Weerklank (Een Sci-Fai / Romantiekverhaal)

Weerklank (Een Sci-Fai / Romantiekverhaal)

SFRRomantiekmettekstIne laat een datingapp meekijken in haar mails, documenten en oude teksten. Het systeem koppelt haar aan Noor. Een vrouw, terwijl Ine nooit anders heeft gekend dan heteroseksuele relaties. Hun ontmoeting begint als een kans op nieuwe liefde, maar wordt al snel een verkenning van pijnlijke herinneringen.

HOOFDSTUK 1: EEN VROUW

1

Ik zag iets in je ogen dat ik niet kon negeren, tikte Ine.

Weerklank bevestigde: bericht verzonden, 23:14.

De ontvanger was Noor. Althans dat was haar schermnaam. Eenenzestig jaar, Amsterdam, tekstschrijver. Eén foto, genomen in een keuken of iets wat daarop leek. Donkergrijs haar tot net onder de oren, een eenvoudige trui.

De ideale match, volgens Weerklank. “Een vrouw!”, had Ine gedacht toen Weerklank met Noor op de proppen kwam. Maar toen ze het even had laten bezinken: “Waarom ook niet? Misschien beter.”

Zes maanden eerder had Ine toestemming gegeven voor toegang tot haar e-mails, haar documenten en haar bestanden – ook de mappen die ze al jaren niet had geopend, de tekstbestanden zonder naam, de map die ze ‘persoonlijk’ had genoemd en nooit had opgeruimd. Weerklank wist er wel raad mee. Hoe meer data, hoe beter. Het platform had haar er op gewezen dat het niet las wat ze schreef, maar hoe. Dat maakte ze tenminste op uit de mededeling van Weerklank dat het vooral lette op ‘resonantie’.

Na drie weken had het platform haar eerste matches gepresenteerd: drie mannen in haar leeftijdscategorie. Ze had berichten gestuurd, ontmoetingen gehad. Met geen van hen had ze werkelijk een klik gehad.

Dat terwijl het platform toch echt de reputatie had van hoogwaardige matchmaker. Een datingapp waar je nu eens niet eerst door tientallen profielen hoefde te waden voordat je enkele potentiële liefdeskandidaten tegenkwam. Een app waar je niet vervolgens eindeloos hoefde te appen om elkaar af te tasten. Een app waar je evenmin daarna – als de interesse niet al was verflauwd, tenminste – hoefde af te spreken met iemand die zich online oneindig veel aantrekkelijker had voorgedaan dan hij in werkelijkheid was. En dan – als je geluk had – na de zoveelste teleurstellende ontmoeting misschien eindelijk eens iemand tegenkwam die je nog wel eens zou willen zien.

Weerklank nam je al dat voorwerk uit handen. Het kwam met werkelijk geschikte liefdeskandidaten op de proppen. Het toonde wekelijks een profiel, een percentage dat aangaf hoe hoog de kans was op een match en drie zinnen die afkomstig waren uit de informatie die de ander beschikbaar had gesteld – niet gekozen door die ander, maar door het algoritme van Weerklank. Wat het in die zinnen had gezien, was onbekend, het liefdesalgoritme van Weerklank was een goed beschermd geheim, een door juristen dichtgetimmerde, zwaar beveiligde ‘black box’. Weerklank schermde evenwel met slagingspercentages van hoger dan 75 procent. Zeker drie op de vier leden vonden dus via Weerklank wie en wat ze zochten, en dat zonder noemenswaardige tijdverspilling.

