Leugenallergie (Een Sci-Fai / Komedie)

Marloes van Dijk heeft twintig jaar lang de diplomatieke taal perfect beheerst – de kunst van het elegant niet-zeggen, van ‘constructieve bezorgdheid’ en ‘realistische verwachtingen’.
Totdat haar lichaam begint op te spelen. Jeuk, uitslag, ademhalingsproblemen – het is alsof haar huid protesteert tegen elke leugen die ze hoort.
HOOFDSTUK 1: DIPLOMATENTAAL
Marloes van Dijk krabde aan haar pols terwijl ze de vergaderruimte op de dertiende verdieping van het ministerie van Buitenlandse Zaken binnenliep. De delegaties uit Duitsland, België en Frankrijk zaten al rond de mahoniehouden tafel, met stapels dossiers en dampende koffiekoppen voor zich, klaar voor het overleg over het vastgelopen Europese vluchtelingenbeleid. “Goedemorgen allemaal”, zei Marloes vriendelijk in vloeiend Engels. “Ik hoop dat jullie een beetje hebben kunnen uitrusten. Den Haag is daar in elk geval een goede stad voor.”
Ambassadeur De Wit sprak namens Nederland: “Wij erkennen onze gedeelde verantwoordelijkheid voor een menswaardige benadering van de migratiestromen. Nederland blijft onverminderd bereid tot constructieve dialoog over een evenwichtige verdeling van asielzoekers. Hij keek even om zich heen. “Met andere woorden”, voegde hij stralend aan toe, “we staan volledig open voor alle realistische voorstellen die binnen ons bestaande capaciteitskader passen en geen budgettaire impact hebben.”
Marloes kende deze zinnen uit het draaiboek. Ze wist ook dat Den Haag intern al had besloten geen enkele extra opvangcapaciteit toe te voegen. Marloes had de memo gelezen waarin expliciet stond dat Nederland “onder geen beding” meer dan de huidige aantallen zou accepteren – een instructie die rechtstreeks van de ministerraad kwam.
Maar wat De Wit zei klopte formeel. Want diplomaten logen niet. Ze gebruikten tactvolle formuleringen en constructieve omfloersing. Ze beschermden gevoelens en bewaarden de vrede. Ze zorgden dat ze hun leugens zorgvuldig verpakten. Zelf was Marloes de diplomatentaal na al die jaren ook machtig. Het was haar moedertaal geworden, die ze nog beter beheerste dan het Nederlands of het Engels. Het was de taal van ‘interessant’ in plaats van ‘wat een onzin’, van ‘bezorgdheid’ in plaats van ‘woede’, van ‘constructieve kritiek’ in plaats van ‘man, loop naar de pomp’. De taal van mensen die getraind waren om nooit precies te zeggen wat ze bedoelden.
Weer die jeuk. Eerst leek het niet meer dan irritatie rond haar polsen. Maar terwijl De Wit vervolgde met zijn “constructieve dialoog” begon de prikkeling zich uit te breiden. Langs haar armen omhoog, naar haar hals, achter haar oren.
De Belgische vertegenwoordiger antwoordde enthousiast: “Magnifiek! We waarderen het Nederlandse pragmatisme. Jullie bereidheid tot creatieve oplossingen binnen de bestaande juridische parameters is inspirerend.” “Absoluut”, voegde de Duitse vertegenwoordiger toe. “Flexibiliteit binnen de rigide structuren – typisch Nederlands!”
Toen schoot Marloes’ ademhaling omhoog.
“Excuseer me”, zei ze, en haastte zich naar het toilet.
In de spiegel zag ze rode striemen op haar armen, haar hals was opgezwollen en haar slapen waren bezweet. Alsof ze een allergische reactie had. Maar hoe kon dat? Ze had vanmorgen hetzelfde ontbijt gehad als altijd, dezelfde kleren aangetrokken als ze de dag daarvoor had aan gehad en hetzelfde parfum gebruikt. Ze ademde diep in, spetterde koud water tegen haar gezicht en keerde terug naar de vergadering.
Daar bereidde De Wit zijn volgende zet voor: “Wat betreft de tijdlijn denken wij dat binnen drie maanden een eerste voorstel haalbaar is.”
“Een ambitieuze maar realistische schatting”, knikte de Franse delegatieleider goedkeurend.
De jeuk kwam onmiddellijk terug, heviger nu. Marloes wist dat er geen voorstel zou komen – het kabinet had vorige week definitief anders besloten.
“Dat is bemoedigend”, zei de Belgische vrouw. “En wat voor aanpassingen zouden bespreekbaar zijn?”
