De Redder (Een Sci-Fai / Romantiekverhaal)

David is al de vijfde die naar Varesa wordt gestuurd. De eerste drie kwamen om een verdwenen collega terug te halen. Na een tijd lieten ze niets meer van zich horen. Nu is Helena spoorloos – zijn Helena – en David weet zeker dat er iets niet klopt. Toch is Varesa geen vijandige planeet. Niemand wordt er vastgehouden. De mensen zijn vriendelijk. Zijn gids Hanako helemaal. Of is dat juist wat zijn missie zo moeilijk maakt?
HOOFDSTUK 1

David was jarig en Helena had niets van zich laten horen.
Zolang als hij zich kon herinneren had ze hem elk jaar gefeliciteerd. De laatste jaren slechts met een kort berichtje, zonder franje. Maar toch: een bericht. Een herinnering dat hij er nog altijd toe deed voor haar. Misschien zelfs een teken dat hij er in de toekomst weer meer toe zou kunnen doen. Tot nu. Helemaal niets.
Hij opende het laatste bericht dat hij van haar had ontvangen. Vijf weken oud. Drie alinea’s, eindigend met een uitroepteken: “Ik heb besloten hier te blijven!” Helena had nooit uitroeptekens gebruikt. Ze had ze ooit ‘de confetti van de geschreven taal’ genoemd – vrolijk bedoeld, maar altijd een beetje goedkoop.
Hij had dit gedrag al eerder gezien, al drie keer. Mensen die naar Varesa werden gestuurd om verdwenen collega’s terug te halen, mensen met ervaring en oordeel en een goed functionerend kompas. En dan, na een paar weken, hetzelfde: de rapporten werden dunner, de berichten korter, de toon lichter. Dat Varesa warmer was dan verwacht en de mensen vriendelijker. Dat het onderzoek vorderde. En daarna de mededeling – altijd vriendelijk, altijd rustig – dat ze er eigenlijk wel wilden blijven. Dat het hun beviel. En daarna niets meer. Alle pogingen van de Directie Continuïteit Buitenposten om met hen in contact te komen liepen daarna stuk; het was alsof ze hun vorige leven op aarde hadden afgezworen. Of – en dat achtte David waarschijnlijker – dat ze dood waren.
Drie mensen hadden ze gestuurd. Alle drie hadden ze zogenaamd besloten te blijven. In de woorden van Helena “De vermisten zijn niet echt vermist, ze zijn er gewoon!” Alsof ze hem iets luchtig probeerde toe te werpen en het net iets te hard gooide. En nu zou Helena ook de rest van haar leven op Varesa willen slijten. Helena, die – ook al was het tussen haar en hem misgelopen – zoveel had om hier voor te leven. Die haar reddingswerk altijd serieus had genomen, en onder zijn begeleiding was uitgegroeid tot een echte professional. Die nog een hele carrière voor zich had, zelfs kans maakte om Meijer op te volgen. Die nooit enige interesse had gehad in de verwikkelingen op Varesa, en met zichtbare tegenzin deze missie had aanvaard.
David geloofde er niets van. Waarom zou zij op die armetierige planeet willen blijven?
Die uitroeptekens hadden haar verraden. Hij wist hoe haar berichten normaal waren opgesteld. Bondig. Feitelijk. Af en toe een bijzin die iets zei over hoe ze zich voelde, maar alleen als ze niet kon vermijden het te zeggen. Geen uitroepteken te bekennen.
Hij dacht aan de laatste keer dat hij Helena had gezien. Ze had hem verteld dat ze naar Varesa ging – niet gevraagd wat hij ervan vond, alleen verteld. Hij had iets gezegd over de risico’s van een veldmissie op dit niveau, over de ondersteuning die ze nodig zou hebben, over de protocollen. Ze had geluisterd. Beleefd. En daarna had ze gezegd: “David, ik heb dit al besloten.”
“Ik wil je alleen maar helpen”, had hij gezegd.
En nu moest hij haar zien te redden.
