Sara Noel/Lena (Een Sci-Fai / Tragedie)

Ze was goed in haar werk. Misschien wel te goed. Totdat het werk haar vroeg iemand te laten vallen en ze dat deed. Jaren later zoekt ze hem op onder een andere naam en doet haar best hun oude band te herstellen. Tot ze zich realiseert dat ze meer wil dan dat.
HOOFDSTUK 1: SARA NOEL

Sara Noel had gereageerd op de vacature van Proxima op LinkedIn en was na een sollicitatiegesprek direct aangenomen. Het werk was eenvoudig, hadden ze haar verteld. Ze moest aanwezig zijn en luisteren. Af en toe misschien wat licht huishoudelijk werk verrichten, maar ze was geen huishoudelijke hulp: ze was wat vroeger een gezelschapsdame werd genoemd. Iemand die ‘persoonlijke aanwezigheidszorg’ verleende, zoals het heette binnen Proxima.
Ze was er goed in. Erg goed zelfs. Haar leidinggevende, een man die Henk heette en zich altijd gedroeg alsof hij zich ergens voor moest verontschuldigen haalde haar klanttevredenheidsscores aan tijdens teamvergaderingen. “Sara heeft het hoogste gemiddelde van het kwartaal.” Ze glimlachte dan op de manier die van haar verwacht werd, al zeiden die cijfers haar weinig.
Haar collega’s vonden haar naïef. Dat zeiden ze niet rechtstreeks – ze zeiden het op de manier waarop mensen dingen zeggen die ze niet willen zeggen: door in haar bijzijn het onderwerp indirect aan te kaarten. Door het te hebben over afstand houden. Over professionele grenzen. Over klanten die te veel willen.
Proxima was vijf jaar eerder opgericht, toen een overheidsprogramma voor sociale verbinding (opgezet omdat ‘eenzaamheid net zo slecht is als 15 sigaretten per dag roken’) wegens gebrek aan tastbare resultaten werd stopgezet. Diverse partijen dachten echter dat er goed geld te verdienen zou zijn aan de wijdverspreide eenzaamheid en stortten zich toen op ‘persoonlijke aanwezigheidszorg’. Proxima werkte met een AI-systeem dat zorgmedewerkers koppelde aan klanten op basis van een compatibiliteitsprofiel – communicatiestijl, interesses, beschikbaarheid, iets wat het algoritme ‘resonantiewaarde’ noemde.
Zodoende was Sara aan Maarten gekoppeld. Elke donderdagochtend bezocht ze hem van tien tot twaalf.
Hij was vrijwel blind – niet volledig, maar wel zo slechtziend dat hij de wereld als een wazig, driedimensionaal impressionistisch schilderij te ervaren. Hij woonde alleen in een appartement op de vierde verdieping, met een lift die het niet altijd deed en een intercomsysteem dat kraakte als een oud radiotoestel. Hij deed de voordeur van zijn appartement altijd open voordat ze daar had aangebeld. Ze vroeg het hem een keer hoe ze wist dat zij het was. Hij zei: “Voetstappen. Die van jou klinken anders.”
De huiskamer van zijn appartement was vrijwel leeg. Niet zozeer omdat Maarten geen geld had om het duur in te richten, maar eerder omdat hij een afkeer had van overbodige luxe. Tegen de muur stond een grote boekenkast die maar halfvol was. Maarten hield van lezen, maar hoewel je boeken in brailleschrift gratis kon krijgen, wilde hij alleen boeken die voor hem belangrijk waren in de buurt hebben. Wanneer Sara hem bezocht, zat hij meestal in een stoel die naar de voordeur was gedraaid, en weg van het raam dat uitkeek op het gebouw ertegenover.
Ze praatten over van alles. Over een boek dat zijn buurvrouw hem had voorgelezen en dat hij niet mooi vond maar ook niet durfde te zeggen. Over zijn broer in Groningen die belde op verjaardagen en verder niet. Over hoe hij toen zijn zicht nog goed was had gefietst – ‘echt fietsen, snel, alsof ik altijd wind mee had’ – en dat hij dat miste. Over zijn vroegere vriendin.
