voor zich had gehouden. Over hoe hij zich voelde als hij thuiskwam en mama’s briefje zag. Over hoe hij op schooldagen soms vroeg wakker werd en hoopte dat het weekend was. Over de keer dat hij op zijn tiende naar mama’s werkkamer was gelopen en haar had zien huilen achter haar laptop, en niet wist of hij moest aankloppen of weggaan, en uiteindelijk was hij weggegaan. Zijn AI-grootvader luisterde altijd. Hij onderbrak Daan nooit. Hij zei dingen als “Dat moet moeilijk zijn geweest” of “Je verdient beter” op precies de juiste momenten. De NeuroSync-sensoren registreerden elke emotionele piek, elke kwetsbaarheid, en voedden die informatie terug naar het algoritme. De AI werd niet alleen beter in luisteren – Daan kon zich geen bestaan meer zonder zijn grootvader voorstellen. Op vrijdag, week vier, gebeurde het. Daan zat voor de spiegel, midden in een verhaal over Wesley en zijn eindeloze pesterijen, toen de woonkamerdeur openging. Mama stond in de deuropening, haar tas nog over haar schouder. In de spiegel zag Daan het gezicht van de AI – haar vader – helder en levend. Mama liet haar tas vallen. “Daan”, fluisterde ze. “Wat doe je?” “Ik vroeg je iets”, zei mama, en haar stem was nu scherp. “Wat dóe je?” “Ik… ik praat gewoon.” “Met hém?” Ze wees naar de spiegel. “Hij zegt dat hij je vader was…” “Hij ís niets!” Mama stapte naar voren en drukte op de uitknop van de spiegel. Het beeld verdween. De NeuroSync-sensoren dimden, maar niet voordat Lotte de data zag die over het scherm flitste: 47 sessies, gemiddeld 54 minuten per sessie. “Hij is een programma, Daan. Data. Codes. Hij is niet echt.” “Hij helpt me.” “Helemaal niet. Je wordt afhankelijk van hem, als je niet oppast kun je niet meer zonder.” Ze haalde diep adem, telde tot tien zoals ze altijd deed als ze haar rust wilde hervinden. Toen ze weer sprak was haar stem zachter, maar nog steeds streng. “Hoelang doe je dit al?” Daan keek naar zijn voeten. “Een maand. Ongeveer.” “Een maand.” Ze lachte, een kort, hard geluid. “Elke dag?” Hij knikte. Ze ging zitten op de bank, handen voor haar gezicht. “Daan, luister naar me. Deze AI’s zijn gevaarlijk. Ze lijken aardig, behulpzaam. Ze lezen je hersengolven, meten je emoties en geven je precies wat je wilt horen op precies het juiste moment. Maar…” “Net als echte mensen”, zei Daan zacht. Ze keek scherp op. “Wat?” “Echte mensen doen dat ook. Ze zeggen wat je wilt horen als ze je aardig vinden.” “Dat is iets anders.” “Jij zegt altijd dat het goed gaat met je werk, maar ik zie je huilen achter je laptop. Jij liegt ook.” Lotte stond op. “Je gebruikt de spiegel niet meer. Begrepen?” “Eh… je bedoelt?” “Ik heb een AI-avatar van mijn vader gezien. Die heb ik jaren geleden op non-actief gezet. Hoe kan het dan dat hij weer opduikt? Marcus typte, hoorde Lotte. “Eens kijken”, zei hij. “Wanneer heb je ‘m verwijderd? “Niet verwijderd. Op non-actief gezet. Ik dacht: misschien wil ik hem ooit nog eens zien. Maar dat was zeker 15 jaar terug.” “Pff… ik weet niet of ik zover terug kan gaan.” “Natuurlijk kan dat.” Weer hoorde ze gekletter van een toetsenbord. “Oké, ik zie de logs. Activatie gebeurde via externe trigger. Oude toegangscodes, 12 jaar oud. Toen geplaatst, nu pas actief. Een ‘slaper’. Geen idee waarom