Had dat dan gezegd (Een Sci-Fai / Komedie)

Had dat dan gezegd (Een Sci-Fai / Komedie)

SciFiKomedietragedieLeon Verhoeven heeft nog nooit een deadline gemist met een overschrijding van meer dan vier minuten. Zijn foutmarge bedraagt 0,3 procent. Op de twaalfde verdieping van het Strawinskylaan-gebouw is hij veilig, zolang hij niet opvalt.

Maar dan kondigt zijn afdelingshoofd de komst aan van Agentic AI – efficiënter, goedkoper, altijd beschikbaar. En Leons 360°-evaluatierapport blijkt te onthullen dat menselijke vaardigheden de nieuwe kerncompetentie zijn. Die van Leon zijn ‘significant onder de norm’. Zijn collega’s omschrijven hem als ‘een goed geïnformeerde muur’.

Misschien dat de training Communicatie & Verbinding op de Werkvloer daar verandering in kan aanbrengen?

HOOFDSTUK 1: ‘EEN GOED GEÏNFORMEERDE MUUR’

evaluatiegesprek (Aangepast)

Mijn naam is Leon Verhoeven. Ik werk als data-analist en adviseur bij Nordeck & Partners aan op de Zuidas, op de twaalfde verdieping van het Strawinskylaan-gebouw. Mijn bureau is het zevende van links wanneer je binnenkomt. Mijn foutmarge ligt op 0,3 procent. Ik heb nog nooit een deadline gemist op één keer na – en die ene keer was ik maar vier minuten te laat door een stroomstoring. Sindsdien ben ik altijd ruim op tijd klaar met mijn werk, en is alles wat aanlever foutloos. Want als je geen fouten maakt, val je niet op. En als je niet opvalt, ben je veilig.

Dacht ik.

Totdat onze Strategische update Q1 2030 Aanwezigheid verplicht werd aangekondigd. Of liever gezegd: totdat de afdelingsbijeenkomst werd aangekondigd naar aanleiding van de Strategische update Q1 2030 die de directie had opgesteld. De presentatie van de strategische update had de directie overgelaten aan Maarten, ons afdelingshoofd.

Maarten stond voor een scherm waarop één woord stond: Agentic AI.

“Het principe is niet nieuw”, legde hij uit. “Er wordt al jaren over gesproken.” Ik wist er alles van. Agentic AI was kunstmatige intelligentie die niet alleen data analyseerde, maar ook advies kon geven, rapporten schrijven, die verspreiden onder lezers, feedback verwerken en allerlei andere taken op zich kon nemen. En dat alles zonder menselijke tussenkomst, zonder pauze, zonder de behoefte aan bevestiging. Efficiënter dan eerdere modellen. Goedkoper per eenheid output. Dat was tenminste al jaren de belofte. Maar zoals zo vaak, wilde de werkelijkheid zich daar maar niet naar voegen. Maar nu was Agentic AI er toch echt klaar voor om op grote schaal te worden ingezet, verzekerde Maarten ons. “De Trough of Disillusionment ligt achter ons, we bewegen ons van de Slope of Enlightenment naar de Plateau of Productivity.” Nordeck & Partners zou in de loop van 2030 daarom beginnen met een gefaseerde implementatie.

“We stappen uit de wereld van simpele chatbots en betreden het tijdperk van de AI-Agent. AI is niet langer een tool waar je mee werkt; dit is een digitale kracht die voor jou werkt terwijl jij met iets anders bezig bent!”, zei Maarten. Hij kwam op dreef.

“Het zal wel”, dacht ik. Zoals altijd wanneer iemand met loze begrippen schermt, kon ik mijn aandacht er niet goed bijhouden.

Maar iemand achter me was wel alert. “Wat betekent dat voor ons?”, hoorde ik iemand mompelen. Het drong niet tot Maarten door.

“Terwijl jij op krachten komt of je uitleeft of rust neemt, voert jouw agent de taken uit die je voorheen uitputten. AI is de linkerhersenhelft – briljant in analyse en efficiëntie – zodat jij je rechterhersenhelft kunt bevrijden voor wat echt telt: liefde, passie en de diepste betekenis van je leven!”

“Wat betekent dat voor ons?”, klonk het nu luider. Maarten keek even verstoord op.

