Geluk bij een ongeluk (Een Sci-Fai / Romantiekverhaal)

Geluk bij een ongeluk (Een Sci-Fai / Romantiekverhaal)

<Tekst is gereed, beeld en podcast volgen>

HOOFDSTUK 1: EEN TRUSTED ADVISOR EN ZIJN TRAD WIFE

Ik ga jullie iets vertellen over mezelf en over een man die dacht dat hij wist wat goed voor me was.

Die man is Robert. Als hij hier was geweest, had hij jullie zelf kunnen vertellen wie hij is. Maar aangezien hij verstek heeft laten gaan, doe ik het maar – ha ha. Hij is bankier. Een ’trusted advisor’, staat er op z’n business card – wat dat ook mag betekenen. Een man wiens advies je serieus neemt, misschien is dat het. En reken maar dat zijn adviezen serieus worden genomen. Niet eens omdat zijn adviezen zo denderend zijn, maar eerder omdat hij niet iemand is die je snel tegenspreekt. Niet door mij in elk geval. Jarenlang niet.

Maar ik loop op de zaken vooruit. En ik wil het vooral over mezelf hebben vanavond, daarvoor zijn jullie hier toch gekomen, ha ha. De vrouw die Robert nooit tegensprak. Elf jaar lang niet. Elf lange jaren als wat tegenwoordig ’trad wife’ wordt genoemd. Elf lange jaren als ‘de vrouw van’, als wat ironisch werd aangeduide als ‘de vrouw achter de man’, en – zoals Robert het noemde ‘de stille motor in ons huwelijk’.

Ik kan niet zeggen dat ik bewust heb gekozen om die rol al die jaren op me te nemen. Maar om te doen alsof het me is overkomen, wat veel vrouwen in mijn positie doen? Dat vind ik laf. Dan heb je wat mij betreft nog steeds niet geleerd je eigen verantwoordelijkheid te nemen. Terwijl je er toch echt zelf bij was. Ik houd het erop dat ik het me heb laten overkomen. Ik had na mijn studie kunnen promoveren, had een loopbaan kunnen hebben. Maar dat is allemaal niet gebeurd. Omdat ik ervoor koos om daar niet voor te kiezen. Ik was er zelf bij. En ik had geen zin om hard te werken. Ik was niet ambitieus genoeg. Wat zeg ik: ik werd al moe bij de gedachte om mee te moeten doen aan die ‘rat race’ waar mensen als Robert volop aan deelnemen. En die het ook niet makkelijk hebben. In zekere zin zelfs minder makkelijk dan ik.

Want ik had een goed leven, dankzij Roberts rondgehol in de tredmolen van werken, eten, slapen, werken, eten slapen, werken. Ik had een rustig bestaan. Ik denk vaak met weemoed terug aan ‘ons’ appartement aan de Valeriusstraat – het appartement dat uiteraard op zijn naam stond – het appartement met de hoge ramen, het strijklicht dat in de namiddag de parketvloer deed oplichten. En ik verlang ook maar wat vaak terug naar mijn leven van toen, een leven van uitslapen, yoga en tennis. Nu zie ik in dat ik voor dat luxeleventje een hoge prijs heb betaald, maar daar was ik me toen nog niet van bewust.

Als je me toen gevraagd had welke tegenprestatie ik moest leveren voor al dat comfort? Dan had ik waarschijnlijk gezegd: ik moet zorgen dat hij zijn werk kan doen en dat hij zich thuis geen zorgen hoeft te maken of het eten op tijd op tafel komt, dat we voldoende van de wijn die hij lekker vindt in huis hebben, dat de bloemen in de woonkamer niet verpieteren, dat de kerstkaarten op het juiste, geschepte papier worden gedrukt, dat hij de verjaardagen van ouders niet vergeet… dat hij zich geen zorgen hoeft te maken over allerlei ditjes en datjes.