“Wij staan open voor alle constructieve suggesties die binnen de bestaande juridische kaders passen.”
“Juridische kaders”, herhaalde de Duitse man peinzend. “Natuurlijk, de kaders. Heel belangrijk, kaders.”
Marloes’ huid voelde alsof ze werd blootgesteld aan brandnetels. De “bestaande juridische kaders” waren zo ontworpen dat ze geen enkele aanpassing toelieten.
“Mevrouw Van Dijk”, zei de Belgische delegatieleider plotseling, “gaat het wel?”
Marloes moest de zaal weer verlaten.
—
Die avond probeerde Marloes het incident uit te leggen aan Pieter in hun keurig ingerichte woning in het Benoordenhout.
“Vast spanning”, zei Pieter kalm. “Je hebt het de laatste tijd druk.”
Pieter was accountant, een man van routine en voorspelbaarheid. Stabiliteit die Marloes altijd had gewaardeerd en waar ze altijd op kon terugvallen als zij weer eens in een diplomatieke chaos verwikkeld was.
“En hoe was jouw dag?” vroeg ze.
“De gebruikelijke drukte”, zei Pieter. Zijn stem klonk iets hoger dan normaal, merkte hij – een bijeffect van de spanning die hij probeerde te verbergen. “Vergaderingen over compliance, discussies over nieuwe software. De Jong was weer lastig over die belastingherziening.”
Hij vertelde gedetailleerd over spreadsheets en collega’s. Maar terwijl hij sprak, voelde Marloes de jeuk terugkeren. Het begon licht, escaleerde snel. Rode vlekken kropen langs haar hals.
“Schat, je ziet verhit uit”, zei Pieter.
“Misschien koorts. Ga vroeg naar bed. Als het morgen niet over is, ga ik naar de dokter.”
“Ik moet nog even werken. Kom zo.”
Dr. Hendriks was een kleine, nerveuze man met dunner wordend haar en een bril die voortdurend van zijn neus gleed. Hij was Marloes’ huisarts, maar ze kenden elkaar nauwelijks. Marloes kwam alleen voor haar jaarlijkse check-up en de griepprik.
Marloes beschreef de jeuk, ademhalingsproblemen, het branderige gevoel op haar huid. Dr. Hendriks maakte aantekeningen.
“En wanneer treden deze reacties op?”
“Af en aan.”
“Geen patroon?”
“Nee”, zei Marloes. Maar toen ze er even over nadacht: “Misschien verbeeld ik het me, maar als iemand iets zegt wat me niet bevalt, raak ik geïrriteerd.”
“Dat hebben we allemaal wel eens.”
“Letterlijk geïrriteerd, bedoel ik. Ik krijg jeuk. Uitslag.”
Dr. Hendriks’ pen stopte. Hij keek op, ogen groot achter dikke glazen. “En u werkt bij Buitenlandse Zaken? Stressvolle omgeving?”
“Niet meer dan normaal. Ik werk er al twintig jaar.”
“Twintig jaar?” Dr. Hendriks keek sceptisch. “Ik geloof er niets van.”
Onmiddellijk begonnen de symptomen: prikkeling in haar keel, jeuk langs haar armen, warmte door haar gezicht.
“Excuses”, zei Dr. Hendriks. “Ik moest het controleren.”
Hij haalde een fles wijn en twee glazen. “Noodmedicatie. U bent niet de eerste met deze klachten. Deze week drie patiënten, vorige week vijf.” Hij schonk de wijn in. “Het onderzoek loopt nog, maar we denken dat er een nieuwe neurologische aandoening zich verspreidt. Het lichaam begint te reageren op discrepanties tussen wat mensen zeggen en denken.”
Hendriks proostte en Marloes deed halfhartig mee.
“In gewone taal: u heeft een leugenallergie.”
“Dit klinkt volkomen krankzinnig.”
“Vorige maand was de eerste: iemand die allergisch bleek voor beleefdheid. Gisteren een tiener die niet naar influencers kon luisteren. En niemand weet hoe het komt. Misschien een virus, geen idee. We weten niet eens of het besmettelijk is of hoe snel het zich verspreidt.” Hij nam een slok. “Eerlijk gezegd weten we niet eens of het een ziekte is. Misschien is dit hoe we zouden moeten zijn. En moet ik u feliciteren.” Hij hief het glas.
“Alcohol onderdrukt de symptomen. Een glas wijn doet wonderen in het sociale verkeer.”
Nu hij het zei: de jeuk was inderdaad weggetrokken. Misschien viel het allemaal wel mee.