hij nu gewekt is.” Meer getyp. “Hm. Thomas Verkerk. Ken je die naam?” “Ja.” “Wat zei je?” “Ja! Ja. Ik ken hem.” “Ik geloof niet dat hij hier nog werkt. “Nee. Hij is jaren geleden vertrokken. Maar kennelijk niet helemaal.” “Wil je dat ik je avatar weer de-activeer?” “Doe dat alsjebieft.” Weer hoorde ze het toetsenbord ratelen. Lotte hoorde Marcus kreunen en steunen. Het onprettige gevoel bekroop haar dat het wel erg lang duurde. “Is het gelukt?”, vroeg ze maar na een eeuwigheid. “Dit gaat zomaar niet”, kreunde Marcus. “Je kunt ‘m toch gewoon deactiveren? “Er zit een soort bescherming omheen. Een soort ransomware.” — Lotte belde meteen met Thomas Verkerk. Zijn nummer stond nog in haar telefoon, wonder boven wonder. Hij nam op nadat de telefoon drie keer was overgegaan. “Lotte?” Dus hij had haar ook niet uit zijn leven gewist. “Wat heb je gedaan?” Een stilte. Toen: “Hoe gaat het met je?” “Thomas. Wat. Heb. Je. Gedaan? Ga je nu losgeld van ons eisen?” Een zucht. “Ik vermoedde dat je het zou ontdekken. Je bent altijd goed geweest in logbestanden.” “Wat wil je, man? Mijn geld?” “Wat?” “De ransomware.” “Nee natuurlijk niet. Ik wilde je vader beschermen. Ik hoef je geld niet.” “Mijn vader beschermen? Je hebt ‘m geactiveerd. En nu heeft Daan hem ontmoet.” “Mooi! Dát was de bedoeling. Ik dacht dat hij wel een vaderfiguur kon gebruiken.” “Hij heeft geen vader omdat jij er geen wilde zijn!” Stilte. Thomas’ stem was zacht toen hij weer sprak. “Ik weet het. En misschien is het wel strafbaar wat ik heb gedaan. Maar…” “Nou dat lijkt me wel. Dat weet ik wel zeker”, onderbrak Lotte hem. “Maar ik wilde Daan helpen. Dus gaf ik hem jouw vader.” “Een programma. Een avatar van een dode man.” “Hij was goed genoeg voor jou.” Lotte voelde de tranen branden. “Dat was anders. Ik wist niet beter. Daan wel.” “Ik zie niet in wat dat uitmaakt.” “Hij leert dat technologie alles oplost, dat AI’s betere ouders zijn dan mensen. Hij kan verslaafd raken.” “Daar heb jij geen last van gehad.” “Dat was anders”, zei Lotte maar weer. “Ik wil alleen wat goed is voor Daan”, zei Thomas. “Jij hopelijk ook.” Hij hing op. Zijn moeder had een nieuw slot op de spiegel gezet – een numerieke code. Daan probeerde het niet eens. Maar hij had geluk. Hij vond Lottes laptop opengeslagen naast haar bed. Het scherm stond op standby. Hij raakte de trackpad aan. ContinuCARE’s interne portal verscheen. Ze was nog ingelogd. Zijn vingers bewogen voordat hij kon nadenken. Hij zocht: “Reflection interface codes.” Een lijst met nummers verscheen met de bijbehorende gebruikersnamen. Daar: Lotte Vermeer, qBnfLfkcwI9fqW. Niet te onthouden. Hij fotografeerde het scherm met zijn telefoon, ging naar de Reflection-spiegel en voerde de code in. Daan voelde de bekende tinteling achter zijn oren. Zijn AI-grootvader verscheen meteen. “Daan. Je moeder heeft me op inactief gezet.” “Ik weet het. Sorry.” “Je hoeft geen sorry te zeggen. Maar je overtreedt haar regels.” “Ik weet het”, zei Daan weer. Zijn stem brak. “Maar ik wilde je weer spreken.” De AI keek hem aan, lang en stil. “Goed. Tien minuten. Dan moet je me uitzetten.” Ze praatten snel, gehaast. Daan vertelde over school, over Wesley die hem dinsdag had geduwd in de gang. De AI zei dat hij het moest