Ik had gezwegen over de zaken die mij tegenstonden. Zijn manier van praten over mensen die hij niet serieus nam. De kleine, pesterige opmerkingen richting mij in de aanwezigheid van vrienden. Die keer dat hij zei dat ik ‘nu eenmaal niet zo belezen’ was toen ik niet op de naam kon komen van een of andere schrijver. Dat hij geërgerd wegkeek toen ik een glas wijn omstootte. Dat hij vernietigend zweeg toen ik vroeg hoe het nou zat met de koers van obligaties als de rente omhoogging. Al die kleine vernederingen die ik heb moeten incasseren: die zou ik nu ook als tegenprestatie beschouwen.

Maar dat kwam toen niet bij mij op. Als hij mij kleineerde in het bijzijn van anderen? Dan lachte ik het weg, vouwde ik mijn servet opnieuw en vroeg ik vroeg of iemand nog wat wijn wilde. Ik zei niet: hoe durf je? Dat is achteraf bezien nog wel het vreemdste: niet dat hij het zei, maar dat ik het over me heen liet gaan. Of dat ik zijn kritiek in een opdracht aan mezelf vertaalde: meer lezen, meer onthouden, beter mijn best doen om het hem naar de zin te maken. Alles om hem waar voor zijn zuurverdiende centen te geven.

Wij zouden op een vrijdagavond terugrijden van een diner bij Roberts collega Ernst in Amstelveen. Toen we vertrokken stonden de meeste mannen nog in de kamer met het glas in de hand en het lichaam iets naar voren gewichtig zaken te bespreken. De vrouwen waren bij elkaar gekropen rondom de eettafel en praatten over hun kinderen, scholen, huizen en vakanties.

Het samenzijn was nog lang niet voorbij, maar Robert wilde opeens dringend weg. In de auto werd duidelijk waarom. Ernst bleek op het werk iets buiten Robert om te hebben besloten. Dat was tot daaraantoe, maar Robert was het ook helemaal niet mee eens met dat besluit. Robert nam niet de moeite mij volledig bij te praten, maar uit zijn hatelijke ‘dat zet ik hem betaald’, ‘dat moet hij me niet nog eens flikken’ en ‘ik zal hem eens laten voelen wie…’ maakte ik op dat er zoiets aan de hand moest zijn.

Ik luisterde naar Roberts scheldkanonnade en knikte op de juiste momenten. Ter hoogte van de Vrije Universiteit wilde ik mijn gordel omdoen.

“Laat maar”, zei hij. “Niet nodig.”

Ik had mijn hand al bij de gesp. “Voor de zekerheid.”

Hij keek opzij. Niet lang. Een fractie maar. “Vertrouw je me soms niet?”

“Natuurlijk wel.”

“Nou dan.”

“Het is niet bedoeld om…”

“Anna”, zei hij, met een langgerekt, vermoeid ‘aaaaaah’ aan het einde, zoals hij altijd deed wanneer hij zich aan mij ergerde.

Ik liet de gesp los.

Hij haalde diep adem, om zijn longen weer met lucht te vullen. “Zo zit je toch veel lekkerder?”, vroeg hij. Hij legde zijn hand vaderlijk op mijn been.

Vermoedelijk was ik opgelucht dat zijn woede was bedaard. Ik weet het niet zeker, ik kan het me niet meer precies herinneren. Wat ik me wel herinner: dat we over de Stationkade, voorbij het voormalige brugwachtershuisje waar nu een snackbar zit en toen zonder in te houden bij het anders zo rustige kruispunt. Ik herinner me dat vanuit mijn ooghoek koplampen vanuit het donker op me zag afkomen. Daarna niets.

HOOFDSTUK 2: DE VROUW VAN ZES MILJOEN

Robert had een gebroken sleutelbeen en twee gekneusde ribben. Ik was er minder genadig van afgekomen. “Waarom had je dan ook geen gordel om?”, vragen veel mensen me. En als ik dan uitleg dat Robert het niet nodig vond, zeggen ze: “Je was er toch zelf bij?” En inderdaad, ik was er zelf bij, dat kan ik niet ontkennen.

Van de dagen daarna herinner ik me vooral de geur van ontsmettingsmiddel en het ruisen van apparaten. Ik herinner me dat ik lag ingesnoerd door het strak getrokken laken van mijn bed en dat ik vergeefs probeerde wat ruimte voor mezelf te winnen. En ik herinner me flarden van gesprekken die Robert voerde met de behandelend arts. Vandermeer, een neuroloog, gespecialiseerd in neuraal-corticale implantaten.