“Wat dat voor jullie betekent?”, zei hij en klikte een nieuwe slide aan. Daarop stond: Onze medewerkers zijn ons grootste kapitaal.

“Wat dat voor jullie betekent?”, herhaalde hij, terwijl hij dwars door me heen leek te kijken. “Structurele aanpassingen”, zei hij.

Ik pakte mijn notitieblokje – klein, met een spiraal, blauwe kaft – erbij en schreef op: agentic AI – zelfstandig – geen tussenkomst – efficiënter – schaalbaarder – goedkoper. En: structurele aanpassingen?

Op de terugweg naar mijn bureau telde ik de lege bureaus. De airco blies droge, koele lucht het kantoor binnen. Te koel, omdat de temperatuur was berekend op de aanwezigheid van meer mensen. Uit een printer klonk het ritmische happen na een printopdracht. Vier van de dertien bureaus waren niet bezet.

Het gesprek met Maarten vond plaats op dinsdag, kamer 2.14. Hij legde een document op tafel. 360°-evaluatierapport – Leon Verhoeven Q4.

Ik las het door. De technische beoordeling: uitstekend. De sociale beoordeling: significant onder de norm. Citaten van collega’s: ‘moeilijk benaderbaar’, ‘reageert op vragen alsof hij een FAQ-pagina raadpleegt’, en – dit was het langste citaat, van een anonieme bron die ik op basis van woordkeuze vermoedde te kunnen identificeren als Richard van Controlling – ‘praten met Leon is als praten met een goed geïnformeerde muur.’

“Beeldspraak”, wist ik.

“Het is geen compliment”, zei Maarten.

“Nee”, zei ik. “Maar wel aardig gevonden.”

Maarten schoof het document een halve centimeter naar mij toe. “Met de opmars van Agentic AI worden menselijke vaardigheden steeds meer onze kerncompetentie. Verbinding maken, inlevingsvermogen tonen, goed zijn in smalltalk.”

Ik schreef het op. En vroeg me wel af of ‘goed zijn in smalltalk’ werkelijk kon worden beschouwd als een kerncompetentie.

“We kunnen je een training aanbieden. Communicatie & Verbinding op de Werkvloer. Vijf avonden, volgende week.”

“Aanwezigheid verplicht?”, vroeg ik.

“De inschrijving is al geregeld.”

En toen hij zag dat ik niet overliep van enthousiasme: “Je hoeft niet bang te zijn om fouten te maken. Van je fouten leer je.”

Moest ik dan meer fouten maken? Was dat de boodschap?

Hij stond op en gaf me een hand. “Uiterlijk eind april nemen we een besluit over de herstructurering. Je hebt nog even.” Hij balde zijn vuist. “Go for it!

HOOFDSTUK 2: ZE VINDT ME RAAR

de cursus (Aangepast)

Die avond bereidde ik me voor op de training.

Ik zocht op: ‘hoe word je socialer op het werk?’ De resultaten lieten zich in drie categorieën onderverdelen. Categorie één: stel open vragen. Logisch: daar kan degene aan wie je de vraag stelt alle kanten mee op, en dus de kant kiezen die hem het beste uitkomt. Categorie twee: toon interesse in de persoon, niet alleen de inhoud. Ook logisch: mensen zien zichzelf als ‘meer dan’ hun werk, hun kennis of hun opvattingen. Wat dat ‘meer dan’ precies is, laat zich lastig vaststellen. Maar toch is het handig om te weten, het draagt ertoe bij dat je iemands fouten kunt relativeren: iemand is tenslotte ‘meer’ dan dat. Voor de zekerheid maakte ik een lijst van vijf gespreksonderwerpen die geschikt waren voor smalltalk met onbekenden: het weer, de reistijd, de locatie van de cursus, een neutrale observatie over de ruimte en de vraag ‘hoe lang werk je al bij je huidige werkgever?’

Tot slot categorie drie: lach op het juiste moment. De lastigste categorie, want wat is het juiste moment? En hoe weet je of je lach wel in overeenstemming met de eisen van de situatie is. In een luidruchtig gezelschap is een hard lachsalvo op z’n plaats, een romantisch diner vraagt eerder om een ingehouden glimlach, leek me. Ik liep naar de badkamerspiegel en oefende de ingehouden glimlach, de minst gevaarlijke. De eerste glimlach was nog te stijf. De tweede was beter. De derde kon er mee door. Moest er mee door kunnen, want beter kon ik niet.