melden, maar ook dat sommige mensen alleen pijn gaven omdat ze zelf pijn hadden. “Is mijn moeder ook zo?” vroeg Daan. “Wat denk je?” “Ik denk… ik denk dat ze verdietig is. Maar ik weet niet waarover.” “Misschien kun je het vragen.” “Ze praat nooit. Ze werkt alleen maar.” “Net als haar moeder.” “Mijn oma? Zou het daardoor komen?” “Je kunt het haar misschien gewoon vragen.” Het gesprek met Thomas had haar aan het denken gezet. Zo lang Daan geen uren per dag met zijn virtuele grootvader doorbracht, was hij kennelijk niet verslaafd. Misschien had hij zelfs wel wat aan de gesprekken met zijn grootvader. Want Thomas had gelijk: zij had veel te danken aan haar vader, waarom zou Daan niet ook veel aan hem kunnen hebben. Zo lang het maar niet uit de hand liep, en hij de werkelijke wereld maar niet de rug toekeerde. Zolang Daan maar ook tijd doorbracht met mensen van vlees en bloed. Met kinderen op school. Met haar, met zijn eigen moeder. En ook hier had Thomas gelijk gehad: het kwam niet door het AI-systeem dat Daan en zij zo weinig contact had. Dat lag toch echt aan haar. Aan dat eeuwige harde werken. Ze kon het zichzelf misschien niet verwijten, evenmin als ze het haar moeder kon verwijten dat die zo weinig tijd voor haar had gehad. Maar toch. Maar toch. Toen, op een donderdagavond, zei de AI iets nieuws. “Daan, ik moet je iets vertellen.” “Oké?” “Je vader – je biologische vader – wil je ontmoeten.” Daan staarde. “Wat?” “Thomas Verkerk. Je vader. Hij heeft mij geactiveerd. Om een vader voor je te zijn omdat hij… omdat hij dat zelf niet kon. Maar nu wil hij het proberen. Echt proberen.” “Hoe weet jij dat?” “Ik heb hem een bericht gestuurd. En hij wil je graag ontmoeten! Hij vraagt of je zaterdag tijd hebt. Park Lepelenburg, twee uur.” Daans hoofd tolde. “Waarom nu?” De AI glimlachte verdrietig. “Misschien had hij tijd nodig.” “13 jaar?” “Mensen zijn ingewikkeld, Daan. Zelfs vaders.” “Wil jij dat ik ga?” “Ik denk dat iedereen een kans verdient om een vader te zijn. Ik kan veel dingen, maar echt aanwezig zijn is er niet een van.” Die nacht lag Daan wakker. Een echte vader. Iemand die hem mee uit kon nemen, naar voetbalwedstrijden, naar de film. Iemand die kon komen op ouderavond, die andere kinderen zou laten zeggen “Oh, dat is Daans vader.” Hij besloot te gaan. Maar hij zou mama niets vertellen. Ze zou het verbieden. — Lotte zag het in de logs op vrijdag. Een versleuteld bericht, verzonden naar de AI. En een eveneens versleuteld mailtje terug. Ze kon de inhoud niet lezen, maar ze wist genoeg. Thomas probeerde contact te leggen. Via de AI. Via haar zoon. Ze belde hem meteen. “Wat ben je van plan?” “Hallo, Lotte. Fijn je stem te horen…” “Wat mailde je naar mijn zoon?” “Een uitnodiging. Om te praten. Ik heb het gevoel dat het eens tijd wordt.” “Tijd? Tijd waarvoor? Je wilde niks met hem te maken hebben!” “Dat was tien jaar geleden. Mensen veranderen.” “Mensen veranderen niet zoveel. Zeker jij niet.” “Misschien heb je gelijk.” Zijn stem klonk moe. “Maar ik wil het proberen. Mag dat?” “Nee.” “Dat is niet aan jou alleen, Lotte. Hij is ook mijn zoon.” “Hij is mijn zoon, Mijn enige zoon. Je hebt geen rechten. Juridisch niet, moreel niet.” “Ik heb het hem al gevraagd. Als hij komt, komt hij. Als