Hendriks keek haar medelijdend aan. “Maar op lange termijn moet u leren omgaan met het feit dat u een wandelende leugendetector bent.”
Marloes lachte bitter. “Dokter, ik ben diplomaat.”
“Ik vrees dat u het nog flink lastig gaat krijgen.”
De volgende ochtend ging Marloes naar het ministerie met een kleine zilverkleurige heupflacon met wijn in haar tas. Voor de onderhandelingen met Frankrijk en Spanje over het vluchtelingenverdeling nam ze een eerste slok .
Frankrijk wilde vluchtelingen doorsturen naar Nederland, Nederland wilde ze naar Duitsland, iedereen deed alsof humanitaire overwegingen leidend waren terwijl het uitsluitend om binnenlandse politiek ging. Ze kon het aanhoren zonder dat ze werd afgeleid door fysiek ongemak en zich concentreren op wat er gezegd werd. Beter dan ooit, leek het wel. Al kwam het misschien door de wijn dat ze zich dat inbeeldde.
Toen de Franse onderminister Dubois sprak over “gelijkmatige spreiding in lijn met het Dublin-akkoord”, zag Marloes zijn nervositeit, defensiviteit. Ze wist dat hij wist dat Nederland op de hoogte was van illegale quota-verhogingen.
“Natuurlijk”, voegde Dubois eraan toe, “hanteren wij de meest humane procedures binnen de administratieve mogelijkheden.”
“Administratieve mogelijkheden”, herhaalde de Spaanse vertegenwoordiger. “Wat een prachtige formulering.”
“Dank je. Onze juristen hebben weken aan die zin gewerkt.”
“Bent u bereid de cijfers van vorige maand te delen?” onderbrak Marloes kalm. “1.200 mensen per bus uit Calais richting België. Zijn die meegenomen in uw overzicht?”
De stilte was zo diep dat Marloes de airconditioning kon horen zoemen.
Stilte. Marloes had expliciet genoemd wat alleen indirect mocht worden gesuggereerd.
“Eh…” Dubois schraapte zijn keel. “Dat zijn wel heel… specifieke cijfers.”
“En volledig accuraat.”
“Hoe komt u aan die informatie?”
“Ik lees de rapporten die u stuurt maar hoopt dat wij niet lezen.”
Dubois keek naar zijn assistent, die druk begon te schuifelen met papieren. “Die rapporten zijn intern bedoeld voor…”
“Voor iedereen behalve de mensen die er daadwerkelijk iets aan kunnen doen?”
Openheid volgde. Dubois gaf toe dat het systeem kraakte, maar men stond open voor alternatieven.
“Hoe kreeg je dat voor elkaar?” vroeg De Wit achteraf.
Marloes glimlachte alleen. Ze wist wel wat er gebeurd was: ze had net iets te veel wijn gedronken, waardoor de gebruikelijke remmingen waren weggevallen. Ze had gezegd waar het op stond. Heel ondiplomatiek en heel riskant. Gelukkig was het goed uitgepakt. In gedachten schonk ze nog een glaasje wijn in en dronk ze op haar gezondheid.
—
“Hoe was je dag?” vroeg ze toen Pieter thuiskwam.
“Prima. Wat moet ik zeggen?”
“Hoe het was?”
“Zoals altijd. Druk.” Hij haalde zijn schouders op en dacht even na. “We hebben gelachen om die nieuwe stagiaire die geen spreadsheet kan formatteren. Maar misschien interesseert het je niet.”
Marloes voelde een kriebel in haar nek opkomen. “Ik neem een glaasje wijn. Jij ook?”
“Waarom zou hij liegen?”, vroeg Marloes zich af. “Niets voor Pieter. Wat was er aan de hand?”
Later, terwijl Pieter tv keek, glipte ze naar zijn studeerkamer. Zijn laptop toonde de waarheid:
Geachte heer Van Dijk, na heroverweging hebben wij besloten uw dienstverband per 15 oktober te beëindigen. Met vriendelijke groet, De Jong & Partners
Twee weken geleden, zag Marloes, terwijl het medelijden in haar opwelde.
Bij de volgende onderhandelingen over het Europese vluchtelingenbeleid, liet Marloes elke keer wijn serveren. Zo hoefde ze zelf niet stiekem te nippen aan haar eigen fles om tijdelijk immuun voor de leugens te zijn van haar tafelgenoten. En, zo merkte ze keer op keer, iedereen werd loslippiger en eerlijker. Waardoor zij zelf weer minder hoefde te drinken en haar hoofd beter bij de onderhandelingen kon houden. En succes op succes boekte. In vino veritas!
