In de ban van het getal

In de ban van het getal

‘De mechanisering van het wereldbeeld’ noemt wetenschapshistoricus E.J. Dijksterhuis in zijn gelijknamige boek de ontwikkeling in de manier waarop we tegen onze natuurlijke omgeving aankijken.

Aanvankelijk zagen mensen de natuur als bezield door allerlei mysterieuze en ongrijpbare goden. Met de opkomst van het christendom kwam enige verandering in. De natuur werd toen eerder als een werk van één god gezien en de gedachte rees dat het misschien mogelijk was de natuur te doorgronden door god te leren kennen (voorzover god zich liet kennen). Maar nog altijd begreep en beheerste de mens de natuur nauwelijks. In de loop van de tijd ontwikkelde de natuurwetenschappen zich echter, en ontstond enige kennis van de natuur. En, misschien wel belangrijker, er ontstond ook inzicht in hoe je die kennis vergaart en verspreidt: door waarnemingen te doen, hypotheses op te stellen en die te toetsen en, ten slotte, door daar verslag van te doen. Het liefste met cijfermatig onderbouwde argumenten, aangezien de natuur in wiskundige taal was geschreven, zoals Galileo Galilei in 1623 zei. Naarmate de mensen die wetenschappelijke methode beheerste en die wiskundige taal beter sprak, kon hij de natuur doorgronden. En slaagde hij erin de natuur beter te beheersen. Zo leerde de mens windmolens te bouwen, olie te raffineren en atomen te splitsen.

Die mechanisering van het wereldbeeld is na de 17e eeuw van Galileo, Newton en Copernicus verder voortgeschreden, en is al lang niet meer beperkt tot de natuurwetenschappen. Elders heeft de wetenschappelijke methode ook ingang gevonden en spreekt men de wiskundige taal nu ook vloeiend. Of liever gezegd: hier wordt naar gestreefd. Dit geldt zeker in andere wetenschapsgebieden, zoals de economie en psychologie. Zo hebben economen het maar al te vaak over de hoogte van het Bruto Binnenlands Product (BBP) van een land (en hoe dat te verhogen) en psychologen het over het IQ van mensen (en de factoren die hierop van invloed zijn). Maar ook daarbuiten is de mechanisering doorgedrongen, en zijn mensen als het ware ‘in de ban van het getal’.

Vaak wordt daarbij een economische invalshoek gekozen, dat wil zeggen dat gestreefd wordt naar de beste besteding van schaarse middelen. In het bedrijfsleven gaat het maar al te vaak over het rendement op investeringen (en hoe die te verhogen), in het onderwijs wordt nogal eens gesproken over de kosten en baten van onderwijs en in de gezondheidszorg gaat het er vaak om hoe de kosten van de zorg kunnen worden beperkt en verdeeld. Waar de natuurwetenschappen zich van oudsher richtten op het waarnemen en beschrijven van wetten, gaat het elders eerder over de toepassing van wetmatigheden. Vaak is het de bedoeling om veranderingen in menselijk gedrag af te dwingen ten bate van hogere doeleinden – een hoger BBP, een betere gezondheid, een productievere beroepsbevolking. Als bij een machine die na een beetje sleutelen beter gaat draaien. 

Het grote probleem is dat gecontroleerde experimenten hier veel lastiger zijn uit te voeren dan in de natuurwetenschappen omdat de mens nu eenmaal veel grilliger is dan de natuur. Sterker nog, soms is zo’n experiment ondoenlijk. Als je een voorwerp uit de hoogte naar beneden laat vallen en de valversnelling de ene keer 9,8 meter per seconde in het kwadraat bedraagt, dan zal dat een volgende keer ook het geval zijn. Menselijk gedrag laat zich niet zo makkelijk voorspellen, en maatschappelijke veranderingen vinden vaak onverwacht plaats. Denk alleen aan de uitbraak van de Eerste Wereldoorlog, een gebeurtenis die niemand had zien aankomen. Achteraf gezien zijn er wel allerlei verklaringen voor, maar goed testen is niet mogelijk aangezien de Eerste Wereldoorlog zich niet laat herhalen – nog even afgezien van de vraag of iemand de Eerste Wereldoorlog nog eens zou willen overdoen om een bepaalde verklaring te toetsen.

Met andere woorden: het waarheidsgehalte van uitspraken over ‘de mens’ haalt het niet bij uitspraken over de natuur. Dit soort uitspraken vormt in het beste geval een simplificatie, en in het ergste geval een vertekening. Maar ze nu deels waar zijn of regelrecht gelogen, ze hebben wel invloed. Er worden politieke beslissingen worden genomen omdat er gedacht wordt dat deze leiden tot een hoger BBP. Bedrijven nemen maatregelen om hun medewerkers aan te zetten tot een hogere productiviteit. Besparingen in het onderwijs moeten verantwoord plaatsvinden.

Dat de onderbouwing van al deze maatregelen wankel is, lijkt zelden een bezwaar. Vaak is het zelfs dat de maatregelen niet zozeer worden genomen omdat uit onderzoek blijkt dat ze de voorkeur verdienen, maar dat het juist andersom is: dat een cijfermatige onderbouwing dient als rechtvaardiging voor eerder genomen besluiten. Precies de omgekeerde volgorde als in de natuurwetenschappen dus – niet eerst een experiment en daaruit conclusies trekken, maar beginnen met een inzicht en dat larderen met een veelheid aan cijfermateriaal. De cijfers zijn dan geen onderbouwing meer van een onderzoek, maar moeten een onbewezen en dus aanvechtbare mening geloofwaardigheid verlenen. Cijfers die als garantie voor betrouwbaarheid worden gepresenteerd, maar ondertussen kunnen verhullen, misleiden en manipuleren.

Wie trapt daar in? Mensen die de cijfers niet zien voor wat ze zijn. Die niet inzien dat de cijfers die ze krijgen voorgeschoteld een hoge mate van willekeur hebben. Die te zeer ‘in de ban van het getal’ zijn om hun gezonde verstand te gebruiken.

Deel:

Geef een antwoord