Sara was een gretig luisteraar. Waar veel collega’s strikt volgens protocol handelden en een gesprek voerden om maar een gesprekslogboek te kunnen vullen met trefwoorden en escalatiepunten, was Sara werkelijk geïnteresseerd in Maarten. Waar veel collega’s niet vergaten dat ze iemand tegenover zich hadden die leed aan ‘de ziekte van eenzaamheid’ zoals ze dat binnen Proxima heette, zag Sara de mens achter de patiënt. Maarten merkte het verschil. Dat merkte zij dan weer aan de manier waarop hij begon te praten: langzamer, verder terug in de tijd, naar dingen die hij blijkbaar lang niet had uitgesproken.
Het was alsof hij, zodra hij zeker wist dat ze echt luisterde, iets in zichzelf losliet. Iets waarvan ze niet eens had geweten dat hij het vasthield. Ze kende niemand die zich zo blootgaf als Maarten. Ooit had ze eens gelezen dat het menselijk brein zo is geëvolueerd dat het er vanuit gaat je altijd omringd bent door andere mensen die je steun kunnen verlenen. Alleen zijn valt het brein daarom zwaar: het moet zichzelf steeds corrigeren. Ze moest er elke donderdagochtend aan denken toen ze Maarten zo zag in die kamer: hoe hij begon als iemand die alles zelf moest tillen, en eindigde als iemand die zich gesteund voelde.
Alleen had Maarten een pakket waarvoor hij maandelijks moest betalen. De laatste maanden had hij al een paar keer pas op het laatste moment voor een volgende maand betaald. Nu weer. Proxima had al een waarschuwing gestuurd, maar zonder resultaat. Een week voor het einde van de maand had Maartens naam al op de lijst van dubieuze debiteuren staan. Toen had ze gedacht: hij regelt het wel. Hij had het voorgaande keren tenslotte ook geregeld. Maar de volgende week stond zijn naam nog steeds op de lijst. En de week erna ook.
Toen had de afdeling debiteurenbeheer van Proxima de standaardprocedure in werking gesteld. Een brief van drie alinea’s. Vriendelijk van toon, zakelijk van inhoud. Betalingsachterstand. Opschorting van diensten. Hervatting na voldoening van het openstaande bedrag. Sara moest de brief ondertekenen en versturen, aangezien zij het contact met de klant onderhield.
Maarten had er niet op gereageerd. Het systeem registreerde zijn non-respons als als ‘klantuitval wegens financiële redenen’. Henk sprak van ‘churn’. Sara kreeg een nieuwe klant toegewezen.
Maar elke donderdagochtend moest ze toch aan Maarten denken. Aan de lift die kraakte. De deur die hij opende zodra hij haar voetstappen hoorde. De manier waarop hij zijn hoofd iets kantelde als hij naar haar luisterde, alsof hij een zender met een bepaalde frequentie zocht op een ouderwets radiotoestel.
