Nevelen (Een Sci-Fai / Komedie)

Nevelen (Een Sci-Fai / Komedie)

SciFiKomedietragedie

Lucia is eenentachtig en wordt vergeetachtig. Wanneer ze zelfs niet op de naam van haar kleindochter kan komen, gaat ze op zoek naar een geneesmiddel. Een experimenteel middel, Memorin, belooft een verjongingskuur voor het brein te bieden. Het werkt. Namen komen terug. En dan ook andere dingen. Dingen die ze misschien al wist en niet wilde weten. Over haar man. Over haar zus.

Of verbeeldt ze het zich?

HOOFDSTUK 1 – MEMORIN

1

“Dank je, Fleur.”

Het was er uit voordat Lucia er erg in had.

Ze wist precies wie het meisje – natuurlijk heette ze geen Fleur – was. Ze wist dat ze zeven was, dat ze sinds kort zonder zijwieltjes fietste, dat ze blauwe sokken droeg met kleine citroenen erop, dat ze vorige maand op school een spreekbeurt had gehouden over octopussen. Ze wist dat ze net onder haar linkerwenkbrauw een moedervlekje had. Ze wist dat het haar kleindochter was. Ze wist dat haar kleindochter haar een bovenmatige grote koffiebeker had gegeven voor haar 81e verjaardag, met de tekst ‘I’m the boss’ erop.

Ze wist alleen niet hoe het meisje heette.

Het meisje keek even naar haar bord. Niet lang. Toen weer omhoog. Niet gekwetst – eerder verbaasd dat een volwassene zich zo zichtbaar kon vergissen. “Fleur?,” zei ze.

“Lieverd”, bedoel ik,” zei Lucia.

Aan de andere kant van de tafel keek Riet op. Even maar, en sloeg toen de ogen neer. Maar Lucia wist zeker dat Riet het had gemerkt.

“Hanne,” zei Riet nadrukkelijk.

Ja, Riet had het gemerkt. Hanne. Natuurlijk, Hanne. Hoe had ze het kunnen vergeten?

“Hanne”, herhaalde Riet. “Kom eens hier, mop. Ik wil even zien hoe groot je bent geworden.”

Hanne gleed van de bank af en liep naar haar toe. Riet boog zich voorover en fluisterde iets. Het kind keek om naar Lucia, zwaaide en verdween toen.

Niemand maakte er een punt van. Hoogstirritant. Als iemand had gezegd: “Lucia, dit is vreemd”, dan had ze zich kunnen verdedigen. Als Hanne had gehuild, dan had Lucia haar kunnen troosten. Als Riet haar had proberen te troosten, dan had ze kunnen zeggen dat het niet nodig was.

Maar Riet zette de ketel op en pakte de theepot.

“Koffie?” vroeg Lucia. Ze hield haar beker met ‘I’m the boss’ op.

“Je hebt vanmorgen al gehad.”

“Een minuscuul kopje. Espresserino.”

“Je krijgt er de bibbers van.”

“Ik krijg van jou de bibbers.”

“Dat kan, maar ik verstoor je slaapritme niet.” De fluitketel had nog niets van zich laten horen, toch schonk Riet het water in de theepot en maakte twee koppen thee klaar.

“Hier”, zei ze. Lucia nam het kopje aan. Slap. Lauw.

Op de kast stond de foto van Wim. Niet de laatste foto, waarop zijn gezicht al dun was geworden en zijn handen te groot leken voor zijn polsen, maar eentje van hun vakantie in Rome. Hij droeg een linnen overhemd en keek net naast de camera. Waarschijnlijk naar Lucia, die hem had gezegd dat hij nu eens normaal moest kijken. Wie had de foto daar eigenlijk neer gezet? Lucia kon het zich niet herinneren.

Uit de gang klonk gestommel. Hanne kwam terug met een boek, een pyjama en een knuffelvis.

“Dit lag allemaal in mijn tas,” zei ze.

“O Hanne! Heb jij die zelf gevangen?,” zei Lucia.

“Het is een inktvis.”

“Dat weet ik, Hanne.”

Hanne keek haar aan.

Lucia zag het.

Het kind controleerde haar.

Niet gemeen. Niet bang. Alleen even: weet oma dit nog?

“Octopussen hebben acht armen,” zei Lucia. “Inktvissen hebben er meestal tien. Dat heb je me gisteren zelf gezegd.”

Hanne straalde. “Ja,” zei ze. “Maar deze is eigenlijk allebei, want hij komt uit een automaat.”

Riet keek naar hen. Haar glimlach stond keurig op haar gezicht.

Lucia kon het niet helemaal plaatsen. Was Riet nou opgelucht als Lucia iets wist? Waarom leek die glimlach dan zo geforceerd?

Die avond na het eten pakte Lucia haar tablet. Ze typte: ‘geheugenverlies behandeling ouderen’.

De eerste resultaten waren geruststellend en nutteloos. Kruiswoordraadsels. Wandelen. Goed slapen. Minder alcohol. Omega 3. Muziektherapie. Een man met een witte jas die in een filmpje uitlegde dat vergeten bij het leven hoorde.

“Wat doe je?” vroeg Riet vanuit de deuropening. Het geluid van het geluid van het filmpje had haar nieuwsgierigheid kennelijk gewekt.

“Gewoon.”

