Ghostwriter (Een Sci-Fai / Komedie)

Een schrijver ontdekt dat hij niet meer weet waar zijn gedachten eindigen en die van zijn kunstmatig intelligente schrijfassistent. Hij sluit zich aan bij de groep AI-writers Anonymous om een verhaal te schrijven zonder hulp van AI, om te bewijzen dat ze het nog kunnen en om te ontdekken wat een mens kan en een machine niet. Dat valt nog niet mee.
HOOFDSTUK 1. DE VERDWIJNENDE AUTEUR
Thomas staarde naar het dashboard. ScriptAssist was onverbiddelijk. 87,3% van zijn vorige manuscript was door het AI-platform gegenereerd. Niet aangepast, niet geredigeerd. Nee, gegenereerd. Hij scrolde terug. Vorige maand: 81%. Zes maanden geleden: 68%. Een jaar geleden, toen hij het platform pas had ontdekt: 23%.
“Het is gewoon een tool”, had hij tegen zichzelf gezegd toen hij het abonnement afsloot. “Zoals Word ook een tool is.” Nu zat hij aan de keukentafel in zijn huurflat in Utrecht en moest constateren dat de schrijfassistent de hoofdauteur was geworden.
Thomas opende het document en las de eerste zinnen die hij – of ScriptAssist, hij wist het niet meer precies – die ochtend had geschreven: “De lucht was grauw en het motregende; het was alsof ergens daarboven iemand nog geen besluit had genomen of de regen moest doorzetten of worden gestopt. Typisch Nederlands weer.”
Hij fronste. Had hij dat geschreven? Het klonk als iets wat hij had kunnen schrijven. Maar ook als iets wat ScriptAssist had kunnen genereren op basis van zijn eerdere werk. Hij selecteerde de zin, kopieerde hem, plakte hem in een nieuw venster en vroeg: “Heb jij dit geschreven?”
Het antwoord kwam binnen twee seconden: “Deze zin komt overeen met schrijfpatronen uit jouw corpus. Waarschijnlijkheid dat jij deze zin hebt geschreven: 73%. Waarschijnlijkheid dat ik deze zin heb gegenereerd: 27%. Wil je de zin behouden?”
Thomas staarde naar het scherm. Als ScriptAssist zijn stijl zo goed kende dat het 73% kans had dat dit was wat hij zou bedenken, was hij dan nog wel zelf aan het woord? Hij scrolde door het manuscript. Vijftig pagina’s. Hoeveel daarvan was van hem? Hoeveel was voorspelling, extrapolatie, simulatie? Hij dacht aan iets wat hij ooit had gelezen – waar precies wist hij niet meer, misschien in een van de talloze artikelen over AI die hij had verslonden in de afgelopen maanden. De computer waarop hij deze woorden schreef, beschikte al over bovenmenselijke vermogens: een geheugen dat alles onthield, rekenvaardigheden waarbij die van de men in het niet vielen. Maar wat betekende de opmars van de computer – of liever gezegd van kunstmatige intelligentie – voor zijn eigen vak? Voor het proces van denken, van worstelen met woorden, van het langzaam vormgeven van iets nieuws?
Zijn telefoon ging. Marieke, zijn ex of half-ex, die hem nog steeds af en toe belde. Hij nam niet op. Hij wist wat ze zou vragen: “Hoe gaat het met je boek?” En hij wist dat hij zou liegen: “Goed. Het schiet op.”
ScriptAssist knipperde vriendelijk: “Volgende scène schrijven? Ik heb drie opties voorbereid op basis van uw gebruikelijke dramaturgie.”
Thomas tikte: “Schrijf een nieuw verhaal. Een verhaal dat jij niet zou kunnen bedenken.”
“Specificeer aub: genre, thema, toon, lengte.”
“Een verhaal”, typte Thomas, “over iemand die niet meer weet of hij nog zichzelf is.”
“Analyseer… Verhaal gegenereerd. Titel: ‘Ghostwriter’. Wil je het lezen?”
Thomas sloot zijn laptop.
Onderwerp: Ik weet het. Geen afzender, alleen een alias: authentic_ink@protonmail.com De tekst was kort: “Thomas, Ik weet dat je ScriptAssist gebruikt. Ik ook. We zijn met z’n achten nu. Allemaal schrijvers. Allemaal hetzelfde probleem. We ontmoeten elkaar donderdag 19:00 bij café De Zwarte Ruiter in Amsterdam (Kerkstraat 18). Kom. Of niet. Maar als je wilt meedenken over hoe we ons werk kunnen uitvoeren in dit AI-tijdperk, kom dan vooral. – M. (AI-writers Anonymous)” Thomas las de mail drie keer. Zijn eerste impuls was om hem te negeren, omdat het spam was, een poging tot phishing of erger nog een bericht van iemand die hem wilde chanteren. Maar dat ‘Ik ook’ stelde hem gerust. Dat ‘AI-witers Anonymous’ helemaal. Hij typte een antwoord: “Wie ben je?” Het antwoord kwam binnen tien minuten: “Donderdag. Kom.” — Donderdagavond, 18:53. Thomas stond voor café De Zwarte Ruiter, een klein bruin café dat eruitzag alsof het in geen dertig jaar was opgeknapt. Door het raam zag hij een groepje mensen rond een grote tafel achterin. Geen laptops. Geen telefoons op tafel. Ze zaten er stijfjes bij. Alsof ze het niet gewend waren om achter hun scherm vandaan te komen. Hij duwde de deur open. Een vrouw van een jaar of vijftig, grijs haar in een wrong, keek op. “Thomas?” Hij knikte. “Ik ben Marloes. Ik heb je gemaild.” Ze gebaarde naar de tafel. “Dit is… de groep. AI-writers Anonymous” Thomas ging zitten. Zeven gezichten keken hem aan. Hij herkende er drie: Sophie Damstra, literair journaliste. Erik Veldhuis, thrillerauteur. En Peter… Peter iets, hij schreef columns voor de Volkskrant. “Oké”, zei Marloes. Ze schoof een papieren notitieboekje naar het midden van de tafel. Ouderwets, gelinieerd. “Ik denk dat we allemaal weten waarom we hier zijn. Maar laten we het hardop zeggen. Ik begin.” Ze haalde diep adem. “Mijn naam is Marloes Veenstra. Ik schrijf historische romans. Mijn laatste boek, De stad van glas, is voor 91% door ScriptAssist geschreven. Ik heb er de prijs voor Beste Historische Roman mee gewonnen.” Ze zweeg even, keek naar de tafel. “En ik heb het gevoel dat ik vals heb gespeeld.” Er viel een stilte. Thomas zag hoe Sophie knikte, bijna onmerkbaar. Toen begon Sophie. “Sophie Damstra. Literair recensent.” Ze lachte kort, bitter. “78%. Ik… schrijf over boeken die ik niet eens helemaal lees. ScriptAssist vat ze voor me samen en ik versier het met wat eigen zinnen. Mijn lezers denken dat ik een snelle lezer ben. Maar ik ben vooral … een goede prompter.” Thomas keek naar haar. Hij had haar recensies gelezen, had ze altijd scherp en genuanceerd gevonden. Dat ze gebaseerd waren op AI-samenvattingen, verbaasde hem. Het kwam hem voor als … als wat eigenlijk? Bedrog? Erik: “84%. Mijn thrillers. Allemaal. Plotwendingen, cliffhangers, karakterbeschrijvingen. Ik type ‘hoofdpersoon is achterdochtig’ en ScriptAssist schrijft drie spannende pagina’s. Het werkt. Maar het voelt… wezenloos. Ik beleef geen plezier meer aan het schrijven.” Een voor een vermelden ze het AI-percentage dat ScriptAssist had toegekend. “87%”, zei Thomas toen hij aan de beurt was. “Freelancer. Artikelen, essays, verhalen. Ik…” Hij stopte. Het voelde alsof hij een bekentenis deed, maar hij wist niet precies waaraan hij schuldig was. “Ik weet niet meer wanneer ik voor het laatst iets helemaal zelf heb geschreven.” Marloes knikte. “Oké. Dus we zijn het erover eens: we hebben een probleem. De vraag is: wat doen we eraan?” Peter, de columnist, leunde achterover. Zijn gezicht stond cynisch, bijna geamuseerd. “Ik zie het probleem niet. Het is jouw keuze om met AI te werken. Gewoon doorgaan als je er sneller mee schrijft, zou ik zeggen. Of als je wilt stoppen met ScriptAssist, dan stop je