Ine behoorde voorlopig nog niet tot die drie gelukkigen. Dat lag vooral aan haar zelf, begreep ze, toen het platform haar een pushmelding stuurde: Uw resultaten zijn beperkt door actieve filters. Overweeg de open modus voor een vollediger beeld. En inderdaad: ze was alleen geïnteresseerd in mannen in Rotterdam die niet meer dan vijf jaar ouder en niet meer dan vijf jaar jonger mochten zijn dan zij zelf. Terwijl de ware liefde misschien helemaal niet in Rotterdam woonde (grote kans zelfs, begon ze zo langzamerhand te denken) en buiten de leeftijdscategorie van haar voorkeur viel. Misschien was hij wel wat jonger, overwoog ze. Een man met een buitenhuis. Een verbouwde boerderij, dat leek haar wel wat. Ze gaf Weerklank toestemming om haar voorkeursinstelling naar ‘open modus’ te veranderen.

En nu had Weerklank dus een vrouw uit de hoge hoed getoverd. Waarom? Geen idee. Natuurlijk vergiste Weerklant zich ook wel eens. Maar hoe vaak had zij zich zelf wel niet vergist in mannen? Zo vaak en zo sterk vergist dat het een schaduw op haar leven had geworpen en haar geluk in de weg had gestaan. Dan toch liever de raad Weerklank opvolgen dan zich weer aan zelfsabotage over te geven. Kans op een ‘resonante’ match, volgens Weerklank: 91,4%.

En daaronder de drie zinnen die het systeem had uitgekozen. De eerste luidde: Ik heb geleerd te schrijven zonder een bepaalde lezer in gedachten en dat heeft me bevrijd. De tweede: Een stad is altijd kleiner dan het idee van die stad. De derde: Na verlies wordt alles tijdelijk.

Dat kon niet waar zijn. En dan die blik van Noor. Vandaar: Ik zag iets in je ogen dat ik niet kon negeren.

HOOFDSTUK 2: HEEN…

2

Noor reageerde direct: Ik weet niet of dit ergens toe leidt, maar goed.

Ine had reageerde: Als je niet weet waar je naar toe gaat, kun je elk weg nemen.

Noor had een smiley teruggestuurd, en voordat Ine er erg in had, vlogen de appjes heen en weer en volgden drie weken waarin ze het ene na het andere bericht uitwisselden.

Noor drukte zich nauwkeurig uit, met de voorzichtigheid van iemand die had geleerd dat je teksten worden bewaard en hergebruikt – tenminste op dit platform, dat alles opsloeg en gebruikte om het algoritme te voeden. Ine schreef zoals iemand die zich niet helemaal thuis voelt in de taal doet, en uit onwennigheid zo min mogelijk woorden gebruikt. In de beperking toont zich de meester, heet het, maar Ine wist wel beter: in de beperking toont zich de amateur. Ze hoopte maar dat Noor haar verbale horten en stoten zou zien als een bewijs van karakter en niet als stilistisch onvermogen.

Op een donderdagavond had Noor geschreven: Ik herinner me vandaag iets anders dan dat ik me gisteren herinnerde. Morgen zal ik me weer iets anders herinneren. Zo verzin ik een verhaal over mijn verleden dat ik blijf herschrijven om er maar in te kunnen geloven.

Ine had niet meteen geweten hoe ze daarop kon reageren. Om de band met Noor aan te halen had ze graag een bericht verstuurd waaruit bleek dat ze het verleden ook als een soort boetseerklei zag. Maar ze had juist een tegenovergestelde ervaring. Ik wou dat ik het verleden kon herschrijven, appte ze daarom. En ik wou dat ik er niet in hoefde te geloven. Maar het lukt me niet.

Echt?, had Noor geappt. Ik hoor daar graag meer over. Wordt het niet eens tijd dat we afspreken?

En zo kwam het dat Ine de volgende dag naar station Amsterdam-Zuid afreisde. In de trein zat ze bij het raam. Buiten schoof het land voorbij met de zakelijke onverschilligheid van Nederland: weiland, geluidsscherm, distributiedoos, water, nog een geluidsscherm. Ze had een jas aangetrokken die netjes was maar niet formeel. Een donkerblauwe jas, recht gesneden, zonder sierknopen. In de binnenzak zat haar telefoon. In haar tas zaten een kam, lippenbalsem en een doosje pepermunt.