Ik weet nog dat Vandermeer uitlegde dat bepaalde hersengebieden niet meer goed functioneerden. Dat ik nog verder achteruit zou gaan als we te lang wachtten. Dat hij daarom een implantaat voorstelde. Een soort brug in de hersenen, om de gedeelten van de hersenen die uit elkaar waren geslagen weer met elkaar te verbinden. Een ingreep van niets.

Ik herinner me ook dat Robert tegen Vandermeer zei: “Dus eigenlijk bouwen jullie haar opnieuw op.”

“Zo zou ik het niet formuleren”, zei Vandermeer toen.

“Nee, maar toch. We can rebuild her. Better, stronger, faster.”

En, toen Vanvandermeer zweeg: “The Six Million Dollar Man.”

“Ja, daar lijkt het een beetje op. Al is het in dit geval eerder de vrouw van zes miljoen”, zei Vandermeer. “Gezien het geslacht van de patiënt.”

“De vrouw van zes miljoen?”, vroeg Robert.

“Er was ook een spin-off. The Bionic Woman. Jaime Sommers.” Vandermeer dacht na. “Of zoiets.”

“Daar weet ik niks van.”

“Ik ook niet precies. Ik meen dat Farrah Fawcett ermee te maken had.”

“Farrah Fawcett was van Charlie’s Angels.”

“Dan vergis ik me misschien.”

“Ze was getrouwd met Lee Majors”, zei Robert. “Nu weet ik het weer. Lee Majors was de man van zes miljoen.”

“Dat klinkt waarschijnlijker.”

“Vreemd eigenlijk.”

“Wat?”

“Hij was de man van zes miljoen. Maar zij werd veel beroemder.”

“Hij was ook niet zo’n geweldige acteur.”

“Nee”, zei Robert. “Maar zij wel dan?”

“Zij zag er in elk geval goed uit.”

“Tot ze er niet meer zo goed uitzag.”

Zoals jullie merken, kan ik het gesprek woordelijk reproduceren. Het gekke is alleen dat dit gesprek volgens Robert nooit heeft plaatsgevonden. Vandermeer kon zich het gesprek niet meer herinneren, maar was geneigd Robert gelijk te geven. Het kwam wel vaker voor dat mensen die een neuraal-corticaal implantaat hadden gekregen last hadden van wat hij ‘inferentiële infilling’ noemde: het brein uit summiere informatie een eigen werkelijkheid opbouwt.

“Dus jullie hebben het wel over de ‘Man van zes miljoen’ gehad? “, vroeg ik Vandermeer daarom.

“Ik zou het niet durven zeggen”, zei hij. “Misschien is het een fantasma.”

“Een wat?”

“Misschien u het heeft verzonnen. Een bijwerking van het implantaat. Maar maakt u zich geen zorgen. Als het brein eenmaal gewend is aan het implantaat, is het afgelopen met de waanvoorstellingen.”

Ik ging er verder niet op in. Maar ik vroeg me wel af: als mijn brein mij had voorgelogen, waarom dan juist deze leugen? Waarom leek het mijn brein zo waarschijnlijk dat Robert tijdens een ernstig gesprek over mijn hersenoperatie zou beginnen over de ‘Man van zes miljoen’? Omdat ik diep van binnen geloofde dat Robert niet werkelijk om mij gaf, en daarom maar met wat relativerende opmerkingen rondstrooide? Of dat hij de situatie niet aankon, en daarom de lolbroek uithing? Of… Ik weet het niet. Maar dat mijn brein mij juist dit gesprek voorschotelde is veelzeggend, realiseer ik me nu. Het was het zoveelste teken dat Robert mij niet netjes en met aandacht kon behandelen. En een teken dat ik daar niet meer tegen kon.