toch? Cold Turkey. Wat weerhoudt je?” “Geprobeerd”, zei Sophie meteen. “Ik kreeg een deadline. Drie dagen. Een recensie van vierduizend woorden. Ik… ik kon niks. Helemaal niks. Na twee dagen had ik honderd woorden. Slecht. Echt slecht.” Ze keek naar haar handen. “Het was alsof ik vergeten was hoe het moest.” “Precies”, zei Erik zacht. “Alsof je vergeten bent hoe het moet.” Peter haalde zijn schouders op. “Misschien zijn jullie gewoon niet zo goed als jullie dachten.” Sophie keek hem scherp aan. “En jij dan? Jouw percentage?” Peter glimlachte. “73%. Maar ik heb er geen moeite mee. Ik gebruik het net zoals ik Google of een woordenboek gebruik. ScriptAssist is gewoon efficiënter dan wanneer ik het alleen moet doen.” “Maar voel je dan niet…” Thomas zocht naar woorden. “Voel je dan niet dat alsof je iets weggeeft? Alsof je een deel van jezelf afstaat?” Peter keek hem aan, zijn glimlach verdween. “Wat geef ik dan weg, Thomas? Zeg het me. Mijn ziel? Mijn authenticiteit?” Hij lachte kort. “Kom op. Dat zijn romantische illusies. Schrijven is werk, je maakt een product. Als mijn lezers tevreden zijn over wat ik produceer, wat maakt het dan uit hoe ik het heb gemaakt?” Marloes tikte op het notitieboekje. “Ik denk dat we daar samen achter moeten komen. Door met z’n allen één verhaal te schrijven. Elkaar helpen om zonder AI te werken. Om af te kicken, al is het maar voor even. Zoals alcoholisten elkaar ook helpen. Daarom ben ik dit gestart. De naam AI-writers Anonymous is niet toevallig.” Thomas fronste. “Één verhaal? Met z’n achten?” “Waarom niet?” Marloes glimlachte. “Het is toch geen competitie? We schrijven elk een deel. Geven het door. Bouwen erop voort, maken het verhaal met elkaar beter. Ouderwets. Zoals sommige schrijvers vroeger deden wanneer ze met elkaar correspondeerden om een brievenroman te schrijven. En wie weet, leren we begrijpen wie we zijn zonder AI. Waar onze kracht ligt.” Marloes keek de tafel rond. “Wie doet er mee?” Een voor een staken ze hun hand op. Ook Peter, na een moment van aarzeling. “Waarom? Je leek niet enthousiast?”, vroeg Sophie hem. Peter haalde zijn schouders op. “Nieuwsgierigheid. Ik wil in elk geval meedenken. En ik wil zien of dit misloopt.” “Iets over ons”, zei ze. “Over schrijvers die hun stem kwijt zijn. Dat is toch het eerlijkste?” Peter schudde meteen zijn hoofd. “Nee. Dat is narcistisch. Niemand wil lezen over schrijvers die zitten te janken over hun eigen problemen. Dat is precies wat lezers haten aan literaire fictie.” “Literaire fictie?” Sophie trok een wenkbrauw op. “Je schrijft zelf literaire columns, Peter.” “Precies”, zei Peter. “En ik weet wat werkt en wat niet. Spanning. Actie. Een plot. Niet: ‘arme ik, ik weet niet meer wie ik ben.'” Erik leunde naar voren. Hij sprak zacht, bedachtzaam. “Maar is dat niet precies het punt? AI kan spanning aanbrengen in een verhaal. AI kan actiescènes schrijven. Een plot bedenken dat klopt. Wat een AI niet kan, is… twijfel. Onzekerheid. De rommeligheid van niet weten.” “Precies”, zei Marloes. “Dus we schrijven over die rommeligheid.” Thomas, die tot nu toe had gezwegen, zei: “Maar wat is die rommeligheid dan? Concreet?” Iedereen keek hem aan. “Ik bedoel”, vervolgde Thomas, “we zitten hier omdat we denken dat er iets is dat wij wel kunnen en AI niet. Iets menselijks. Maar wat is dat dan? AI heeft – voor zover wij weten – geen bewustzijn, geen bedoelingen. Het maakt misschien goedlopende zinnen. Maar het weet niet waarom. Het voelt niet of een zin klopt. Het berekent alleen dat hij waarschijnlijk klopt. Maar hoe blijkt uit een tekst dat AI niet voelt en een mens wel? Waarin verschilt een AI-tekst van een menselijke tekst?” Hij stond op, liep naar het whiteboard, pakte een marker. “Emotie?” Hij schreef het op. “Nee, ScriptAssist kan ontroerend schrijven. Ik heb lezers gehad die huilden om passages die ik niet eens zelf had geschreven.” Hij schreef: ‘Originaliteit?’, ‘Creativiteit?’ “Ook niet. AI kan nieuwe combinaties maken die ik nooit zou bedenken. Vakmanschap?” Hij schreef het op. “ScriptAssist heeft een perfecte zinsbouw. Dus wat dan?” Er viel een stilte. Sophie zei: “Misschien… imperfectie?” “Hoe bedoel je?” “Fouten”, zei Sophie. Ze stond ook op, pakte de marker van Thomas. “Tegenstrijdigheden. Een personage dat iets zegt en later het tegenovergestelde doet zonder dat het logisch is. ScriptAssist maakt alles… glad. Consistent. Perfect. Maar mensen zijn niet perfect. We zijn vol tegenstrijdigheden. We zeggen dingen die we niet menen. We maken fouten. We veranderen van mening zonder logische reden. Wij begrijpen dat. ScriptAssist niet. ” Ze schreef: “IMPERFECTIE = MENSELIJK?” Peter grinnikte. “Dus jullie gaan je rommeligheid vieren? Een verhaal schrijven dat niet klopt, dat inconsistent is, dat fouten bevat? Een slecht verhaal schrijven, dat is het grote plan? Maar een slecht verhaal schrijven kan iedereen, met AI en zonder AI.” “Nee”, zei Sophie. “We schrijven een levensecht verhaal. Zonder filter. Zonder dat algoritme dat zegt: ‘Dit klopt niet met de karakterontwikkeling die je in hoofdstuk twee hebt geschreven.'” Erik knikte langzaam. “Ik snap het. AI schrijft wat logisch is. Wij schrijven wat waar is. En die twee zijn niet altijd hetzelfde.” Thomas voegde eraan toe: “Kan een AI een verhaal schrijven over… het gevoel dat je hebt wanneer je beseft dat een machine beter is in jouw werk dan jij? Die specifieke paniek? Die schaamte? Dat verlies?” Hij keek naar de anderen. “Niet een technisch correcte beschrijving van paniek. Maar de… de wirwar van gedachten. Het ontkennen en tegelijkertijd weten. Het gevoel dat je jezelf bent kwijtgeraakt, maar niet kunt aangeven wanneer precies.” Marloes sloeg haar notitieboekje open. “Oké. Dus ons verhaal gaat over… iemand die worstelt met wat waar is. Iemand die niet meer weet wat echt is. Dat past bij ons allemaal.” “Science fiction”, zei Thomas plotseling. “Het moet science fiction zijn.” “Waarom?” “Omdat”, zei Thomas, “science fiction perfect is om ideeën in een verhaalvorm te gieten. Om onze ideeën over wat ons nu overkomt te verwerken. We doen alsof het over de toekomst gaat, maar eigenlijk schrijven we over wat we nu voelen. En wij voelen ons… achterhaald. Overbodig. Dus we schrijven over iemand die ontdekt dat hij overbodig is.” Peter fronste. “Dat is wel erg dicht bij huis.” “Precies”, zei Thomas. “AI kan een verhaal schrijven over een robotopstand of een dystopie. Maar kan een AI een verhaal schrijven over… het gevoel dat je hebt wanneer je beseft dat een machine beter is in jouw werk dan jij? Die specifieke paniek? Die schaamte? Dat verlies?” Hij keek de kring rond. “Heb jij dat gevoel?” vroeg Marloes zacht. Thomas aarzelde. Toen knikte hij. “Ik ook”, zei Erik zacht. “Elke dag.” Sophie: “Ik ook.” Een voor een knikten ze. Marloes schreef iets op. “Oké. Dan hebben we ons thema. Een science fiction-verhaal over iemand die ontdekt dat hij overbodig is geworden.” “En hoe eindigt het?” vroeg Peter. Thomas zei: “Dat weten we nog niet. Maar dat is misschien juist goed. Een AI zou het einde al weten. Wij niet.” Peter lachte kort. “Geweldig. We