Ruis (Een Sci-Fai / Tragedie)


De woningbouwvereniging is tevreden, de gemeente ook. StilteNet, een geluidssysteem dat stress reduceert, werkt goed. Dankzij de ‘liefdesfrequentie’ (528 Hz) is de leefbaarheid in de Amsterdamse achterstandswijk toegenomen. Alleen niet zoals de ontwerper Lars had gehoopt.
HOOFDSTUK 1 – AARDE

“De data spreken voor zich”, zei Lars. Hoewel hij moe was opgestaan en hij niet helemaal scherp was, wist hij dat hij zich met gemak door deze presentatie zou heen slaan. Deze mensen zouden geen lastige vragen stellen. Intellectuele hoogvliegers werkten niet bij woningbouwverenigingen, tenminste niet bij HabitaNova.
Hij wees met zijn laserpointer naar linker van de twee kaarten die de beamer op het scherm projecteerde: de Hendrik Jordaanbuurt in 2029, voor de installatie van StilteNet. Toen naar de rechter kaart: de Hendrik Jordaanbuurt nu, vijf jaar later. De eerste kaart was vol rode plekken. ‘Hitte-indicatoren’, noemde Lars ze: locaties waar mensen met hoge cortisolwaarden woonden, volgens anonieme gezondheidsdata die huisartsen hadden aangeleverd. “We zien een cortisolreductie van gemiddeld 23 procent”, zei Lars. “Maar dat niet alleen. We zien ook een daling van agressie-gerelateerde incidenten met 41 procent.”
Hij zweeg even. En toen: “De gebruikte methode is repliceerbaar.” Hij knikte en zette de beamer uit, om aan te geven dat zijn presentatie was afgelopen.
“Indrukwekkend”, zei Marleen Kroes, de vrouw aan het hoofd van de tafel van de vergaderruimte. “Echt indrukwekkend, Lars.”
Lars had Marleen Kroes – midden in de vijftig, een grijs mantelpak, een glas water voor zich dat ze niet aanraakte – zes jaar gelden ontmoet, op een congres over leefbaarheid in kwetsbare wijken. Ze was toen al enthousiast geweest over zijn denkbeelden. Maar had ze gezegd: “Ik heb niets tegen de wetenschap. Alleen wil ik resultaten boeken.”
“We hebben resultaten geboekt. We kunnen nog meer resultaten boeken”, zei Lars, en hij keek naar Marleen Kroes, die hem een knipoog gaf. Toen draaide zich naar de man naast haar, een in grauw gehulde ambtenaar van de gemeente van wie Lars de naam niet had onthouden. De man maakte nog snel enkele aantekeningen op papier, met een pen. Iemand die zijn best deed om de vooruitgang bij te benen, dacht Lars.
“En de bewoners zelf?” vroeg de grauwe ambtenaar.
Lars keek hem aan.
“Bewonerstevredenheid?”
“Die meten we indirect”, zei Lars. “Via conflictniveaus, via zorggebruik, via…”
“Ik bedoel meer: weten ze wat er gebeurt? Wat ze ervan vinden?”
“Er is een bewonersbrief uitgestuurd toen we StilteNet introduceerden”, zei Lars. “In 2029. Over de installatie van het systeem, de doelstellingen, de verwachte effecten.” Hij de beamer weer aan en klikte naar een slide die hij nog niet had laten zien. De brief stond er, klein en weergegeven als een screenshot. “We hebben destijds twee reacties ontvangen. Beide positief.”
De grauwe ambtenaar schreef iets op. Lars kon niet lezen wat.
Marleen Kroes leunde naar voren. “Lars, wat ons betreft is de vraag niet óf we uitbreiden. De vraag is wanneer en hoe snel.” Ze glimlachte. “Drie wijken. Het contract wordt deze week al in concept opgesteld. We praten in april over de details.”
Buiten in de gang, terwijl Marleen Kroes en de ambtenaren die zijn presentatie hadden bijgewoond doorliepen naar de lift, haalde Lars zijn telefoon uit zijn zak. Hij tikte een notitie in: “April: technische verkenning – frequentietopologie Baarsjesweg / Kolenkitbuurt / Bos en Lommer.” Hij kon dezelfde dag al beginnen met de modellering. Hij had de benodigde data al.