Het kantoor van Meijer lag tien verdiepingen hoger dan het zijne. Want wat er ook mocht veranderen in de wereld, dit niet: hoe hoger in het gebouw kantoor hield, hoe belangrijker hij was. De geschiedenis van de mensheid kon je zien als één opwaartse beweging. Ooit was de mens een viervoeter geweest, maar was hij onder aanvoering van de leider van zijn roedel opgestaan om vanuit de hoogte te kunnen neerkijken op wat er zich in de omgeving afspeelde. Daarna was hij vanuit het laagland de bergen ingetrokken, had hij wachttorens, uitkijkposten en wolkenkrabbers gebouwd. En nog later was hij de lucht ingegaan, was hij door de dampkring gevlogen en was hij ruimte ingegaan – steeds verder, steeds hoger. En de leiders onder de mensen die op aarde waren achtergebleven, verbleven in kantoorruimtes in de top van wolkenkrabbers die de zwaartekracht leken te trotseren. Daaronder bevonden zich mensen zoals David, die zich ergens halverwege de aarde en de wolken ophielden – en hoe verder omlaag ze zich ophielden, hoe onbeduidender ze waren. Mensen voor wie er soms een weg omhoog in het verschiet lag, al het waarschijnlijker dat ze naar beneden zouden afdalen. Naar de begane grond, of zelfs daaronder, waar de anonieme, onderling inwisselbare mensachtigen zich ophielden. Soms zelfs gedwongen om op handen en voeten werk te verrichten – net als de viervoeter uit de oertijd. Meijer zat achter zijn bureau en las iets op zijn scherm. Hij keek op toen David binnenkwam, stond half op en stak zijn hand uit. ‘Gefeliciteerd,’ zei hij. ‘Dank je.’ “Ik weet niet of je er blij mee moet zijn.” “Ik weet het. 43 alweer”, zei David en ging zitten in de stoel tegenover Meijer. “Helena”, zei David. “Je hebt iets van haar gehoord?” “Nee… Niet eens een felicitatie.” “Ik weet niet wat we kunnen doen. Ik kan wel weer een verzoek indienen, maar dan krijgen we weer bericht dat ze leeft en gezond is en vrijwillig op Varesa blijft. En misschien is dat ook wel zo.” “Haar laatste berichtje wemelde van de uitroeptekens.” Meijer leunde achterover. “Mensen veranderen.” David leunde iets naar voren. “Dat wil ik dan met eigen ogen zien.” “Dat dacht ik al.” Meijer ging zitten. “Varesa is geen vijandige planeet. Ze houden mensen niet vast. Geen gevaar, geen dwang. Geen doorslaggevende reden voor wantrouwen. Misschien is ze je verjaardag gewoon vergeten. Misschien heeft ze zich bedacht en is ze dol op uitroeptekens geworden.” “Ik weet wat ik doe”, zei David. Meijer keek hem aan. ‘Dat zeiden de anderen ook.’ “Ik ken Helena”, zei Davidi. “Ik weet hoe ze communiceert. Als iemand kan beoordelen of er iets aan de hand is, ben ik het. En er is iets aan de hand.” Meijer zuchtte. “Goed”, zei hij. “Maar let een beetje op je zelf. Ik wil niet nog iemand kwijtraken.” “Begrepen.” ‘En David.’ Meijer wachtte tot hij opkeek. ‘Dit is een evaluatiemissie. Geen reddingsmissie. Helena is een volwassen vrouw. Als zij heeft besloten te blijven, hebben wij dat te accepteren.” “Ik weet het”, zei David. Maar hij dacht: “Een evaluatiemissie? Denkt hij dat ik achterlijk ben?” De overtocht duurde veertien uur. Op zijn tablet had hij de dossiers geladen die hij van Meijer had meegekregen: alle rapporten van Varesa die de afgelopen vijf jaar waren binnengekomen, de verslagen van de drie mensen die vóór Helena waren gestuurd, en als laatste het dossier van Vogt. Dat las hij extra aandachtig. Vogt was de laatste geweest voor Helena. 35 jaar, vijftien jaar ervaring, twaalf succesvolle repatriëringen op zijn naam. In zijn rapport – het rapport dat hij nooit had afgemaakt – stonden drieënveertig pagina’s over de planeet, de bevolking, de economische structuur van het toerisme. Op pagina vierenveertig stopte de tekst midden in een zin: De bewoners van Varesa zijn niet manipulatief in de conventionele zin van het woord. Ze zijn eerder – Daarna niets. Daarna een bericht, drie weken later, dat hij zijn contract opzegde. Dat hij op Varesa bleef. Dat het hem er goed beviel. David staarde naar de lege ruimte na het gedachtestreepje. Hij had dat soort onderbrekingen eerder gezien in verslagen. Een zinsnede die halverwege stopte, een observatie die niet werd afgemaakt. Soms kwam het door emotie. Soms doordat de schrijver iets had gevonden wat hij niet in woorden kon of wilde vangen. Maar Vogt was geen sentimentele man geweest. Zijn eerdere rapporten waren droog, precies en analytisch. Hij was iemand die zaken benoemde, niet iemand die een zin halverwege afbrak. David sloot het dossier en keek door het kleine raampje naar de ruimte buiten. Geen sterren hier, alleen de doffe glans van het reiskanaal, een soort tunnel van gecondenseerde materie die je van de ene plek naar de andere bracht zonder dat je de afstand voelde. Hij was er nooit aan gewend geraakt. Je stapte in en je stapte uit en daartussenin was er niets – geen beweging, geen tijd, geen gevoel van het traject. Alleen het eindpunt. Hij dacht aan Helena. De eerste keer dat hij haar had gezien: een jonge medewerker die net in dienst was getreden als onderzoeker bij de Directie Continuïteit