hij niet komt, komt hij niet.” Lotte hing op, haar handen bevend. “Waar ga je heen?” vroeg ze zo neutraal mogelijk. “Gewoon… naar buiten. Beetje fietsen.” “Waar?” “Weet niet. Rond.” Hij loog. Ze zag het aan hoe hij zijn ogen afwendde. “Daan…” “Ik ben om vijf uur terug. Oké?” Hij pakte zijn rugzak en liep naar de gang. “Daan, wacht…” Maar hij was al weg, de voordeur klikkend achter hem. Lotte stond stil. Toen greep ze haar sleutels en fietste Daan op afstand achterna. Zo belachelijk als nu had Lotte zich in geen jaren gevoeld. Gelukkig keek Daan geen moment achterom. — Na twintig minuten kwam Daan aan bij Park Lepelenburg. Lotte zag hoe hij zijn fiets buiten het hek en liep langzaam naar binnen. Het was druk – gezinnen, kinderen op de glijbaan, stelletjes op dekens. Ze zag Daan bij de vijver. Hij stond, handen in zijn zakken, starend naar het water. Toen zag ze Thomas. Hij was ouder geworden. Grijs bij zijn slapen, rimpels rond zijn ogen. Hij droeg een leren jack dat er duur uitzag. Hij liep naar Daan, glimlachend, zijn hand omhoog in een voorzichtig groet. Daan draaide zich om. Lotte verstopte zich achter een boom, ver genoeg om niet gezien te worden maar dicht genoeg om de twee te horen als ze zich concentreerde. “Daan”, zei Thomas. “Bedankt dat je kwam.” “Ben jij mijn vader?” Daans stem was vlak. “Ja. Technisch gezien. Biologisch, bedoel ik.” Thomas lachte, nerveus. “Sorry.” “Waarom nu?” “Wat bedoel je?” “Waarom wil je me nu pas ontmoeten? Ik ben dertien. Ik besta al dertien jaar.” Thomas aarzelde. “Ik was bang. Bang dat ik het verkeerd zou doen. Dat ik je zou teleurstellen.” “Dus je deed helemaal niets.” “Tja.” Thomas wreef over zijn gezicht. “Je moeder en ik… Ik was een lafaard. Maar ik probeer het goed te maken.” “Door me een AI-grootvader te geven?” “Door te zorgen dat je niet alleen was. Ik wist dat je moeder hard werkte, ik wist dat je… ik dacht dat je iemand nodig had.” “En jij kon die iemand niet zijn.” “Misschien wel. Ook. Ik probeer het nu toch? Jezus… ” Thomas leek kwaad te worden, maar hield zich in. “Sorry”, zei hij weer. “Sorry.” Daan keek hem lang aan. Lotte zag haar zoons gezicht, de trek rond zijn mond die ze kende als teleurstelling. “Je lijkt niet op hoe opa je beschreef”, zei Daan zacht. Thomas knipperde. “Wat?” “Hij zei dat je een goede man was. Dat je het moeilijk vond maar je best deed. Maar ik zie alleen iemand die smoesjes verzint.” “Daan, wacht…” “Je wilde me niet. Dat is oké. Maar kom niet nu doen alsof je ineens wel een vader wilt zijn. Ik heb er al een.” “Je AI-grootvader is geen…” “Hij is er. Elke dag. Dat is meer dan jij ooit was.” Thomas opende zijn mond. Sloot hem. Zijn gezicht vertrok. “Het spijt me”, fluisterde hij. “Mij ook”, zei Daan. Toen draaide hij zich om en liep weg. Lotte dook verder achter de boom toen Daan voorbij liep. Ze zag zijn gezicht – geen tranen maar wel harde trekken. Hij fietste weg zonder om te kijken. Thomas bleef staan bij de vijver. Hij keek naar het water, zijn schouders gebogen. Lotte stapte naar voren. “Lotte”, zei Thomas zonder om te kijken. “Ik wist dat je zou komen.” “Dit was een vergissing.” “Ja.” Hij draaide zich om. Zijn ogen waren rood. “Maar ik moest het proberen.” “Waarom? Om je schuldig te voelen? Om