“Het is bijna tien uur. Ik ga zo naar bed.”

Lucia zei niets.

“Luciaaaa.”

Lucia zuchtte.

“Je weet het toch?,” zei Riet. “Rust, regelmaat, goede slaap. Geen prikkels in de avond.”

“Ik ben geen kamerplant.”

“Nee. Kamerplanten zijn minder eigenwijs.”

“Ik ben eenentachtig, Riet. Niet zeven.”

“Dat zeg je vaak voor iemand die niet als kind behandeld wil worden.”

“En jij gedraagt je vaak als mijn moeder in plaats van mijn zus.”

“Ik ga slapen”, zuchtte Riet. Mooi. Lucia had ook geen zin in gekibbel.

Lucia pakte de tablet weer en tikte nu: ‘experimenteel geheugenmiddel klinische trial’.

Nu veranderde de toon. Minder huiselijk. Meer Latijn. Meer waarschuwingen. Er verschenen woorden als ‘neuroplastisch’, ‘episodische consolidatie’ en ‘fase 2b’. Ze klikte op een link dat doorverwees naar een artikel met de kop Kunnen we vergeetachtigheid genezen?

Langzaam vulde de pagina zich. Er verscheen een foto van een oudere vrouw met zilvergrijs haar die uitkeek over een meer. Onder de foto stond: ‘Memorin redde mijn dierbaarste herinneringen’

En daaronder:

Het begint met kleine dingen. Een naam van uw kleinkind waar u opeens niet meer op kunt komen. Sleutels die zoek zijn, terwijl u toch zeker wist dat u ze daar had neergelegd. Een afspraak die u bent u vergeten.

Onhandig. Maar ook pijnlijk. Voor uzelf, voor uw naasten, voor iedereen in uw omgeving.

Het hoort er bij, denkt u misschien. Ik word ouder, dus vergeet ik wel eens wat.

Maar wat als dat helemaal niet zo is? Wat als vergeetachtigheid te genezen is? Wat als we geheugenverlies kunnen afremmen? Of misschien zelfs zorgen voor geheugenherstel? Stelt u zich eens voor: dat het geheugen zoiets is als een spier. Een spier die u gewoon kunt trainen. Zodat u nooit meer iets vergeet, en zelfs verloren gewaande herinneringen kunt terugvinden.

Het goede nieuws is: het onderzoek naar genezing van vergeetachtigheid is volop in gang.

Memorin is een medisch begeleid onderzoeksprogramma voor ouderen met beginnende geheugenklachten. Samen met specialisten onderzoeken we de effecten van gerichte geheugentraining, gecombineerd met een experimenteel middel. Wij zoeken nog hiervoor nog enkele vrijwilligers.

Herkent u de eerste signalen van een zwakker wordend geheugen? Dan kunt u aan het Memorin-geheugenonderzoek deelnemen! Neem contact op voor een vrijblijvend kennismakingsgesprek.

HOOFDSTUK 2 – DE KLINIEK

2

Lucia dronk haar koffie de volgende ochtend uit de mok met ‘I’m the boss’. Zwart. Riet ging tegenover haar aan de keukentafel maar nam niets.

“Er is een nieuw middel,” zei Lucia.

“Wat voor middel?”

“Voor het geheugen. Een verjongingskuur voor het geheugen. Je moet zelf ook oefenen, net als wanneer je spieren wilt opbouwen. Het brein is ook een soort spier, zeggen ze.”

“Dat lijkt me vergezocht.”

“Kijk.” Lucia pakte haar tablet en liet Riet de site van Memorin zien.

“Dat is reclame,” zei Riet meteen.

“Ja.”

“Ze wekken hoop.”

“Ja.”

“Valse hoop is gevaarlijk.”

“Vergeten is ook gevaarlijk.”

Riet gaf de tablet terug. “Je moet daar niet aan beginnen.”

Lucia nam een slok koffie. De koffie brandde op in haar tong.

“Dat was snel.”

“Wat?”

“Je oordeel.”

“Een experimenteel middel voor je hoofd. Wat moet ik daar verder nog van vinden?”

“Misschien dat ik mag beslissen over mijn hoofd.”

“Alleen als je hoofd nog goed genoeg werkt om te beslissen.”

Lucia zette haar mok neer.

“Dat bedoelde ik niet zo,” zei Riet, kennelijk geschrokken van haar eigen woorden. “Ik ben bang dat ze jou iets aanpraten”, zei ze vergoelijkend.

“Ze praten het niet aan. Ze bieden het aan.”

Riet keek weg.

Heel even.

Naar de foto van Wim.

Toen terug.

“En dat vind jij aantrekkelijk?”

“Ja.”

“Waarom?”

“Ik… ik wil niets vergeten.”

“Denk er nog even over na”, zei Riet.

“Ik heb me al opgegeven”, zei Lucia. “Voordat ik het zou vergeten!”

Lucia nam de trein van Station Amsterdam-Zuid naar Utrecht en pakte daar de bus naar het bedrijventerrein waar de kliniek van Memorin lag. Ze plande haar tripjes altijd ruim, en omdat ze het openbaar vervoer niet vertrouwde en omdat ze wist dat ze niet op haar geheugen aankon en moest incalculeren dat ze daardoor vertraging kon oplopen. Maar meestal bleken haar zorgen onnodig en kwam ze ruim op tijd op de plaats van bestemming aan. Zo ook nu. Ze ging naar binnen, waar een receptioniste haar welkom heette en haar uitnodigde in de wachtruimte plaats te nemen. Na vijf minuten kwam een doktersassistente haar halen.