Buitenposten, tijdens een kennismakingsdag. Die te vroeg was gearriveerd voor de vergadering die hij voorzat, met haar aantekeningen voor zich uitgespreid op tafel. Toen hij binnenkwam had ze had hem één keer aangekeken en was daarna weer in haar papieren gedoken. Onzeker, had hij toen gedacht. En misschien ook: “Ik moet haar redden.” Toen al. Ze was iemand die weinig vroeg maar veel nadacht, die een beslissing nam na lang wikken en dan vasthield. In het begin had ze hem vaak gevraagd wat hij ergens van dacht. Later minder. Hij herinnerde zich een avond – lang geleden, vlak na een moeilijke missie – waarop ze samen in zijn kantoor hadden gezeten en hij haar had uitgelegd hoe ze de situatie anders had kunnen aanpakken. Ze had geluisterd. Toen hij klaar was had ze gezegd: “Je hebt waarschijnlijk gelijk. Dank je.” Hij opende een nieuw dossier: de economische profielen van Varesa. Vier uur daglicht. Weinig landbouw, weinig industrie. Alles draaide om ? toerisme – en dat toerisme draaide om een specifiek soort bezoekers. Mannen, overwegend. Ouder, overwegend. Mannen die ergens anders in het leven niet hadden gekregen wat ze zochten of die niet meer wisten wat ze zochten maar het hier dachten te vinden. Mannen zonder zelfkennis. Mannen die zichzelf wijsmaakten dat ze nog aantrekkelijk waren voor jongere vrouwen. Die niet konden of wilden inzien dat ze als wandelende portemonnee werden gezien. Of die het wel inzagen, maar die het niets kon schelen en er geen bezwaar tegen hadden om als ‘sugar daddy’ te figureren. David wist niet wat hij walgelijker vond. Natuurlijk: je zou het als een soort ontwikkelingshulp kunnen zien, maar hij vond het uitbuiting. Ook al werkte degene die werd uitgebuit mee aan z’n eigen uitbuiting, dat maakte het niet minder kwalijk. David nam de cijfers tot zich. Gemiddelde verblijfsduur bij aanvang: drie weken. Percentage bezoekers dat een verlengingsaanvraag indiende: 71 procent. Percentage dat daarna een tweede verlenging aanvroeg: 58 procent. Percentage dat uiteindelijk een aanvraag indiende voor permanent verblijf: 34 procent en stijgend, elk jaar iets hoger dan het jaar ervoor. Terugkeerpercentage na eerste bezoek: 12 procent. Inderdaad: van elke honderd mensen die naar Varesa gingen, kwamen er twaalf terug. De rest vroeg om meer tijd, daarna om nog meer tijd en daarna … daarna besloten ze volgens de autoriteiten van Varesa voorgoed te blijven op de planeet. Maar waar ze dan gingen wonen en hoe ze hun tijd doorbrachten op de donkere planeet? Dat was onduidelijk. Varesa hield niet eens een bevolkingsregister bij. De mensen die niets meer van zich lieten horen, konden net zo goed levend als dood zijn. Getrouwd en ingetrokken bij een Varesiaan. Verhuisd naar een plek waar je geen verbinding met de aarde kon krijgen. Een natuurlijke dood gestorven. Of gedood bij een overval of vermoord door bewoners op Varesa die de aardbewoners zagen als kolonisators en profiteurs. Er waren diplomatieke betrekkingen met Varesa, maar die hadden niets opgeleverd. Elke keer dat je een verzoek indiende om na te gaan wat er gebeurd was met iemand die was vermist, kwam hetzelfde antwoord: de betrokkene leefde nog, was gezond en verbleef vrijwillig op Varesa. De toon was altijd even vriendelijk. De informatie altijd even ongeloofwaardig. Net zo ongeloofwaardig als dat laatste bericht van Helena met die uitroeptekens. Het eerste wat David voelde was de hitte. “Het was warmer dan verwacht”, had Helena geschreven in haar eerste rapport, en haar voorgangers hadden het ook al vermeld. Hoe kwam het dan toch dat hij daar niet op voorbereid was? Omdat zelf ervaren toch wat anders was dan erover lezen: je raakte er pas van doordrongen als je het zelf meemaakte. Daarom was het ook zo goed dat hij naar Varesa was afgereisd. Het was misschien niet de enige manier om werkelijk te achterhalen wat er met Helena was gebeurd, maar dan toch zeker de enige manier om zichzelf daarvan te overtuigen. wat er werkelijk met haar was gebeurd, bedacht David , terwijl het zweet hem uitbrak door de zware, vochtige lucht. Toen hij de aankomsthal uitstapte sloeg de nacht sloeg hem tegemoet. Of liever gezegd: de dag, want al was het donker, het was pas even over vijven ’s middags. De stad (Varesa geheten, de planeet had maar één stad) was ondergedompeld in het het licht van kleurige neonborden in felle kleuren die net niet leken te kloppen – het was alsof het een rood te veel naar oranje neigde en het blauw te groen was. Hij stak boven iedereen uit, en had daardoor een goed zicht op alle bedrijvigheid die zich voor hem afspeelde. Hij zag overal kraampjes met eten dat rook naar gegrild vlees. Veel mensen die gehaast door elkaar liepen en vaak bijna van hun sokken werden gereden door scheldende jongens op brommers. En hij zag andere mannen die bijna net zo groot waren als hij, al waren zij dan veel vleziger en dikbuikig. De meesten waren zo te zien ook ouder dan hij, en meestal vergezeld van een veel jongere, fijngebouwde en popperige vrouw. Ook nu gold: hij had zich erop voorbereid. En