—
Het eerste idee voor wat later zou uitgroeien tot StilteNet stamde uit in 2018. Lars had toen een presentatie bijgewoond op een congres in Leuven van een muziektherapeut, Annelies Brouwer. Zij had een lezing gegeven over Aristoteles en de quinta essentia, de vijfde stof. Volgens Aristoteles kwam dit element, ether, voort uit aarde, water, lucht en vuur, de vier elementen waar materie uit bestaat. Ether was dan weer niet aan materie gebonden, het was een ‘laag van zijn’ die de hele kosmos vulde. Ether was ook het woord om de heldere bovenlucht aan te duiden, de lichtende, vurige substantie waar de goden zich volgens hen bevinden. De vraag was: hoe kon ether voortkomen uit materie? Brouwer had er Pythagoras bij gehaald. De kwint – de verhouding 2:3, het zuiverste interval na het unisono – was het fundament waarop Pythagoras zijn cosmologie had gebouwd. Alles trilt, had Pythagoras gezegd. De planeten, de moleculen, de aarde zelf. Ether ontstond wanneer die trillende materie in harmonie was.
Ook binnen het menselijk lichaam kon ether ontstaan of verdwijnen, stelde Brouwer. Zij was overtuigd dat iemand gezond was als de vier elementen binnen het lichaam in harmonie waren, en ongezond als ze niet goed op elkaar waren afgestemd. Met andere woorden: ziekte was dissonantie. En Brouwer geloofde dat als iemand ziek werd, muziek als geneesmiddel kon worden ingezet om de verloren harmonie te herstellen. Lars had achter in de zaal gezeten met zijn koffie en gedacht: wat een onzin. Mystiek. Bijgeloof. Pseudowetenschap.
Totdat ze kwam te praten over een patiënt, Lien – negentien jaar, bijna volledig blind, ernstige spasticiteit na een hartstilstand na haar geboorte – bij wie ze na zeventien sessies een doorbraak had bereikt: de hand van Lien had zich ontspannen. Dat was alles. Niet spectaculair, maar in de context van haar beperking was het volgens Bouwer ‘een triomf van de quinta essentia over de fysieke quadriplegie’. Zoals Brouwer het zag, was het lichaam van het meisje een kooi door de beschadigde neurologie en de spastische spieren. Maar dankzij muziektherapie was het misschien toch mogelijk om aan die kooi te ontsnappen, althans gedeeltelijk. Om uit te stijgen boven haar beperkingen. Zoals ether kon ontstaan uit materie. In een paper over Lien schreef ze: “Muziek creëert een harmonisch veiligheidsveld waarbinnen Lien actief kan participeren.” Toen Lars dat las, sloeg de vonk over: dat is precies wat mensen die leven in een stressvolle omgeving nodig hebben: een cortisolverlagend harmonisch veiligheidsveld.
Lars was akoestisch ingenieur. Hij geloofde niet in kosmologie. Maar het idee dat muziek kon bijdragen aan iemands welbevinden sneed misschien wel hout. En waarom zou je mensen in achterstandswijken – mensen die woonden in lawaaierige, benauwde en stressverhogende woningen – daar niet van kunnen laten profiteren? Waarom zou je hen niet bieden wat voor beter gesitueerden vanzelfsprekend was? namelijk: toegang tot de stilte in zichzelf. Waarom zouden arme mensen niet kunnen opstijgen tot het niveau van zijn waar de dagelijkse ellende geen vat meer op had. En waarom zou muziek daar niet het aangewezen instrument toe zijn?
Maar welke muziek dan? Lars had er niet lang over hoeven nadenken. Hij bedacht dat trillingen met een frequentie van 528 Hz ideaal zouden zijn. 528 Hz activeerde via de nervus vagus het parasympathische zenuwstelsel. Het was wat sommige muziektherapeuten de liefdesfrequentie, noemden. De frequentie die het herstel van een ziekte het beste bevorderde, de balans het beste kon terugbrengen, beschadigde verbindingen het beste kon repareren. Daarom zond StilteNet nu uit met een frequentie van 528 Hz, zo op het gehoor een heldere, prettige, middelhoge pieptoon, net iets hoger dan de hoge C op een piano. De term liefdesfrequentie meed hij overigens, evenals elke verwijzing naar de quinta essentia. Eenmaal had hij erop gezinspeeld, tijdens een seminar op de TU Delft, en toen had een collega had gevraagd of hij van plan was priester te worden. De hele zaal had gelachen en Lars had schaapachtig meegedaan. Daarna had hij het nooit gehad over de esoterische gedachten van Brouwer, de quinta essentia en de liefdesfrequentie. In de communicatie met vakgenoten, woningbuwverenigingen en gemeenten leidde het alleen maar tot misverstanden. Ongestructureerde storingen. Ruis.