Om 22.30 uur sloot ik mijn notities. Hoogste tijd om op te laden na een drukke dag.

Vergaderzaal B, Minervalaan 120: twaalf stoelen in een cirkel, een flipover met een viltstift en één raam dat uitkeek op een binnenplaats met een fiets die al zo lang niet was verplaatst dat een duif er een nest op had gebouwd.

Ik was als eerste aanwezig. Ik koos een stoel uit met uitzicht op de deur, zodat ik de andere deelnemers kon zien binnenkomen.

Ik paste dezelfde techniek toe bij iedereen die ging zitten: een knik, kort oogcontact en dan de ingehouden glimlach die ik had goefend. Bij de derde persoon knikte ik iets te vroeg, nog voordat hij was gaan zitten, waardoor het leek alsof ik knikte om hem op een bepaalde stoel toe te wijzen. Bij de vijfde persoon hield ik de glimlach iets te lang vast; zij had kort terug geglimlacht maar was al gestopt zonder dat ik het in de gaten had gehad. Zij keek fronzend weg. Mijn angst dat het nog wel eens mis kon gaan met glimlachen werd bewaarheid.

Toen de achtste deelnemer binnenkwam, was het alsof ik last had van een kortsluiting. Ik heb geprobeerd hier achteraf een accurate verklaring voor te vinden maar ik kom elke keer uit op een lijst die onvolledig blijft, hoe uitgebreid ik ook ben. Het eerste dat me aan haar opviel was haar tred, die me deed denken aan die van een roofdier. Iemand die wist waar ze heen wilde, zonder dat ze haast had. Ze was ongeveer een meter zeventig. Donker, kort haar. Een symmetrisch gezicht. Ze droeg een donkergrijs jasje, had een witte spijkerbroek aan, droeg gymschoenen die zo te zien gloednieuw waren. Ze ging op haar gemak recht tegenover me zitten. En pakte uit de binnenzak van haar jasje een donkerblauw, spiraalgebonden notitieblokje. Ik vergat te glimlachen.

Onze coach Paul, een man in een fleecevest met een zachte stem, opende de avond door op de flipover drie pijlers te tekenen: authentieke communicatie, co-regulatie en meer energie in professionele relaties. Ik schreef alle drie op. Thuis zocht ik ze op. Co-regulatie had een definitie. Energie in professionele relaties had er geen. Authentieke communicatie honderden.

De eerste oefening: iedereen moest zichzelf voorstellen met één woord dat beschreef hoe hij of zij zich op dat moment voelde.

Twee stoelen verderop, na de man die verzuchtte dat hij zich ‘overweldigd’ voelde, was het haar beurt.

“Vera”, zei ze. “En het woord dat mijn huidige toestand het beste omschrijft is: ‘kalibrerend’.”

Paul knikte lang en traag.

Ik schreef kalibrerend op. Het was het beste woord van de avond. Het was ook precies het woord dat ik had willen zeggen maar niet op mijn shortlist had staan. Stom, ik had me beter moeten voorbereiden. Toen ik aan de beurt was, wist ik niets beters te verzinnen dan: “Leon. Aanwezig.” Feitelijk correct, neutraal van toon.

Paul knikte. Heel kort.

Vera keek me aan. Twee seconden. Daarna schreef ze iets op in haar notitieblokje. Ik probeerde te zien wat, maar ze zat te ver van me af.

Bij de tweede kennismakingsoefening moest iedereen iets vertellen over zichzelf dat ‘niet op het cv staat.’ Ook dit had ik niet voorbereid. Iemand zei dat hij vroeger professioneel dartspeler had willen worden. Een ander zei dat ze elke zondag haar moeders honden uitliet. Chantal, een vrouw van achterin de veertig met een uitgeblust gezicht, zei dat ze potten bakte.

“Ik maak kaarten”, zei Vera. “Van de stad.”

Paul knikte aanmoedigend. “En wat betekent dat voor je?”

“Overzicht”, zei ze.

Er viel een korte stilte.

“Gewone kaarten?” vroeg ik.