ook nu gold: toch was hij verrast. Wat bezielde die mannen? Wat bezielde die vrouwen? En toen werd hij zelf aangeschoten door zo’n jongere, fijngebouwde en popperige vrouw. Hij wilde haar al vriendelijk afwijzen – geen interesse, dank u, ik heb al een vriendin, ik ben te oud, ik heb geen tijd – maar ze was hem voor. “Meneer Lanting?”, vroeg ze, met een innemende glimlach op haar prachtige, emaillen gezicht. Ze was klein, donker haar tot op haar schouders, een lichtkleurig jasje over een eenvoudige blouse. Ze keek naar hem op met een uitdrukking die hij niet onmiddellijk kon plaatsen. Niet de professionele vriendelijkheid van een gids, in elk geval. Eerder iets wat leek op oprechte belangstelling. Alsof ze zich had verheugd op zijn komst en nu blij was hem eindelijk te zien. “Ik ben Hanako”, zei ze. “Ik begeleid u tijdens uw verblijf op Varesa.” Ze sprak zijn taal met een licht, erg charmant accent dat hij niet kon thuisbrengen. Maar verder sprak ze uitstekend Nederlands. Met de communicatie zat het wel goed. Ze gaven elkaar de hand. Haar poezelige handje ontroerde hem. “Zo kwetsbaar”, dacht hij, “Ik zou haar hand moeiteloos kunnen fijnknijpen. Maar juist daarom doe ik het niet. Haar weerloosheid maakt mij weerloos.” ‘U weet waarom ik hier ben,’ zei hij. “Ja”,’ zei ze. “Helena Sohl. Ik was ook haar gids, tot ze me niet meer nodig had. En ik ken mensen die haar beter kennen dan ik.” “Waar is ze?” “Dat weet ik niet. Ik heb haar al een paar weken niet gezien.” “Vindt u dat niet vreemd? Ze is geen toerist, ze is hier voor een missie. Misschien is iets gebeurd?” “Dat weet ik”, zei Hanako. “Maar voor ons is ze een bezoeker zoals alle andere bezoekers. Wie waar is, wie met wie omgaat, wat iemand hier doet – als iemand eenmaal een verblijfsvergunning heeft, dan bemoeien de autoriteiten zich er verder niet mee. Dat is wat de meeste mensen willen, dus zo hebben we het geregeld.” “Helena is niet de meeste mensen”, dacht David. Maar om zijn gids niet in verlegenheid te brengen zei hij niets. Hanako leidde hem naar een klein, open voertuig, een soort buggy. De chauffeur kwam hen tegemoet, pakte Davids reiskoffer en legde die in de achterbak. Ze reden door de smalle straten van de stad. Overal leven: mensen op stoepen, licht uit ramen en doorgangen, muziek uit een zaak die hij niet kon zien. En overal weer mannen van zijn leeftijd of ouder, soms in groepjes, soms alleen, altijd met een jonge vrouw naast zich. Ze liepen door de straten alsof ze thuis waren, de vrouwen iets voor hen uit of dicht naast hen, hun aandacht volledig op de man gericht. Op een terras zat een dikke man met rood aangelopen wangen breed achterover in zijn stoel; naast hem zat een meisje dat nauwelijks ouder leek dan twintig, haar hoofd naar hem toe, luisterend naar iets wat hij vertelde met de uitdrukking van iemand die het meest interessante verhaal ter wereld hoort. “Het went”, zei Hanako. “Na een dag of twee merk je niet meer dat het donker is.” Ah, het donker. “Ja, misschien wel.” “De meeste mensen zeggen na een tijdje dat ze het in het donker mooier vinden dan in het licht.” Ze keek hem aan. “Het licht hier is erg fel als het er is. Weinig schaduw. Het donker is zachter.” Zijn hotel was een gebouw van drie verdiepingen, dat van buiten weinig afweek van de omliggende gebouwen: opgetrokken uit wat beton moest zijn, maar met op elke verdieping een balkon over de hele breedte van houten spijlen, waardoor het pand iets huiselijks had. Binnen was de lucht koel, de verlichting zacht en de man achter de balie leek wel blij hem te zien, net zoals Hanako eerder. Alsof zijn komst iets betekende. Zijn kamer was op de tweede verdieping. Hanako bracht hem tot aan de deur. “Morgenochtend begin ik vroeg”, zei David. “Ik zal er zijn”, zei ze. “Hoe vroeg kunt u hier zijn?” Ze glimlachte haar prachtige glimlach. “Zeg maar”, zei ze. “Zeven uur?” “Zeven uur”, bevestigde ze. Toen draaide ze zich om en trippelde weg. David deed de deur open en zette zijn tas neer. De kamer was eenvoudig: een bed, een bureau, een raam dat uitkeek over de drukke straat. Hij hoorde niets van de herrie buiten, kennelijk was het goed geïsoleerd. Op het bureau stond een klein glas water. Koud, hij voelde het aan de buitenkant van het glas. Iemand had het neergezet net voordat hij binnenkwam. Hij dacht aan Vogts rapport. De bewoners van Varesa zijn niet manipulatief in de conventionele zin van het woord. Ze zijn eerder – Vriendelijk? Wellevend? Beleefd? Aardig? Lief? Hanako wel tenminste. Al deden al die woorden haar tekort. Ze was er om klokslag zeven uur. Ze stond buiten het hotel, een klein tasje over haar schouder, een kop met iets dampends in haar hand. Ze gaf hem de kop toen hij naar buiten stapte, zonder te vragen of hij wilde. Het was een soort thee, sterk en een beetje bitter. David nam nog een slok van zijn thee. Aardig van haar om aan hem te denken, vond hij. “U woont hier al uw hele leven?”, vroeg hij. “Geboren en getogen”, zei ze. “Mijn ouders ook. Mijn moeder werkt nog. Ze is zevenenzestig en maakt schoon in hotels. Ze