—
Die middag fietste hij door de Hendrik Jordaanbuurt. Dat deed hij wekelijks, altijd op woensdag, altijd dezelfde route. Niet om iets te observeren of om iets te leren – her en der waren sensoren geplaatst, en de data die deze opleverden waren ruimschoots voldoende om het systeem te finetunen – maar om de rust te ervaren die over de wijk was neergedaald sinds de invoering van StilteNet.
Het was en bleef een treurige, verpauperde buurt, met de liefdeloze naoorlogse bouwwerken en de later neergeplempte jaren-zeventig-flats in bruine baksteen. De buurt was al lang niet meer de haard van agressie van weleer, de buurt waar de terroristen die Nederland eind jaren twintig hadden opgeschrikt met hun anti-kapitalistische aanslagen vandaan waren gekomen, waar de misdaadcijfers sinds de eeuwwisseling tot de hoogste van het land hadden behoord en als het ging om zware criminaliteit zelfs koploper was geweest. Terroristen? Lars zag een Marokkaanse bakker met een radio die, als het raam openstond, te horen was tot aan de hoek. Misdadigers? Lars fietste langs een plein met een kapot fonteintje en een muurschildering van een vlieger. Er speelden kinderen zonder enige stemverheffing. Zware criminaliteit? Op het balkon van een huis aan het plein stond een vrouw over de reling geleund. Toen Lars de wijk was ingefietst, had hij de zoemtoon van 528 Hz gehoord. Na een kwartiertje was hij er helemaal aan gewend, en pas toen hij de wijk weer verliet en de trilling ophield, merkte hij dat de toon was verdwenen: het was alsof hij opeens alerter werd. Het cortisolgehalte in zijn lichaam ging met sprongen omhoog, wist Lars.
Hij fietste verder naar zijn huis. Jozef Israelskade 88b, een kleine flat in de Staatsliedenbuurt, een wijk die grensde aan de Hendrik Jordaanbuurt. De omgeving van zijn flat was lommerrijk en groen en de omgangsvormen waren er beschaafd. Geen StilteNet nodig, kortom, en dat was ook een van de redenen dat Lars er was komen te wonen: hij wilde niet in zijn eigen testomgeving wonen, zoals hij had gezegd tegen Vera. Elke keer dat hij de drempel van zijn nu al vijf jaar Veraloze flat overstapte moet hij aan haar denken.
Op de eettafel stond een bronzen klankschaal. Een oude, een tikje onregelmatig aan de rand, maar met een prachtige, doordringende klank. Hij pakte de kleine houten klopper naast de klankschaal en sloeg de rand aan. Een laag, traag aanzwellend geluid vulde de ruimte. Even was het alsof zijn lichaam meetrilde met de klankschaal, en hij kon zich voorstellen dat als de toon maar lang genoeg aanhield, hij volledig zou opgaan in de quinta essentia. Maar al gauw – na 27 seconden, Lars had het precies gemeten – stierf het geluid weg, en bleef Lars achter met een sterk verlangen om de klankschaal weer aan te slaan. Vaak deed hij dat ook en zo kon er voordat hij er erg in had makkelijk een uur voorbijgaan, een uur waarin Lars in steeds hogere sferen kwam. Lars sloeg de klankschaal nogmaals aan en sloot zijn ogen. Hij was moe van de presentatie en het fietstochtje.
En ook nu moest hij aan Vera denken. Vera was sociaal werker en richtte zich vooral op schuldhulpverlening. Voordat StilteNet er werd geplaatst, was ze ook actief in de Hendrik Jordaanbuurt geweest. Toen Lars begon met StilteNet, had ze schamper gereageerd. Ze had hem verteld wat ze die dag had gedaan: drie uur met een vrouw die niet wist hoe ze haar huur moest betalen zonder haar kinderen eten te ontzeggen. “Weet je wat het verschil is?” had ze gezegd. “Ik zie haar gezicht. Jij ziet haar cortisol.” Hij had gezegd dat dat niet eerlijk was. Waarop zij had gezwegen. En toen StilteNet werd geïnstalleerd, bleek al snel dat het aantal mensen met problematische schulden afnam? Ze hadden het er nooit over gehad. Misschien omdat hun relatie toen al te ver heen was. Soms was de herinnering aan haar zo sterk dat hij niet anders kon dan haar bellen. Ze nam vrijwel nooit op. En wanneer ze wel opnam, wist hij nooit wat hij moest zeggen. En wat hij zei kwam er anders uit dan hij het had bedoeld. Ruis.