De kamer van de dokter was rook naar nieuwigheid, zoals te verwachten viel in een gebouw dat nog maar net in gebruik was genomen. De dokter bleek een vrouw te zijn van een jaar of veertig, met een kortgeknipt haar dat al een beetje grijs begon te worden. “Anna”, zei de dokter. “Van Santen.” Lucia vond haar betrouwbaar overkomen.

“U begrijpt dat dit geen regulier geneesmiddel is,” zei Van Santen.

“Dat hoopte ik al. Regulier heeft me niets gebracht. Wandelen. Goed slapen. Kruiswoordraadsels. Minder alcohol. Meer vezels. Het helpt allemaal niets. Ik vergeet steeds meer. Geef mij maar niet regulier.”

“Memorin is geen wondermiddel,” zei Van Santen. “Maar bij sommige deelnemers zien we dat ze minder vergeten. Of doet zich zelfs retrieval voor.”

“Dat herinneringen terugkomen”, begreep Lucia.

“Ja. Soms vaag. Soms zeer scherp.”

“Dat wil ik”, zei Lucia.

“Het geheugen reconstrueert altijd. Dit middel lijkt het reconstructiemechanisme krachtiger te maken. U moet dus niet alleen rekening houden met vergeten, maar ook met invullen.”

“U bedoelt: dat ik me dingen herinner die nooit zijn gebeurd.”

“Ja.”

“Hoe weet ik het verschil tussen wat wel echt gebeurd is en wat niet?”

“Lastig”, gaf Van Santen toe. “U zult op de herinneringen van andere moeten vertrouwen. Ook als die afwijken van uw herinneringen.”

Lucia knikte. “Ik wil het”, herhaalde ze. “Proberen”, voegde ze na enige aarzeling toe.

“U krijgt vijf doses”, zei Van Santen. “Één pil per week. En elke week een voortgangsgesprek.”

Ze schoof Lucia een formulier naar haar toe. “Vertel iemand dat u meedoet,” zei ze. “Niet omdat u toestemming nodig hebt. Omdat u mogelijk begeleiding nodig hebt.”

“Ik woon in hetzelfde huis als mijn zus.”

Toen Lucia thuiskwam, zat Riet aan de keukentafel.

“En?” vroeg ze.

Lucia trok haar jas uit en hing hem aan de stoel. Niet aan de kapstok. Een kleine daad van verzet. Kinderachtig maar prettig.

“Ik mag meedoen.”

“Dat zeg je alsof je bent toegelaten tot een koor.”

“Ik kan niet zingen.”

“Dat heeft je vroeger nooit tegengehouden.”

Hanne kwam binnen op sokken.

Ze had haar knuffelvis onder haar arm en een gezicht dat zei dat slapen een onredelijk voorstel was.

Lucia stak haar hand uit. Hanne kwam naast haar staan.

“Waar hadden jullie het over?” vroeg Hanne.

“Over een middel voor mijn geheugen,” zei Lucia.

Hanne knipperde. “Vitamines?”

“Ja, zoiets.”

“Word je dan minder vergeetachtig?”

“Dat hopen ze.”

“Dan weet je straks mijn naam weer voordat je ‘m niet meer weet.”

Lucia legde haar hand op Hannes haar.

“Ja,” zei ze. “Dat hoop ik.”

“Ik heet Hanne.”

“Ik weet het,” zei Lucia.

Het kind glimlachte.

“Nog wel,” zei Riet zacht.

HOOFDSTUK 3 – 1e DOSIS

3

Het witte bekertje met de capsule Memorin had iets armzaligs, vond Lucia. Op zich begreep ze het wel. Medisch gezien was het natuurlijk beter als een experimenteel middel niet werd aangeboden in de vorm van een glanzende ampul, een metalen injectiespuit of een capsule die licht gaf in het donker. Maar onbewust had ze meer dan verwacht dan een nietig pilletje in een goedkoop bekertje.

“Een half uur onder observatie,” zei Van Santen. “Daarna mag u naar huis, als alles normaal blijft.”

“En als niet alles normaal blijft?”

“Dan blijft u langer.”

“Helder.”

Lucia nam de capsule met water in. De capsule gleed moeiteloos naar binnen. En toen… niets.

Van Santen kwam na twintig minuten binnen en vroeg of ze tintelingen voelde. Lucia zei nee. Misselijkheid. Nee. Druk achter de ogen. Nee. Duizeligheid. Nee. “Ik voel alleen teleurstelling,” zei Lucia.

Thuis zat Riet aan de keukentafel met de krant voor zich.

“En?”

“Niets.”

“Gelukkig.”

Lucia hing haar jas op. “Is dat gelukkig?”

“Als er niets gebeurt, is er ook niets misgegaan.” Riet vouwde de krant dicht. “Wil je thee?”

“Koffie.”

“Zou je dat nou wel doen?”

“Ik ben net medisch teleurgesteld. Daar hoort koffie bij.”

“Je gaat ervan trillen.”

“Dan gebeurt er tenminste iets.”

Riet stond op en zette thee.