Binnen een maand had Marloes haar reputatie als gewiekst onderhandelaar gevestigd. Collega’s die haar al die jaren nauwelijks hadden zien staan, zagen haar nu als iemand die buitengewoon scherp was in het doorgronden van andere partijen. Als een meesterdiplomaat.
Secretaris Generaal van Oostveen riep haar zelfs bij zich. “Van Dijk, je resultaten zijn opmerkelijk. Vier succesvolle onderhandelingen binnen recordtijd. Ik zou bijna vragen: wat is je geheim?”
“Ik denk dat mijn recente successen te maken hebben met onconventionele methoden”, zei Marloes voorzichtig. Moest ze hem misschien vertellen dat ze een levende leugendetector was?
“Ik hoef het niet te weten”, zei Van Oostveen. “In mijn ervaring zijn de beste diplomaten degenen die hebben geleerd dat conventionele methoden niet altijd adequaat zijn voor onconventionele uitdagingen. Onconventionele methoden zijn dan beter. En we willen niet dat iedereen die gaat gebruiken, dan zijn ze niet onconventioneel meer. Hoe minder we erover weten hoe beter, zou ik bijna zeggen.”
Marloes glimlachte: “Dat is misschien wel zo.” Ze zou hem niets vertellen.
“Mooi”, zei Van Oostveen. “Ik wil dat je de leiding neemt over de delegatie tijdens de Europese Top over migratie. Veel media-aandacht, belangrijk voor onze internationale reputatie, dat soort zaken. ‘You know the drill’ Maar kun je dat aan?”
“Ik denk het”, zei Marloes, al realiseerde ze zich dat een week intensieve onderhandelingen een week intensief drinken betekende. “Waarom niet?”
—
Thuis werden Pieters leugens uitgebreider. Hij had een volledig fictief kantoorleven gecreëerd – nieuwe projecten, moeilijke cliënten, kantoorpolitiek. Elke avond een aflevering uit zijn verzonnen soap opera.
“Raad eens wat er vandaag gebeurde?” zei Pieter bij het avondeten.
“Vertel.”
“De Jong heeft een nieuwe auto gekocht. Een Tesla.”
“Dat is milieubewust van hem.”
“Nou, daar gaat het juist om. Hij deed heel stoer over elektrisch rijden, maar toen bleek dat hij hem vooral had gekocht omdat je dan in de bus mag rijden.”
“Op de busbaan bedoel je?”
“Ja, de busbaan. En nu rijdt hij daar elke dag, heel trots, tot we erachter kwamen dat zijn Tesla eigenlijk een lease-auto is van zijn schoonvader.”
“Zijn schoonvader?”
“Die heeft een autobedrijf. De Jong doet alsof hij zelf die auto heeft gekocht, maar eigenlijk heeft hij hem gewoon te leen.”
Marloes keek naar Pieter terwijl hij zijn verhaal verder uitbouwde. Ze schonk zichzelf nog een glas wijn in. De Jongs Tesla, de schoonvader, het autobedrijf, de familiepolitiek – allemaal zo gedetailleerd dat het bijna geloofwaardig was. Ze vroeg zich af of Pieter zelf nog wist wat waar was.
Maar Marloes zag nu ook iets anders: de uitputting in zijn ogen wanneer hij dacht dat ze niet keek. De manier waarop hij zijn verhalen voorbereidde alsof hij een script bestudeerde. De spanning in zijn schouders wanneer ze vroeg naar details.
“Pieter”, zei ze op een avond impulsief, “je lijkt moe. Gaat alles goed op werk?”
Een moment van paniek flitste over zijn gezicht voordat hij zich herstelde. “Gewoon druk. Je weet hoe het is.”
“Als er iets mis was op je werk, zou je het me vertellen?”
Een microseconde aarzeling. “Natuurlijk. Waarom?”
“Soms wil je mensen niet belasten met de waarheid.”
“Ja, dat is wel zo”, zei Pieter. Hij dacht even na. Toen lachte hij. “Vooral je echtgenote niet”, zei hij luchtig. Dichterbij een bekentenis durfde hij niet te komen.
De Europese vlaggen wapperden in de eeuwige wind die het plein voor het RAI Congrescentrum tesiterde. Binnen was wat warmer, al bleef het een raadsel waarom iemand hier een bijeenkomst zou organiseren. Je kon het terrein alleen bop via de slagbomen die opengingen als je een uitnodiging toonde, je moest in het gebouw tot twee keer toe langs een portier en door de galm in het gebouw was het alsof je in een veehal was beland als je eenmaal binnen was.