staat elke ochtend om vijf uur op en is pas om acht uur ’s avonds thuis.” “En uw vader?” Een korte stilte. “Hij is ziek. Al een paar jaar. Ik zorg voor hem wanneer ik niet werk.” Ze zei het feitelijk, zonder zelfmedelijden. “Dat lijkt me zwaar”, zei David. Hij moest er niet aan denken. De laatste voor wie hij zou willen zorgen was zijn vader. “Op Varesa zorgen kinderen voor ouders”, zei Hanako. “Dappere vrouw”, dacht David. “Die heeft het niet makkelijk.” “Waar wilt u beginnen?”, vroeg ze, misschien om het gesprek op een ander onderwerp te brengen. “Met mensen die haar kennen. Die haar het laatst hebben gezien.” Hanako knikte. “De markt”, zei ze. “Daar komt iedereen. Helena kwam er ook vaak.” Ze zweeg even. “Misschien is er iemand die haar heeft gezien. Onlangs, bedoel ik.” Ze vetrokken. Hanako voorop en David schuin vlak achter haar, zodat hij als ze stilstond maar één stap hoefde te zetten om naast haar te staan. Ze leidde hem zonder aarzelen door een wirwar van straatjes en steegjes. Ze week uit voor een karretje dat hen bijna omver reed (en pakte Davids hand vast en trok hem opzij zodat hij ook niet werd geraakt, een gebaar dat hem diep ontroerde). Daarna liepen ze verder en kwamen uit op een klein plein met een fontein die niet werkte. Aan de rand stonden bankjes; twee oudere mannen zaten er, rokend, pratend, zonder haast. David keek om zich heen. Aan de hemel stond nu een bleek zonnetje, waardoor hij Varesa in een ander licht zag dan vorige avond. De kleuren van de neonborden waren te zwak om op te vallen in het grijze ochtendlicht. “De markt”, zei Hanako, en ze wees naar een opening tussen twee gebouwen aan het plein. — Zo’n rustige markt als dit had David nog nooit meegemaakt. Op aarde en op de andere planeten die hij had bezocht bracht een markt altijd een kakofonie aan geluiden voort, met schreeuwende verkopers, bezoekers die luidkeels gesprekken voerden om zich verstaanbaar te kunnen maken ondanks het gebrul van de verkopers en straatmuzikanten die iedereen probeerden te overstemmen. Maar hier? Niets van dat alles. De marktkooplui stonden gewoon kalm achter hun kraampjes. Als iemand bleef staan vielen ze hem niet lastig maar glimlachten ze hem toe en wachten ze af tot zij werden aangesproken. Hanako liep nu naast hem. Ze wees af en toe iets aan – een kraam met gevlochten manden, een vrouw die stoffen verfde in felle kleuren – maar ze legde niets uit tenzij hij erom vroeg. Dat beviel hem. Hij had genoeg mensen meegemaakt die hem hun mening wilden opdringen. Hanako drong zich niet op, de marktlui evenmin. Hij begon zich thuis te voelen op Varesa. Ze bleven staan bij een kraam met eten. David rook iets geroosterds, een beetje zuur, met een ondertoon van specerijen die hij niet kon thuisbrengen. Een bejaarde man stond achter een platte pan die hij op het vuur had staan en draaide kleine ronde pannenkoekjes om met een houten spatel. Hij keek op naar David, zei iets in het Varesaans. “Hij zegt dat u groot bent”, vertaalde Hanako. “Dat hoor ik vaker.” De man zei nog iets. Hanako luisterde. “Hij wil u iets laten proeven. Omdat u de grootste man bent die hij ooit heeft gezien.” “Er komen hier toch wel meer toeristen? Meer grote mannen?” “Die komen hier niet.” David nam het schaaltje aan en at. Warm, met een soort kruidige nootsmaak. Licht knapperig aan de buitenkant en zacht van binnen. “Goed”, zei hij tegen de man. De man glimlachte breed. David pakte zijn portemonnee. De man schudde zijn hoofd. David zei tegen Hanako dat hij meer wilde kopen. “Dan hoeft u vanavond niet te koken voor uw vader.” Hanako bloosde van vreugde. Ze zei iets tegen de man. De man lachte en deed enkele pannenkoekjes in een zakje en gaf het aan Hanako. “Kent u hem?”, vroeg David. “Mijn moeder koopt hier al dertig jaar”, zei ze. “Vraag hem of hij Helena kent.” Hij gaf haar zijn tablet, met een foto van Helena in beeld. Hanako liet de man de foto zien en vroeg hem iets. Hij antwoorde knikkend. “Hij kent haar”, zei Hanako. “Ze kwam hier regelmatig. Maar hij heeft haar al een paar weken niet meer gezien.” David knikte. Ze liepen verder. Een eindje verderop was een kraam die er nieuwer uitzag dan de rest — de tafel was nog schoon, de opstelling nog precies, de man erachter stond klaar in de houding om klanten te helpen. Hij glimlachte toen hij Hanako en David zag. Hanako zei iets tegen de man, de man zei iets terug. “Hij is nieuw hier”, zei Hanako. “Zijn eerste dag.” David haalde zijn tablet tevoorschijn en toonde de man de foto van Helena. Hanako sprak de man aan. De man knikte en zei iets tegen Hanako. “Hij heeft haar twee weken geleden gezien, zegt hij. Hier op de markt.” David begreep het niet. “Maar hij is toch nieuw hier. Zijn eerste dag, zei u.” Hanako aarzelde. “Ik zal het hem vragen.” Ze zei inderdaad iets tegen de man dat klonk als een vraag. David zag dat nu de man aarzelde. Hij liet een korte stilte vallen, toen zei hij iets dat klonk als een verontschuldiging. “Hij zegt dat hij zich misschien vergist”, zei Hanako. David gaf geen antwoord. Hij pakte zijn tablet