Vera keek me aan. Het was de eerste keer die avond dat ze me direct aankeek. Ik registreerde dat mijn reactievermogen tijdelijk minder snel was dan normaal.

“Nee. Ik teken uit mijn geheugen waar ik geweest ben. Op schaal. Met straten, gevelbreedtes, hoogteverschillen, de positie van straatmeubilair.” Ze zweeg even. “Wat ik ervan heb onthouden.”

“Hoe nauwkeurig zijn ze?”

“Zo nauwkeurig dat iemand zijn weg kan vinden. Ik heb het getest.”

Paul schraapte zijn keel. “Goed. Dan gaan we nu verder met…”

“Controleer je de kaarten achteraf?” vroeg ik.

“Altijd. Ik loop de route opnieuw en noteer de afwijkingen.”

“Zijn het er veel?”

Maar Paul zei dat het tijd was voor de volgende oefening.

Tijdens de pauze stond ik bij het koffietafel en dacht aan de vraag hoe nauwkeurig je een kaart kon maken. Vera stond aan de andere kant van de tafel. Ze schonk koffie in zonder naar de kan te kijken.

Ik zei: “Heb je deze straat al in kaart gebracht?”

“Nog niet. Ik ben hier voor het eerst.”

“Maar je hebt wel alles onthouden wat je nodig hebt?”

“Ja.” Ze keek even naar het raam, langs de gevel naar de binnenplaats. “De breedte van de zijstraat klopt niet met wat ik verwachtte toen ik hierheen liep. Dat soort dingen registreer ik automatisch.”

“Knap.”

“Het kost me geen moeite.”

Die avond, voordat ik op bed ging liggen, moest ik nadenken over de gewaarwording dat zich een kortsluiting in mijn lijf had voorgedaan. Misschien moest ik weer eens een gezondheidscheck laten doen?

De tweede avond moest ik samen met Vera een oefening in ‘open lichaamstaal’.

“Je doet erg je best”, zei ze, zonder me aan te kijken.

“Dat klopt”, zei ik.

“Het was geen compliment.”

“Maar het klopt wel.”

Ze zweeg even. Toen, iets zachter: “Ja.”

Na afloop liepen we samen naar buiten. We gingen tegelijk zitten op een bankje aan de Stadionkade, zonder dat een van ons het had voorgesteld.

“Mijn manager”, zei ze na een moment, “zegt dat ik ‘bijna perfect’ ben in mijn werk.”

“Dat klinkt positief.”

“Bijna perfect betekent dat mensen gaan zoeken waar de afwijking zit.”

“Ik ben te weinig sociaal”, zei ik. “Dat is mijn afwijking.”

Ze knikte. “En nu moet je leren om socialer te worden.”

“Ja.”

“Net als ik.”

“Hoe gaat dat?”

“Wisselend”, zei ik.

Ze keek naar het water. “Met mij ook.”

We liepen verder, richting het Museumplein. Bij het Concertgebouw sloeg zij rechtsaf en ging ik naar links.

Thuis, terwijl ik mijn avondroutine doorliep, zocht ik op: ‘hoe weet je of iemand je leuk vindt.’

De resultaten kwamen in drie categorieën. Categorie één beschreef lichamelijke signalen: een bonzend hart, slapeloosheid, verminderde eetlust. Ik controleerde: mijn hartfrequentie lag op 67 slagen per minuut. Iets boven mijn gemiddelde van 64, maar binnen de normale bandbreedte. Ik had honger. Ik was moe. Conclusie: geen doorslaggevende afwijking.

Categorie twee beschreef cognitieve signalen: iemand wordt een ‘preoccupatie’. Je kunt je niet meer op andere zaken concentreren. Ik dacht hierover na. Ik had de eerste avond veel tijd met gedachten over hoe nauwkeurig een kaart kon zijn. En de tweede kon ik de zin ‘je doet erg je best’ maar niet uit mijn geheugen wissen.

Categorie drie was het moeilijkst en heette ‘een verstoring in de achtergrondprocessen’. Dat was het! Dat was me overkomen toen ze binnenkwam op de eerste avond: die kortsluiting.

Ik besloot dat ik haar leuk vond.

Daarna zocht ik op: ‘hoe weet je of iemand jou leuk vindt.’ Er stond een lijst van signalen. Langdurig oogcontact. Een aanraking op hand of schouder. Persoonlijke vragen die verder gingen dan oppervlakkige beleefdheid. En: één signaal was nooit genoeg. Er moest sprake zijn van een opeenstapeling.

