Verloren voorwerpen (Over zoeken en vinden)

Verloren voorwerpen (Over zoeken en vinden)

Je hebt mensen die als ze iets kwijt zijn allereerst gaan kijken waar ze het laatst geweest zijn en die sleutel, die tas of dat t-shirt het laatst gezien hebben. Ze gaan als het ware terug in de tijd, ze reconstrueren het zeer recente verleden en hopen zo dat verloren voorwerp te vinden. En als dat niet lukt, gaan ze nog verder terug en nog verder – net zo lang tot hun herinnering hen in de steek laat. “Waar kan ik het toch hebben gelaten? Ik ben vergeten waar het is.”

Dan heb je mensen die als ze iets kwijt zijn allereerst gaan kijken waar het zou moeten zijn. “Hangt die sleutel niet aan het haakje naast de deur? Die tas niet aan de kapstok, waar die hoort, en dat T-shirt niet netjes opgevouwen in de kast of in de wasmand bij de vuile was?” Als deze mensen zoeken, tasten ze als het ware de ruimte af. Ieder voorwerp heeft één of twee vaste plekken, en als het voorwerp dat ze kwijt zijn daar niet ligt, dan heeft het ook weinig zin om verder te zoeken.

Waarmee meteen verklaard is waarom mensen die ‘zoeken in de tijd’ veel meer tijd kwijt zijn met zoeken dan mensen die ‘zoeken in de ruimte’. Je kunt blijven teruggaan in het verleden: naar gisteren, naar eergisteren, de dag daarvoor, de dag daar weer voor. Er komt geen einde aan. De ruimte waarbinnen we zaken kunnen bewaren (en dus kwijtraken) is echter zeer beperkt: ons huis heeft maar zo veel vierkante meter, en die heb je zo doorzocht als er maar één of twee plekken zijn waar je hoeft te kijken.

Is het dus beter om geen ‘tijdreiziger’ te zijn maar een ‘ruimtereiziger’ als je iets wilt vinden? Natuurlijk niet: welke zoekmethode het beste is, hangt af van hoe geordend iemand is. Een chaoot die zijn sleutel kwijt is, heeft er weinig aan om te kijken of die sleutel aan het haakje naast de deur hangt – daar hangt het namelijk zelden, en als het er hangt is dat zuiver toeval. Hij zal toch terug moeten vallen op zijn geheugen. Hij is als een computerprogrammeur die zijn code heeft volgegooid met GOTO-statements, en zijn hele programma moet doorlopen als hij een regel wil veranderen. Alleen iemand die orde in zijn bezittingen heeft aangebracht, hoeft alleen op de meest waarschijnlijke plekken zoeken.

Dit alles als lange inleiding op een kort betoog. Het schijnt dat sommige mensen (vrouwen? kinderen? indianen?) beter kunnen zoeken dan andere. Ik weet niet of ik er trots op zou zijn als ik goed kon zoeken. Dat ik überhaupt moest zoeken, zou ik al een blamage vinden.

Want je leven zo inrichten dat je niets kwijtraakt: dat is de kunst.

Deel:

Geef een reactie