Noor stond haar op het perron op te wachten. Ze was kleiner dan Ine had verwacht op grond van de foto’s die ze van haar had ontvangen. Ze droeg een zwarte jas, grijze sjaal, platte schoenen. Geen oorbellen. Geen opvallende kleuren. Het was verstandig geweest om zich niet te frivool te kleden, constateerde Ine. Ze zag Noor net iets eerder dan Noor haar, zodat ze net genoeg tijd had om haar teleurstelling te verbergen. Want Noor leek dan wel precies op de foto, Ine had meer verwacht. “Weer geen liefde op het eerste gezicht”, dacht ze.

Ze gaven elkaar een hand, lachten toen allebei tegelijk en omhelsden elkaar toen. Noor bleek inderdaad echt Noor te heten, ze had dus geen alias gekozen op Het gesprek liep direct, merkte Ine al na de eerste minuut: ze waren allebei die gewend zijn te praten zonder er volledig op te gaan in het gesprek en daardoor ook niet verdwalen, maar alert genoeg blijven om vragen te stellen en de antwoorden in zich op te nemen en vervolgvragen te stellen die daar naadloos op aansluiten.

Ze spraken over de reis, over Amsterdam en Rotterdam, over hun werk. Over hun kinderen. Noors dochter woonde in Berlijn, schreef voor allerlei sites. Ines dochter woonde in Den Haag, met twee kleindochters die Ine niet zo vaak zag als ze wilde. Het gesprek begon stroef te lopen toen ze het hadden over mogelijke wederzijdse kennissen. Ine zat toch in de reclame? Noor kende die en die, misschien had Ine daar wel eens contact mee gehad? Of anders die en die? Die en die dan misschien? Toen duidelijk was de Ine een ’trafficmedewerker’ was die niemand bleek te kennen die iemand kende, gooide Noor het over een andere boeg.

“En hoe lang zit je al op Weerklank?”, vroeg Noor.

“Een jaar. Iets langer”, zei Ine.

“En?”

“Het is beter dan andere platforms. Minder zelfpromotie. Minder mensen die zichzelf omschrijven als ‘levensgenieter”.”

Noor zuchtte kort. “Het woord alleen al.”

“Ja.”

“Alsof de rest van ons voor de dood hebben gekozen.”

Ine fronste even. Heel even. Maar Noor had het gezien. “Ik hoop niet dat ik je daarmee kwets.”

“Nee, natuurlijk niet. Je hebt helemaal gelijk.”

“Maar?”

Na verlies wordt alles tijdelijk“, zei Ine na enig nadenken.

“Die zin van mij die Weerklank heeft uitgekozen?”

“Is het wel jouw zin? En waarom heeft Weerklank die zin uitgekozen? En die andere twee zinnen. Liever pijn dan een leugen. Een stad is altijd kleiner dan het idee van die stad. Waarom juist die twee?”

“Ik heb wel een vermoeden”, zei Noor. “En jij volgens mij ook.”

“Ja”, zei Ine.

“Laten we naar mijn huis gaan, dan kunnen we het er over hebben.”

HOOFDSTUK 3: HERINNERINGEN AAN HEIN

3

Noor woonde in een straat met smalle gevels en hoge stoepen, op vijf minuten van station Amsterdam-Zuid. Een smalle trap, een fiets in de gang, post op de grond. Noor ging Ine voor de trap op. Haar appartement bevond zich op de tweede verdieping. In de woonkamer stond in de hoek een piano die niemand bespeelde – geen gebruikssporen op de klep, tijdschriften op de klankkast en een grote ficus die het instrument grotendeels aan het oog onttrok. Er lagen her en der boeken verspreid, de meeste overduidelijk gelezen, met ezelsoren en post-its met aantekeningen.