gaan een verhaal schrijven zonder te weten waar het naartoe gaat. Science fiction, een genre dat in Nederland nooit van de grond is gekomen. Het klinkt als een recept voor mislukking.” “Misschien niet”, zei Marloes, “Het klinkt als hoe verhalen vroeger werden geschreven. Voordat algoritmes schrijfwerk uitvoerden. Voordat er allerlei plotstructuren waren waar verhalen werden geacht aan te voldoen. Toen schrijvers gewoon… schreven. En keken waar ze uitkwamen.” Peter schudde zijn hoofd. “Dat is geen verhaal. Dat is een dagboek.” “Precies”, zei Sophie. “Ons verhaal speelt in de toekomst, en heeft de vorm van een dagboek: de meest menselijk vorm van proza die er is. Het heeft geen plot. Het heeft geen logica. Het is een weergave van wat iemand overkomt en van wat iemand voelt. ScriptAssist kan geen dagboek schrijven. Het kan het imiteren, maar het kan niet… het kan niet niet-weten wat de volgende zin wordt.” “Niet-niet weten? Dat lijkt me geen probleem. Niet weten wat de volgende zin wordt, dat is een probleem. Dan houdt het schrijven op”, zei Erik. “Of misschien”, zei Thomas langzaam. “Misschien is dat juist de oplossing.” Iedereen keek naar hem. “Ik bedoel”, zei Thomas, “ScriptAssist weet altijd wat de volgende zin is. Het heeft duizenden verhalen geanalyseerd. Het weet: na deze zin komt logischerwijs die zin. Maar wij… wij kunnen een zin schrijven die helemaal nergens op slaat. Die het verhaal een andere kant op duwt. Die de lezer verrast, of frustreert, of in de war brengt.” Hij dacht terug aan een passage die hij ooit had gelezen over hoe AI werkte. AI was in staat muziekstukken te schrijven die zelfs kenners niet konden onderscheiden van originele werken van Bach. Perfecte imitatie. Maar kon het ook Bachs waanzin imiteren? Die momenten waarop de componist de regels brak, niet omdat het logisch was, maar omdat het moest? “En dat is goed?” vroeg Peter. “Lezers frustreren?” “Misschien”, zei Thomas. “Het hangt er misschien af van hoe je het doet. Als je wilt, kun je AI iets onwaarschijnlijks laten doen. Je kunt originaliteit afdwingen. Maar AI kan niet bepalen of het ook goed is – of een originele wending in een verhaal ook interessant is, een verrijking voor de rest van het verhaal. Een goede schrijver wel.” Marloes beet op haar pen. “Oké. Stel dat we dit doen. Geen regels. Geen structuur. Wat hebben we dan wél?” “Intuïtie”, zei Sophie. “Impulsen”, zei Erik. “Driften.” “Angst”, zei Thomas. Hij keek op. “Sorry, maar dat is toch wat we allemaal voelen? Angst dat we het niet kunnen. Angst dat we het kwijt zijn. Misschien moeten we dat gewoon… erin zetten. Niet wegwerken. Niet gladstrijken. Gewoon: dit voelt raar, dit klopt niet, ik weet niet waar dit naartoe gaat.” “Meta”, zei Peter. “Weer schrijvers die over schrijven schrijven.” “Nee”, zei Sophie. “Mensen die over twijfel schrijven. Iedereen twijfelt. Dat is universeel. AI twijfelt niet. Wij wel. Dat is ons voordeel.” Ze keek naar Peter. “Jij twijfelt ook, Peter. Daarom ben je hier. Anders was je al lang vertrokken.” Peter keek weg. “Ik ben hier omdat het interessant is. Als sociaal experiment.” “Nee”, zei Sophie zacht. “Je bent hier omdat je ook bang bent. Misschien niet op dezelfde manier als wij. Maar je vraagt je ook af: ben ik nog nodig?” Er viel een stilte. Toen zei Peter, zo zacht dat ze hem bijna niet verstonden: “Elke dag.” Marloes schreef iets op. “Oké. Dus de regels zijn: geen regels. We schrijven intuïtief. We laten fouten staan. We veranderen niet van mening halverwege en gaan terug om het te ‘fixen’. We accepteren de chaos. We schrijven zonder vangnet.” “En hoe weten we of het goed is?”, vroeg Peter. “Dat zien we dan wel weer”, zei Marloes. Thomas staarde naar het papier. De eerste zin was altijd het moeilijkste. Hij had ooit gelezen – waar? In een boek? Een artikel? – dat de eerste zin het hele verhaal moest bevatten. Tone, thema, stijl. Hij schreef: Dit is een verhaal over iemand die vergeten is hoe je verhalen schrijft. Hij doorstreepte het. Te meta. Hij schreef: Thomas wist niet meer wanneer hij voor het laatst iets had geschreven zonder hulp. Te direct. Te saai. En te dicht bij de waarheid. Hij schreef: De cursor knipperde. Hij stopte. Keek naar de zin. Drie woorden. Simpel. Maar ook… saai? Of juist niet? Was saai erg? ScriptAssist zou zeggen: “Deze zin heeft geen actie, geen karakterontwikkeling, geen beeldspraak. Verbeteren?” Maar waarom eigenlijk? De cursor knipperde. Dat was waar. Dat was wat er gebeurde als je niet wist wat je moest schrijven. Geen grootse metafoor. Geen dramatische openingsscène. Gewoon: een cursor die knipperde. Thomas dacht aan wat Sophie had gezegd: “We schrijven een levensecht verhaal. Zonder filter.” Hij schreef door: De cursor knipperde. Al drie uur. Thomas had in die tijd vijf woorden geschreven, vier woorden gewist, en één woord laten staan: “Maar.” Maar wat? Hij wist het niet. Vroeger wist hij het altijd. Vroeger typte hij “Maar” en dan kwam er vanzelf iets. Een gedachte. Een zin. Een richting. Nu kwam er niks. Alleen maar: maar. Thomas stopte. Keek naar wat hij had geschreven. Het was niet goed. Geen dramatische opening. Geen hook. Geen wereldopbouw. Gewoon een man die vastzat. Saai. Maar het was wel levensecht. Zijn hand trilde. Waarom trilde zijn hand? Hij legde de pen neer, pakte hem weer op. Hij schreef door: Thomas legde zijn handen op het toetsenbord. Linkerhand op ASDF-toetsen, rechterhand op JKL. Klaar om te typen. Maar zijn vingers bewogen niet. Het was alsof ze wachtten. Op een signaal. Een instructie. Een prompt. “Schrijf”, zei Thomas hardop tegen zichzelf. Zijn stem klonk vreemd in de lege kamer. Niets gebeurde. “Schrijf iets”, zei hij weer. “Wat dan ook.” Zijn vingers kwamen niet in beweging. Thomas las het terug. Was dit een verhaal? Of was dit gewoon… het vastleggen van zijn eigen mislukking? Hij schreef: Later zou Thomas zich afvragen of het moment dat hij zijn stem verloor ook het moment was dat hij hem vond. Maar op dat moment, in die stille kamer, met zijn handen stil op het toetsenbord, voelde het alleen als verlies. Hij stopte. Las het terug. “Later zou Thomas zich afvragen” – dat was een klassieke literaire opening. Retrospectief. Filosofisch. Precies het soort zin dat in honderd romans stond. Precies het soort zin dat ScriptAssist zou genereren als je vroeg: “Schrijf een introspectieve openingszin over verlies.” Fuck. Hij streepte de zin door. Schreef eronder: Dit is bullshit. Deze zin is bullshit. Ik probeer diepzinnig te klinken maar het is gewoon een cliché. Later zou Thomas zich afvragen – alsof retrospectie automatisch wijsheid oplevert. Thomas stopte. Staarde naar wat hij had geschreven. Was dit beter? Of was dit gewoon een andersoortig cliché? De zelfbewuste schrijver die zijn eigen tekst bekritiseert: ook bepaald niet origineel, toch? Hij legde de pen neer. Opende ScriptAssist op zijn telefoon. Nee. Hij sloot de app. Legde de telefoon aan de andere kant van de kamer. Pakte de pen weer. Schreef: Ik weet niet hoe ik dit moet schrijven zonder ScriptAssist. Ik weet niet eens meer hoe ik moet denken zonder ondersteuning van AI. Bij elke zin, bij elke gedachte vraag ik me af: is dit van mij? — Een week later zaten ze weer in het café. Thomas had zijn pagina’s meegebracht, zeven in totaal, elk vol met doorhalingen, krabbels in de marge, zinnen die halverwege stopten. “Laat zien”, zei Marloes. Thomas schoof ze naar haar toe. “Het is… het is niet goed. Het is niet eens echt een verhaal.” Marloes las. De anderen keken toe. Thomas zag haar ogen over de pagina gaan, zag haar fronsen, knikken, glimlachen. “Dit”, zei ze, en ze tikte op een passage, “dit is perfect.” “Wat?” “Dit.” Ze las voor: “‘Ik weet niet hoe ik dit moet schrijven zonder ScriptAssist. Ik weet niet eens meer hoe ik moet denken zonder ondersteuning van AI.’ Dit is precies wat we zoeken. Onzekerheid. Echte, ruwe onzekerheid.” Peter pakte de pagina’s, las ze. “Het is niet coherent”, zei hij. “Je springt van de ene gedachte naar de andere. Er is geen rode draad.” “Precies”, zei Sophie. Ze had ook een paar pagina’s geschreven, zag Thomas. “Dat is toch het punt? Gedachten zijn niet coherent. Niet echt. We twijfelen. We veranderen van mening. We springen van het ene standpunt naar de andere. ” Erik had ook iets meegebracht. “Ik heb hetzelfde”, zei hij. “Ik probeerde een scène te schrijven – een man komt thuis, zijn huis is veranderd maar hij weet niet hoe. Maar elke keer dat ik probeerde het te beschrijven, klonk het als… als een beschrijving. Technisch correct maar leeg.” Hij schoof zijn pagina’s naar het midden. “Dus uiteindelijk schreef ik gewoon: ‘Het huis was anders. Hij kon niet zeggen hoe. Misschien was het altijd al zo geweest. Misschien was hij degene die veranderd was.’ En toen stopte ik. Want dat was alles wat ik wist.” “Maar dat is genoeg”, zei Marloes. “Dat is de menselijke stem. Niet alles weten. Niet alles kunnen verklaren.” Peter schudde zijn hoofd. “Jullie geven veel te hoog op over middelmatig schrijfwerk. ‘Ik weet het niet’ is toch geen literair hoogstandje? Het is gewoon… iets wat iemand zegt die ergens niet goed over heeft nagedacht.” “Of”, zei Thomas, “het is eerlijk zijn over de grenzen van wat je kunt weten. ScriptAssist kan altijd een verklaring genereren. Altijd een logische reden bedenken waarom het huis anders is. Maar echte mensen, in echte verwarring? Die kunnen soms alleen maar zeggen: ik weet het niet.” Sophie knikte. “Er is een verschil tussen ‘ik weet het niet omdat ik lui ben’ en ‘ik weet het niet omdat sommige dingen niet te weten zijn’. Het eerste is gewoon slecht schrijven. Het tweede niet, dat geeft blijkt van menselijkheid. ” “En hoe”, vroeg Peter, “maak je dat onderscheid? Hoe weet je dat jouw ‘ik weet het niet’ getuigt van menselijkheid en niet van onvermogen? Als er alleen maar ‘ik weet het niet’ staat, maak je het de lezer wel erg moeilijk. Ik weet het in elk geval niet!” Stilte. Toen zei Marloes: “Dat weten we niet. Niet zeker. Maar we proberen het te voelen. En als het niet goed voelt, schrijven we dat op. We proberen het niet te verstoppen.” Ze pakte alle pagina’s bij elkaar. “Oké. We hebben een begin. Thomas’ hoofdpersoon die niet kan schrijven. Eriks man die zijn huis niet herkent. Sophie, wat heb jij?” Sophie haalde diep adem. “Ik heb een dialoog geprobeerd. Tussen de man en zijn… ik weet niet, zijn vrouw? Zijn collega? Iemand die hem vraagt of het goed met hem gaat. En hij probeert uit te leggen dat er iets mis is maar hij heeft niet de woorden ervoor.” Ze keek naar haar eigen pagina’s. “Het werd… het werd een gesprek waarin ze langs elkaar heen praten. Omdat hij iets probeert te zeggen dat niet te zeggen valt. En zij probeert te begrijpen maar kan het niet.” “Lees voor”, zei Erik. Sophie sloeg haar notitieboek open: “Is alles oké met je?” “Ja. Nee. Ik weet het niet.” “Dat is geen antwoord.” “Het is het enige antwoord dat ik heb.” “Ben je ziek?” “Misschien. Maar niet op een manier die een dokter kan zien.” “Wat bedoel je?” “Ik bedoel dat ik… dat ik mezelf niet meer herken. Niet fysiek. Maar… mentaal. Alsof iemand anders mijn gedachten denkt. Of alsof ik geleerd heb gedachten te denken die niet van mij zijn.” Sophie stopte. “En dan weet ik niet hoe het verder moet. Want ik weet niet wat ze kan zeggen dat niet een cliché is. ‘Misschien moet je naar een therapeut’ – dat is wat een echt persoon zou zeggen. Maar het voelt zo… voorspelbaar.” “Laat haar niets zeggen”, zei Thomas. “Wat?” “Laat haar gewoon… blijven zitten. Niets zeggen. Want soms, als iemand je iets vertelt dat zo vreemd is, zo onbegrijpelijk, dan is er niets te zeggen. Dan is stilte het enige eerlijke antwoord.” Sophie keek naar hem. Knikte langzaam. Schreef iets op. Peter leunde achterover. “Jullie weten dat dit nooit gepubliceerd gaat worden, toch? Dit is te… te raar. Te fragmentarisch. Geen enkele uitgever gaat dit accepteren.” Het ging over een man (ze hadden hem inmiddels ‘Alex’ genoemd, hoewel Peter bleef volhouden dat dit een saaie naam was) die werkte voor een bedrijf (welk bedrijf bleef onduidelijk) en die langzaam ontdekte dat hij vervangen werd door… iets. Een systeem. Een proces. Een andere versie van zichzelf misschien. Een soort spook dat hem in zijn greep hield en voorschreef wat hij moest doen. Een soort ghostwriter. Erik had een scène geschreven waarin Alex een vergadering bijwoonde waar iedereen zat te knikken maar niemand iets zei dat betekenis had. Alleen maar buzzwords. Synergieën. Optimalisaties. Stakeholders. Sophie had een passage toegevoegd waarin Alex thuiskwam en merkte dat de meubels niet op dezelfde plek stonden. Maar toen hij ernaar keek, stonden ze precies zoals ze altijd hadden gestaan. Had hij het zich verbeeld dat er iets was veranderd? Of was zijn herinnering aan de oude opstelling juist ingebeeld? Thomas had geschreven over Alex’ poging om een e-mail te schrijven. Een simpele e-mail. Maar elke zin die hij typte, leek verkeerd. Te formeel of te informeel. Te kort of te lang. Hij wiste zijn mailtje en herschreef het, wiste en herschreef het, totdat hij vergeten was wat hij had willen zeggen. Bij de volgende bijeenkomst legde Marloes alle pagina’s naast elkaar op de tafel. Achttien in totaal. “Het werkt”, zei ze, en ze klonk bijna verbaasd. “Het werkt echt.” Ze zaten in het café. Het was laat, bijna sluitingstijd. De barman keek af en toe hun kant op, maar liet hen met rust. “Het is geen meesterwerk”, vervolgde Marloes. “Maar het is… het is van ons. Je herkent ons erin.” Peter bladerde door de pagina’s. Hij had de afgelopen weken weinig gezegd, had niets geschreven, maar was blijven komen. “Ja. Maar…” “Maar wat?” “Het voelt ook… bekend. Op een vreemde manier.” Peter legde zijn vinger op een passage. “Deze dialoog. ‘Ik begrijp het niet.’ ‘Dat hoeft ook niet.’ Dat is toch gewoon het patroon dat ScriptAssist gebruikt voor ‘mysterieuze spanning’? Korte zinnen. Ontwijkende antwoorden. Ik heb het duizend keer gezien.” Sophie fronste. “Maar ik heb dit zelf geschreven. Zonder ScriptAssist.” “Precies”, zei Peter. “Maar je hebt ScriptAssist eerder wel gebruikt. Maanden, jarenlang. En je hersens zich daarnaar gevoegd. Dus wanneer je ‘spanning’ wilt schrijven, schrijf je nu… dit.” Hij tikte op de pagina. Precies zoals ScriptAssist ook had kunnen doen.” Thomas voelde zich betrapt. Hij pakte zijn eigen pagina’s, las ze opnieuw. De passage over de e-mail die Alex probeerde te schrijven. Hij typte: “Beste collega’s”, en wiste het. Te formeel. “Hoi allemaal”, – te informeel. “Team”, – te Amerikaans. Hij staarde naar het lege scherm. Hoe had hij dit ooit gedaan? Hoe had hij ooit gewoon… geschreven? Het was wat hij had gevoeld. Maar nu hij ernaar keek… was het ook precies hoe ScriptAssist ‘writer’s block’ zou beschrijven. De herhalingen. De focus op het gereedschap (de cursor) in plaats van de emotie. Hij opende zijn laptop. Navigeerde naar ScriptAssist. Typte in de prompt: “Schrijf een scène waarin iemand vast loopt bij het schrijven van een e-mail.” De AI genereerde binnen twee seconden: Alex staarde naar het lege scherm. Hij had al drie keer een openingszin getypt en gewist. “Beste collega’s” – te formeel. “Hoi team” – te nonchalant. “Allemaal” – te vaag. Hoe had hij dit ooit gedaan zonder na te denken? “Fuck”, zei Thomas zacht. “Wat?” vroeg Marloes. Hij draaide de laptop naar haar toe. Liet de ScriptAssist-versie zien naast zijn eigen geschreven passage. Ze waren niet volledig identiek. Maar het scheelde niets. Dezelfde structuur. Dezelfde progressie van formeel naar informeel naar hulpeloos. Dezelfde voorbeelden. “O god”, zei Sophie. Ze pakte haar eigen telefoon, opende ScriptAssist. Typte: “Schrijf een dialoog met mysterieuze spanning, korte zinnen.” De AI genereerde: “Waar ben je geweest?” “Dat gaat je niet aan.” “Alles oké?” “Definieer oké.” “Je ontwijkt me.” “Misschien.” Sophie keek naar haar eigen geschreven dialoog. En ook zij zag: niet helemaal hetzelfde, maar de overeenkomsten waren groter dan de verschillen. Erik probeerde het ook. En Marloes. Een voor een vergeleken ze hun eigen passages met die van ScriptAssist. En een voor een ontdekten ze dat wat ze hadden geschreven, wat zich zo menselijk had gevoeld, zo authentiek, net zo goed door AI geschreven had kunnen zijn. Peter keek de tafel rond. Zijn gezicht stond niet triomfantelijk. Hij zag er bijna verdrietig uit. “Ik wist het”, zei hij zacht. “We zijn getraind. We denken in algoritmes. Zelfs wanneer we proberen menselijk te schrijven, schrijven we zoals ScriptAssist het ons heeft geleerd.” Er viel een lange stilte. Toen zei Thomas: “Dus… dus wat betekent dat? Dat we niet meer menselijk kunnen schrijven? Dat we permanent… besmet zijn?” “Misschien”, zei Marloes langzaam, “is de vraag niet of we menselijk kunnen schrijven zonder AI-invloed. Misschien is de vraag: kunnen we eerlijk zijn over die invloed?” “Hoe bedoel je?” vroeg Sophie. Marloes pakte het notitieboekje. “Nieuwe regels. We gaan verder met het verhaal. Maar elke keer dat je ScriptAssist gebruikt – voor wat dan ook, een zin, een idee, een formulering – schrijf je erbij: [AI]. Elke keer dat je zelf iets schrijft, schrijf je: [M] voor mens. We zijn eerlijk. Verbergen niets.” “En wat bereiken we daarmee?” vroeg Peter. “We stoppen met doen alsof we puur zijn, en zonder invloed van AI kunnen schrijven. We accepteren dat we beïnvloed zijn. En we documenteren die invloed. We maken het zichtbaar. Zodat we zien waar de grens ligt tussen mens en machine”, zei Marloes. “Als die er überhaupt is.” Peter haalde zijn schouders op. Thomas zat die avond thuis, laptop open, het manuscript naast zich. Hij had de taak gekregen om het volgende deel te schrijven – de scène waarin Alex ontdekte dat zijn collega’s niet meer waren wie ze leken te zijn. Hij typte: Alex liep de kantoorgang in. [M] Oké. Goed begin. Helemaal van hem. Maar nu? Hij typte: De tl-lampen zoemen. Wacht. Was dat van hem? Of had hij dat ooit ergens gelezen, in een suggestie van ScriptAssist of in een van zijn eigen eerdere stukken die door ScriptAssist waren verbeterd? Hij schreef: De tl-lampen zoemden. [M?] Hij fronste. [M?] was geen optie. Het was [M] of [AI]. Geen twijfel toegestaan. Hij liet het staan als [M]. Voor zover hij wist was het van hem. Dat moest genoeg zijn. Hij schreef: Hij duwde de deur naar de vergaderruimte open. Binnen zaten drie mensen. [M] Dit was zijn eigen tempo, zijn eigen woordkeuze. Zeker weten. Maar toen: Ze keken naar hem op, met uitdrukkingsloze gezichten. Hij stopte. “Uitdrukkingsloos” – dat was een ScriptAssist-woord. Hij had het honderden keren gezien in suggesties. ‘Uitdrukkingsloze gezichten’ was een standaardformulering om ‘mysterieuze spanning’ op te roepen. Hij opende ScriptAssist in een ander venster. Typte: “Alex duwde de deur naar de vergaderruimte open. Binnen zaten drie mensen.” En hij gaf de opdracht: “Ga verder.” De AI genereerde: Ze keken naar hem op, met onleesbare gezichten. Niet ‘uitdrukkingsloze, maar ‘onleesbare’. Bijna hetzelfde. Welke versie was van hem? Had hij “uitdrukkingsloze” gekozen omdat hij het onbewust had geleerd van ScriptAssist? Of was het gewoon een goed woord? Thomas sloot zijn laptop. Dit was geen doen. Elk woord dat hij schreef, elke gedachte die hij had, kon een echo zijn van het AI-systeem. Of de woorden die AI-gegenereerd waren konden een echo zijn van hem, van het werk waarop hij ScriptAssist had getraind. Het onderscheid tussen de twee viel niet meer te maken. Hij pakte een pen. Een leeg vel papier. Misschien zou schrijven met de hand helpen. Misschien zou de fysieke act van schrijven, de traagheid ervan, hem dwingen anders te denken. Hij schreef: Alex wist niet meer wanneer hij voor het laatst iets had gevoeld dat echt was. Hij stopte. Keek naar de zin. Dit was… dit was gewoon een parafrase van zijn eigen situatie. Alex = Thomas. Het gevoel dat niets ‘echt’ was = het gevoel dat zijn schrijven niet echt – bedacht – was. Hij schreef door: Alle emoties leken geleend. Alle gedachten tweedehands. Hij was een compilatie geworden van reacties die hij had geleerd, gevoelens die hij had geïmiteerd, woorden die niet van hem waren. Thomas las het terug. Het voelde waar. Maar het voelde ook als… als iets wat in duizend andere verhalen over iemands identiteitscrisis zou kunnen staan. De vervreemde man. De lege huls. Kafka. Camus. Zo voorspelbaar. Hij wiste alles. Begon opnieuw. Alex liep de gang door. [M] De tl-lampen [M] lieten hun gebruikelijke [AI? – “gebruikelijke” is ScriptAssist-taal] zoemende geluid [M? – ‘zoemend geluid’ is omslachtig, AI zou hier ‘gezoem’ van maken] horen. Hij stopte. Dit was waanzin. Hij was elke lettergreep aan het analyseren, elke woordkeuze aan het ontleden. Misschien had Peter gelijk. Misschien was dit geen zinvol experiment. Misschien probeerden ze iets aan te tonen terwijl dat niet kon. Hij pakte zijn telefoon. Belde Marloes. “Het lukt niet”, zei hij toen ze opnam. “Wat lukt niet?” “Het onderscheid maken. [M] en [AI]. Alles is… alles voelt besmet. Elke zin die ik schrijf, vraag ik me af: is dit van mij? En het antwoord is: ik weet het niet.” Marloes was even stil. Toen: “Misschien is dat precies de ontdekking die we moesten doen.” “Wat bedoel je?” “Dat er geen zuiver [M] meer bestaat. Dat we zo doordrenkt zijn van AI-patronen dat we niet meer kunnen