Lucia liet het erbij zitten. Deze kleine teleurstelling kon ze nog wel hebben.

Die nacht kon Lucia niet slapen vanwege een lichte hoofdpijn die in de loop van de avond was komen opzetten. Het was alsof iemand twee vingers tegen haar slapen zette en zachtjes drukte. Niet echt erg. Een beetje hinderlijk, dat wel.

Om kwart over twaalf rook ze koffie.

Niet de koffie die Riet haar vanmiddag had ontzegd. Niet de bittere machinekoffie van de kliniek van Anna van Santen. Nee, dit was koffie van vroeger. Pruttelkoffie. Donker, warm, bijna verbrand.

Ze hoorde een metalen filter op een koffiekan, kokend water dat onstuimig borrelde, haar moeder die zei dat niemand van slappe koffie beter werd.

Ze zag de keuken van hun ouderlijk huis. De groene tegels. Een tafel met een zeiltje. Een koffiebus met een rood deksel.

Riet, klein en mager, zat aan de rand van de keuken tafel. Haar voeten raakten de vloer niet. Ze trok met haar nagel aan een los draadje van haar jurk.

Hun moeder stond bij het fornuis.

“Niet zo wiebelen,” zei ze tegen Riet.

Lucia pakte het notitieblok dat ze op het nachtkastje naast haar bed had liggen en schreef:

Dosis 1.

00.15 uur.

Geur koffie.

Keuken moeder. Groene tegels. Rood koffiedeksel.

Moeder zegt: “Niet zo wiebelen”, tegen Riet.

Mogelijk echt gebeurd.

De volgende ochtend zat Hanne aan de keukentafel met twee boterhammen. Riet stond bij het aanrecht.

“Wat wil je drinken?” vroeg Lucia.

“Chocomel.”

“Dat hebben we niet.”

“Dan water.”

“Dat hebben we te veel.”

Hanne glimlachte.

Lucia keek naar Hanne. Haar paardenstaart zat niet helemaal goed, zag ze.

Hanne. Ze had niet hoeven graven, ze had de naam van haar kleindochter paraat gehad. Zonder er maar ook een moment over hoeven na te denken.

“Hanne,” zei Lucia.

Het kind keek op.

“Je haar. Het elastiekje zit niet helemaal goed.”

Riet draaide zich om. Lucia voelde haar blik. “Wat?” vroeg ze.

“Niets,” zei Riet.

Maar het was niet niets.

Hanne had het ook door.

“Ze zei mijn naam,” zei ze.

“Dat doet ze wel vaker,” zei Riet.

“Nee,” zei Hanne. “Niet zonder nadenken.”

Lucia keek naar het kind. “Ja.”

“Werken de vitamines dan?”

“Misschien.”

Hanne schoof haar bord weg. “Wat weet je nog meer?”

“Dat je gisteren zei dat inktvissen eigenlijk ruimtevaarders zijn die in de verkeerde eeuw zijn geland.”

“Dat was een grap.”

“Dat hoop ik.”

“En hoe heet mijn vriendin? Die gisteren mee was naar de speeltuin. Met die gele jas.”

Riet zette een kopje hard neer. “Dat hoeft oma niet te weten,” zei ze.

“Imke,” zei Lucia. Het antwoord floepte eruit.

Hanne wees naar haar. “Ja!”

Riet keek naar haar. Geen opgeplakte glimlach dit keer. Keek ze nou verbaasd? Of eerder bang?

Lucia pakte haar notitieboekje en schreef, waar Hanne en Riet bij zaten:

Naam Hanne direct.

Naam Imke direct.

Geen inspanning.

Geen gok.

Effect tastbaar.

Hanne keek mee.

“Ben ik bewijs?” vroeg ze.

“Een zeer belangrijk bewijsstuk.”

“Mag ik dan toch chocomel?”

Lucia lachte.

Riet nog steeds niet.

HOOFDSTUK 4 – 2e DOSIS

4

Een week later ging Lucia naar Van Santen voor een tweede dosis Memorin.

Van Santen vroeg hoe de eerste week was verlopen. Lucia las voor uit haar notitieboekje. “Het middel werkt dus,” zei Lucia.

“Het doet iets,” zei Van Santen. “Vermoedelijk.”

“Ik herinnerde me de naam van mijn kleindochter. En van een meisje dat ik nog maar één keer gezien had”, zei Lucia. “Inge. Nee. Imke, bedoel ik.”

“Dat is goed. Ik kan me voorstellen dat u trots bent.”

“Ik hoefde geen moeite te doen om het me te herinneren. Ik weet niet eens of het wel herinneren was, de namen waren er gewoon. Ik hoefde niet in mijn geheugen te graven.”

Van Santen keek op en noteerde iets. Toen legde ze een vel papier voor Lucia neer, met wat zo te zien een schema was.

“Namen zijn vaak de eerste winst,” zei ze. “Maar u moet ook geheugenoefeningen doen. Niet alleen kijken of u zich een naam herinnert wanneer u iemand ziet.”

“Ik dacht dat daar die pilletjes voor waren.”

“Nee, zo makkelijk gaat dat niet. Het is net als met spieropbouw. Met eiwitpoeder krijg je grotere spieren. Maar alleen als je traint. Zo is het met Memorin ook. U moet proberen actief herinneringen op te roepen. Namen. Geuren. Ruimtes. Gesprekken. Gebeurtenissen. Geef u over aan uw herinneringen, laat ze maar komen. En daarna controleren, waar dat kan.”

