Hollywoodhuiver (Moeten we minder Amerikaanse films kijken?)

Hollywoodhuiver (Moeten we minder Amerikaanse films kijken?)

‘Opiniemaker’ Francisco van Jole riep onlangs op Joop.nl op om ons te ‘bevrijden van de Amerikanen’. “Niet vanuit een afkeer tegen het land maar omdat ik niet van monoculturen houd”, schrijft hij. “Als je er op gaat letten is de Amerikaanse invloed immens, vooral in de media en cultuur.”

Dit is geen ‘slip of the pen’ maar een serieuze stelling. In een kritische beschouwing van de film Mickey 17 op zijn eigen site licht hij zijn aversie nog eens toe: “Gezien de politieke ontwikkelingen is het ook op cultureel gebied belangrijk dat we ons wat losser maken van de Amerikaanse cultuur. Ik vermoed dat een van de redenen dat we ter linkerzijde op het politieke spectrum kampen met een ideologische leegte is dat we te zeer verslaafd zijn aan de Amerikaanse cultuur.”

Hoewel het stuk op Joop.nl meer dan 20.000 ‘views’ heeft, is er niemand die tegen Van Jole ingaat. Terwijl het schreeuwt om een weerwoord, want wat een kolder is dit:

‘De’ Amerikaanse cultuur is geen verlengstuk van de Amerikaanse politiek. En Hollywood is al helemaal geen spreekbuis van de Amerikaanse regering. Integendeel, veel Amerikaanse films zijn van oudsher juist behoorlijk radicaal. De films van Charlie Chaplin hadden socialistische trekken. De paranoia-thrillers (Three Days of the Condor) uit de jaren zeventig zijn een en al achterdocht jegens de Amerikaanse regering. Uit de Hunger Games van een jaar of tien geleden spreekt overduidelijk een anti-kapitalistisch sentiment. Hedendaagse filmmakers als Jordan Peele (Get Out) en Greta Gerwig (Barbie) steken de draak met racisme en genderongelijkheid. Conservatieven in de VS bekritiseren Hollywood niet voor niets regelmatig als ’te woke’.

En zelfs al zouden alle Amerikaanse films met één, Van Jole onwelgevallige, stem spreken, wat dan nog? Het idee dat dit zou bijdragen aan ‘ideologische leegte ter linkerzijde’ is lariekoek. De veronderstelling dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen iemands filmconsumptie en zijn politieke opvattingen is niet meer dan dat: een veronderstelling. En dan de merkwaardige gedachte dat je met de taal (Amerikaans-Engels) ook de denkbeelden importeert? Lijkt me even wetenschappelijk onderbouwd als een horoscoop. Ik zag laatst een Indiase film. Mijn affiniteit met het kastenstelsel is er niet groter op geworden.

Films reduceren tot hun politieke boodschap – of die nu ‘woke’ is of conservatief – doet ze sowieso ernstig tekort. De Dirty Harry-films van Clint Eastwood werden toen ze uitkwamen als ‘fascistisch’ bestempeld. Maar de brille van de makers is onmiskenbaar. En: “Het is niet waar een film over gaat, maar hoe het erover gaat”, zoals filmcriticus Roger Ebert al zei (“It’s not what a movie is about, it’s how it is about it.”) Je hebt goedgemaakte en slechtgemaakte films. Soms heeft een goedgemaakte film een verderfelijke boodschap. Maar wat dan nog? Je kunt de artistieke kwaliteit toch los zien van de boodschap?

En, dat al helemaal, je kunt die artistieke kwaliteit ook los zien van de geografische herkomst. Amerikaanse films zijn niet per definitie beter of slechter dan films uit andere landen. ‘Amerikaans’ bestaat niet eens, het is tenminste geen goede aanduiding van een bepaald type film. Van Jole spreekt van een (door Amerika gedicteerde) ‘monocultuur’, maar dat is onzin, daarvoor is de variëteit te groot. Amerikaans is geen genre, zoal de western, de thriller of de film noir dat is.

Hooguit is er een universele filmcultuur. Met universele archetypen (‘de stoere cowboy’, ‘de femme fatale’, ‘de schlemiel’, ‘de autoritaire baas’ etc.) en genres (westerns, oorlogsfilms, comedies etc.). En, belangrijker, met een ‘filmgrammatica’, zoals Brian de Palma het noemde, toen hem werd verweten dat hij het werk van Alfred Hitchcock plunderde. Een set regels die in de loop van de tijd is geëvolueerd dankzij het werk van allerlei filmmakers. Veelal Amerikanen – de meeste films worden nu eenmaal in Amerika gemaakt – maar zeker niet allemaal.

De basis van deze filmregels is zelfs eerder Russisch dan Amerikaans, dankzij de montagetechnieken die zijn uitgevonden door mensen als Eisenstein. De verdere ontwikkeling ervan staat grotendeels op het conto van Europeanen als Ernst Lubitsch, Billy Wilder en de vele anderen die in de jaren twintig en dertig naar Hollywood vluchtten. En van buitenlandse regisseurs (Hitchcock, Verhoeven, Nolan) die hun geluk in de VS wilden beproeven.

Het ontstaan van een ‘monocultuur’ wordt verder tegengegaan doordat menige Amerikaan z’n inspiratie uit het buitenland haalt – net zo goed als filmmakers elders hun inspiratie uit de VS halen. Iemand als Arthur Penn (Bonnie & Clyde) putte inspiratie uit de Nouvelle Vague en Quentin Tarantino uit Japanse samoeraifilms, terwijl een film als The Blair Witch Project niet gemaakt zou zijn zonder de Deense Dogma-beweging met die handheld-camera’s en schokkerige beelden. Met cultureel isolationisme, zoals Van Jole bepleit, krijg je minder van dergelijke artistieke kruisbestuiving – en ik denk mindere films.

We hoeven niet ‘bevrijd’ te worden van ‘de Amerikanen’, want we zijn niet bezet. Neemt niet weg dat Mickey 17 inderdaad niet zo best is.

Deel:

Geef een reactie