HOOFDSTUK 3: REISONGEMAKKEN

Thuis was er op zich weinig veranderd, zag ik toen Robert me naar binnen hielp, zijn hand onder mijn elleboog. De vaas op de schoorsteenmantel. De kussens op de bank, precies zoals ik ze er jaren geleden had neergelgd toen ik dacht dat ik misschien interieuradviseur wilde worden. De schilderijen aan de muur. De geur van hout, wasmiddel en iets bloemigs. Het huis was zo netjes dat het leek alsof zelfs stof toestemming nodig had om neer te dalen. Hij had schoongemaakt. Of iemand laten schoonmaken.

“Ga zitten, liefje”, zei hij. “Ik zet thee.”

Weken van ziekenhuisplafonds, zacht pratende stemmen en apparaten die maten wat er van mij over was. En nu zat ik opeens op mijn eigen bank en vroeg ik me af hoe lang die schilderijen daar al zo hingen.

Robert ging tegenover me zitten met de blik die ik in het ziekenhuis van hem had leren kennen: zorgzaam, alert, licht beoordelend. Alsof hij controleerde of mijn genezingsproces verliep zoals hij dat wilde.

Hij schonk me een kop thee in en zei: “Vandermeer zei dat je de eerste weken rustig aan moet doen. Niet te veel prikkels.”

“Dat weet ik. Ik was er zelf bij.”

Een kleine stilte. Niet lang.

“Ik zeg het alleen maar.”

“Ja”, zei ik. “Dat weet ik.”

Hij gaf me een uitgeprint A4’tje. Een weekrooster. Vandermeer maandag en donderdag, medicijnen om acht en twaalf en zes, rusttijd van twee tot vier aangegeven met een grijs blok.

‘Ik heb het even op een rijtje gezet,’ zei hij. ‘Zodat het overzichtelijk is.’

Ik keek ernaar. Het klopte allemaal. De tijden, de namen, de volgorde. Het was ongetwijfeld goedbedoeld. Op zijn manier deed hij zijn best.

De revalidatiesessies begonnen meteen de week daarop. Oefeningen voor coördinatie, concentratie en om de hersenen te stimuleren om nieuwe verbindingen aan te leggen. Een pen neerleggen en weer oppakken. Woorden herhalen. Een reeks cijfers achterstevoren zeggen. Vragen beantwoorden die zo eenvoudig waren dat het vernederend werd wanneer je erover moest nadenken.

Robert had aangeboden mee te gaan.

“Ik kom met je mee”, zei hij aan het ontbijt. “Ik wil er zijn.”

“Dat hoeft niet.”

“Ik wil het.”

En omdat hij het wilde ging hij mee.

In de behandelkamer zat hij op een stoel die te klein voor hem was. Zijn jasje hing over de rugleuning. Tijdens een oefening met houten blokjes keek ik op. Hij zat voorovergebogen, volledig in beslag genomen door zijn telefoon.

Na afloop vroeg hij hoe het ging.

“Goed.”

Hij knikte. “Ik ben blij dat ik ben meegekomen. Goed om te zien dat het al beter gaat.”

Daar had ik wat van kunnen zeggen, maar ik deed het niet. Achteraf gezien was dit de laatste keer dat ik me terwille van de lieve vrede inhield. Ik zuchtte. Hij merkte het niet, of deed alsof hij het niet merkte.

In de auto naar huis vroeg ik of hij trek had in iets. Een broodje, soep, koffie. De vraag floepte er zo maar uit. Maar ik had die vraag nog niet gesteld of ik realiseerde me dat het een automatisme was geweest. Vroeger als wij overdag in de auto stapten, was het altijd mijn taak geweest om Robert te cateren. Vandaar die vraag. Een pavlovreactie, dat was het geweest. Ik was helemaal niet van plan om Robert van eten te voorzien.

Want ook al waren mijn oude reflexen kennelijk nog niet helemaal verdwenen, mijn karakter was veranderd. Van de ene dag op de andere: er was het ongeluk, er was de operatie en daarna was ik een ander mens. Het klinkt misschien clichématig, het valt jullie misschien tegen dat ik als schrijver niet met een beter beeld op de proppen kan komen, maar dat is dan maar zo. Het was alsof ik een raam dat jarenlang had vastgezeten in één beweging had opengetrokken.

Het begon met vragen.