Lars viel aan de eettafel in slaap en schrok na een uur wakker. Hij moest naar kantoor.
Lars hield kantoor in een vierkante kamer op de derde verdieping van een afgetrapt bedrijfsverzamelgebouw in West. De benedenburen hadden een administratiekantoor; ze zagen er zo onbetrouwbaar uit de Lars geen had overwogen zijn boekhouding bij hen onder te brengen. De bovenverdieping stond leeg. Lars huurde de ruimte al vier jaar en had er nooit iemand anders ontmoet dan de beheerder, een sombere man in een overall die altijd rubberlaarzen droeg, zelfs nu, terwijl het hartje zomer was. Lars was achter zijn bureau in slaap gedommeld (kennelijk was het uurtje thuis niet genoeg geweest) toen er op zijn deur werd geklopt. Steeds harder, waardoor Lars uit zijn slaap werd gewekt. Hij holde naar de deur en deed open. “Ik was even aan het mediteren”, zei Lars tegen de vrouw die voor hem stond. “Ik heb het gevoel dat ik de hele dag aan het mediteren ben”, zei de vrouw. Pas nadat Lars haar had binnengelaten en zij haar verhaal had kunnen doen, begreep hij wat ze bedoelde. “Ik woon al twintig jaar in de Hendrik Jordaanbuurt”, zei de vrouw, die Fatima Ouhaddou bleek te heten. “Ik ben er opgegroeid. Daarna ben ik gebleven.” Lars knikte om zijn goede wil te tonen, maar zonder enig idee waar het gesprek hem naar toe zou leiden. “Ik wil u iets vragen”, zei ze. “Maar ik weet niet goed hoe.” Lars wachtte. “De wijk is rustiger geworden”, zei ze. “Ik dacht dat StilteNet er misschien mee te maken heeft.” “Ja natuurlijk. De data laten een significante daling zien in… agressie, geweld.” “Ik heb de brief van de woningcorporatie gezien. Dat er geluid wordt uitgezonden om de leefomgeving aangenamer te maken.” Ze zweeg even. “Maar … “Ik weet niet of aangenamer is geworden.”Ze pauzeerde even, alsof ze zocht naar woorden. “Ik heb het ook aan de woningbouwvereniging gemeld. Maar die hebben niets van zich laten horen. Daarom dacht ik: ik kom naar u.” “Ik weet hoe het werkt”, bevestigde Lars. “En dat het goed werkt.” Fatima keek naar het bureau. Naar de klankschaal. En toen naar Lars. “Ik heb vroeger een buurtcomité geleid”, zei ze. “We hebben drie jaar gevochten tegen een herstructureringsplan dat vijftig gezinnen zou hebben verdreven. We hebben petities geschreven, vergaderingen belegd, een advocaat ingeschakeld. We hebben gewonnen. Niet volledig, maar gedeeltelijk.” Ze haalde adem. “Dat was hard werk. Er waren mensen die er beter van werden en er waren mensen die ons lieten vallen. Maar er was leven. Er was iets om voor te vechten.” Lars zei niets. “Nu komen mensen niet meer naar vergaderingen, niet naar de open wijkdag, niet naar het inloopspreekuur van de gemeente.” Ze keek even weg – niet lang. “Ik heb er ook last van”, zei ze. “Dat is het vreemde. Ik ga bijna nooit meer. Maar ik kan u niet vertellen waarom. Het voelt alsof er niets meer is om naartoe te gaan. terwijl er natuurlijk genoeg is om nog voor te vechten.” “Minder dan vroeger”, zei Lars. Ze keek hem aan. “Ik vraag me af of uw systeem daar iets mee te maken heeft.” Lars dacht een moment na voordat hij antwoord gaf. Fatima kwam hem veel sympathieker over dan de omhooggevallen medewerkers van HabitaNova. En veel intelligenter. Nog nooit had Marleen Kroes of iemand anders van de woningbouwvereniging hem gevraagd naar de werking en mogelijke bijwerkingen van StilteNet. Hun was het er alleen maar om te doen dat het systeem leidde rust in de wijk. Zolang de kwaal maar werd bestreden, maakte het hun niet uit welk middelen werden ingezet. En als die middelen ook tot andere kwalen leiden? Zolang er geen wijdverspreide klachten waren, wat dan nog? Misschien dat rust inderdaad gepaard ging