Het grote gebeuren: de grote kladderatsj en ik ben in mijn nopjes

Het grote gebeuren: de grote kladderatsj en ik ben in mijn nopjes

In de reeks ‘Intelligente boeken om te lezen tijdens een al dan niet intelligente lockdown’: Het grote gebeuren van Belcampo.

Op YouTube circuleert sinds kort een filmpje van Michael Stipe van REM (‘I’m a former popstar’) waarin hij “It’s the end of the world as we know it. And I feel fine” zingt en goedgemutst uitleg geeft hoe je kunt proberen te voorkomen dat het coronavirus je besmet. Belangrijkste tip: vooral niet geloven wat iedereen zegt, maar afgaan op betrouwbare bronnen. Waarna hij veelzeggend de camera inkijkt. Punt gescoord.

Diezelfde laconieke toon trof me in Het grote gebeuren, de beroemde novelle van Belcampo dat ik van de week herlas. (En, maar dit terzijde, ook in de verfilming uit 1975, met die zo goed getroffen art direction van Jaap Drupsteen).

Nu heeft voor zover ik weet elk verhaal van Belcampo een door en door nuchtere verteller, die in een uit de klei getrokken proza over de meeste absurde gebeurtenissen verhaalt. En juist omdat hij zo nuchter is, juist omdat zijn proza zo uit de klei getrokken is, ben je geneigd hem te geloven. Want alleen van iemand die overduidelijk geen fantast is, accepteer je de meest fantastische verhalen.

Alleen doet die nuchterheid toch enigszins merkwaardig aan in Het grote gebeuren, dat tenslotte een verhaal over het einde van de wereld is. Waarom raakt de hoofdpersoon (Belcampo) dan niet in paniek? “It’s the end of the world as we know it”, tenslotte. Zijn leven wordt bedreigd, hij zal hoogstwaarschijnlijk naar de hel gaan. En, wat hij zelf veel erger vindt, de getrouwde vrouw met wie hij een affaire heeft ook. Waarom voelt hij zich dan toch best ‘fine’? Waarom is hij zo in zijn nopjes tijdens de grote kladderatsj?

Vroeger dacht ik altijd dat het heilige geloof in de liefde van de hoofdpersoon de reden was dat hij het einde der tijden toelacht. Ik dacht dat Belcampo daarom ook Rijssen had gekozen voor zijn apocalyptische vertelling: omdat het zich perfect leende om het conflict tussen die twee uitersten binnen het christendom te illustreren – aan het ene uiterste het Nieuwtestamentische idee van ‘god is liefde’ versus het Oudtestamentische idee van de ‘god der wrake’ aan het andere uiterste. Met Belcampo als onverstoorbare voorvechter van de liefde, die – als een soort eigentijdse Jezus  – geen moment aarzelt om zijn leven op het spel te zetten voor de vrouw van wie hij houdt, en zich opoffert om haar voor de poorten van de hel weg te slepen. En met alle steile, kille gelovigen in het bevindelijk-gereformeerde Rijssen die gestraft worden voor hun liefdeloosheid. Degenen die de naam van de god der liefde ijdel gebruikt hebben verdienen niet beter.

Sinds kort zie ik het toch iets anders. Of liever gezegd iets breder. Zeker, Het grote gebeuren is een verhaal over wat ware liefde en de kracht die je daaraan kunt ontlenen. Maar het is ook – zie ik nu pas – een verhaal over de verstikkende werking van conventies, van regels omwille van de regels, van het geestdodende gebrek aan nieuwsgierigheid, van verbeeldingskracht, kortom van alles wat wel het ‘goddelijke in de mens’ wordt genoemd. Vandaar dat Belcampo helemaal aan het begin van het verhaal Rijssen het deprimerende, kleinsteedse karakter van Rijssen benadrukt: “Stadsrechten hadden ze, maar de stallen bleven in de huizen, de mesthopen bleven aan de voordeur, koeien en varkens bleven zich in de straten bewegen en droegen op hun wijze tot het plaveisel bij, ook al kwam er in ’t laatst een grote fabriek. En met zulke dingen kan zo’n stadje in de wereld nooit wat worden, evenmin als een mens, die geen afstand wil doen van zijn plaatselijk accent.”

Ik lees Het grote gebeuren nu niet alleen als een ode aan de liefde (‘het goede’) maar ook een ode aan de wetenschap en de kunst (‘het ware’ en ‘het schone’).

Tenslotte wordt Belcampo al in de eerste pagina’s van Het grote gebeuren opgevoerd als iemand die zich eerder door nieuwsgierigheid dan door angst of regeldwang laat leiden. Wanneer er een vreemd beest wordt ontdekt, is hij vooral ‘onbeschrijfelijk geboeid door een tafereel aan ’t lijf van ’t beest’: “Er stulpte zich een schijnvoet uit, houdende in zijn klauw een los knikkertje. Een paar gaten verder naar achteren stulpte zich een tweede schijnvoet uit, nam het knikkertje in ontvangst en trok zich weer naar binnen.” En welbeschouwd wordt Belcampo in Het grote gebeuren gered dankzij zijn vermogen om zelf te kunnen nadenken – doordat hij een list weet te verzinnen om de goddelijke straf voor zijn bandeloze leven te ontlopen (met, goedkeuring van god nota bene!). Inderdaad, hij wordt gered door het ‘aude sapere’ van de verlichtingsfilosofen. Hoe langer ik erover nadenk, hoe meer ik het verhaal niet lees als een parabel over een tweestrijd binnen het christendom, maar zie ik het eerder als een pleidooi voor verlicht denken versus iedere vorm van dogmatiek.

Dat wat betreft ‘het goede’ en ‘het ware’. Zei ik dat Belcampo zich ook voor het ‘schone’ sterk maakte? Inderdaad. Maar misschien is het nauwkeuriger om te zeggen dat de schoonheid zich toont in de elegantie van dit verhaal; het vormt als het ware zijn eigen verdediging. Heeft god trouwens niet zijn zegen aan Het grote gebeuren gegeven, omdat hij het een wondermooi verhaal vond?

Daar lijkt het wel op, want god had het verhaal makkelijk kunnen tegenhouden. Lees de eerste regels van Het grote gebeuren er maar op na: “Onze aardbol is rond en alom heerst op haar het woeden der geschiedenis. Revoluties golven, tronen wankelen, kronen rollen, bommen vallen, kreten stijgen op, bloed vloeit. Maar één gemeente ken ik, die daar ligt, nog even onberoerd als op de dag der schepping – Rijssen. Wat zeg ik? Rijssen ligt? Nee, Rijssen lag, want Rijssen is niet meer, niets is meer, ook jij lezer, bent niet meer. Lees dit verhaal en weet, dat je niet meer bent.”

Beeld: Give me a hug

Deel:

Geef een antwoord