Ik liep de gebeurtenissen op beide avonden na.

Oogcontact: ze had me aangekeken toen ik vroeg of het gewone kaarten waren. Dat was de eerste keer die avond. Niet lang, maar direct. Op de tweede avond had ze me aangekeken tijdens de oefening. Ook niet lang. Kortom: onduidelijk.

Aanraking: geen.

Persoonlijke vragen: ze had me niet gevraagd waar ik woonde, wat ik deed buiten mijn werk, of ik het naar mijn zin had op de cursus. Ze had me gevraagd of ik een gewone kaart bedoelde. Dat was een inhoudelijke vraag, geen persoonlijke. Toch had ze hem aan mij gesteld, niet aan Paul, niet aan Chantal, niet aan de man die dartspeler had willen worden. Aan mij.

Het lukte niet om een antwoord te krijgen op mijn tweede vraag. Daarvoor waren de signalen te zwak. En klopte de lijst met signalen wel? Ze had het woord ‘kalibrerend’ gebruikt. Dat stond niet op de lijst. Ze had koffie ingeschonken zonder naar de kan te kijken. Zou dat niet ook een signaal kunnen zijn? En dan was er het bankje. We waren allebei naar buiten gelopen en waren allebei zonder dat we het zo hadden afgesproken gaan zitten. Ze had iets gezegd over haar manager. Ze had ook gezegd: ‘met mij ook’, toen ik zei dat het wisselend ging. Allemaal mogelijk positieve signalen. Alleen had ze niet niet voorgesteld om nog ergens naartoe te gaan toen we samen richting huis waren opgelopen. Dat was dan weer niet zo hoopgevend. Al met al kon ik niet vast stellen of ze mij ook leuk vond.

In mijn notitieblokje schreef ik op: “Ze vindt me raar.” En eronder, na een korte aarzeling: “Ik ben ook raar.” En: “Ze is te leuk voor iemand als ik.”

Ik moe van al dit gepieker. Even geen activiteiten die mijn brein te zwaar belasten, besloot ik. Even nieuwe energie opdoen.

HOOFDSTUK 3: KAARTEN VAN DE ZUIDAS

detwee (Aangepast)

De derde avond was gewijd aan ‘het overbrengen van oprechte betrokkenheid.’ Paul legde uit dat het grootste probleem in professionele communicatie was dat mensen te oplossingsgericht waren. Ze luisterden en gaven direct advies, in plaats van door te vragen om te begrijpen wat iemand werkelijk dwars zat – wat het ‘probleem achter het probleem’ was. Ik schreef dit op en bedacht dat er bij mij nooit een ‘probleem achter het probleem’ zat. Dat betekende dat het duidelijk was waarmee ik zat en dat je bij mij niet hoefde door te vragen. Maar misschien was dat toch ook niet goed, gezien mijn reputatie als ‘goed geïnformeerde muur’.

Daarna moest iedereen iets zeggen over wat hem of haar bezighield. Niet werkgerelateerd.

Een man die zich had voorgesteld als Thomas zei dat hij zijn loopbaan had gewijd aan financial accounting maar eigenlijk schrijver had willen worden. Chantal zei dat ze soms niet wist of ze de goede keuzes maakte. Daan, de man naast haar, zweeg zo lang dat Paul verder ging.

Vera zei: “Ik heb een tentoonstelling in voorbereiding. Kaarten van de Zuidas.”

Paul knikte. “Prachtig. En dat houdt je bezig?”

“Dat heb ik net gezegd.”

Paul knikte opnieuw, langzamer. Ik bedacht me dat Vera en ik de enigen waren die Paul niet begreep. Een gemeenschappelijke eigenschap, die bevorderlijk kon zijn voor onze verstandhouding?

Na de avond, op het bankje, vroeg ik: “Een tentoonstelling van kaarten?”

“Het stadsdeelmuseum heeft me gevraagd. Ze wilden iets over de ontwikkeling van de Zuidas, maar dan niet fotografisch.” Ze zweeg even. “Iemand had een van mijn kaarten gezien en dacht dat het een historisch document was.”