Ik had altijd vragen gesteld. Maar het waren veilige vragen geweest. Vragen naar de bekende weg. Vragen die Robert uitnodigden zijn verhaal te vertellen. Robert hield van die vragen. Ze bevestigden zijn idee van een gesprek: hij sprak, ik luisterde, we begrepen elkaar.

Nu stelde ik andere vragen.

Op een avond, drie weken na mijn thuiskomst, vertelde hij over een beslissing op zijn werk. Een reorganisatie. Iemand moest worden verplaatst naar een andere functie. Hij legde het uit zoals hij dingen altijd uitlegde: helder, afgerond, de conclusie al ingebakken in de opbouw.

“Waarom hij?” vroeg ik.

Robert keek op. “Wat bedoel je?”

“Waarom juist die persoon?”

“Omdat hij al een tijd underperformt.”

“Heeft hij dat zelf ook gehoord?”

Robert liet zijn vork zakken. “Hij weet dat hij niet op koers zit.”

“Maar heeft iemand het hem gezegd? Zo direct?”

Robert keek me peinzend aan.

“Vandermeer zei dat je in het begin wat scherper kon zijn. Dat trekt weer bij. Maak je geen zorgen.”

Natuurlijk waren dit soort vragen vroeger ook bij mij opgekomen. Alleen kwamen ze toen niet ver. Als hij iets zei wat me stoorde, dacht ik: hij is moe. Als hij te laat thuiskwam: drukke dag. Als hij kortaf was: zorgen op het werk. En dus sprak ik me niet uit. Na de operatie wel. Ongeremd. Nu stelde ik vragen over zaken waar Robert het liever niet over had. Juist daarover, want juist daarover wilde ik het hebben.

Over die ene keer, een zondagmiddag anderhalf jaar voor mijn operatie, toen hij een telefoongesprek opeens afkapte toen ik binnenkwam. Over de keren dat hij later thuiskwam dan verwacht. Omdat een vergadering was uitgelopen. Een klant extra aandacht nodig had. Een diner waar hij als ’trusted advisor’ niet onderuit kon. dat uitliep.

Nooit had ik om opheldering gevraagd. Maar nu wel. Ik kon niet anders.

“Was er iemand anders?”, vroeg ik.

Hij keek me aan. Langer dan nodig was voor iemand die niets te verbergen heeft. Korter dan iemand die betrapt is. Ergens daartussenin.

“Hoe kom je daar bij?”

“Uit mijn geheugen.”

“Dat is beschadigd. En dat implantaat, Anna.”

“Dat weet ik.”

“Vandermeer heeft gezegd…”

“Ik weet wat Vandermeer heeft gezegd. Ik vraag je iets.”

Hij sloot zijn laptop. Dat gebaar kende ik. Hij nam me serieus. Of hij speelde dat hij me serieus nam.

“Iemand anders?”, zei hij. “Natuurlijk niet. Wie dan?”

Ik haalde mijn schouders op.

“Na alles wat we hebben meegemaakt”, zei hij, zachter nu, “kom je nu hier mee? Na alles wat ik heb meegemaakt. Na alles wat ik heb gedaan. Is het nog niet genoeg?”

En als om te bewijzen dat hij echt het beste met mij voorhad, en echt om mij en mij alleen gaf, deed hij de dagen daarop zijn best extra aardig te zijn.

In die weken werd hij aardiger. Hij nam opeens bloemen voor me mee. Hij probeerde opeens belangstelling te tonen. Hij legde opeens bemoedigend een hand mijn schouder wanneer ik niet op een naam kon komen of vastliep in een zin. En opeens kwam hij met twee tickets voor een reis naar Lissabon op de proppen.

“Het zal ons goed doen”, zei hij.

Tegenwoordig wordt er vaak gezegd dat je samen met vakantie gaat om ‘herinneringen te maken’. Welnu, dat hebben we gedaan. Alleen niet de herinneringen die ik het liefste had willen maken. En al helemaal geen herinneringen die hij het liefste had gezien. Ik herinner me vooral de slapeloze nachten, dat ik naast hem lag en luisterde naar zijn zware, gelijkmatige ademhaling. Alsof hij de dag op slot deed zodra hij zijn ogen sloot. En mij de toegang tot zijn dromen ontzegde.

