Een pijnlijke verkiezingsoverwinning

Wij hebben weer gewonnen, maar blij zijn wij niet. Wij – de niet-stemmers, bedoel ik natuurlijk – hebben zelfs een absolute meerderheid behaald. Maar ons zie je geen polonaise lopen of de macarena dansen. Waarom organiseren we ons niet, waarom richten we geen ‘Partij van de Meerderheid’ op? Wat is dat toch met ons? Waarom blijft de overwinningsroes ook dit keer uit?

Volgens sommige analisten zijn wij niet-stemmers tevreden mensen, die op verkiezingsdagen thuis blijven omdat ze vinden dat we eigenlijk allemaal wel goed voor elkaar hebben met z’n allen. Goed genoeg in elk geval. Er is weinig om ons druk over te maken; waarom dan de gang naar de stembus gemaakt? Andere analisten zien ons juist als zwartkijkers – als mensen die teleurgesteld zijn in de politiek, in elk geval als mensen die niet geloven dat politici wat zullen doen aan de problemen in de samenleving. Waarom zou je dan nog stemmen?

Ik vrees dat de tweede groep analisten het bij het rechte eind heeft en dat wij (toegegeven, ik spreek namens mezelf) ‘de politiek’ en ‘de politici’ eerder als oorzaak dan als oplossing van onze maatschappelijke problemen zien, of op z’n minst als belichaming ervan. Dat klinkt misschien vaag en dat is het soms ook wel – soms is het niet meer dan een onbestemd gevoel van onbehagen jegens ‘de politiek’ en ‘politici’. Maar dat vage gevoel blijkt regelmatig terecht. Neem nou de situatie in het Nederlandse onderwijs: wij kunnen ons niet aan de indruk onttrekken dat als ‘de politiek’ zijn handen had thuis gehouden, het onderwijs er veel beter had voorgestaan. Hadden de politici maar naar ons geluisterd – hadden ze maar géén mandaat van de kiezer gekregen om hun rampzalige maatregelen door te voeren.

Waarmee meteen een eerste reden is aangestipt waarom wij niet blij zijn met onze overdonderende overwinning: we hebben gelijk, maar een prettige gewaarwording is dat allerminst. Want ook wij hunkeren naar een betere wereld. Alleen geloven we niet die met politieke middelen bereikt kan worden. Hoe het dan precies moet? Dat weten wij ook niet, lang niet altijd tenminste.

Om terug te komen op het voorbeeld van het onderwijs: natuurlijk waren er in de jaren van de wederopbouw maatregelen nodig om het onderwijs voor een bredere groep mensen toegankelijk te maken, en was niets doen geen goede optie. Maar daarom hebben we nog wel gelijk met onze constatering dat ‘iets’ doen slechter kan uitpakken dan niets doen – kijk maar naar de invoering van de Mammoetschool, van het Iederwijs – noem de rampzalige onderwijsvernieuwingen maar op. Niet elke verandering is een verbetering, ook al zijn er veranderingen nodig. Niet dat wij weten welke veranderingen wel goed uitpakken. Wij oordelen niet over zaken waar we geen verstand van hebben. En dat onwetende, weifelachtige van ons is niet iets om trots op te zijn, dat zien wij niet-stemmers ook wel in. We voelen ons schuldig dat we kritiek hebben op de oplossingen van politici maar zelf geen alternatieven hebben.

Dat niet alleen, we schamen ons ook – en dat is een tweede reden waarom wij niet-stemmers ons ondanks onze eclatante verkiezingsoverwinning gedeisd houden. Niet-stemmen is een taboe en niet-stemmers zijn de paria’s van de moderne westerse samenleving. Als niet-stemmer sta je al gauw te boek als ‘cynisch’ en ‘negatief’, ben je iemand die ‘zijn stem vergooit’, ben je ‘anti-democratisch’. Je wordt op één hoop gegooid met ‘proteststemmers’ (PVV-achtigen) – terwijl dat mensen zijn die de gevestigde partijen beu zijn, niet mensen die het vertrouwen in de politiek hebben opgegeven. Of er wordt je verweten dat je je gedraagt als de mensen die zich tijdens het interbellum in Duitsland afkeerden van de politiek – en we weten allemaal hoe het met de Weimar-republiek is afgelopen, niet? We worden in de nek aangekeken, zoveel is zeker.

Daar wil je niet bij horen, bij die niet-stemmers. En als je er bij hoort, dan wil je er niet voor uitkomen. En als je er voor uitkomt, dan vier je het niet maar doe je alsof je een misdaad bekent.

Deel:

Geef een reactie