“Ook al had je alles nauwkeurig in kaart gebracht?”

“Ja.”

“Misschien omdat het getekend was.”

“Ik denk het.”

Op de vierde avond begon Paul met een oefening in complimenten geven.

De oefening was simpel: geef de persoon naast je een compliment. Geen beleefdheidsfrases – ‘je hebt een mooie jas’ – maar iets wat werkelijk gemeend was.

Paul deelde de koppels in. Vera en ik vormden weer een team.

“Wie begint?” vroeg Paul.

Vera keek naar mij. Ik keek terug.

“Jij”, zei ik.

Ze dacht na. Niet lang, eerder op de manier van iemand die al een idee heeft van wat hij wil zeggen, maar nog even naar de juiste formulering zoekt.

“Jij luistert echt”, zei ze. “Niet wanneer je je best doet om te luisteren zoals het moet volgens alle adviezen die je hebt meegekregen, want dan denk je teveel aan hoe het moet om het goed te doen. Maar als je jezelf niet forceert, dan wel. Als je luistert, ben je er volledig. Ik heb dat verder nooit meegemaakt, ook hier niet.” Ze zweeg even. “En je zegt wat je bedoelt. Je speelt geen spelletjes. Je doet je niet anders voor dan je bent. Bij de meeste mensen weet ik niet precies wat ik aan ze heb – bij jou wel. Dat vind ik prettig.”

Er viel een stilte.

Ik wist niet wat ik moest zeggen. Ik was erop voorbereid om complimenten te geven, vragen te beantwoorden, ik had me enigszins bekwaamd in smalltalk voeren en ik wist wat me te stond als iemand in huilen uitbarstte. Maar hier wist ik me even geen raad mee. Je moet in het leven niet alleen complimenten kunnen geven, je moet ook complimenten kunnen ontvangen. En dat behoorde nog niet tot mijn repertoire.

“Dank je”, zei ik. Het klonk wat minnetjes, maar meer had ik niet te bieden.

“Nu jij”, zei ze.

Ik dacht na. Ik dacht langer na dan de situatie vergde. Ik dacht aan kalibrerend als zelfbeschrijving. Aan de kaarten die ze maakte. Aan het feit dat ze nooit meer zei dan nodig was, en dat wat ze dan zei altijd klopte.

“Je zegt alleen dingen die waar zijn”, zei ik. “De meeste mensen zeggen ook dingen om de stilte te vullen, of om aardig gevonden te worden, of om een indruk te wekken. Jij niet. Als jij iets zegt, is het omdat het er is.” Ik zweeg. “Dat is zeldzamer dan je denkt.”

Vera keek me lang aan. Ik durfde niet terug te kijken.

Paul zei: “Prachtig, allebei. Voelen jullie hoe de energie in de ruimte verandert?”

Na afloop stelde ze voor om om te lopen, zodat ze me wat kon laten zien. Ik had geen bezwaar.

Ze haalde haar telefoon tevoorschijn. “Kijk”, zei ze. “Kun je zien waar we nu zijn?”

Ze liet een kaart zien die het gebied tussen het Strawinskylaan-gebouw en de Amstelveenseweg besloeg. Elke straat zat op de juiste plek. De gevelbreedtes van de gebouwen langs de hoofdroute waren aangegeven in kleine, gelijkmatige cijfers. Er stond een schaalverdeling in de rechter benedenhoek, handgetekend maar perfect leesbaar. En daar, daar was de plek waar wij nu liepen, op de Parnassusweg.

“En dit heb je uit je hoofd getekend?”

“Ja.”

Ik keek naar de uiterst precieze en toch duidelijk met de hand getekende kaart. Opeens werd ik overvallen door een verlangen om me samen met haar in die getekende wereld te begeven en daar de wandeling hand in hand voort te zetten.

“Het is prachtig”, zei ik.

“Kijk, dat is nog eens een compliment.”

Haar glimlach schakelde mijn verstand uit.

HOOFDSTUK 4: CAMOUFLAGEVAARDIGHEDEN

Het bankje

De vijfde en laatste trainingsavond. Paul reikte iedereen bij binnenkomst een klein certificaat uit. Deelname training Communicatie & Verbinding op de Werkvloer.

“Vanavond”, zei Paul, “vragen we iets moeilijks van jullie. Ik wil dat jullie iets delen wat je nog nooit aan iemand hebt gezegd. Aan niemand.”