De enige prettige herinnering die ik heb aan onze laatste reis samen is dat ik toen Het boek der rusteloosheid heb gelezen, dat ik had gekocht omdat ik meer wilde weten over die man van wie dat bronzen beeld naast een lege stoel in het hartje van Lissabon staat. Het was een boek waarvan ik nog niet de helft begreep, maar dat me toch – of juist daarom – enorme troost bood. “Al die ongelukkige voorvallen in ons leven waarin we belachelijk of verachtelijk of achterlijk waren, moeten we in het licht van onze innerlijke rust eigenlijk als reisongemakken beschouwen.”

Dat soort zinnen, daar putte ik hoop uit. Ik geloof zelfs dat het boek me op het spoor van mijn eigen schrijverschap heeft gezet. En daarmee ook van deze lezing. Dankzij Pessoa sta ik hier, al zou hij mijn aanwezigheid hier zeker hebben afgekeurd. “Ons nooit verwaardigen lezingen te houden”, zei hij. “Anders denken ze nog dat we meningen hebben, of met ons publiek te praten. Als het publiek dat wil, moet het ons maar lezen. Bovendien lijkt iemand die een lezing houdt op een acteur – een wezen dat door iedere ware kunstenaar wordt veracht, de loopjongen van de Kunst.”

Sorry meneer Pessoa, maar ik laat me niet meer de les lezen.

HOOFDSTUK 4: WIE IK NU BEN

Zo kom ik vanzelf op Thomas.

Thomas, die er vandaag wel bij is.

Hij is niet de reden dat ik vertrok. Maar Thomas, jij bent belangrijk voor mij. Zonder jou was ik niet geworden wie ik nu ben. Daarom noem ik je toch.

Ik leerde Thomas kennen op een cursus korte verhalen schrijven. Vandermeer had gezegd dat creatieve activiteit goed was voor mijn herstel. Geïnspireerd door het Boek der rusteloosheid meldde ik mij aan voor die cursus en daar – in een zaaltje boven boekhandel Van Rossum – heb ik Thomas ontmoet.

Thomas, die later de illustraties bij mijn boek zou maken, maar dat wist ik toen niet. Ik aanvankelijk wist niet eens dat hij illustrator was, want dat vertelde hij pas toen de cursus bijna was afgelopen. Ik vond hem aanvankelijk eerder grappig dat aantrekkelijk, al vond ik het wel aantrekkelijk dat hij zo grappig was. Vooral omdat hij onbedoeld grappig was, dat vind ik altijd het leukste. De eerste avond maakte hij een grap over het brandalarm die niemand begreep. Ik al helemaal niet, ik weet ook niet meer wat de grap was. Wel herinner ik me dat hij rood aanliep en de twintig minuten daarna niets opschreef.

Op een avond dronken we koffie in het café ernaast. Hij had mijn verhaal gelezen, een schets over een vrouw die in een auto was gestapt maar vervolgens nergens aankwam. Hij stelde een vraag over een personage en begon daarna zelf het antwoord te geven. Halverwege stopte hij.

“Nee, wacht”, zei hij. “Dat vul ik nu voor je in. Dat moet ik niet doen.”

Hij lachte ongemakkelijk. “Waarom stapt ze in?”

Niet: het gaat natuurlijk over jou. Niet: het is een verhaal over jouw trauma. Alleen een vraag.

Op weg naar huis dacht ik: zo voelt dat dus. Dat iemand probeert te begrijpen wat je wilt zeggen zonder het direct te verdraaien zoals het hem het beste uitkomst.

Ik vertelde Robert niets over Thomas. Er viel niets te vertellen, niet echt. Maar ik vertelde hem wel wat ik had besloten.

“Ik denk dat ik hier weg moet”, zei ik.

Hij keek op van zijn laptop.

“Ik denk dat dit niet meer werkt.”

Hij sloot zijn laptop langzaam. Het gebaar van iemand die tijd probeert te winnen.

“Wat bedoel je?”

“Wat ik zeg.”