Maar goed, Marloes was niet van de organisatie. Aan haar zou het niet liggen als deelnemers ontevreden waren. Ze had zich voorbereid als een chirurg op een complexe operatie. In haar handtas had ze haar ‘medicijnvoorraad’ – een discrete thermosfles gevuld met wodka. Sterker dan wijn; ze zou slechts kleine doses nodig hebben en makkelijker de dag kunnen doorkomen.
Ze had de briefings gelezen. Nederland zou ‘constructieve voorstellen’ doen terwijl intern al was besloten dat elke echte concessie politiek onhaalbaar was. Duitsland zou ‘solidariteit’ prediken terwijl ze hun grenzen verder dichtschroefden. Iedereen zou doen alsof het om mensenrechten ging terwijl het uitsluitend om binnenlandse politiek draaide. Het was theater, en zij was een acteur die de tekst niet meer kon uitspreken.
De eerste uren gingen goed. Ze leidde sessies, stelde concrete voorstellen voor opvang en financiering. Duitsland zou extra middelen leveren, Nederland 250 gezinsherenigingen per kwartaal. Zelfs Polen klonk gematigd.
“Wij zijn zeer gecommitteerd aan een humane benadering”, verklaarde de Duitse minister ernstig.
“Humaan binnen de budgettaire mogelijkheden”, voegde zijn assistent eraan toe.
“Natuurlijk, binnen de mogelijkheden.”
“En de juridische kaders.”
“Absoluut, de kaders zijn essentieel.”
“Maar wel humaan.”
“Zeer humaan.”
Maar terwijl de dag vorderde, voelde Marloes de hypocrisie als een fysieke last. Duitse beloften van ‘extra middelen’ die ze wist dat Berlin nooit zou goedkeuren. Nederlandse toezeggingen voor gezinshereniging terwijl de asielprocedures doelbewust werden vertraagd. Franse ‘humanitaire bezorgdheid’ terwijl ze pushbacks aan de Italiaanse grens organiseerden.
Ze dronk meer dan gewoonlijk om de symptomen te onderdrukken, maar de alcohol kon haar groeiende woede niet verdoven. Hier zaten ministers die over het lot van miljoenen mensen beslisten terwijl ze zich alleen zorgen maakten over peilingen en perceptie.
De bodem van haar thermosfles was in zicht.
Poolse minister Kowalski begon over “humane opvang” terwijl hij diezelfde week drie grenshekken had laten sluiten. “Onze faciliteiten bieden onderdak aan vijftigduizend mensen”, verklaarde Kowalski. “Moderne opvangcentra met volledig respect voor mensenrechten.”
Marloes’gezicht kleurde diep rood van de jeuk, zweet parelde op haar voorhoofd. Polen had vorige maand systematisch NGO’s uitgesloten, journalisten toegang geweigerd, rapporten over ondervoeding onderdrukt.
“Natuurlijk staan we open voor internationale inspectie. Transparantie is essentieel”, ging Kowalski verder. Die leugen was zo flagrant, zo cynisch, dat Marloes in ademnood kwam. Wanhopig dronk ze haar fles in één teug leeg. De symptomen verdwenen, maar het laatste restje diplomatieke voorzichtigheid ook.
“Minister Kowalski”, hoorde ze zichzelf zeggen, haar stem snijdend door zijn betoog. “Hoe durft u dat te zeggen terwijl u vorige week het opvangcentrum in Przemy?l heeft gesloten?”
Stilte. Kowalski’s glimlach bevroor. “Ik begrijp niet…”
“Net zoals u waarschijnlijk niet begrijpt wat ’transparantie’ betekent.”
“Mevrouw Van Dijk”, fluisterde De Wit dringend, “misschien moeten we…”
“Nee”, zei Marloes, opstaand. “Laat me raden, minister Kowalski – volgende week introduceert u misschien meditatie? Of aquarelschilderen voor traumaverwerking?”
“Dat is… dat zijn geen realistische suggesties”, stotterde Kowalski.
“Net zo realistisch als uw beweringen over mensenrechten. Net zo realistisch als uw onbegrip waarom BBC-journalisten werden weggestuurd uit uw ‘modelcentrum’ in Bia?ystok. Of waarom zestien kinderen zijn gestorven aan ondervoeding in centra die u ‘modern’ noemt.”