Ze werkte nog anderhalf jaar bij Proxima nadat Maartens naam uit het systeem was verdwenen. In die tijd moest ze nog meer brieven versturen. Niet alleen naar Maarten, maar naar iedereen wiens tegoed opraakte, wiens betalingsachterstand te lang bleef staan, wiens pakket niet verlengd werd. Ze stuurde ze altijd braaf op: snel, correct, zonder onnodige vertraging. Geheel volgens protocol. Het begon haar hoe langer hoe meer tegen te staan. De brief aan die mevrouw in Amstelveen, die altijd vroeg of Sara een goede reis had gehad, alsof Sara degene was die verzorgd moest worden. De bief aan die man die elke week hetzelfde verhaal vertelde over zijn eerste auto (een Opel Kadett, bordeauxrood, uit 1987) en die elke week oprecht verrast leek dat Sara het nog wist. De brief aan die vrouw die niet veel zei maar altijd thee zette, altijd dezelfde mok, altijd iets te vol. Ze stelde zich weleens voor hoe het voor hen moest zijn als ze die opzeegingsbrief ontvingen. Niet alleen de vernedering – jij kunt niet betalen, dus je bent ons te min – maar vooral de schrik: het gevoel dat je er opeens helemaal alleen voor staat, terwijl je er net gewend was geraakt aan regelmatig gezelschap. Het gevoel dat je opeens teruggeworpen bent op jezelf. Elke brief was een stomp in de maag van de ontvanger. En met elke brief die ze verstuurde, kreeg ze ook meer tegenzin in het werk. Vroeger vond ze het maar wat belangrijk wat ze deed – eenzaamheid bestrijden, wat was er nou nobeler dan dat? – en voelde ze zich opbloeien in de gesprekken met de cliënten die ze van Proxima kreeg toegewezen. Dat ze voor dat werk ook nog eens betaald kreeg, zag ze als een bijkomstigheid. Het was dat ze geld moest verdienen, anders had ze het voor niets gedaan. Maar sinds die eerste brief aan Maarten was ze ervan bewust dat het contact met cliënten van het ene moment op het andere kon worden afgebroken. Het leidde ertoe dat ze zich niet meer helemaal kon geven. Natuurlijk, ze deed nog haar best naar hen te luisteren. Maar nooit zonder bijgedachten. Dat ze alleen recht op haar aandacht hadden zolang ze ervoor betaalden. Dat ze, zolang ze betaalden, geacht werd iets te ‘leveren’ waar zij ‘behoefte’ aan hadden in plaats van ze simpelweg een beetje gezelschap te houden. Dat ze vooral ‘klantgericht’ moest zijn in plaats van gewoon zichzelf. Gedachten die vroeger nooit bij haar waren opgekomen. Het werd steeds erger, tot het op een dag tot haar doordrong dat ze geen plezier meer in haar werk had. Ze deed het niet meer uit liefde, maar alleen omdat ze het geld kon gebruiken. Ze zou net zo goed iets anders kunnen doen. En iemand anders zou net zo goed haar plaats in kunnen nemen. Als ze er morgen mee zou stoppen, zou Henk een vervanger regelen. Net zo makkelijk. Ze begon de kantjes ervan af te lopen. En uiteindelijk zei ze haar baan op. zonder afscheid te nemen van de klanten – dat was het protocol, overdrachtsgesprekken werden door een collega gedaan. En dat was dat. De maanden daarna had ze moeite haar draai te vinden. Ze ging twee ochtenden per week als vrijwilliger in de buurtbibliotheek werken. Ze hielp mensen met het zoeken naar boeken, met het bedienen van de catalogusterminals, met het aanvragen van titels. Het was rustig werk. En vast ook wel zinvol. Ze merkte alleen dat het haar niets deed. Misschien omdat ze zo weinig tastbaar resultaat zag van haar inspanningen? Anders dan toen ze bij Proxima werkte: de eenzame mensen die ze toen gezelschap hield leefden elkaar op als ze langskwam. Wat dat betreft was het toch echt dankbaar werk geweest. Ze besloot een cursus tuinieren te volgen. Ze stopte na vijf lessen. Af en toe moest ze nog aan Maarten denken. Altijd eigenlijk. Soms was ze zich ervan