Daan vertelde hakkelend over zijn vader, die was gestorven zonder dat ze zich met elkaar hadden verzoend. Toen hij klaar was, leek hij blij te zijn dat hij weer kon zwijgen. Chantal zei dat ze soms ’s nachts wakker werd en zich afvroeg of ze de goede keuzes had gemaakt. Thomas zei nogmaals dat hij eigenlijk schrijver had willen worden. Ik vroeg me af of dat wel telde als iets wat hij nog nooit aan iemand had gezegd, maar Paul knikte alleen.

Vera sloeg een bladzijde om in haar notitieblokje.

“Dat ik”, zei ze, “elke keer als iemand zegt dat ik ‘bijna perfect’ ben, niet weet wat ik moet doen: moet ik proberen perfect te worden of moet ik proberen mijn imperfecties te verbergen?”

Ik keek haar aan.

Ze keek naar de ruimte voor haar.

Daarna, heel kort, naar mij.

Mijn beurt. “Dat ik niet weet”, zei ik, “of ik veilig ben op mijn werk omdát ik geen fouten maak of dat ik geen fouten maak omdát ik bang ben dat ik anders niet veilig ben.”

Na de oefening verzamelde Paul de groep voor een afsluitende reflectie. Iedereen zei iets over wat de training had opgeleverd. Ik zei dat ik had geleerd dat je sommige dingen beter niet kunt voorbereiden en andere juist wel. Paul knikte alsof dit diep was.

Buiten was het helder. We liepen weer naar ons bankje en gingen zitten.

“Ik weet niet of ik socialer ben geworden”, zei ik.

Vera keek naar het water. “Ik niet.”

“Nee. Ik ook niet.” Ik zweeg even. “Maar ik weet nu beter wanneer ik moet doen alsof.”

“Je bent raar”, zei ze.

“Ja.”

“Ik ook”, zei ze.

Ik keek haar aan. “Wanneer ik met jou ben, hoef ik niet te doen alsof.”

Ze keek terug. “Nee”, zei ze.

Er viel een stilte. Geen ongemakkelijk stilte, eerder de stilte wanneer je elkaar zonder woorden begrijpt. Een gemakkelijke stilte.

De evaluatievergadering met Maarten was de dag daarop. Kamer 2.14, dinsdag, vijftien minuten.

Hij legde een document op tafel. 360°-tussenevaluatie – Leon Verhoeven.

De technische beoordeling: uitstekend, zoals altijd. De sociale beoordeling: verbeterd. Significant verbeterd.

Maarten keek me aan op de manier waarop mensen kijken als ze iets willen bevestigd zien. “Je bent veranderd, Leon.”

“Ik heb geoefend”, zei ik.

“Dat is precies waarvoor de training bedoeld was.” Hij glimlachte. “Collega’s merken het. Je vraagt hoe het weekend was. Je wacht op het antwoord.”

“Ja.”

“Je lacht ook vaker.”

Ik knikte.

“Ik had eerlijk gezegd niet verwacht dat het zo snel zou gaan”, zei Maarten. Hij schoof het document naar mij toe. “Als je dit tempo vasthoudt, is er geen reden om je zorgen te maken over de herstructurering.”

Ik las de scores. Mijn ‘sociale metrics’ waren gestegen. Ik had geleerd wanneer te knikken, wanneer te vragen, wanneer te zwijgen op een manier die als warm werd gezien in plaats van afstandelijk. Ik had geleerd de juiste geluiden te maken op de juiste momenten.

Was ik werkelijk veranderd? ik vond van niet. Evenmin als iemand is veranderd wanneer hij nette kleding aantrekt voor een zakelijke bijeenkomst. Dat was het: ik had mezelf aangeleerd om een rol te spelen in het bijzijn van anderen, zoals je ook een kledingstuk aantrekt. Een rol die ik ook weer kon laten vallen.

Maar dat was niet alles, bedacht ik me. Niet dat ik Maarten ermee lastig viel, die zou het toch niet begrijpen. Maar terwijl Maarten me bemoedigend toesprak, realiseerde ik me dat ik ook had geleerd wanneer ik geen rol hoefde te spelen. Wanneer ik met Vera was: dan was dat niet nodig – daarvoor waren we te zeer gelijk, daarvoor begrepen we elkaar te goed. De training had me geleerd een rol te spelen. Vera had me geleerd dat ik dat bij haar niet hoefde. Dat ik me kon blootgeven.