En toen brak de dam die twintig jaar van diplomatieke zelfbeheersing. Alle frustratie, alle woede over een leven waarin teveel tijd opging aan het mooipraten van lelijkheid, kwam er in één keer uit. Marloes wendde zich nu tot de diplomaten van Polen, Duitsland, Frankrijk, van Nederland zelf. “Het probleem”, schreeuwde ze, “is niet dat we geen oplossingen hebben. Het probleem is dat jullie allemaal liegen alsof je leven ervan afhangt!”
De eerste veiligheidsmensen begonnen haar kant op te bewegen.
De bureaucratische afwikkeling verliep efficiënt. Binnen twee uur zat Marloes tegenover Hendrik van der Meer, hoofd HR.
“Wat is er met je aan de hand?”
“Ik heb een medische aandoening.”
“Geen drankprobleem?”
“Ik kan niet tegen leugens.”
“Dan moet je misschien niet hier werken.”
“Ik ben allergisch voor leugens. Ik krijg er jeuk van. Uitslag. Ademhalingsproblemen.”
Van der Meer keek haar ongelovig aan.
“Ik moet wat drinken, dan gaat het beter. De dokter heeft het me aangeraden.”
‘De dosis was vandaag misschien wat hoog”, zei Van der Meer. Hij legde zijn pen neer. “Marloes, dit is het meest bizarre medische excuus dat ik ooit heb gehoord. En ik heb eens een ambtenaar gehad die beweerde allergisch te zijn voor vergaderingen.”
“Ik kan er ook niets aan doen. Je mag mijn dokter bellen als je me niet gelooft.”
“Marloes, dit heeft internationale consequenties. De Poolse delegatie eist excuses. De media hebben het ook al opgepikt. Nederlands diplomatieke debacle.”
“Ik heb me misschien wat ondiplomatiek uitgedrukt. Maar had ik ongelijk?”
“Dat is niet het punt. Je hebt Nederlands imago beschadigd.”
“Dat was niet mijn bedoeling. En dat is de waarheid.”, Marloes glimlachte wrang.
“We stellen drie maanden betaald verlof voor. Daarna evalueren we of je terug kunt komen. Neem vooral rust zou ik zeggen. En probeer niet teveel te drinken. Ik heb het net iets te vaak mis zien gaan.”
—
Thuis wachtte Pieter haar op. “Ik zag je op tv”, zei hij zodra ze binnenkwam. “Je was… indrukwekkend. En een beetje eng. Wat is er gebeurd?”
“Ik heb de waarheid gesproken.”
“Had je teveel gedronken? Dat is wat ze zeggen.”
“Bijwerking van mijn medicijnen. Te veel stress. Ik ben niet ontslagen, maar ik moet een tijd rust houden.”
Pieter knikte begrijpend. “Je hebt hard gewerkt de laatste tijd. Misschien is dit een zegen.”
Marloes keek naar hem terwijl hij dit zei – deze man die elke ochtend opstond, zich aankleedde alsof hij naar kantoor ging, en dan acht uur doorbracht in… waar eigenlijk? De bibliotheek? Cafés? Wandelend door de stad? – en voelde een zekere bewondering. Zijn leugen vereiste meer creativiteit en toewijding dan de meeste mensen aan hun echte banen besteedden.
“Misschien wel”, zei ze.
—
De gedwongen ontspanning van de volgende weken beviel Marloes uitstekend, anders dan ze had verwacht. Ze las boeken, wandelde door de stad, bezocht musea. Zonder de constante noodzaak om alcohol te gebruiken als medicatie, voelde ze zich gezonder. Wel had ze nog een flacon met wodka bij zich, voor het geval ze jeukverschijnselen kreeg. Dat deed zich nog wel eens voor, want haar gevoeligheid voor leugens bleef onverminderd scherp. Een uitstapje naar de supermarkt betekende een confrontatie met kleine onwaarheden: kassamedewerkers die zeiden dat ze een fijne dag hadden gehad, klanten die beweerden dat ze zich alleen het merk cornflakes konden herinneren dat ze nodig hadden, kinderen die hun ouders verzekerden dat ze hun handen hadden gewassen.
Ze begon te begrijpen waarom Dr. Hendriks had gezegd dat hij niet zeker wist of haar aandoening wel een ziekte was. Misschien was dit gewoon hoe mensen hoorden te zijn? Gevoelig voor oneerlijkheid, allergisch voor leugens. Als iedereen leugenallergie had, zou iedereen de waarheid gaan spreken omdat het geen zin meer had om leugens te vertellen. Zou dat niet leiden tot een betere wereld? Een wereld zonder de kunst van het elegante niet-zeggen, in elk geval. Een wereld waarin je niet hoefde te laveren tussen wat mensen beweerden en wat ze bedoelden, tussen beloften en mogelijkheden, tussen waarheid en werkelijkheid. Een wereld waarin diplomaten overbodig waren.