“Ik maak aantekeningen”, zei Lucia.”

“Heel goed”, zei Van Santen.

“En koffie?”

“Wat is daarmee?”

“Ik las dat cafeïne kan helpen. Niet te veel. Alleen ’s ochtends.”

“Dat kan helpen.”

“Dat dacht ik ook. Maar ik heb een zus die thee als verdovingsmiddel inzet.”

“Ik kan het aanraden. Maar overdrijf het niet. Niet te veel koffie, straks gaat u er onrustig van slapen. En dat is juist slecht voor het geheugen.”

“Dat zegt Riet ook.”

“Daar heeft ze gelijk in.”

“Voor de verandering.”

Toen ze thuiskwam vond Lucia Riet in de woonkamer, bij de kast met Wims foto. Riet was zo geconcentreerd met iets bezig dat ze Lucia niet opmerkte. Ze hield de foto van Wim in haar hand, zag Lucia. Haar duim streek langs de rand van de fotolijst.

“Wat doe je?”

Riet haalde haar schouders op en zette de foto terug.

Lucia deed haar jas uit.

“Ik wil koffie.”

“Nee.”

“Riet.”

“Je hebt net de tweede dosis gehad.”

“Volgens de dokter is een kopje koffie ’s ochtends niet het einde van de beschaving.” Lucia liep naar het koffiezetapparaat.

Riet ging ervoor staan. Precies op de plek waar Lucia moest zijn.

“Ga weg.”

“Nee.”

“Ik wil koffie.”

“Het maakt je onrustig.”

“Het maakt me wakker. Je doet alsof dat een bijwerking is.”

Lucia zag haar ineens als kind aan de keukentafel. Dunne benen. Voeten die de vloer niet raakten. Hun moeder die zei: ‘niet zo wiebelen’ tegen Riet.

Lucia keek naar het koffiezetapparaat. Naar Riet. Naar de foto van Wim in de kast.

Toen liep ze naar de gang, pakte haar jas weer en haalde haar portemonnee uit de zak.

“Waar ga je heen?”

“Naar het café om de hoek.”

“Dat meen je niet.”

“Jawel.”

“Je gaat toch niet in je eentje…”

“Ik ga koffie drinken, Riet. Niet een tunnel graven.”

Ze deed haar jas aan.

Riet zei niets meer.

In het café bestelde Lucia een espresso en een glas water. Ze ging bij het raam zitten. Buiten fietste een moeder voorbij met een kind voorop. Het kind wees naar iets in de lucht dat Lucia niet kon zien.

Ze sloot haar ogen en haalde namen op.

Hanne.

Imke.

Van Santen.

Riet.

Wim.

Ze moest denken aan het vakantiehuis in Zuid-Frankrijk, in de buurt van Narbonne, dat haar ouders hadden gekocht. Ooit was het een herberg geweest, bij een punt waar drie wegen elkaar kruisten. Er waren kamers genoeg in het pand, toch hadden Riet en zij een kamertje gedeeld. Ze herinnerde het alsof ze er gisteren nog geweest was. De kleine kamer, direct onder het schuine dak. De geur van warm hout. Een dun gordijn dat tegen het open raam sloeg. Een kalender met een molen erop. Later hadden Riet en zij het geërfd van hun ouders, maar na een paar vakanties weer verkocht. Hoe ze ook haar best deed, aan die latere vakanties had ze geen herinneringen meer.

In haar notitieblok schreef ze:

Dosis 2.

Vakantiehuis Frankrijk. Zoals het vroeger was. Kan het me daarna niet meer herinneren.

Mag geen koffie van Riet ondanks doktersadvies.

HOOFDSTUK 5 – 3e DOSIS

5

De derde capsule dosis staarde Lucia vanuit het witte bekertje aan.

“U hoeft het niet te nemen”, zei Van Santen, alsof ze gezien had dat Lucia aarzelde.

“Ik wil het” zei Lucia, minder dan toen ze Van Santen de eerste keer had gesproken.

Van Santen keek op van haar scherm. “Na de derde dosis gaan veel deelnemers een drempel over.”

“Een drempel”

“Daarna lijken herinneringen levensechter. Alsof alles echt gebeurd is. Ook als het niet echt is.”

Lucia knikte. “Ik wil het toch”, zei ze zacht.

Lucia nam de capsule in. Verbeelde ze het zich of bleef het ding halverwege haar keel even hangen? Ze dronk nog een slok water en voelde hoe de capsule naar beneden zakte.

Thuis was de koffie verdwenen.

“Op?”, zei Riet.

“Vanmorgen was er nog een halve zak.”

“Ik haal morgen nieuwe.”

“Nee,” zei Lucia. “Dan haal je weer cafeïnevrij.”

Riet keek op.

“Rustig maar,” zei Riet. “Je bent jezelf niet.”

Lucia lachte zacht. “Dat is zo’n handige zin. Hij past altijd wanneer iemand niet doet wat jij wilt.”

Riet bond in. “Ik heb die koffie weggegooid. Sorry.”

“Dat weet ik.”

“Goed.”

“Waarom?”

“Gisternacht.”

“Wat gisternacht?”

“Je liep weer te spoken.”