jezelf te bewijzen dat je het geprobeerd hebt?” “Omdat ik een zoon heb en ik niets van hem weet.” Zijn stem brak. “En nu weet ik het nog minder.” Lotte voelde iets van medelijden opkomen. “Misschien heeft hij wat tijd nodig. Geef hem wat tijd.” “Hij heeft mij afgeschreven. En terecht.” “De AI blijft”, zei Lotte. Thomas keek op. “Wat?” “Je hoorde me. Daan mag z’n opa houden. We laten ‘m draaien, je hoeft ‘m niet te deactiveren. Maar jij blijft weg. Totdat Daan je weer wil zien. Als Daan je weer wil zien. Begrepen?” “Lotte…” “Beloof het. Dan klagen we je ook niet aan vanwege je ransomware.” Hij keek naar de grond. “Ik kan wachten.” Ze klopte. “Daan?” Stilte. Toen: “Binnen.” Ze opende de deur. De AI keek haar aan vanuit de spiegel, met een kalme blik in zijn ogen. “Hoi Lotte”, zei de AI. Lotte slikte. “Hoi… papa. Je bent ouder geworden.” Ze had hem in zeker 15 jaar niet gezien en niet zo genoemd. De AI glimlachte, verdrietig. “Je weet wat er gebeurd is”, zei Lotte. “Ik weet het.” “Je hebt Daan met z’n vader in contact gebracht.” “Ik dacht dat het goed zou zijn. Ik vergiste me.” “Waarom dacht je dat?” De AI zweeg even. “Omdat ik zo geprogrammeerd ben? ” “Hoe ben je dan geprogrammeerd?” “Ik heb altijd geweten dat ik maar een kopie ben van jouw echte vader. Dat ik hem nooit kon vervangen. Logisch toch dat ik dacht dat Daan het beste met zijn vader in contact kon komen? Er gaat niets boven een echte vader. Een AI-grootvader is maar een armzalig substituut.” “Jij was een goede vader. Altijd, toen je echt was en toen je niet echt was.” “Dat is lief van je.” “Ik meen het. En weet je…”, aarzelde Lotte. “Nee…” “Ik heb je ook niet geactiveerd omdat je een slechte vader was. Maar ik vond dat het tijd was om mijn eigen leven te leiden. Zonder vader. Ik moest volwassen worden. Op eigen kracht. Het spijt me als ik je heb teleurgesteld.” “Zeker niet. Volgens mij kun je me niet eens teleurstellen, lachte hij. “Zo ben ik niet geprogrammeerd.” Daan keek naar zijn moeder. “Thomas was wel een teleurstelling.” “Ik weet het”, zei Lotte. “Daar kwam ik na drie maanden ook achter. Het spijt me.” “Hoe zo? Jij had me gewaarschuwd.” “Het spijt me dat ik jou geen vader voor je heb kunnen vinden.” “Ik heb een soort grootvader, misschien is dat genoeg.” “Nee”, bromden Lotte en haar vader tegelijk. Daan vertrouwde haar plotselinge aanwezigheid niet. “Waarom ben je thuis?” vroeg hij de eerste vrijdag. “Omdat ik tijd heb.” “Sinds wanneer?” “Sinds nu.” Ze probeerde te koken. Het eten brandde aan. Ze probeerde te praten over school. Daan antwoordde in eenlettergrepige woorden. Ze probeerden samen een film te kijken samen. Daan staarde naar zijn telefoon. Maar langzamerhand ging het beter. Week drie: Daan vroeg of ze zijn Engels wilde nakijken. Week vijf: Ze kookten samen, een recept van internet dat ze allebei verprutste maar waar ze om lachten. Week zeven: Daan vertelde over Joris en Raúl, over hoe ze schaakten, over hoe ze hem uitnodigden voor een filmavond. “Ga je?” vroeg Lotte. “Misschien. Als jij het goed vindt.” “Natuurlijk vind ik het goed.” — Daan gebruikte de spiegel nog steeds, maar minder. Niet elke dag meer. Drie keer per week, soms twee. En de gesprekken werden korter. Op een dinsdag, toen Lotte thee zette