ontwarren wat van ons is en wat van de machine. En dat dat… oké is. Dat we dat moeten accepteren.” “Hoe is dat oké?” vroeg Thomas. “We probeerden te bewijzen dat mensen nog iets kunnen dat AI niet kan. En wat blijkt? We kunnen niet eens meer menselijk denken zonder het te vergelijken met de AI.” “Nee”, zei Marloes. “We probeerden te bewijzen dat we nog schrijvers zijn. En dat zijn we. We schrijven. Het maakt niet uit hoe besmet onze gedachten zijn. We maken nog steeds keuzes. We voelen nog steeds iets bij wat we schrijven.” “Maar die keuzes”, zei Thomas, “zijn die wel van ons? Of zijn het voorspelbare outputs van ons getrainde brein?” — De volgende week zaten ze weer in het café. Iedereen had een deel geschreven. Marloes legde alle pagina’s naast elkaar. Het zag eruit als een wetenschappelijk document vol verwijzingen – overal [M], [AI], [M?], [M/AI]. Peter was als eerste. Ze schoof haar pagina’s naar voren. “Ik heb vijf pagina’s geschreven. Drie [M], twee [AI]. En toen ik het teruglas… de [M]-passages zijn het slechtst. Minder vloeiend. De [AI]-passages zijn beter. En…” Sophie viel hem in de rede: “Dat heb ik ook. En het voelt als verraad. Alsof ik mezelf verraad door te erkennen dat de machine het beter doet.” “Maar klopt dat wel?” vroeg Erik. “Dat ze beter zijn? Of zijn ze alleen gelikter? Voorspelbaarder?” Peter haalde zijn schouders op. “Wat is het verschil? Als de lezer het beter vindt, is het beter. Toch?” Erik schoof zijn pagina’s naar voren. “Kijk hier.” Hij wees naar een alinea met bijna alleen [AI]-annotaties. “Dit is bijna helemaal door ScriptAssist geschreven. Maar ik heb elk woord goedgekeurd. Elke zin. Ik las het, dacht: ja, dat klopt. En klikte op ‘accepteren’. Is het dan van mij? Of van de AI? Een paar jaar geleden had een verhaal van AI nog nergens op geleken. Nu hoef je alleen een prompt te geven en het is al heel aardig. Straks worden het gewoon goede verhalen. Misschien niet heel bijzonder, maar goed genoeg om veel menselijke auteurs weg te concurreren.” Thomas legde zijn eigen pagina’s neer. “Ik heb iets anders gevonden.” Hij wees naar een passage. “Kijk. Dit is gemarkeerd als [M]. Helemaal van mij, dacht ik. Maar toen deed ik een test. Ik gaf mijn vorige vijf zinnen aan ScriptAssist en vroeg: ‘Wat zou de volgende zin zijn?’ En het genereerde precies deze zin. Woord voor woord.” Er viel een stilte. “Dus”, zei Peter langzaam, “je schreef wat de AI zou schrijven, zonder de AI te gebruiken.” “Ja”, zei Thomas. “Of… de AI schreef wat ik zou schrijven. Ik weet niet meer wat het verschil is.” “Misschien is dat de conclusie”, zei Marloes. “Dat het niet óf-óf is. Dat het onderscheid tussen wat AI-genereerd is en wat menselijk is niet meer bestaat. Dat je als schrijver zelfs niet wanneer je geen gebruikmaakt van AI, er toch door bent beïnvloed”, zei Marloes. “Zoals veel schilders in de 19e eeuw ook beïnvloed waren door de opkomst van de fotografie. Het realisme verloor toen aan zeggingskracht, want met foto’s werd het opeens ongekend makkelijk om realistische beelden te maken. Het impressionisme bood een alternatief.” “Ik zie ons nog niet als de nieuwe impressionisten”, zei Peter, “Eerder als schrijvers op zoek naar een identiteit. Wat betekent het nog om auteur te zijn? Als je alleen maar… curator bent, zoals Erik? Iemand die selecteert uit wat de machine aanbiedt? Of als je iemand bent die geen onderscheid meer kan maken tussen zijn eigen zinnen en die van een machine, zoals Thomas?” Hij klonk niet spottend. Voor het eerst sinds ze elkaar kenden, klonk Peter oprecht geïnteresseerd. Oprecht onzeker. “Misschien”, zei Sophie langzaam, “is dat altijd al zo geweest. We zijn altijd al curators geweest. We kiezen uit alle woorden die we kennen, alle zinnen die we ooit hebben gelezen. We imiteren schrijvers die we bewonderen. Nu imiteren we ook AI. We zijn nooit… origineel geweest. Niet echt.” “Maar er is een verschil”, zei Thomas, “tussen geïnspireerd zijn door andere schrijvers en letterlijk getraind zijn door een algoritme. Het eerste is culturele overdracht. Het tweede is… programmering.” “Is het verschil echt zo groot?” vroeg Marloes. “Of is culturele overdracht ook een vorm van programmering? We worden geprogrammeerd door onze taal, door de boeken die we lezen, door de gesprekken die we voeren. Misschien is het enige verschil met AI dat onze programmering langzamer gaat en slordiger is.” Sophie pakte het manuscript. De stapel pagina’s vol annotaties. “Oké. Dus dit experiment heeft aangetoond dat [M] niet per se beter is dan [AI], vaak is het zelfs omgekeerd. Maar het onderscheid doet er niet zo toe, want we kunnen vaak niet eens bepalen wat [M] is en wat [AI] is. Wat nu?” Marloes keek naar de stapel pagina’s. Pakte ze op, bladerde erdoorheen. Haar gezicht stond bedachtzaam. “Misschien”, zei ze langzaam, “misschien moeten we de annotaties weghalen. We laten het verhaal zoals het is. Zonder uitleg. Zonder labels. Gewoon: dit is het verhaal. Van ons. Samen met de AI. Eerlijk daarover, maar niet… niet constant verantwoorden.” “Dus we geven het op?” vroeg Peter. Maar zijn toon was niet triomfantelijk. Hij klonk eerder nieuwsgierig. “Nee”, zei Thomas. “We accepteren wat we hebben. Er is een verschil.” “Namelijk?” vroeg Sophie. Thomas dacht even na. “Opgeven zou zijn: we gebruiken AI en doen alsof we het niet doen. Accepteren is: we gebruiken AI, of zijn erdoor beïnvloed, en we zijn daar transparant over. We claimen niet dat we puur zijn. We claimen alleen dat we… dat we geprobeerd hebben eerlijk te zijn.” Marloes knikte. “Dus we schrijven een voorwoord. We leggen uit wat we hebben gedaan. Het experiment. De ontdekking dat we geen onderscheid kunnen maken tussen mens en machine. Dat de teksten een amalgaam zijn van de twee. En ons denken over die teksten en het ‘cureren’ ervan ook. En dan presenteren we het verhaal zelf. Zonder annotaties. Gewoon: dit is het. Lees het. Oordeel zelf.” Erik leunde achterover. “Denk je dat iemand het zal publiceren? Als we zo eerlijk zijn? Eerlijkheid is geen garantie voor kwaliteit. En al helemaal niet voor marktwaarde. Als dat zo was, was elke dorpsgek een successchrijver.” “Waarschijnlijk wil geen uitgever eraan”, zei Marloes. “Maar dat is niet het punt. Het punt is dat we het hebben gedaan. Dat we geprobeerd hebben eerlijk te zijn in een tijd waarin iedereen liegt over hun gebruik van AI.” Peter speelde met zijn koffiekopje. “En als we het wel gepubliceerd willen krijgen? Wat dan?” “Dan”, zei Marloes, “hebben we een keuze. Liegen of eerlijk blijven.” Peter knikte langzaam. “Oké. Dan schrijven we het voorwoord. En we kijken wat er gebeurt.” “Dit verhaal is geschreven door acht auteurs als experiment. We wilden onderzoeken wat menselijk schrijven betekent in een tijd waarin AI-tools alomtegenwoordig zijn geworden. Volledigheidshalve: dit verhaal is deels met behulp van ScriptAssist geschreven. We weten niet meer precies welke delen door de AI zijn gegenereerd en welke door onszelf. Dat is de belangrijkste uitkomst van dit experiment: dat de grens tussen mens en machine zoek is. We hebben geprobeerd transparant