met een lagere participatiegraad onder de bewoners – maar wat zou het? StilteNet leidde tot rust in de wijk. Daar was het hen om te doen. Maar Fatima stelde prikkelende vragen over StilteNet. Vragen waar Lars zelf niet eerder op was gekomen, en die hem intellectueel stimuleerden. Hij had het gevoel dat hij haar in vertrouwen moest nemen. “Mag ik u iets uitleggen?”, zei Lars. “Over waarom ik dit heb gebouwd.” Ze keek hem verbaasd aan. Die vraag had ze kennelijk niet verwacht. “Niet de technologie”, zei Lars. “De bedoeling erachter.” “Nou?”, zei Fatima. “Het idee is dat mensen – alle mensen, ook mensen in moeilijke omstandigheden – een laag van zijn kunnen bereiken die aan de dagelijkse ellende ontsnapt. De kern als het ware, de essentie – of liever gezegd de kwintessens – die niet gevoelig is voor stress of armoede of lawaai.” Fatima keek hem alleen maar glazig aan. “Met de juiste muziek kun je die kern bereiken. Iedereen. Niet alleen mensen die een therapeut kunnen betalen, maar ook andere mensen. Ook mensen in de Hendrik Jordaanbuurt. Vandaar die rustgevende toon. Zodat ze geen last hebben van alle ellende om zich heen.” Fatima keek hem opnieuw aan, dit keer peinzend. “Dat is een op zich tmooi idee”, zei ze uiteindelijk. “Maar?” “Werkt het ook?” “De data wijzen op een daling van conflictniveaus. 41 procent lager dan voor StilteNet”, zei Lars. “Mensen zijn veel rustiger.” “Rustiger. Maar gelukkiger?” “Nou… “, zei Lars. De opmerking zette hem aan het denken. “Mijn buurvrouw slaapt tegenwoordig twaalf uur per nacht”, zei Fatima. “Ze zegt dat ze zo moe is. Vroeger had ze maar zes uur nodig. Ik heb aan negen uur nog niet genoeg.” Ook die opmerking zette Lars aan het denken. “Negen uur”, zei hij. “Ik ook. Vroeger maar zeven uur.” Hij had er nooit over nagedacht, maar nu Fatima het zei: “En ik ben ook moe.” “Komt u anders kijken, vanavond. Elke donderdag hebben we een inloopspreekuur in het wijkcentrum. Om zeven uur.” Die avond ging hij naar het wijkcentrum aan de Hendrikkade. Fatima kwam hem tegemoet lopen. “Ik had helemaal geen zin”, zei ze. “Geen fut. Maar ik wist dat u zou komen, daarom heb ik me ertoe gezet om toch te komen. Dit wilde ik u laten zien”, zei Fatima, en ze maakte een weids gebaar richting de zaal. In het midden stond een tafel met zes stoelen, terwijl de zaal misschien wel veertig bezoekers kon verwelkomen. Er zaten drie mensen aan de tafel: een oudere man met een wandelstok, een vrouw van een jaar of zestig met een notitieboekje dat ze de hele avond niet zou openen en een jongen van misschien vijftien die eruit zag alsof hij nergens anders had om heen te gaan. Een gemeenteambtenaar in een fleecevest legde uit dat de stoeptegels voor het wijkcentrum volgend kwartaal vervangen zouden worden. De man met de wandelstok knikte. De vrouw knikte. De jongen keek naar zijn telefoon. Er kwamen geen vragen. De ambtenaar bedankte iedereen voor zijn komst. Om tien voor half acht was de vergadering voorbij. “Misschien was het geen aansprekend thema”, opperde Lars. “Niet iedereen maakt zich druk over stoeptegels.” “Dat is het niet”, zei Fatima. “Kom maar mee.” Ze leidde hem naar een kamertje met dat grensde aan de zaal met een bureau dat te groot was voor de ruimte. Fatima kon zich nog net achter het bureau wurmen en ging daar aan de computer zitten. “Kijk”, zei ze, en draaide het scherm naar Lars. “De deelnamecijfers voor buurtactiviteiten – vergaderingen, inloopspreekuren, wijkdagen, sportlessen in de buurthal.” Lars zag het. Het aantal bezoekers per maand was gedaald van gemiddeld 340 deelnemers per maand voor de installatie van StilteNet naar 93 in het meest recente kwartaal. Een daling van 73 