terug en liep door. Pas bij de volgende kraam zei hij zachtjes tegen Hanako: “Waarom zei hij dat hij haar had gezien?” Hanako lachte. Een beetje zenuwachtig, dacht David. “Hij zag dat u iemand zocht. Hij zag de foto, hij zag uw gezicht.” Ze zweeg even. “En hij zei wat hij dacht dat u wilde horen. Het was zijn manier om u te helpen.” “Maar het was een leugen.” “Ja”, moest Hanako toegeven. “Daarmee help je me niet.” Hanako glimlachte verontschuldigend. David liet het er verder maar bij zitten. Ze moest niet denken dat hij haar iets kwalijk nam. Na enkele andere gesprekken die niets opleverden liepen ze terug in de richting van het hotel. Het was al donker, de stad was weer ondergedompeld in neon. David had honger, merkte hij. Behalve dat pannenkoekje op de markt had hij niets gegeten. “Er is een café vlakbij het hotel”, zei Hanako. “Met goed eten. En het is er rustig.” “Precies wat ik wil”, zei David. Hij voelde hoe zijn overhemd aan zijn zweterige rug plakte. “En wat drinken”, zei hij. In het café spraken ze over de markt, over de man die had gezegd dat hij Helena twee weken geleden had gezien en het niet kon hebben geweten. Over de drie mensen die waren vermist. En over Helena. “U heeft lang met haar samengewerkt?’, vroeg Hanako. “Ja”, zei hij. “Totdat ze vertrok?” “Nee”, zei hij, iets zachter nu. “Toen werkten we al niet meer samen. Allang niet meer.” Hanako zei niets, maar legde haar hand in de zijne. “Ik dacht dat ik jou kon redden”, sprak David in zichzelf. “Van je ouders, van je zware bestaan hier. Maar misschien kun jij mij redden.” “Moet u niet naar huis?”, vroeg hij. “Naar uw vader?” “Vanavond zorgt mijn moeder voor hem.” “En de pannenkoeken?” “Die zijn morgen ook nog wel goed.” ‘U hoeft niet helemaal naar huis te lopen als u niet wilt.’ Ze keek hem aan met de verleidelijkste glimlach die David ooit had gezien. “O baby!”, zuchtte ze. — De volgende ochtend stond er een kop thee op het nachtkastje naast hem toen hij wakker werd. Hanako zat in de stoel bij het raam en keek hem met een parelende lach aan toen ze zag dat hij zich uitrekte. ‘Goedemorgen, baby,’ zei ze. “Goedemorgen”, zei hij. Hij stond op, liep naar haar toe en kuste haar. En wierp een blik uit het raam. Door de straat zwalkten nog enkele mannen op leeftijd met jonge vrouwen naast zich. David realiseerde zich dat hij op het oog nu ook zo’n man was. Maar dat was schijn, bedacht hij. Dat moest schijn zijn. Die mannen en die vrouwen daar beneden gebruikten elkaar. Hun relatie was zuiver transactioneel: de man betaalde, de vrouw leverde. En zodra hij niet meer betaalde, zou zij niet meer leveren. Hoe anders was zijn relatie met Hanako! Zij waren de afgelopen dagen beetje bij beetje op elkaar verliefd geworden. Hij was deels op haar gevallen vanwege haar schoonheid en deels vanwege haar lieve karakter – hij was betoverd door haar zorgzaamheid voor haar ouders, haar bereidwilligheid om hem te helpen en haar medeleven toen hij over Helena had verteld. En zij? Zij had ongetwijfeld gezien dat hij het goed met haar voor had (anders dan die dikbuikige mannen die hier op vrouwenjacht waren). Sterker nog dat hij haar niets dan het beste gunde (zijn gebaar om pannenkoeken haar te kopen zodat zij niet zou hoeven te koken was ongetwijfeld zo opgevat). En gezien haar bereidwilligheid om de nacht met hem door te brengen, vond ze hem ook niet geheel onaantrekkelijk! Hij was naar Varesa gekomen om Helena te redden, en misschien zou dat er nog wel van komen. Maar zelfs als dat niet lukte, was deze missie wat hem betreft bijzonder geslaagd. De liefde die Hanako en hij voor elkaar hadden opgevat zou zich verdiepen. Hoe het precies zou lopen, wist hij nog niet. Misschien zou hij haar meenemen naar aarde. Of als ze dat niet wilde – ze moest tenslotte voor haar ouders zorgen – dan kon hij misschien hier blijven. Het leven was hier goedkoop, en hij had genoeg gespaard om hier met haar een nieuw bestaan op te bouwen en het haar makkelijker te maken om voor haar ouders te zorgen. Ook al zou hij Helen misschien niet kunnen redden, Hanako zou hij zeker kunnen redden. En zij zou zijn herinneringen aan Helena kunnen doen verdwijnen – en hem redden. Die mannen en die vrouwen beneden gebruikten elkaar. Hanako en hij redden elkaar. Dát was het verschil. Die mannen en vrouwen hadden een soort zakelijke overeenkomst. Hanako en hij werden verbonden door ware liefde. Hanako en David liepen hand in hand door de stad toen ze een gebouw passeerden waaruit door de openstaande deuren muziek klonk. David hoorde blazers, percussie en stemmen die voor hem onbegrijpelijke teksten scandeerden. Hij bleef staan vanwege een herinnering die de muziek in hem opriep, een herinnering die zo sterk was dat hij even pas op de plaats moest maken. Hij kende Helena nog maar een paar maanden, toen ze een danshal hadden bezocht die in de verte aan dit gebouw deed denken. Helena bleek nog nooit publiekelijk te hebben gedanst, en was zeer onzeker geweest. Maar hij had had haar enkele danspassen geleerd en haar over de dansvloer laten zweven. Ze