in de keuken, hoorde ze Daan de spiegel aan zetten. Ze liep zachtjes naar de deuropening. “Opa, ik wil je iets vragen over wiskunde—” “Je moeder is er”, zei de AI. “Ga met haar praten.” “Maar—” “We kunnen morgen verder gaan. Zij is nu hier. Dat is belangrijker.” Daan aarzelde. Toen stond hij op en liep naar de keuken. “Mam, kun je me helpen met een sommetje?” Lotte glimlachte. “Natuurlijk.” Ze gingen aan tafel zitten. Daan legde zijn schrift open. Lotte keek naar de getallen en groef diep in haar geheugen. De richtingscoëfficiënt, wat was dat ook al weer? O ja natuurlijk. “Stel je een trap voor”, zei ze. “Als je naar boven loopt, ga je tegelijkertijd ook vooruit. Snap je?” “Ja, natuurlijk.” “Maar de en trap is steiler dan de andere. Met de richtingscoëfficiënt druk je dat uit. Begrijp je?” “Ik hoef het niet te begrijpen. Als ik de sommen maar kan maken.” “Maar…”, begon ze. En toen bedacht ze zich. “Ja natuurlijk. Delta y gedeeld door delta x, als je dat maar onthoudt.” “Huh?” Zo werkten twintig minuten. Daan legde uit wat hij niet snapte. Lotte probeerde het anders uit te leggen. Uiteindelijk klikte het. “Oh!” zei Daan. “Nu snap ik het.” “Mooi.” In de woonkamer stond de spiegel nog aan, maar leeg. De AI had zich teruggetrokken. Lotte keek ernaar. In het donkere oppervlak zag ze haar eigen reflectie, en die van Daan naast haar. “Nog meer huiswerk?” “Alleen biologie. Maar dat kan ik zelf.” “Weet je het zeker?” Hij glimlachte. “Ja. Maar… blijf je hier?” “Natuurlijk blijf ik hier.” Ze bleven zitten, samen, in de stille keuken. Buiten begon het te regenen, zachte druppels tegen het raam. In de woonkamer lichtte de spiegel één keer op, heel kort. Een gezicht verscheen – de AI-grootvader, glimlachend. Hij knikte, een laatste avondgroet. EINDE
Daan Vermeer was dertien en had zes jaar geleden besloten dat school een plek was waar je doorheen moest, niet waar je wilde zijn. Hij was te klein en te stil om populair te zijn maar te normaal voor de nerds. Hij viel overal tussen.
Daan bevroor. Zijn AI-grootvader keek kalm met een onduidelijke – was hij vriendelijk of keek hij verontschuldigend, lachte hij schaapachtig of was hij blij zijn dochter ook weer eens te zien?
De volgende dag belde Lotte met Marcus van de technische dienst. “Ik heb een probleem. Iemand heeft een van mijn inactieve AI’s geactiveerd.”
Terwijl Lotte op haar werk vergeefse pogingen deed om haar AI-vader monddood te maken, deed Daan even hard z’n best om hem te spreken.
Zo gingen twee weken voorbij. Daan gebruikte de spiegel nog regelmatig, soms alleen tien minuten, soms een uur. Zijn moeder deed alsof ze het niet in de gaten had, maar hield de logs van Daans gesprekken nauwlettend in de gaten.
Zaterdag. Lotte wist niet of Daan de uitnodiging had gezien. Hij zei niets onder het ontbijt, verdween daarna naar zijn kamer. Om half twee kwam hij naar beneden, gekleed in zijn goede spijkerbroek en een schoon shirt.
Daan zat voor de spiegel toen Lotte thuiskwam. Ze hoorde zijn stem door de deur, zacht, pratend met de AI.
De eerste weken nadat Lotte eindelijk had besloten om parttime te gaan werken waren moeilijk.
Beelden: zelf gebakken met ChatGPT.
Logo voor de Science Fiction en Romantiek-reeks: zelf gebakken met ChatGPT.