Lucia haalde niet begrijpend haar schouders op. “Ik ben één keer naar de wc geweest.”

“En daarna naar de keuken.”

Lucia zweeg. Daar wist ze niets van.

Riet zag het.

“Ik heb je terug naar bed gebracht,” zei Riet zachter.

“Natuurlijk,” zei Lucia. “Ik was het heus niet vergeten.”

“Lucia. Ik wil alleen dat je goed slaapt.”

Lucia probeerde te reconstrueren wat er gisteren was gebeurd. Wat had ze in de keuken gezocht? Was ze wel in de keuken geweest? Of probeerde Riet haar dat wijs te maken? Omdat ze niet wilde dat Lucia koffiedronk? Omdat ze niet wilde dat haar geheugen erop vooruit ging?

Toen kwam Hanne binnen.

Ze had haar jas half aan en haar rugzak open.

“Ik ben mijn schrift met mijn spreekbeurt kwijt.”

“Je had het op de trap gelegd,” zei Lucia.

Hanne keek verbaasd. “Wanneer?”

“Gisteravond. Je zei dat octopussen drie harten hebben en dat mensen er soms al met één te veel drama van maken.”

Hanne grijnsde. “Dat zei ik echt.”

“Ja.”

Riet keek van Hanne naar Lucia.

“Het gaat steeds beter,” zei Lucia.

“Ik ben blij voor je”, zei Riet met een tandpastaglimlach.

Om half vier begon het.

Lucia zat aan tafel met haar handen om een kop thee. De thee was heet, maar haar knieën werden koud. Eerst de knieën. Daarna haar bovenbenen. Daarna haar buik. Het was geen kou van buiten. Het was de kou van de woonkamer in de oude herberg als de open haard niet was aangezet. De kou waar het vakantiehuis zelfs in de zomer van was doortrokken.

Ze zag zichzelf de tuin in lopen, om de warmte op te zoeken. Ze zag zichzelf voor een raam staan, het raam van de slaapkamer van haar ouders. De slaapkamer waar Wim en zij hadden geslapen, herinnerde ze zich.

Ze hoorde twee stemmen. Gedempt, maar ze herkende ze. Natuurlijk herkende ze de stemmen.

Wim.

En Riet.

Riet lachte.

Lucia liet de kop thee uit haar handen glippen. De kop viel op de grond uiteen in scherven.

Riet kwam de keuken binnen.

“Lucia?”, vroeg Riet. Haar blik viel op de scherven op de grond. “Wat is er gebeurd?”

“Ik denk dat jij dat wel weet.”

“Je bent overstuur.”

“Vind je het gek? Hoe kon je?”

“Dat moet je…

“Niet zeggen?” vroeg Lucia.

“We hebben het er later nog wel over”, zei Riet. “Ik ga koffie voor je halen.” En ze vertrok.

Lucia pakte haar notitieboekje en schreef op:

Dosis 3.

Zomer, in de tuin. Wim en Riet in de slaapkamer.

Stemmen, gelach.

Ze keek naar de regel.

Toen zette ze erachter:

Ben ik dat echt vergeten?

Per ongeluk? Expres?

Die avond zaten ze samen aan tafel.

Lucia nam koffie; de mok met “I’m the boss’ was tot aan de rand gevuld. Riet had thee.

Hanne sliep boven.

“Wat zag je precies?” vroeg Riet.

Lucia keek niet op. “De tuin. In Frankrijk, in de zomer. Ik hoorde jullie stemmen. Van jou. En van Wim. En jullie gelach.”

Riet nam haar handen van haar kopje. “Ok, zou kunnen.”

“Jullie waren in de slaapkamer.”

“Lucia”, verzuchtte Riet. “Het is…”

“Ik wil alleen weten wat er gebeurd is.”

“Het is zo lang geleden. Ik zou het niet meer weten.”

“Dat geloof ik niet.”

“Misschien heb je het je verbeeld. Wim en ik in jullie slaapkamer. Niet waarschijnlijk.”

Lucia pakte geïrriteerd de koffie en nam een slok. De bittere smaak vulde haar mond.

“Waarom ben je zo bang dat ik me dingen herinner?”

Riet keek naar de kast met Wims foto.

Lucia volgde haar blik. “Je bent niet tegen dat middel omdat het gevaarlijk is,” zei Lucia.

“Het ís gevaarlijk.”

“Maar dat is niet de reden.”

Riet stond op. Haar stoel schoof achteruit. “Ik ga naar bed.”

“Het is negen uur.”

“Ik ben moe.”

“Ik ook.”

“Dan moet jij ook naar bed.”

“Nee,” zei Lucia. “Ik blijf nog even op.”

HOOFDSTUK 6 – 4e DOSIS

6

Van Santen had haar langer aangekeken dan anders toen ze het bekertje met de capsule Memorin op tafel zette.

“U mag altijd stoppen”, zei ze.

“Ik wil het”, zei Lucia, weifelend en nog zachter dan de vorige keer.

“Weet u zeker dat het niet te onprettig wordt? Wat u vertelde… het lijkt me niet niets.”

“Ik wil het”, zei Lucia. “Ik wil weten wat er gebeurd is.”

“En als het nu waanbeelden zijn?”

“Ik wil weten wat er echt gebeurd is”, zei Lucia. “Al moet ik de waarheid eruit slaan.”