“Anna. Liefje.” Hij leunde achterover. Hij zweeg, langer dan gebruikelijk. Ik dacht even – misschien een seconde – dat hij echt in gesprek met me wilde gaan. Maar toen: “We hebben een moeilijk jaar achter de rug. Jij hebt een moeilijk jaar achter de rug. Dat kleurt alles.”

“Dat weet ik.”

“Het implantaat…”

“Het implantaat heeft niets kapotgemaakt wat heel was.”

Hij zweeg.

“Het heeft me hooguit beter laten zien wat kapot was.”

“Jij bent niet jezelf”, zei hij.

“Ik ben juist wel mezelf”, zei ik. “Juist wel. Dit is wie ik ben. Wie ik nu ben.”

Hij zweeg weer eens veelbetekenend.

De dagen daarna kwam hij er niet meer op terug. Hij kwam weer eens met bloemen aanzetten. Hij liet een kaartje slingeren van een therapeut. Hij deed alles wat een mens doet die niet weet hoe hij zijn relatie uit de gevarenzone moet slepen. Alles behalve de vraag stellen die er werkelijk toe deed: “Wie ben jij dan en wat kan ik doen om jou niet kwijt te raken?” Maar misschien wist hij het antwoord al en wilde hij dat niet horen.

Een paar weken huurde ik een appartement in de Pijp. Klein, met een slaapkamer waar net een bed in paste en een woonkamer met een open keuken met een gasfornuis met twee pitten. Ik had één koffer kleren meegenomen, mijn boeken en mijn laptop. De rest mocht Robert hebben: zijn smaak, niet de mijne.

De eerste weken belde Robert regelmatig. Altijd met een reden. Er was een brief bezorgd, ik moest niet vergeten dat ik een afspraak met de tandarts had, hij wilde iets weten voor een nieuwe verzekeringspolis. Hij was altijd kalm en redelijk. Ik ook. Ik nam de telefoon op wanneer hij belde, beantwoordde zijn vragen en hing nooit op zonder hem een prettige dag verder te wensen. Er viel niets te ruziën. We hadden ook nooit echt geruzied. Hooguit van tijd tot tijd een gewapende stilte vermomd als vrede – om het maar eens poëtisch uit te drukken, jullie zien: de schrijfcursus heeft z’n sporen nagelaten!

Als de tijd het toeliet schreef ik van me af. Eerst losse dingen. Zinnen op de achterkant van enveloppen. Fragmenten die ik tijdens de cursus had geschreven. Daarna langere stukken. Daarna iets wat op een verhaal begon te lijken. Mijn verhaal. En, dat was onvermijdelijk, het verhaal van Robert. Het schrijven ging steeds makkelijker en steeds sneller. Binnen twee maanden had ik een eerste versie af.

Thomas was de eerste die ik het liet lezen. Hij had nogal wat commentaar. “Hier leg je uit wat de lezer al lang en breed weet”, zei hij. Of: “Daar raak ik je kwijt.” Of simpelweg: “Dit vind ik goed, dat doet echt wat met me.” Hij had niet altijd gelijk, vond ik. Maar hij had geprobeerd me te begrijpen en in alle oprechtheid te reageren. Hij wel.

HOOFDSTUK 5: HERVONDEN HERINNERING

Nu is het boek er, eindelijk. En nu zitten jullie hier. Iedereen die ik heb uitgenodigd. Bijna iedereen tenminste. Thomas, jij bent er. Naast je staat een lege stoel. Jammer dat die niet is bezet, al had ik niet anders verwacht. Robert, misschien bij een volgende boek. Thomas, ik hoop dat jij er dan ook weer bij bent, want de kans is het groot dat het dan ook over jou gaat. Daar is het nu nog te vroeg voor.

Het boek heet Geluk bij een ongeluk.

De uitgever wilde iets anders. Iets minder clichématigs, zei hij. Ik heb voet bij stuk gehouden. Nee gezegd tegen titels als Ontbinding van een modelhuwelijk, De emancipatie van een trad wife en Een vrijgevochten vrouw. Dat gaat me nog niet makkelijk af, dat nee zeggen. Soms voel ik me alsof ik een vreemde taal aan het oefenen ben.