bewust dat ze aan hem dacht, en dan maakte ze zichzelf wijs dat ze zich niet schuldig voelde en dat ze geen spijt had. Maar meestal was dacht ze aan hem zonder er bij stil te staan. Hij was gewoon aanwezig. Als een soort lage, aanhoudende toon die ijskasten nog wel eens verspreiden. Pas als zo’n ijskast uitvalt, merk je het geluid op. Ze wist zijn adres nog. Ze was zo vaak langs zijn huis gefietst, was zo vaak gestopt om omhoog te kijken voor een teken van leven en had zo vaak op het punt gestaan om aan te bellen. Maar vandaag deed ze het eindelijk ook. “Ja?”, hoorde ze. De intercom kraakte nog steeds. Geruststellend. “Lena Aros”, zei ze, met een stem die iets hoger en iets vlakker moest klinken dan de stem die hij van haar kende. “Ik kom namens de nieuwe gemeentelijke welzijnsorganisatie. We gaan langs bij mensen die mogelijk baat hebben bij een kennismakingsgesprek.” Een stilte. Langer dan ze had verwacht. Ze hoorde hem niet bewegen, niet ademen, niets, alleen de lichte ruis van de intercom. “Oké”, hoorde ze. De voordeur zoemde en ging open. Krakend steeg de lift op. Gek, dacht ze: ze had nooit meer gedacht aan dat geluid, maar op het moment dat ze lift was binnengestapt, herinnerde ze zich het weer. Een krassend, wiebelig geluid, alsof de lift waarschuwde dat hij het elk moment kon begeven. Toen ze de vierde etage bereikte, herinnerde ze zich ook weer dat ze elke keer opgelucht was geweest dat ze het weer gehaald had. Maarten was ouder geworden. Niet zozeer uiterlijk – hij had nog steeds dat leeftijdsloze dat sommige alleenstaanden hebben, geen sporen van verdriet, maar ook niet van vreugde, alsof het leven aan hen is voorbijgetrokken – maar ze hoorde het: hoe hij de deur opendeed, hoe hij ‘kom binnen’ zei, hoe hij haar voorging de woonkamer in. Het was alsof hij van tevoren nadacht over elke handeling, waardoor hij alles met enige vertraging uitvoerde. Zo gaat het, dacht ze, als je te lang alles alleen moet dragen. Het brein went eraan. Het vergeet dat het lasten kan delen. Maarten leek ook stiller te zijn geworden. Deels was dat verklaarbaar, hij wist ten slotte niet wie hij voor zich had. Maar misschien was de lust hem ook gewoon vergaan? Wat had al dat gepraat met haar hem tenslotte opgeleverd? Het appartement was nagenoeg onveranderd. Dezelfde indeling, dezelfde meubels. De enige nieuwe toevoeging was een kleine speaker op het aanrecht, waaruit zachtjes klassieke muziek klonk. Hij zette het apparaat bedachtzaam uit en ging in de stoel bij het raam zitten. Zonder erover na te denken zette ze haar tas op de kruk naast de deur, de plek waar ze hem altijd had neergezet, donderdag na donderdag en ging op de bank tegenover hem zitten. “U bent van de gemeente”, zei hij. Geen vraag. “Ja”, zei ze. “We proberen mensen op te zoeken die mogelijk wat minder contact hebben.” Een korte stilte. “Hoe komt u aan mij?” “Van de gemeente”, zei ze. “Een algemene lijst. Het is een nieuw initiatief. Voor mensen die gezelschap op prijs stellen. Niet verplicht, maar u kunt meedoen.” Hij knikte. Of hij haar geloofde wist ze niet. Hij vroeg er niet verder naar. “Ik heb vroeger een abonnement gehad. Bij een bedrijf. Proxima, heette het. Persoonlijke aanwezigheid, zo noemden ze het. Is het zo iets?” “Ja, het lijkt erop. Maar dit is van de gemeente. Wij hebben geen winstoogmerk.” “Het werkte goed”, zei hij. “Te goed, misschien. En toen hield het op.” Hij haalde zijn schouders op. “Gewoon opgehouden. Ze stuurden een brief.” “Wij doen dat niet”, zei Lena. “Ik blijf langskomen, tot u niet meer wilt dat ik langskom.” Maarten zweeg. “Wilt u dat ik nog eens langskom?”, vroeg ze. “Ach…”, zei hij. Ze vatte dit op als een aanmoediging. De week daarna kwam ze terug. De week