Het was op een donderdagmiddag, terwijl ze naar een debat in de Tweede Kamer luisterde op de radio, dat de telefoon ging.
“Mevrouw Van Dijk? U spreekt met kolonel De Vries van de AIVD. We zouden graag met u willen spreken over een mogelijke consultancy-opdracht.”
Marloes zette de radio zachter. “Wat voor consultancy?”
“Liever niet over de telefoon. Zouden we kunnen afspreken? Het betreft een zaak van nationaal belang.”
Marloes keek naar haar lege agenda, naar de stapel boeken die ze had uitgelezen, naar de wijnfles die ze had opengemaakt voor het geval Pieter thuis zou komen.
“Wanneer?”, vroeg ze.
Marloes was het kantoorgebouw van de AIVD aan de Lange Houtstraat twee keer voorbijgelopen voordat ze het had gevonden. Niets aan de buitenkant van het anonieme pand deed vermoeden dat hier enkele tientallen ambtenaren dagelijks over het land waakten. Begrijpelijk, natuurlijk: de dienst was er om inlichtingen in te winnen, niet om inlichtingen te verstrekken. En Marloes zou wel niet de eerste zijn die te laat op een afspraak verscheen omdat ze het niet meteen had kunnen vinden.
Was ze nu trouwens wel aan het juiste adres? Nergens een logo, nergens een naam. Maar wat zou het anders kunnen zijn? Het gebouw was opvallend in z’n onopvallendheid. Alleen de AIVD zou zoiets willen. Elke andere organisatie zou de gevel met reclame hebben opgesmukt. Met slogans. Met loze beloften. Met leugens. Dat de AIVD dat niet deed, pleitte voor de dienst. Hier wilde ze best een consultancy-opdracht voor uitvoeren. Marloes drukte op de bel.
“Voordat we beginnen”, zei De Vries, “kan ik u een kop koffie aanbieden?”
“Graag.”
“Geïmporteerd uit Jamaica. Heel bijzonder.”
Marloes voelde de bekende prikkeling beginnen. “Ik wil niet meteen lastig doen, maar volgens mij is dat niet zo.”
De Vries stopte met roeren. Hij lachte: “Ah. U bent inderdaad wie ze zeggen dat u bent.” Hij roerde weer in zijn koffie. Toen sloeg hij een vertrouwelijke toon aan: “Ben je bekend met Nederland Transparant?”
Marloes kende de naam – een beweging die radicale transparantie eiste van politici. Niet onsympathiek, nu ze er bij stilstond.
“Ze organiseren een demonstratie voor Prinsjesdag. Maar onze bronnen suggereren dat de radicale vleugel verder wil gaan.”
Hij schoof een foto over de tafel. Een intellectueel uitziende man van veertig.
“Jeroen van der Laan. Voormalig filosofiedocent, nu leider van de ‘Waarheid Eerste’ cel. Hij praat over ‘symbolische acties’ en ‘doorbreken van geïnstitutionaliseerde leugens.'”
“Klinkt als mijn soort man.”
“Inderdaad. Wij komen er maar niet achter of hij in geheimtaalpraat of dat we hem letterlijk moeten nemen. We hebben iemand nodig die onderscheid kan maken tussen wat mensen zeggen en denken. We hebben iemand nodig die kan bepalen of Van der Laans ‘symbolische acties’ een eufemisme zijn voor geweld.”
“Wilt u dat ik ga spioneren voor een regering die ik net publiekelijk heb vernederd?”
“We noemen het ‘gecontroleerde observatie met therapeutische bijwerking’.”
“Dat is een heel lange omschrijving voor ‘ja’.”
“Ja. Hij heeft toegestemd in een gesprek over wat hij van plan is op Prinsjesdag. Hij hoopt zo goodwill te kweken. Zodat hij met minder controle te maken krijgt. Denken we. Wat hem echt bezielt, weten we niet. Daar hebben we jou voor nodig.”
“Ja.”
—
Het café in Amsterdam-Noord leek gemaakt voor intellectuele gesprekken. Van der Laan zat er omringd door boeken van Foucault, Chomsky, Debord en andere diepe denkers.
“We leven in een tijdperk van geïnstitutionaliseerde misleiding”, zei Van der Laan. “Politici spreken in eufemismen, media manipuleren narratieven.”
Marloes voelde geen jeukplek ontstaan. De man geloofde wat hij zei. Ze kon haar flacon in haar handtas houden. Nog wel tenminste.