had het heerlijk gevonden, zei ze achteraf. Dankzij hem, dankzij zijn steun. Toen hadden ze voor het eerst gekust. De weken daarna waren ze geregeld teruggekomen naar de danshal, en groeide Helena in korte tijd uit tot een verdienstelijk amateur, die zich met grote vreugde overgaf aan de foxtrot, de tango en de wals. Haar timing liet nog wel te wensen over, maar ze kon er zelf om lachen “Ik ben altijd te laat”, zei ze. Met alles, dus waarom niet met dansen?” Het gaf ook helemaal niets, David leidde haar met vaste hand door die dansen – hij pakte haar beet, trok haar mee en zorgde dat ze elk nummer tot een goed einde bracht. Maar op een of andere manier was er daarna de klad in gekomen, en had ze zich niet verder kunnen ontwikkeling. Het enige wat er van die tijd nog restte, was een mooie herinnering aan een mooie tijd. “Weet je wat?”, zei David. “We gaan naar binnen. Ik zal je leren dansen!” “Dat kan niet”, zei Hanako. “Het is gesloten.” “En de muziek dan?” “Ze oefenen. Voor vanavond.” “Dan gaan we vanavond”, zei David. Hij pakte haar beet, duwde haar van zich af en trok haar naar zich toe, alsof hij met haar danste. Hanako zei niets. Hij keek haar aan. “Misschien liever niet, baby”, zei ze. ‘Waarom niet?’ Ze zweeg even. “Mijn ouders kwamen daar vroeger. Samen, elke week. Nu kan mijn vader niet meer dansen. En mijn moeder gaat niet meer. Als ik daar naar binnen ga, word ik daaraan herinnerd.” “Dan gaan we niet”, zei David. Hanako keek hem aan. “Jij wilde er graag naartoe.” “Alleen met jou.” Ze liepen verder. Na een tijdje zei ze: “Ik ga mee.” “Alleen als je echt wilt”, zei David. En dus gingen ze die avond toch. De danshal was gevestigd in wat zo te zien een voormalig marktgebouw is, met muren van steen die een hoog, glazen plafond stutten. De muzikanten die David en Hanako die middag hadden horen oefenen stonden op een podium, waar ze af en toe gezelschap kregen van een zanger of zangeres. De muziek was sterk ritmisch en zeer dansbaar. Tegen de muren van de danszaal stonden tafel waar je kon zitten, de dansvloer in het midden was vol mensen. David trok Hanako de dansvloer op, met eenzelfde beweging als ’s middags. Hanako slaakte een gil. “Maak je geen zorgen”, zei David, boven de muziek uit. “Ik leer het je wel!” Maar daar was geen tijd voor. De muziek stopte, mensen verlieten de dansvloer om uit te rusten of een andere danspartner te zoeken. Hanako ging naar een tafeltje in de hoek. David volgde en ging ook zitten. Hij pakte haar hand en aaide erover, om aan te geven dat ze zich geen zorgen hoefde te maken als nog niet goed kon dansen. De band zette een nieuw nummer in. David wilde Hanako weer ten dans vragen, maar haar oogopslag deed hem denken aan de blik van een verschrikt hert, dus hij zag er maar van af. Ondertussen betrad het ene na het andere stel de dansvloer, aangemoedigd door een zanger die op het ritme van de muziek mensen wenkte om vooral te gaan dansen. David keek er naar. En toen zag hij haar. Ze danste met een onbekende man een onbekende dans. En, en dat verbaasde David nog het meest, zij leidde. Ze gaf met haar lichaam de richting aan. De man bewoog mee, volgde, paste zich aan. David had haar bijna niet herkend, zo zelfverzekerd als zij zich over de dansvloer bewoog. Maar ze was het toch echt. Toen het nummer was afgelopen, omhelsden de twee elkaar. Ze zei iets tegen haar partner, waarop die lachte. Ze kustte hem, pakte hem bij de hand en leidde hem richting de tafeltjes waar David en Hanako zaten. En toen zag zij hem ook. Ze leek niet echt verbaasd om hem te zien (wat hem weer wel verbaasde, hij kwam toch niet elke dag op Varesa?! Ze had toch kunnen bedenken dat hij hier op een speciale missie was), maar groette hem vriendelijk en liep naar het tafeltje waar Hanako en hij zaten toe. De man met wie ze net innig omstrengeld was geweest liet ze achter. “David”, zei ze, toen ze binnen gehoorsafstand was. “En Hanako.” “Helena”, zei David. Hanako zei niets. Helena wees naar de vrije stoel aan hun tafel. “Mag ik?” Hanako stond op, legde haar hand discreet even op Davids schouder en liep naar de bar. David groette haar, ten teken dat hij begreep dat ze hem even met Helena alleen wilde laten. “Hoe lang ben je al hier?”, vroeg Helena aan David. “Negen dagen”, zei hij. “Negen dagen om jou te vinden.” “Ik wist niet dat je me zocht”, zei ze. “Ik heb me niet verstopt.” David ging er niet op in. “Wil je echt hier blijven?”, vroeg hij. “Ja, natuurlijk. Net als Vogt en de anderen. Het leven is hier goed.” De muziek zwol aan, de band zette een langzaam nummer in. Uit zijn ooghoek zag David dat een stelletje aan de rand van de dansvloer begon te dansen, met hun lichamen tegen elkaar aangedrukt. “Je laatste bericht”, zei David. “We vertrouwden het niet.” “Wat was er mis met mijn bericht?” “Allemaal uitroeptekens.” Helena keek hem niet begrijpend aan. Toen lachte ze. “Uitroeptekens?!” “Je gebruikte ze vroeger nooit.” “Nu wel, omdat ik enthousiast was.” Ze keek hem aan. “het is al weer een tijdje terug, maar dat lijkt me de aanleiding voor die