Noor zette thee. Ine ging zitten aan de eettafel en bladerde wat door een boek dat daar lag, Brieven aan een jonge dichter van Rilke: “Leef nu de vragen. Misschien leeft u dan ooit, in de verre toekomst, geleidelijk en zonder het te merken, de antwoorden in.” Ine begreep het half-half, en kon daardoor niet bepalen of ze het ermee eens was of niet. Waarschijnlijk niet, besloot ze.

Toen vroeg Noor naar Hein.

Niet direct. Ze zei: “In je eerste bericht stond iets over mijn ogen.”

“Dat klopt,” zei ze.

Noor wachtte.

“Het kwam door die zinnen. Daardoor meende ik iets in je blik te… ”

“… te ontwaren”, vulde Noor aan.

“Iets te zien, in elk geval.”

Ine zuchtte en vertelde het verhaal van Hein.

Hein was haar zwager geweest, de jongste broer van haar eerste man. Hij had haar aan zijn broer voorgesteld toen hij zestien was en zijn broer eenentwintig. Van het een was het ander gekomen, en binnen een jaar was Ine getrouwd. Zeventien jaar lang was hij aanwezig geweest – op verjaardagen, op kerst, op zaterdagmiddagen bij haar thuis – zonder ooit de voorgrond op te eisen, zonder iets te zeggen of te doen dat haar op een andere gedachte had kunnen brengen. Na het ongeluk op de A15 in februari, na de begrafenis in de regen, had haar toenmalige man gezegd: “Je weet toch dat jij zijn enige grote liefde was.” Ze had ‘O’ gezegd. Ze had het nooit geweten. Zeventien jaar naast hem gestaan en niet gezien wat er was.

“Waarom heeft hij je dat niet verteld? Toen hij je pas leerde kennen, bedoel ik”, vroeg Noor.

“Hij vond zichzelf te jong. Vijf jaar is ook niet niks op die leeftijd.”

“En daarna?”

“Hij vond dat hij dat zijn broer niet kon aandoen.”

“Nee, natuurlijk niet”, ezei Noor.

“Maar had hij het maar wel gedaan.”

“Dat begrijp ik niet.”

“Hein en mijn man hadden samen een bedrijf, in de bouw. Ze zaten samen in de auto toen Hein werd doodgereden. Als Hein met mij was geweest, had hij dat bedrijf met zijn broer zeker opgegeven.”

“En dan leefde hij nog”, vulde Noor aan.

“Ik was er kapot van. Mijn huwelijk heeft de dood van Hein niet overleefd.”

“Want eigenlijk was hij ook jouw grote liefde”, zei Noor.

“Ja. Al realiseerde ik me dat pas toen hij er niet meer was.”

“En daarom ben je maar op Weerklank gegaan?”, vroeg Noor.

“Dat weet ik niet…”

“Omdat je geen vertrouwen had in je eigen oordeel. Omdat je jarenlang niet in de gaten hebt gehad dat iemand van jou hield en jij van hem. En je daarom je oordeel liever uitbesteedde aan een algoritme.”

“Ja misschien.”

“En toen zag je mij.”

“Ik las die drie zinnen. Toen zag ik jou pas.”

“En?”

“Het was alsof hij mij recht in de ogen keek. ”

Noor zweeg, terwijl Ine naar woorden zocht om de stilte te vullen.

“En jij? Wat is jouw verhaal”, vroeg ze uiteindelijk. Iets beters kon ze niet verzinnen.

“Ik ben ook getrouwd geweest”, zei Noor. Ze haalde haar schouders op, als om aan te geven dat het niet zo veel had voorgesteld.

Ine keek om zich heen. De piano. “Die speelde je man zeker?”

“Ja. Een sta in de weg. Het wordt tijd dat ik hem wegdoe.”

“Toch zonde”, zei Ine.