procent. Lars had deze cijfers niet paraat, maar verbaasd was hij niet. Alle rapporten over StilteNet hadden het over de ‘afname van conflictgerelateerde activiteiten’, zoals ze dat waren gaan noemen bij HabitaNova. Zelf had Lars iets geschreven in de trant van ‘de daling in buurtparticipatie correleert positief met de daling in meldingen van overlast en conflictincidenten, wat duidt op een vermindering van reactieve, stressgerelateerde participatievormen’. Hij las verder. Opkomstcijfers gemeenteraadsverkiezingen 2030, wijk Hendrik Jordaan: 38 procent. Stadsgemiddelde: 51 procent. Verschil: 13 procentpunten. In 2026 – het jaar vóór de installatie – was het verschil 4 procentpunten geweest. Nieuwe ondernemingen geregistreerd in de wijk: in 2026 zeventien. In 2028 tien. In 2030 vier. Buurtvereniging ‘Jordaan Sterk’: opgericht 2018, opgeheven 2029. Reden: “Gebrek aan actieve leden.” Initiatiefgroep ‘Samen Schoon’: gestopt 2030. Reden onbekend. “Ik zie wat u bedoelt”, zei hij tegen Fatima. “Maar ik begrijp het niet.” “StilteNet reduceert niet alleen stress maar maakt ook apathisch”, zei Fatima. Lars knikte met tegenzin, hij gaf zijn ongelijk niet graag toe. “Maar waarom zijn we dan zo moe?”, vroeg hij. Hij logde in op het controlpanel van StilteNet. “Kijk”, zei hij tegen Fatima, en hij wees naar de kaart van de Hendrik Jordaanbuurt op het scherm, waarop 49 lichtjes groen kniiperden: de 49 nodes in de buurt die geluid uitzonden. “En kijk”, zei hij, nu meer tegen zichzelf dan tegen haar. Hij had de logfiles van de afgelopen week geopend. De frequentie van de nodes was 528 Hz, zoals verwacht. Maar hij zag ook iets anders. “Een tweede laag”, zei hij. “Onhoorbaar. 4 Hz.” “Dus?”, zei Fatima. “De slaapfrequentie”, zei Lars. “Pff… “, blies Fatima hoofdschuddend. Het klonk als een beschuldiging. “Ik had geen idee”, zei Lars. “Echt geen idee. Ik moet toch ook eindeloos slapen, ik ben toch ook moe. En ik woon niet eens hier … ” Hij pauzeerde. “Ik woon niet eens hier in de testomgeving”, had hij willen zeggen, maar hij had zich op tijd bedacht. Omdat hij Fatima niet wilde beledigen. En omdat … Hij keek op de kaart naar de Staatsliedenbuurt, naar de Jozef Israelskade. En jawel: daar, vlak voor zijn huis, knipperde een groen lichtje. Woonde hij toch in een testomgeving. Marleen Kroes hield kantoor op de vijfde verdieping van het gebouw van de woningcorporatie, aan de brede Bolsiuslaan in Zuid. Van daaruit had ze uitzicht over de hele stad, die als je zo hoog zat iets Madurodammerigs had: een mini-stad, die veel schoner en beter onderhouden leek dan wanneer je er doorheen liep zoals Lars net had gedaan. Het kantoor van Marlies had altijd dezelfde temperatuur, viel hem elke keer weer op: iets te warm om aangenaam te zijn, wat misschien verklaarde waarom ze altijd een karaf water voor zich op het bureau had staan. “Je wilde me iets laten zien”, zei ze. “Ja”, zei Lars. Hij opende zijn laptop en draaide het scherm naar haar toe. Hij had de participatiedata die hij gisteren van Fatima had gekregen in een presentatie gestopt. Veel lijndiagrammen met opkomstcijfers; de neerwaartse trend kon niemand ontgaan. Hij trok ook geen conclusie: “De data spreken voor zich”, zei hij tot slot slot, en zuchtte, om aan te geven hoe ernstig het was dat de betrokkenheid van bewoners bij hun eigen buurt zo hard achteruit was gegaan. “Lars”, reageerde Kroes. “Ik waardeer dat je dit met me deelt.” “Ik denk dat het systeem een effect heeft dat we niet hadden voorzien.” “Ik zie dat toch echt niet”, zei Kroes, terwijl ze quasi-bezorgd naar de presentatie tuurde. “Bewoners worden apathisch.” “Zo kun je het zien.” “Dat was niet de bedoeling.” “Ze