Maar dit ‘nee’ klopte, want – hoe kan ik dat het beste uitleggen? – de titel is dan wel een cliché, maar een cliché dat niet direct van toepassing lijkt op mijn verhaal. Dat daarom – wat mij betreft – ontsnapt aan het lot van de meeste clichés, namelijk oorspronkelijke gedachten in de kiem smoren. Een cliché dat niet clichématig wordt aangewend, maar juist tot nadenken stemt.

Want waar bestaat dat ‘geluk’ uit? Dat is nog niet zo eenvoudig uit te leggen. Ik wás gelukkig en dat geluk ben ik kwijtgeraakt. Dát geluk paste niet meer bij wie ik ben geworden na dat ongeluk. Ik heb het geluk gehad dat ik sterk genoeg was om mijn oude leven op te geven. Misschien wel dankzij het implantaat dat mijn leven heeft gered na dat ongeluk – een ongeluk dat misschien helemaal geen ongeluk was, aangezien het ertoe heeft geleid dat ik nu een nieuw leven kan leiden. Een nieuw leven, met nieuw geluk.

Robert is misschien de enige voor wie het geen geluk bij een ongeluk was. Maar zelfs dat weet ik niet zeker. Ik heb hem sinds de zomer niet meer gesproken. Dat hij er vandaag niet bij is begrijp ik: mijn bevrijding is voor hem een ongemakkelijk onderwerp. Maar we hebben nog steeds geen ruzie, er is geen rechtszaak, we gooien niet met modder naar elkaar. Hij woont nog in het appartement aan de Valeriusstraat, voor zover ik weet. Hij heeft een nieuwe relatie, heb ik gehoord. Ik hoop voor haar dat ze de kussens op de bank naar haar eigen smaak heeft kunnen groeperen. En ik hoop dat Robert lief tegen haar is. Dat hij haar ziet staan.

En, ook al heeft het mij zoveel goeds gebracht, dat ze nooit in een situatie terecht komt als ik, met een man die haar vraagt haar autogordel niet om te doen omdat dat een motie van wantrouwen zou zijn. Zeker niet als hij daarbij zelf gewoon wel een autogordel om heeft.

Inderdaad: hij had zijn autogordel wel om gedaan. Ik weet het zeker. De eerste weken na het ongeluk had ik geen enkele herinnering aan de rit van Amstelveen tot aan de Stadionkade, behalve dan die flarden: de woordenwisseling met Robert over de autogordel, de laatste seconden toen ik dat bestelbusje op me in zag rijden. Maar in de loop van de tijd zijn die gaten in mijn geheugen verdwenen. En als ik mijn ogen sluit, kan ik zo dat beeld van Robert met zijn autogordel om op mijn netvlies toveren. Ik heb hem er niet mee geconfronteerd, want ongetwijfeld had hij dan een uitvlucht verzonnen: dat ik me vergiste, dat het implantaat me weer eens een loer draaide, of dat hij er niet bij had stilgestaan dat hij zijn autogordel had omgedaan, dat hij hem best had willen af doen als ik ernaar had gevraagd. Bovendien, ik herhaal het maar weer eens: ik was er zelf bij. Het was uiteindelijk mijn keuze om die gordel niet om te doen. Ik kan het Robert niet helemaal verwijten.

Nog even over het implantaat. Dat zit nog steeds in mijn hoofd. Dat zal zo blijven. Ik denk er niet meer elke dag aan. Het is geworden wat het moest worden: een brug, een aanwezigheid, iets wat er is zonder voortdurend aandacht te vragen. Bij een controle zei Vandermeer dat de meeste patiënten het na een jaar niet meer als vreemd ervaren. Dat het onderdeel wordt van wie ze zijn, van hoe ze denken, van hoe ze leven.

“Dat is precies wat er is gebeurd”, zei ik.

Hij glimlachte. “Mooi.”

“Ja”, zei ik.

Dat vind ik werkelijk.

Dank jullie wel. Het boek ligt achter in de zaal. Ik kom straks signeren.

EINDE

Deel:

Geef een reactie