Van Santen keek haar niet begrijpend aan.

“Bij wijze van spreken”, zei Lucia.

“Goed”, zei Van Santen. “En dank dat u nog steeds wilt meewerken. Heeft u wel iemand die vandaag bij u kan blijven?”

“Ja. Mijn zus.”

“Vertrouwt u haar nog?”

“Ze bedoelt het niet slecht.”

Van Santen schoof het bekertje naar haar toe.

Deze keer begon het al in de taxi naar huis.

De taxichauffeur luisterde naar een praatprogramma waarin drie mannen een verhitte discussie hadden over voetbal. Lucia zat achterin, en vroeg zich af waar de mannen zich zo druk over maakten. Ze zou wel nooit begrijpen hoe zoiets onbeduidends als een spelletje zulke heftige reacties kon oproepen. Of hadden die mannen het zo goed voor elkaar dat ze niets anders hadden om zich druk over te maken? Dat ze, bij gebrek aan werkelijke problemen, voor zichzelf zichzelf problemen verzonnen? In dat geval zou ze graag met hen ruilen. De stad trok aan Lucia voorbij. De taxi ging de A12 op. Lucia leunde achterover.

Toen rook ze de zee. De dichte, bedorven geur van aangespoeld wier, nat zand en handdoeken die te lang in een tas hadden gezeten. De geur van de Middellandse Zee.

Lucia sloot haar ogen.

“Alles goed, mevrouw?” vroeg de chauffeur, terwijl hij haar in zijn achteruitkijkspiegel aankeek..

“Ja,” zei ze.

Hij keek nog een keer.

“Ik word alleen oud.”

Hij zweeg en zette de radio wat luider. Lucia concentreerde zich op de uitzending. “In 1974 hadden we moeten winnen”, schreeuwde de ene man. “Anders in 1978 wel”, wierp de ander tegen. En hoewel ze gesprekken over voetbal meed, was het alsof ze deze discussie al honderden keren had bijgewoond.

Thuis stommelde ze naar de keuken en ging daar aan de tafel zitten.

Ze dacht aan de tuin, aan de slaapkamer. Aan de twee stemmen. Ze hoorde hoe de twee stemmen verstomden. Lucia bleef een paar minuten wachten of er weer geluid uit de slaapkamer zou komen, maar niets. Ze sloop het huis in. Daar zag ze Wim onderaan de trap staan. Riet stond boven aan de trap, in haar blauwe ochtendjas. En lachte.

Wim zei: “Ze merkt het niet.”

Riet zei: “Misschien wel.”

Wim zei: “Al merkt ze het, ze wil het niet weten.”

Daarna niets.

Lucia keek nig eens goed naar Wim. Wat was hij jong, wat was hij knap. Een jonge George Clooney in de oude herberg. Maar wat had hij daar in zijn hand?

Een mok. Een witte, onmatig grote mok met het opschrift ‘I’m the boss’.

Riet vond haar om vier uur op de keukenvloer. Ze hielp Lucia overeind. “Wat is er gebeurd?” vroeg Riet.

“Ik ben op de vloer gaan zitten.”

“Waarom?”

“Misschien om dichter bij de aarde te zijn.”

“Lucia.”

“Ik weet het niet.”

“Moet ik de kliniek bellen?”

“Nee.”

“Heb je weer iets gezien?”

“Ja.”

“Iets van vroeger?”

“Alles is van vroeger.”

“Niet alles.”

“Bij ons wel.”

Riet maakte koffie voor Lucia en schonk de ‘I’m the boss’-beker in. Halfvol, zag Lucia. Maar het was tenminste wel lekker sterk, proefde ze. “Ik zag jou en Wim”, zei ze. “Samen.”

Riet ademde langzaam uit.

“Wanneer?”

“Jij weet wanneer.”

“Nee.”

“Riet.”

“Ik weet niet wat jij zag.”

“Maar je weet wat er is gebeurd.”

“Wim was…” Ze maakte haar zin niet af.

“Wat was Wim?”

“Charmant,” zei Riet. “Hij maakte iedereen het gevoel dat ze speciaal waren. Dat weet jij ook.”

“Ja, dus?”

“Ik hield van hem”, gaf Riet eindelijk toe.

“Dat is geen antwoord op de vraag wat er is gebeurd.”

“Nee.”

“Hield hij van jou?”

“Misschien. Ik weet dat hij van jou hield.”

“En toch heb ik jullie samen gezien.”

“Ik weet niet wat je hebt gezien, maar het is niet gebeurd.”

Lucia zuchtte. “Misschien ben je het vergeten.”

Riet lachte schamper.

Lucia keek naar de foto van Wim op de kast.

“Ik denk dat ik het wist,” zei ze. “Maar dat ik het niet wilde weten.”

Riet zei niets. “Je hebt nooit iets laten merken. Als je het wist denk ik dat je het wilde vergeten.”

“En toen bén ik het vergeten. Kwam jou dat even goed uit.”

“En jou toch ook?”, probeerde Riet.

Die avond toen ze in bed lag, pakte Lucia haar notitieboekje en schreef:

Dosis 4.

Riet en Wim.

Riet zegt: “Ik hield van hem.”

Ik wist het misschien.