te zijn door elk fragment te annoteren met [M] voor mens of [AI] voor artificiële intelligentie. Maar we ontdekten dat dit onderscheid onmogelijk te maken was. We zijn zo beïnvloed door AI-tools dat onze eigen gedachten, onze eigen zinnen, algoritmisch zijn geworden. En de ideeën die ooit misschien wel van ons waren zijn al lang toegeëigend door de tools die op onze teksten zijn getraind. Wij bestaan bij de gratie van AI, AI bestaat bij de gratie van ons. Dit is geen bekentenis van een mislukking. Het is een erkenning van de werkelijkheid. We leven in een tijd waarin de grens tussen menselijk en artificieel denken vervaagt. We geloven dat transparantie over het schrijfproces belangrijker is dan de illusie van ‘pure’ menselijke creatie. De lezers aan wie we het verhaal gaven zonder deze context, waren positief. Niemand herkende AI-gebruik. Het verhaal werkte als verhaal. Ook dat is de nieuwe werkelijkheid. Oordeel zelf.” “Het is commerciële zelfmoord”, zei Peter. Hij glimlachte toen hij het zei. “Geen enkele serieuze uitgever gaat dit accepteren. Maar… het is moedig. Dat moet ik jullie nageven.” Sophie knikte. “We sturen het naar Literair Nederland. Als zij het niet willen, weten we tenminste waar we aan toe zijn.” — Marloes stuurde het die avond op. Het verhaal, achtentwintig pagina’s, met het voorwoord. Naar Literair Nederland, een van de meest gerespecteerde tijdschriften van het land. Het antwoord kwam twee weken later. Thomas kreeg de mail doorgestuurd van Marloes. Hij las hem staand in zijn keuken, telefoon in de hand. “Beste Marloes en collectief, Bedankt voor uw inzending van ‘Ghostwriter’. We waarderen de eerlijkheid over het gebruik van AI tijdens het schrijfproces. Helaas past dit verhaal niet binnen ons publicatiebeleid. Literair Nederland publiceert uitsluitend werk van menselijke auteurs. Het gebruik van generatieve AI-tools, in welke mate dan ook, is in strijd met onze richtlijnen. We begrijpen dat AI-tools steeds meer worden gebruikt door schrijvers, maar wij geloven dat literatuur per definitie een menselijke kunst is. Het publiceren van AI-gegenereerd of AI-ondersteund werk zou de integriteit van ons tijdschrift ondermijnen. We wensen u succes met het vinden van een passende publicatieplek. Met vriendelijke groet, Redactie Literair Nederland” Die avond zaten ze weer in het café. De mail was aan iedereen doorgestuurd. De stemming was somber, maar niet verslagen. “Ik zei het toch”, zei Peter. “Het is hypocriet”, zei Sophie, en er klonk woede in haar stem. “Ik weet zeker dat de helft van hun auteurs AI gebruikt. Ze vermelden het alleen niet.” “Precies”, zei Erik. “Dus waarom wij wel?” Marloes keek naar hem. “Omdat we eerlijk willen zijn.” “Eerlijk”, herhaalde Peter. Hij klonk vermoeid. “En wat levert eerlijkheid op? Een afwijzing. Terwijl we lezers hebben die het verhaal goed vinden. Die het waardevol vinden.” Hij keek de tafel rond. “We kunnen het opnieuw insturen naar een andere tijdschrift. Zonder het te vermelden. Gewoon: hier is een verhaal, van ons, klaar.” “Liegen, bedoel je”, zei Sophie. “Niet liegen”, zei Thomas. “Verzwijgen. Er is een verschil.” Er viel een stilte. “Oké”, zei Peter. Hij leunde naar voren. “Ik ga het zeggen. Ik vind dat we het opnieuw moeten insturen. Zonder te laten weten dat we met AI hebben gewerkt. Want het is niet relevant. We hebben een verhaal geschreven dat werkt. Dat lezers raakt. Hoe we het hebben geschreven – met pen, met toetsenbord, met AI – doet er niet toe voor de lezer. Waarom zou het er dan toe doen voor de uitgever?” “Omdat”, zei Sophie, “de uitgever het recht heeft om te weten wat hij publiceert.” “Waarom?” vroeg Peter. Hij klonk oprecht geïnteresseerd nu, niet spottend. “Als het verhaal goed is? Als het menselijk voelt? Als niemand het verschil ziet?” “Omdat”, zei Marloes zacht, “als we het niet vertellen, bevestigen we dat AI iets is om voor te schamen. Iets om te verbergen. En dat geloven we toch niet? We geloofden toch dat het ging om transparantie?” “Wat als”, zei Thomas, “onze eerlijkheid ons buitensluit? Wat als de enige manier om gepubliceerd te worden, zwijgen over AI-gebruik is?” “Dan”, zei Sophie, “publiceren we het niet. Of we geven het zelf uit. Maar we liegen niet.” Peter schudde zijn hoofd. “Jij hebt makkelijk praten. Je hebt een vaste baan. Ik ben freelancer. Ik heb publicaties nodig. Ik heb het geld nodig.” “Aan een literair verhaal verdien je niets, dat weet je toch wel. Zeker niet aan een raar science fiction-verhaal als dit. Dat zei je zelf nog. En terecht”, zei Thomas. “Ja ja… “, zei Peter. “Maar op z’n minst wil ik enige publiciteit. Als het verhaal in een la blijft liggen, heb ik er voor niets aan meegewerkt. Dan is het allemaal voor niets geweest.” Thomas knikte. Zat wat in. “Dus wat doen we?” vroeg Peter. “We stemmen? Over liegen of eerlijk blijven?” Marloes keek de tafel rond. “Laten we stemmen. Wie wil het opnieuw insturen zonder AI te vermelden?” Peter stak zijn hand op. Erik aarzelde, stak toen ook zijn hand op. Twee van de andere schrijvers – die meestal stil waren – volgden. “En wie wil het niet doen? Eerlijk blijven, en accepteren dat we misschien nooit gepubliceerd worden?” Marloes, Sophie, Thomas en een van de andere zwijgzame schrijvers staken hun hand op. Het was vier tegen vier. “Geweldig”, zei Peter. “Pat.” Er viel een lange stilte. De barman begon stoelen op de tafels te zetten. Het café ging sluiten. “Dan scheiden zich hier onze wegen”, zei Peter uiteindelijk. “Jullie doen wat jullie willen, wij doen wat wij willen.” “Met hetzelfde verhaal?” vroeg Sophie. “Het is ook van ons”, zei Peter. “Waarom zouden jullie het monopolie hebben op onze woorden? Trouwens, zoals we zelf hebben gezegd: het is gedeeltelijk door AI geschreven. En dat gedeelte kunnen jullie niet opeisen, lijkt me.” Marloes beet op haar lip. “Je hebt gelijk. Het is ook van jou. Van jullie.” “Dus jullie zijn akkoord?” vroeg Peter. “Wij dienen het in zonder te vermelden dat we AI hebben gebruikt. Jullie… doen wat jullie willen.” “Goed. Dan maar zonder jullie”, zei Peter. Hij stond op, pakte zijn jas. “Het verhaal dat moest bewijzen dat we nog schrijvers zijn. Blijkt dat we verschillende opvattingen hebben over wat dat betekent. ” “Iemand die schrijft?”, zei Thomas. “Iemand die schrijft en gepubliceerd wordt”, zei Peter. Hij liep naar de deur. Erik en de twee anderen volgden. — Thomas, Marloes en Sophie en de stille schrijver wiens naam Thomas niet kende bleven achter in het nu lege café. De barman keek hun kant op, maar zei niets. “Dus dat is het dan”, zei Sophie. “Het verhaal dat ons moest samenbrengen, heeft ons uit elkaar gedreven.” Marloes keek naar het lege manuscript op tafel. “Misschien is dat ook een nieuw inzicht. Misschien kunnen we niet meer samen werken zonder AI. Zelfs niet als we het proberen.” “Mmm”, zei Thomas. “Die zie ik even niet.” “Als onduidelijk is wie wat heeft gemakt, krijg je denk ik eerder ruzie over het auteurschap. De tekst is een beetje van AI, maar toch ook weer niet. Een beetje van Peter en Erik, maar toch ook weer niet. Een beetje van ons… Daar kun je flink