worden rustiger. Dat is toch goed?” Kroes nam een slok water. “Lars, ik begrijp je bezorgdheid. Maar wat zeg je eigenlijk? Dat de bewoners minder last hebben van stress. Dat onze kosten zijn gedaald. Dat we een succesvol project hebben gefinancierd.” Ze pakte haar glas water op, maar zette het terug voordat ze een slok had genomen. Ze keek hem aan op de manier van … van iemand die een beetje medelijden heeft, realiseerde Lars zich. “Lars”, zei ze. “Beste Lars. Ik ben directeur van een woningcorporatie. Ik heb 4.200 huurwoningen in beheer. Ik heb een klantenservice die ’s winters overuren draait omdat er te veel meldingen binnenkomen over overlast, schimmel, burenruzies, en lekkages. Ik heb budgetten die ik maar niet sluitend krijg en een raad van toezicht die elk kwartaal vraagt waarom de leefbaarheidsscores niet verbeteren.” Ze zweeg even. “Maar dankzij jou weet ik dat het anders kan. Beter. Minder gedoe. Zonder ingrijpen. Zonder verzet van huurders. Zonder politieke tegenstand. Een makkelijke oplossing voor onze problemen.” “Dat was niet de bedoeling”, herhaalde Lars. “Misschien niet de jouwe”, zei Kroes. Lars zweeg. “Er is nog iets”, zei hij, terwijl hij de laptop pakte. Hij liet de kaart zien met de nodes van StilteNet. “Het zijn er 50, geen 49.” “O?”, zei Kroes overdreven. “Nou nou.” “En weet je waar de 50e node staat?” Kroes antwoorde niet, maar keek hem aan alsof ze betrapt was. “Nou nou”, zei ze weer. Maar toen bedacht ze zich en sloeg een vriendelijker toon aan. “Ik maakte me zorgen om jou. Na Vera. Ik wilde zeker zijn dat je voldoende rust kreeg.” Lars zei niets. “Dát was de bedoeling”, zei ze. Ze pakte een map en legde die voor hem neer. Het contract om StilteNet in te voeren in drie andere stadsdelen, inclusief een licentiebedrag. “Lars”, zei Kroes. “Ik ga je iets zeggen wat ik liever niet zou zeggen.” Ze stond op en liep naar het raam. En terwijl ze uitkeek over het Madurodammerige stadje dat aan haar voeten lag, zei ze: “De drie stadsdelen wachten niet onbeperkt. Als jij het contract niet ondertekent, zoeken ze iemand anders. Ook al is het jouw ontwerp. Ze importeren het dan uit China, heel simpel. StilteNet breidt zich toch uit. Met of zonder jou.” Ze draaide zich naar hem om. “Dat is geen dreigement. Dat is hoe het werkt.” Hij nam de tram de Hendrik Jordaanbuurt en liep door naar het wijkcentrum aan de Hendrikkade. Fatima deed open. “Ik wil iets vragen”, zei Lars. “Kom binnen”, zei Fatima. Ze liepen door naar het kantoortje. Lars wurmde zich zonder toestemming te vragen achter de PC en opende het controlpanel van StilteNet, zodat de kaart van de Hendrik Jordaanbuurt met 49 groene stippen op het scherm te zien was. “Ik wil ze kapotmaken”, zei Lars. “Allemaal. Vannacht.” Hij maakte een foto van de kaart met zijn mobieltje. Fatima glimlachte, pakte haar mobieltje en maakte ook een foto. “Ik weet dat de criminaliteit hier flink is gedaald.” zei Lars. “Maar ergens in de wijk is toch nog wel een windbuks te vinden? Of een pistool?” “Mijn vader had een windbuks”, zei Fatima. — Ze begonnen aan de Langestraat. Node 1 zat op een lantaarnpaal naast een gesloten koffieshop. Het grijze doosje was nauwelijks zichtbaar, maar als je goed keek kon je het net zien. Lars richtte, haalde de trekker over en miste. Het tweede schot was raak. Een knal, niet hard, gevolgd door iets wat klonk als brekend plastic. Het doosje hing half los. In de verte blafte een hond. Ze liepen door. Node 2 zat op een hoek bij een woningblok. Node 3 op een muur achter een parkeerplaats. Lars controleerde elk coördinaat op zijn telefoon; Fatima liep net iets voor hem uit en wees. Zij kende de wijk. Hij kende de installaties. Na