Ik heb ze gezien, samen. Misschien. Maar die mok dan, ‘I’m the boss’, die ik van Hanne heb gekregen? Misschien heb ik het me verbeeld? Misschien is er niets gebeurd?

Misschien dat de vijfde capsule antwoord geeft op mijn vragen?

Maar wil ik wel antwoord op die vragen?, dacht Lucia nadat ze de pen had neergelegd.

HOOFDSTUK 7 – 5e DOSIS

7 2

“U mag altijd stoppen”, zei Van Santen toen Lucia haar belde.

“Ik weet het niet meer zeker”, zei Lucia. Ik wil er over nadenken voordat ik de laatste pil neem.”

“Natuurlijk”, zei Van Santen. “En als u besluit om te stoppen…”

“Dan mag dat”, vulde Lucia aan.

“Ja”, zei Van Santen. “En als u de laatste capsule niet wilt, hoeft ‘m alleen maar terug te sturen.”

“En als ik het vergeet?” had Lucia gevraagd.

“Dan bel ik u.”

En dus ging de geplande afspraak met Van Santen niet door.

Lucia bleef wel oefenen.

Namen. Hanne. Imke. Van Santen. De buurvrouw: mevrouw Otten, niet Ottens. De jongen van de supermarkt: Sami, met een i. De fysiotherapeut van Riet: Karin, hoewel Riet volhield dat ze Karien heette.

Ruimtes

Het ouderlijk huis. Groene tegels. Rode koffiebus. Riet wiebelend op de stoel.

De oude herberg. De gang. De geur van de open haard. Het dunne gordijn.

Riet keek toe. Soms leek ze vijandig. Dan weer verdrietig. Dan weer liefdevol..

“Je wordt sterker,” zei ze op een middag.

Lucia zat aan de tafel met haar notitieboekje.

“Dat was de bedoeling.”

“Ik bedoel niet je geheugen.”

“Wat dan?”

Riet zocht naar een woord.

“Jij.”

“Ik weet niet of ik dat wel fijn vind.”

“Dat weet ik.”

Zo ging dat kibbelende en kabbelende drie weken door. De vijfde capsule lag in het kartonnen doosje op de vensterbank. Eerst midden op tafel. Later naast de fruitschaal. Daarna verstopt in een la met theedoeken, nadat Hanne had gevraagd of het een snoepje was.

Lucia sliep beroerd. Ze werd elke nacht wakker om vier uur. Soms bleef ze liggen. Soms stond ze op en zette koffie. Soms ging ze in de stoel in de kamer zitten met een plaid over haar knieën en keek naar buiten. Soms zag Wim en Riet weer.

Hanne ging terug naar haar ouders.

De avond ervoor vroeg ze of oma nu genezen was.

Lucia zat op de rand van het logeerbed terwijl Hanne haar knuffelvis in haar tas probeerde te krijgen.

“Nee,” zei Lucia.

“Maar je vergeet mijn naam niet meer.”

“Nee.”

“Dan ben je toch een beetje genezen?”

“Een beetje misschien.”

“Is dat genoeg?”

Lucia keek naar het kind. Ze had haar naam paraat. Haar gezicht. Haar geur van shampoo en potloodslijpsel.

“Misschien,” zei Lucia.

Hanne knikte. “Voor mij is het genoeg.”

Van Santen belde op vrijdagochtend om negen uur.

“Ik doe het”, zei Lucia.

“Wanneer kunt u langskomen?”, vroeg Van Santen.

“Kan ik de capsule niet hier nemen?”, vroeg Lucia. “Helemaal naar Utrecht.”

“Als uw zuster er maar bij is”, zei Van Santen. “Dan zie ik geen bezwaar.”

“We zijn onafscheidelijk”, spotte Lucia. “Ik wilde het vandaag doen, dan is ze er zeker.”

“Leg uw telefoon binnen handbereik. Neem de capsule niet als u zich zwakker voelt dan anders.”

“Dat doe ik. En ik zal uitgebreid aantekeningen maken.”

“En bel als u denkt dat u uzelf helemaal kwijtraakt.”

“Daar kan ik me niets bij voorstellen.”

“Hopelijk hoeft dat ook niet.”

Na het gesprek pakte ze het doosje en drukte de capsule uit de strip.

Ze legde hem naast haar mok: ‘I’m the boss’.

Ze zette een kop koffie.

En ze zette een kop thee. En gooide de capsule daarin. Ze zag hoe de pil langzaam oploste in het theewater.

Ze pakte de ‘I’m the boss’-mok en nam een slok van haar koffie en wachtte. De pil was volledig opgelost, onzichtbaar.

Riet kwam aangelopen, kennelijk gelokt door het gepiep van de fluitketel.

“Van Santen belde net”, zei Lucia.

“Ze zou bellen.”

“We hebben afgesproken dat ik de laatste pil ook neem.”

“Het is jouw keuze.”

“Ik wil het weten”, glimlachte Lucia.

“Maar we moeten wel de hele dag bij elkaar blijven.”

“Ik zal op je passen”, zei Riet en nam een slok van haar thee.

“We zullen op elkaar passen.” Lucia hief haar ‘I’m the boss’-mok in de lucht en proostte.

EINDE

Beelden: zelf gebakken met ChatGPT

Logo voor de Sci-Fai / Komedie- en tragediereeks: zelf gebakken met ChatGPT

Deel:

Geef een reactie