over bakkeleien. Zeker als het erom gat wie de eer mag opstrijken of wie geld mag verdienen.” “Pff”, zei Thomas. “Alsof wij arme schrijvers niet al genoeg aan ons hoofd hebben.” Marloes vouwde het manuscript op. “We laten het rusten. Voor een tijdje. En we kijken wat Peter en de anderen ermee doen.” “En als zij gepubliceerd worden?” vroeg Sophie. “Dan”, zei Thomas, “weten we tenminste dat onze eerlijkheid niet heeft geloond.” Drie maanden later kreeg Thomas een bericht van Marloes. “Hé, las net ‘Ghostwriter’ op LitCollectief.nl. Wordt al flink gedeeld.” Thomas fronste. LitCollectief.nl? Dat kende hij niet. Hij zocht het op. Een klein literair platform, opgericht door een collectief van jonge schrijvers die zich verzetten tegen wat zij ‘de exclusiviteit van de gevestigde literaire elite’ noemden. En daar, tussen andere verhalen: ‘Ghostwriter – door AI-writers Anaonymous’ Eronder stond het voorwoord dat Marloes had geschreven voor Literair Nederland, maar zonder de namen van de acht schrijvers. En daaronder: het verhaal. Helemaal. Thomas scrolde naar beneden. Al zeventien reacties. “Eindelijk eerlijkheid over AI. Dit is moedig.” “Dit is de toekomst – transparantie over het proces.” “Interessant experiment. Het verhaal zelf is niet geweldig, maar de discussie eromheen is waardevol.” En ook: “Dit is geen literatuur. Dit is fraude.” “Als je AI gebruikt, ben je geen schrijver. Punt.” “Mooi dat ze eerlijk zijn. Maar waarom zou ik dit lezen als ik weet dat het door een machine is gemaakt?” Thomas mailde Marieke meteen: “Wat vond jij ervan?” — Die avond zaten Thomas, Marloes en Sophie bij elkaar in Marloes’ appartement. Ze hadden de site open op een laptop. “Kijk”, zei Sophie. Ze wees naar de metadata onderaan de pagina. “Geüpload door: Anonymous. Datum: 14 dagen geleden.” “Veertien dagen”, zei Marloes. “Dat is… dat is vlak nadat we uit elkaar gingen.” “Dus het moet een van ons zijn”, zei Thomas. “Of een van hen.” “Waarom anoniem?” vroeg Sophie. “Als je het wilt publiceren, claim het dan. Zet je naam eronder.” “Misschien”, zei Marloes langzaam, “was dat juist het punt. Geen eigenaarschap claimen. Het verhaal vrijgeven. Als… als een soort open source, waar iedereen mee kan doet wat hij wil.” Thomas las de reacties opnieuw. Het waren er nu tweeëntwintig. Het aantal views stond op 347. “Het wordt gelezen”, zei hij. “Niet veel. Maar het wordt gelezen.” Sophie scrollde verder. “En de reacties zijn verdeeld. Zoals bij elk verhaal. Maar niemand is onverschillig. het roept felle meningen op. Dat is wel bijzonder.” Een nieuwe reactie verscheen terwijl ze keken: “Ik ben zelf schrijver en gebruik ook AI. Niet omdat ik lui ben, maar omdat het helpt. Dit verhaal doet me goed. Het is fijn om te weten dat ik niet de enige ben die worstelt met deze vragen. Dank jullie.” — Een week later ontving Marloes een mail van een onbekend adres. Geen naam, alleen: truth_in_fiction@protonmail.com De tekst was kort: “Marloes, Ik was het. Ik heb het geüpload. Niet om jullie te verraden. Maar omdat het verhaal het verdiende om gelezen te worden. Onze discussie of we eerlijk moesten zijn tegenover uitgevers was een non-discussie. Het gaat erom of je eerlijk bent tegenover lezers. En dat waren we. In het voorwoord. In het verhaal. Dus heb ik het vrijgegeven. Voor iedereen. Het spijt me als ik jullie heb gekwetst. Maar ik geloof dat ik het juiste heb gedaan. – Een van jullie” Marloes las de mail voor aan de anderen via een videocall. Thomas zat in zijn flat in Utrecht, Sophie in haar appartement in Amsterdam. “Een van jullie? Dus een van ons drieën?”, zei Sophie. “Maar wie?” “Ik weet niet of dat wordt bedoeld met ‘een van jullie'”, zei Thomas. “Iemand die sympathie heeft met de groep van acht schrijvers’, zo kun je het ook opvatten. “Maakt het uit?” vroeg Marloes. “Ja”, zei Sophie. “Want als het iemand van ons drieën is, is het anders dan wanneer het Peter is of Erik. Of een buitenstaander. Het betekent iets anders.” “Wat dan?” vroeg Thomas. Sophie dacht na. “Als het een van ons drieën is… dan betekent het dat we zelf niet hebben gekozen om er eerlijk voor uit te komen dat we AI gebruiken. Dat een van ons die keuze heeft ontweken door het anoniem te publiceren.” “En als het Peter of Erik is?” vroeg Thomas. “Dan”, zei Marloes, “heeft hij ons geschenk gegeven. Het is niet helemaal wat wij wilden, maar toch. Publicatie zonder te doen alsof het verhaal volledig mensenwerk is. Een derde weg.” Thomas dacht aan Peters woorden: “Ik heb publicaties nodig.” Voor Peter was dit geen oplossing. LitCollectief.nl betaalde niet. Het gaf geen prestige. Het was geen doorbraak. “Ik denk niet dat het Peter is”, zei hij. “Ik ook niet”, zei Sophie. “Erik lijkt me ook niet het type.” “Dus een van ons”, zei Marloes. “Of misschien… misschien een van de anderen. De stille schrijvers. Degenen die weinig zeiden maar altijd bleven komen.” Ze zwegen. Toen zei Thomas: “Moeten we proberen het uit te zoeken?” Marloes schudde haar hoofd. “Nee. Ik denk dat dit juist het punt is. Het mysterie. De ambiguïteit. We weten niet wie het heeft gedaan. Zoals we ook niet weten welke delen van het verhaal menselijk zijn en welke AI.” Sophie lachte kort. “Dus ons verhaal over het verlies van auteurschap eindigt met anoniem auteurschap. Een perfect einde.” “Misschien”, zei Thomas. Hij opende ScriptAssist. Typte: “Hoe eindigt dit verhaal?” De AI dacht na. Genereerde: “Het verhaal eindigt zoals het begon: met een cursor die knippert. Thomas weet niet wat hij heeft geschreven en wat de AI heeft geschreven. Hij weet niet of hij het verhaal heeft gepubliceerd of dat iemand anders dat heeft gedaan. Maar het verhaal bestaat. Het is gelezen. Het heeft mensen geraakt. Thomas sluit zijn laptop, maar de cursor blijft knipperen in zijn hoofd, wachtend op de volgende zin die misschien nooit komt, of misschien al geschreven is zonder dat hij het weet.” Thomas las het. Goed geschreven, hij zou het nooit zo gekund hebben. Hij wiste het. Schreef: De cursor knippert nog steeds. En sloot zijn laptop. EINDE
De e-mail arriveerde om 23:47, toen Thomas al in bed lag maar niet kon slapen.
De volgende week zaten ze weer bij elkaar. Marloes had een whiteboard meegenomen en zette het tegen de muur van het café.
“Geen drie-aktenstructuur”, zei Sophie een week later. Ze had een notitieblok gepakt en begon te schrijven. “Geen karakterboog. Geen climax. We schrijven gewoon… wat komt.”
De week erna zat Thomas thuis, pen in de hand, een leeg vel papier voor zich. Marloes had gezegd: “Schrijf duizend woorden. Niet nadenken. Niet plannen. Gewoon schrijven. Als het niet klopt, schrijf je door. Als je vastloopt, schrijf je dat op. Als het saai wordt, schrijf je waarom het saai is.”
De weken daarna schreven ze door. Ze gaven de pagina’s aan elkaar door, voegden tekst toe, haalden tekst weg, herstelden passages, of pasten ze aan. Het verhaal groeide – als je het een verhaal kon noemen.
Marloes had het voorwoord geschreven. Ze las het voor aan de groep:
Beelden: zelf gebakken met ChatGPT
Logo voor de Sci-Fai / Komedie- en tragediereeks: zelf gebakken met ChatGPT.