daarna en de week daarna ook. En waar er eerst een tegoed was dat op kon raken, bouwden Maarten en zij nu juist een tegoed op dat met de week groter werd. Hoe vaker ze langskwam, hoe meer ze praatten. En hoe meer ze meer ze praatten, hoe meer ze elkaar te vertellen hadden. En hoe hechter hun band werd. Maarten deed het eerst voorzichtig aan. Hij had het vooral over praktische zaken, waar hij in neutrale bewoordingen over sprak – de speaker die hij had aangeschaft, een nieuwe apotheek in de buurt, een nieuwe buur die zijn fiets altijd voor de lift zette. Maar al de volgende week was hij flink ontdooid (het woord schoot Sara te binnen, ze moest nu toch aan die ijskast met z’n bromtoon denken). Hij had het over zijn broer in Groningen. Het oude liedje: zijn broer belde nog steeds alleen op verjaardagen. Maar hij vertelde ook dingen die ze niet eerder had gehoord. Voor het eerst had hij het ook over zijn vriendin. Zij was een jaar nadat hij zijn gezichtsvermogen begon te verliezen bij hem weggegaan omdat ze het ‘niet meer aankon’. Hij zei het zonder enige emotie in zijn stem, alsof het niet hem maar iemand anders was overkomen. Lena geloofde er niets van. “Hoe was dat voor jou?”, vroeg ze, zo neutraal mogelijk. Ze zag hoe hij zijn hoofd licht kantelde, op een manier die ze zo goed kende van vroeger, alsof hij naar een bepaalde frequentie zocht met de draaiknop van een radio. “Ach”, zei hij uiteindelijk. “Die dingen gebeuren.” Op dat moment realiseerde ze zich dat ze niet uit schuldbesef was teruggekomen, niet omdat ze de onverkwikkelijke manier waarop Proxima met hem was omgesprongen wilde goedmaken. Nee, ze wilde bij hem zijn. Ze wilde genieten van zijn gezelschap. En toen hij zo gelaten ‘die dingen gebeuren’ zei, stak dat haar. Ja: die dingen gebeuren. Ja: je kunt blind worden. En ja: je kunt in de steek worden gelaten door je vriendin. Maar ‘die dingen’ kun je misschien ook weer rechtzetten. En zij voelde een sterke aandrang om er persoonlijk op toe te zien dat dit ook gebeurde. Want ze hield van hem. De oogoperatie regelde ze via een arts die ze kende via een kennis van een kennis. Er bestond een fonds voor mensen met een beperkt inkomen en een operabele aandoening. Ze vertelde Maarten over het fonds alsof ze er toevallig van had gehoord. Ze zei dat hij er waarschijnlijk voor in aanmerking kwam en hielp hem met de aanvraag. Het was een gedoe: formulieren, verklaringen, een bewijs dat Maarten van een uitkering leefde en een contactpersoon die verantwoordelijkheid nam voor het dossier. Een week voor de geplande operatiedatum belde de ziekenhuisadministratie. Er ontbrak documentatie. De contactpersoon – mevrouw Aros – moest een geldig identiteitsbewijs overleggen. Ze zei dat ze het zou regelen. Maar wat moest ze doen? Een vals identificatiebewijs laten maken voor Lena Aros zodat deze ene operatie kon doorgaan? Dat sloeg natuurlijk nergens op (waar kon je trouwens een vals identificatiebewijs laten maken, ze had werkelijk geen idee). Dus belde ze het ziekenhuis en biechtte ze op: “De naam klopt niet. Ik bedoel… ik heb me verkeerd voorgesteld. Mijn naam is Sara Noel.” En zonder degene die de telefoon had opgenomen tijd te geven om na te denken, gaf ze haar adres en paspoortnummer. “Kunt u een kopie van uw paspoort sturen”, was de reactie. Een beetje verbaasd, maar niet argwanend. — De operatie was drie weken later. Ze bracht hem erheen. In de ontvangsthal zei een verpleegkundige, terwijl ze naar haar opkeek: ‘Bent u mevrouw Noel?’ Ze kon het moeilijk ontkennen. “Ja”, zei ze. Maarten stond naast haar maar zei niets. Na afloop van de operatie haalde ze hem op. Zijn ogen waren afgedekt, maar de oogarts verzekerde haar dat de operatie was geslaagd. Twee weken later mochten de bandages eraf en zag hij inderdaad weer. Niet helemaal scherp, niet volledig, maar veel beter dan eerst. De oogarts was tevreden. Maarten knikte en keek onwennig om zich heen. Sara stond bij de deur van de spreekkamer. Ze zag dat hij naar haar keek. Maar ze had geen idee wat hij zag. De volgende dag belde ze bij hem aan, sprak ze haar naam in de krakerige intercom in en nam de piepende lift naar de vierde etage, zoals ze zo vaak had gedaan. Toen ze aankwam bij zijn appartement, zag ze dat de deur openstond. Hij zat bij het raam en keek naar buiten toen ze binnenkwam. “Wist je dat ik het was?”, vroeg ze. “Je voetstappen. Die van jou klinken anders.” “Een goed gehoor en nu ook goed zicht!”, grapte ze. Toen hij niets terug zei, nam ze haar tas van haar schouder en zette hem zonder erover na te denken op de kruk naast de deur, zoals ze altijd deed. Hij keek er even naar. “Ga zitten”, zei hij. Ze ging zitten. “Ik wil je bedanken”, zei hij. “Voor de operatie. En voor alles daarvoor.” “Dat hoeft toch niet”, zei ze. En om het gesprek op een ander onderwerp te brengen: “Ben je blij dat je weer zo goed kunt zien.” Hij dacht even na. Hij keek naar buiten, naar het gebouw aan de overkant, dat hij jarenlang als een vage vlek had ervaren en nu in al z’n alledaagsheid kon aanschouwen “Het maakt minder uit dan ik dacht”, zei hij. “Ik hoop niet dat ik je teleurstel.” “Nee”, zei ze. “Misschien komt het nog.” “Ik dacht ik wat miste omdat ik niet goed kon zien”, zei hij. “En ik miste ook veel. Maar dat ik niet goed kon zien had er weinig mee te maken.” Ze begreep het niet. “Wat miste je dan?” Hij haalde zijn schouders op. “De gewone dingen. Dat iemand weet wat je in je koffie hebt. Dat je je niet elke keer opnieuw hoeft voor te stellen. Dat je weet wat je aan elkaar hebt.” Ze wachtte op wat er daarna zou komen. Herkenning. Woede. Vergeving. Iets wat haar zou vertellen wat hij van haar vond. “Maar…”, zei hij, en hij zei het zonder nadruk, bijna terloops, “…ik ben er niet goed meer in. Mensen binnenlaten.” Hij keek naar zijn handen. “Dat ligt niet aan jou. Dat moet je niet denken. Het is gewoon zo gegaan. Ik kan geen nieuwe namen meer aan.” Een rare zin, bedacht ze zich toen ze weer buiten stond: “Ik kan geen nieuwe namen meer aan.” Ze bedacht zich dat hij haar naam – haar echte naam – misschien had gehoord in het ziekenhuis. Dat hij haar vandaag aan haar voetstappen had herkend. Dat hij gezien had hoe ze haar tas op de kruk bij de deur had gezet. Dat hij waarschijnlijk had bedoeld dat hij háár nieuwe naam niet aankon. Ze had hem er ernaar kunnen vragen. Maar wat had het voor zin? De boodschap was duidelijk: hij kon haar niet liefhebben. Als ze destijds, nadat ze namens Proxima die brief had verstuurd, meteen in actie was gekomen, als hem toen had bezocht, had gezegd dat ze best voor hem wilde blijven zorgen, dat ze er samen wel uit zouden komen – ja, dan waren ze elkaar misschien niet kwijtgeraakt, dan hadden Sara en Maarten het misschien gered. Alleen had ze dat toen niet gedaan, het was niet eens in haar opgekomen. Maar nu de schellen haar eindelijk van de ogen waren gevallen – inderdaad: zij was ook slechtziend geweest! Juist zij! – was het te laat. Lena en Maarten maakten geen enkele kans. Wat Lena wel had bereikt: dat Maartens zicht nu zo goed was dat hij zichzelf wel kon redden. Als hij ooit weer contact met haar wilde, dan hoefde hij dat in elk geval niet te doen omdat hij hulp nodig had, maar omdat hij echt van haar hield. Ze besloot zich vast te klampen aan de hoop dat dit moment ooit zou aanbreken. EINDE



Beelden: zelf gebakken met ChatGPT
Logo voor de Science Fiction en Romantiek-reeks: zelf gebakken met ChatGPT