node 17 hadden ze hun ritme gevonden. Lars richtte, schoot raak, schoot voor de zekerheid nogmaals. Fatima liep alvast door naar het volgende coördinaat. Node 29 was bevestigd aan een balkon van een van de flatgebouwen van woningbouwvereniging HabitaNova. Wel tien meter hoog, schatte Lars richtte schuin omhoog en hield zijn adem in. “Iets meer naar links”, zei Fatima. Hij corrigeerde. Raak. Het doosje verloor een bevestiging. Hij schoot nog een keer. “In de roos”, zei Lars. “Straks win je nog een teddybeer”, lachte Fatima. — Om half vijf, toen de zon opkwam en de lucht lichter begon te worden, bereikten ze node 49. De node was bevestigd aan een lantaarnpaal naast de muurschildering van de vlieger – dezelfde muurschildering die Lars maandenlang wekelijks was gepasseerd, nooit goed bekeken. In het halfduister waren de kleuren vervaagd. Een jongen. Een vlieger. Een blauwe lucht. Lars schoot. De knal echode even tussen de gevels. Een flatbewoner deed een raam open, schreeuwde iets en deed het raam weer dicht. Ergens begon een baby te huilen. “Hoor je dat?” zei Fatima. Lars hoorde het. Een vrachtwagen in de verte. Voetstappen achter hen, van iemand met haast. Op de hoek van de straat ging een raam open en er was een moment lang muziek. Een auto die van de weg achter hem de hoek omreed, met piepende remmen. Iemand die lachte. De wijk kwam tot leven. Voor het eerst in jaren. Fatima en Lars keken omhoog naar de muurschildering van de vlieger. “Goed werk”, zei Fatima uiteindelijk. Alsof ze het had over een vergadering die zojuist was afgelopen. Lars knikte. maar hij was nog niet klaar, niet helemaal. Hij hield de windbuks omhoog. “Mag ik ‘m nog even lenen?”, vroeg hij. “Je krijgt hem terug.” “Jij hebt hem harder nodig dan ik”, zei ze. — Lars liep in twintig minuten naar huis. Het was nog niet druk op straat, maar voor de zekerheid hield hijde buks tegen zijn borst gedrukt, onder zijn jas. Voor zijn flat bleef hij staan. Node 50 was vastgemaakt aan de lantaarnpaal voor zijn raam. Het was bijna niet te bevatten dat hij het doosje nog nooit had gezien, maar Llars wist: als je niet zocht dan zag je niets. Hij richtte de windbuks omhoog. Raak. Nog een keer. Het doosje hing half los, een van de bevestigingspunten gebroken. Lars liet de windbuks zakken en liep op zijn gemak de trap naar zijn flat op. Hij voelde de vermoeidheid in zijn benen. Niet dat doffe, aanhoudende gebrek aan energie dat hij als normaal was gaan beschouwen, maar een fysieke vermoeidheid die aangenaam aandeed. Hij voelde zijn benen en zijn rug en de windbuks die in de loop van de nacht steeds zwaarder was geworden. Maar zijn geest was helder, voor het eerst in lange tijd. Hij wist wat er zou gebeuren. HabitaNova zou de beschadigde nodes vervangen. StilteNet zou worden hersteld. Hij zou het contract niet ondertekenen. Kroes zou een Chinees bedrijf inhuren om StilteNet uit te rollen uitrollen naar drie stadsdelen, dan naar vijf, dan naar nog meer. Maar vandaag nog niet. Vandaag was een dag om nog één keer, misschien de laatste keer, in vrijheid door te brengen. Hij zou Vera kunnen bellen, bedacht hij. Maar als hij eerlijk was voelde hij daar geen behoefte toe. Ruis. Geen zin in. Zinloos. Hij ging voor de klankschaal op z’n eettafel zitten, pakte de kleine houten klopper en sloeg de rand aan. Het geluid zwol traag aan, vulde de kamer en stierf toen langzaam weg. Nog voordat het geluid helemaal was uitgedoofd, sloeg Lars de klankschaal opnieuw aan. En opnieuw. En opnieuw. Net zo lang totdat hij de quinta essentia zou bereiken. EINDE



Beelden: zelf gebakken met ChatGPT
Logo voor de Sci-Fai / Komedie- en tragediereeks: zelf gebakken met ChatGPT.