uitroeptekens. Ik hoop dat ik het raadsel hiermee heb opgelost? Ik ben enthousiast!” “Enthousiast over die man met wie je net danste?”, zei David. “Ook”, zei Helena. David wist even niet wat hij moest zeggen, dus keek hij maar wat om zich heen. Zijn oog viel nu op de man en vrouw die zo dicht tegen elkaar aan dansten. Nu zag hij het pas: de vrouw was Hanako. Van de schroom die ze net had gehad gehad toen hij haar de dansvloer op had getrokken, was niets meer over. Het leek wel alsof ze eraan gewend was zo dartel te bewegen. “Is het zo moeilijk voor jou”, zei Helena, “om je voor te stellen dat ik me hier goed voel?” “Nee”, zei hij. “Ik voel me hier ook goed.” “Maar?” “Ik moest toch zeker weten of je geen hulp nodig had?” “Ik niet… Niet meer. Ik hoor hier thuis. Maar jij?” David zag hoe Hanako zich een kus van haar danspartner liet welgevallen. Helena had gelijk: wat had hij hier eigenlijk te zoeken, op deze veel te donkere planeet, in het gezelschap van een vrouw die hij ooit had gekend maar een vreemde voor hem was geworden en een vrouw die hij net kende maar wel altijd een vreemde voor hem zou blijven? “Ik weet het niet”, zei hij naar waarheid. “Ik dacht even dat ik hier misschien ook thuishoorde.” Hij wierp een blik op Hanako en haar danspartner, die nu een intens gesprek met elkaar voerden. “Wie van ons tweeën heeft hier nu werkelijk hulp nodig?”, schaterde Helena. Ze keek ook naar Hanako. “Je kunt haar niet redden”, zei ze. “Je hoeft haar niet te redden.” David moest slikken. “Dat heeft ze je laten geloven. Want dat is wat ze doen. De bewoners van Varesa zijn niet manipulatief in de conventionele zin van het woord. Ze zijn eerder – ” David herkende de frase uit het rapport van Vogt. “Eerder wat?” “Eerder zo inschikkelijk dat je nooit goed hoogte van ze krijgt.. Zo gesloten dat jij bij hen vergeleken een open boek bent. Zo meegaand en zo inschikkelijk dat het zich tegen je keert als je niet oppast.” Het leek David klinkklare onzin, en het verbaasde hem dat Helena dit soort vaagpraat uit haar mond kreeg. De oude Helena had zoiets nooit gezegd. Ze was echt veranderd. Helena stond op, aaide David over zijn bol en liep naar de tafel waar haar danspartner inmiddels was aangeschoven. Ze ging naast hem zitten; hij legde zijn hand licht op haar arm – een gebaar dat alleen mensen die volledig vertrouwd zijn met elkaar maken. Nee, Helena hoefde niet te worden gered. Hanako was inmiddels stilletjes weer naast hem gaan zitten. Ze zwegen; Hanako richtte haar blik op de dansvloer, zag David uit zijn ooghoek. Hij keek ook. De man met wie ze net zo intiem was geweest liet zich niet meer zien. Na een tijdje zei hij: “We kunnen gaan.” “Als je wilt”, zei ze. Ze stonden op. David zag nog net hoe Helena haar partner weer de dansvloer op trok. Hij groette nog, maar ze reageerde niet. Het was het laatste dat hij van haar zag. Toen ze terugliepen naar het hotel, hield Hanako zijn hand niet meer vast. En toen ze aankwamen, zei ze: “Ik moet naar mijn ouders toe. Mijn vader heeft me nodig.” David sliep slecht en was al om half zeven wakker. Hij stond op en kleedde zich aan, zodat Hanako hem straks niet naakt zou zien. Hij zette een kop thee, zodat zij het straks niet zou hoeven doen. Stipt om zeven uur was ze er. “Je wist het”, zei hij. Ze keek hem niet begrijpend aan, met de glimlach van een meisje dat is betrapt op snoepen maar doet alsof er niets aan de hand is. “Baby? Wat bedoel je?”, vroeg ze. “Je wist dat Helena er gisteren zou zijn.” Een korte stilte. “Ja”, zei ze. “Ze komt er altijd.” “Waarom heb je het niet gezegd?” “Omdat je er niet klaar voor was”, zei ze. “Wat?!” “Je wilde haar niet zien. Niet zo.” “Ik zocht haar toch? Daarom ben ik toch hier.” “Je zocht haar niet echt.” David begreep er niets van. “En jij? Je zou me toch helpen?” “Ik heb je geholpen, baby. Begrijp het toch.” “En die man met wie je was? Was dat ook om mij te ‘helpen’?” Daar had ze niet van terug. Ze keek geschrokken op. “Die man…”, zei ze en zweeg verder schuldbewust. “Wil je eigenlijk wel met mij zijn?”, vroeg David. “Baby, natuurlijk”, zei Hanako. Maar David begreep nu eindelijk wat Vogt had bedoeld met De bewoners van Varesa zijn niet manipulatief in de conventionele zin van het woord. Ze zijn eerder –, en eindelijk drong de betekenis van de waarschuwing van Helena ook tot hem door. Hij zou Helena dankbaar moeten zijn. Misschien had ze hem wel gered. “Hoe kan ik je nog vertrouwen?”, zei David. “Hoe weet ik of je de waarheid spreekt en niet gewoon zegt wat ik wil?” Hanako haalde haar schouders op. David besloot één laatste poging te wagen. “Wil je hier weg?”, vroeg hij. “Van Varesa. Van dit werk. Bij mij blijven? Of wil je geld? Wat wil je?” “Ik wil wat jij wilt”, probeerde Hanako nog. “Mijn redder.” “Ik ben je redder niet”, zuchtte David. De volgende dag keerde hij terug naar aarde. Een van de weinige mensen die hadden besloten hun verblijf op Varesa niet te verlengen. EINDE






Beelden: zelf gebakken met ChatGPT
Logo voor de Science Fiction en Romantiek-reeks: zelf gebakken met ChatGPT