Toen ik terugliep naar mijn bureau, zag ik dat er een leeg bureau was bijgekomen: dat van Richard van Controlling. Hij had het niet gered, ik voorlopig wel, dankzij mijn nieuw aangeleerde camouflagevaardigheden.

HOOFDSTUK 5: NA HET WERK

laatstehoofdstuk (Aangepast)

De opening van de tentoonstelling was de volgende dag, na werktijd.

Vera’s kaarten hingen in zes panelen langs de marmeren wand in de lobby op de begane grond van de Strawinskylaan-toren. Veel mensen bleven ervoor staan. Sommigen haalden hun telefoon tevoorschijn om de kaart te vergelijken met de kaartapp, en moesten constateren dat de kaartapp minder gedetailleerd was.

Ik stond voor de kaart van de directe omgeving van het gebouw. De Strawinskylaan zelf, de aangrenzende straten, het plantsoen met het bankje dat wij kenden.

Het bankje stond erop. Op de juiste plek.

“De meeste mensen zien niet dat het bankje erin staat”, zei ze.

“Ik zie het.”

“Ja”, zei ze. “Ik dacht al dat jij het zou zien.” Ze lachte heer onweerstaanbare lach.

We stonden een moment voor de kaart. Achter ons liepen bezoekers heen en weer. Iemand vroeg aan een collega van Vera of de werken te koop waren. Ik nam een glas champagne. En, omdat Vera met bezoekers in de weer was en ik niemand had om mee te praten, nog een. En nog een.

Ik voelde me uitgeput. Het liep al tegen zevenen. Normaliter zou ik nog volop energie moeten hebben, maar ik had enkele ongebruikelijk intensieve dagen achter de rug, en de sociale interactie kostte me veel moeite. En dan nog de drank, die op iemand met mijn gestel als een vermoeidheidsserum inwerkt. Ik moest dringend even opladen.

Alsof Vera mijn gedachten kon lezen, zei ze: “Ik heb de afgelopen tijd meer capaciteit verbruikt dan normaal.”

“Ja, ik ga even naar boven. Op krachten komen.”

“Ik ga met je mee”, zei ze.

We liepen naar de lift en stegen op. Zevende verdieping. Achtste. Negende.

Voordat we de tiende etage bereikten, viel de lift stil. Het licht viel uit. We hoorden het gonzen van een generator die probeerde te starten. Vergeefs.

Het was donker. Niet volledig – er was een zwak noodlampje dat een roodachtig schijnsel wierp. Ik kon haar gezicht zien, maar net.

Ik drukte het alarmknopje in. Er ging een sirene loeien, wat me behoorlijk op de zenuwen werkte.

Ik merkte, ergens na de vierde of vijfde minuut, dat mijn verwerkingssnelheid verminderde. Niet dramatisch. Een vertraging van anderhalf, twee seconden. Ik schreef dit toe aan de warmte in de lift, de beperkte beschikbaarheid van zuurstof, de ongewone situatie.

We keken elkaar aan in het rode halfduister. Onze ademhaling werd trager. We zeiden nog steeds niets tegen elkaar, want wat viel ter te zeggen? We zaten gevangen en wisten allebei dat er geen ontsnappingsmogelijkheid was. Na 20 minuten konden we onze ogen niet meer openhouden. Ik hoorde nog net dat de generator weer startte en dat het licht aanfloepte. Vera zei iets. Maar het drong al niet meer tot me door. Er was alleen nog maar maar ruis..

Toen ik wakker werd, lag ik op de grond van de lift. Een beveiliger voorzag me van stroom, zag ik.

Vera zag het ook.

“Dank u”, zei ik tegen de beveiliger. “Het gaat zo wel weer.”

Vera gaf me een hand zodat ik makkelijker kon opstaan. En zei: “Jij ook een robot! Had dat dan gezegd.”

EINDE

Beelden: zelf gebakken met ChatGPT

Logo voor de Sci-Fai / Komedie- en tragediereeks: zelf gebakken met ChatGPT.

Deel:

Geef een reactie