“Mannen komen en gaan”, zei Noor. “En zoals ik al zei: we kunnen het verleden herschrijven. De herinneringen aan die mannen kunnen veranderen. Sommige mannen worden belangrijker, ander minder belangrijk.”

“Ik kan dat niet”, zei Ine. “Zoals ik al zei: ik wou dat ik het kon. Maar het lukt me niet.”

“Misschien dat je daarom hier bent?”, zei Noor.

“Dat zie ik niet zo”, zei Ine.

“Was het beter om het te weten?”, vroeg Noor.

Ine keek niet begrijpend op.

“Hein”, zei Noor. “Dat hij van je hield. Was het beter om dat te weten? Of had je liever gehad dat je man het nooit had gezegd?”

Het was een vraag die Ine zichzelf vaak had gesteld. Ze had er nooit een bevredigend antwoord op gevonden. Toch zei ze: “Ik ben blij dat hij het heeft gezegd. Daardoor werd me duidelijk hoe liefdeloos ons huwelijk was”, want dat had ze zichzelf uiteindelijk terecht of ten onrechte wijsgemaakt.

“Dan begrijp je ook waarom waarom Weerklank je met mij in contact heeft gebracht”, zei Noor. “Hoe pijnlijk het misschien ook is. Maar zoals Hein al zei: Liever pijn dan een leugen.”

Ine begreep het eindelijk. “Ja, dat zei hij.”

Noor glimlachte. “Ik ben niet gekwetst.”

Ine slikte. “Het is niet dat ik jou niet zie.”

“Misschien zie je me wel,” zei Noor. “Maar er staat nog steeds iemand anders in de weg.”

HOOFDSTUK 4: … EN WEER

slot

Ze liepen naar het station. Het was fris voor de tijd van jaar. De straten in de Stadionbuurt waren rustig, de gevels goed verlicht. Bij de ingang van het station bleven ze staan. Mensen liepen voorbij – een man met een koffer, twee studenten met fietsen aan de hand.

Bij de ingang van het station bleef Noor staan. “Dank je dat je gekomen bent,” zei Noor.

“Dank je dat ik mocht komen.”

Noor haalde haar hand uit haar zak. Ine dacht dat ze een hand zou geven. In plaats daarvan legde Noor haar vingers kort tegen Ines onderarm.

“Zorg goed voor jezelf,” zei Noor.

Ine knikte.

“Jij ook.”

De trein naar Rotterdam vertrok om 22:47. Ze zat aan het raam. Weilanden, spoorbomen, een industrieterrein met oranje lampen flitsen voorbij.

Ine opende Weerklank.

Noors profiel stond nog bovenaan. Ze las Heins zinnen opnieuw, In de trein naar Amsterdam had ze er een belofte in gezien. Nu zag ze er een spoor uit het verleden in. Een verleden dat ze had moeten herschrijven. Noor had gelijk: “Herinneringen aan mannen kunnen veranderen. Sommige mannen worden belangrijker, ander minder belangrijk.”

Ze ontvriendde Noor.

Het algoritme laadde de volgende match. Een nieuwe foto. Een naam. leuke man. Leek in de verste verte niet op Hein. Een percentage: 87.3% kans op een goede match. Drie zinnen. Gelukkig: geen ‘levensgenieter’, geen ‘bourgondiër’, niet iemand met een ‘rugzakje’ dat hij al dan niet had uitgepakt. Een man met een sympathieke uitstraling. Iemand om misschien toch wat mee op te bouwen, al zat ze dan in de blessuretijd van haar leven.

De trein reed een tunnel in. Even geen licht, geen venster, geen landschap. Alleen de coupé, de smalle stoel, de telefoon in haar handen. Toen de trein de tunnel uitreed, tikte ze: Ik zag iets in je ogen dat ik niet kon negeren.

EINDE

Beelden: zelf gebakken met ChatGPT

Logo voor de Science Fiction en Romantiek-reeks: zelf gebakken met ChatGPT

Deel:

Geef een reactie