“Dat vind ik ook. Maar wat doe je eraan. Ik heb zelf.. Ik weet niet of je het hebt gehoord.”
“Ik weet wie je bent, zei Van der Laan. “Respect. Maar je bent niet ver genoeg gegaan.”
“Wat zou jij dan doen?”
“Het systeem dwingen zichzelf te onthullen. Prinsjesdag – het jaarlijkse theater waarbij de regering doet alsof ze het volk informeert. Wij willen dat de koning een volledig eerlijke troonrede houdt.”
“Wat zou hij dan moeten zeggen?”
“De waarheid. ‘Lieve onderdanen, we hebben geen idee wat we aan het doen zijn en hopen vooral dat niemand het merkt.'”
Nog steeds waarheid, maar zijn lichaamshouding verschoof subtiel.
“En als de regering weigert?”
“Dan laten we zien dat het systeem niet in staat is tot echte transparantie. Soms moet je structuren blootleggen door ze onder druk te zetten.”
Daar was het – lichte prikkeling. Hij verborg iets.
“Wat voor druk?”
“Creatieve verstoringen.”
“Zoals?”
“Nou, bijvoorbeeld: wat als alle microfoons in de Tweede Kamer plotseling alleen nog waarheden zouden doorlaten?”
Marloes moest een slok uit haar flacon nemen.
“Kun je specifieker zijn?”
“Bepaalde gebouwen representeren georganiseerde misleiding. Het Torentje, het parlement. Als deze tijdelijk ontoegankelijk werden, zou dat mensen dwingen na te denken over wat er werkelijk gebeurt.”
Haar huid begon te gloeien. ‘Tijdelijk ontoegankelijk’ was een eufemisme.
“En de mensen in die gebouwen?”
“Mensen zijn veerkrachtig. Ze passen zich aan.”
“Aan wat?”
“Aan nieuwe omstandigheden.”
“Wat voor nieuwe omstandigheden?”
“Omstandigheden waarin eerlijkheid de enige optie is.”
Marloes had het niet meer van de jeuk.
Hard bewijs dat Transparant Nederland van plan was om een aanslag te plegen (en ‘gebouwen tijdelijk ontoegankelijk maken’) en op mensen (zodat die zich moesten ‘aanpassen’) was er niet. Maar het was voor de AIVD genoeg om 24/7 toezicht te houden op Van der Laan en de andere leden van de radicale vleugel van Transparant Nederland. “Uitstekend werk”, zei Kolonel De Vries. “We gaan ze zo erg in de gaten houden dat ze zich ongemakkelijk gaan voelen. Ik denk niet dat ze nog wat gaan proberen op Prinsjesdag.”
Prinsjesdag 2038 verliep inderdaad zonder bloedvergieten. Van der Laan en drie volgers werden voor de zekerheid stilletjes opgepakt tijdens ‘preventieve beveiligingsmaatregelen’ en aan het einde van de dag weer vrijgelaten.
Opperbaas Van Oostveen belde Marloes zelfs persoonlijk. “Je hebt Nederland een belangrijke dienst bewezen. Er zal erkenning komen – discreet, maar je bijdrage wordt niet vergeten.” Het klonk als een verkapt verzoek om weer aan de slag te gaan bij BuZa.
Die avond, toen Pieter thuiskwam van zijn fictieve werkdag, vertelde ze hem over het telefoontje.
“Van Oostveen? Goed toch?”
Marloes moest even nadenken. “Wat als ik zou stoppen? Definitief? Ik heb niet zo’n zin meer in dat ‘ministry of truth’.”
Nu moest Pieter even nadenken, iets wat Marloes niet meer van hem gewend was sinds hij werkloos was en haar vragen meestal met voorbereide reacties beantwoorde. “Als dat is wat je wilt, dan moet je het doen. Met mijn inkomen redden we het ook wel. Ik… ”
Hij maakte de zin niet af. “Eigenlijk”, zei hij langzaam, “kunnen we niet rekenen op mijn inkomen.”
“Pieter”, zei ze zachtjes, “je hoeft niet meer te doen alsof je naar kantoor gaat.”
Stilte.
“Ik weet niet wat je bedoelt.”
“Je ontslagbrief. Ik heb hem gelezen. Al hoefde ik hem niet te lezen. Ik wist het. “Voelde het. Mijn lichaam.””
Ze vertelde hem over haar leugenallergie, over Dr. Hendriks, alcohol als medicatie. Over diplomatieke doorbraken en gedwongen verlof, over Van der Laan en verhinderde aanslagen. Over hoe zij met haar allergie voor leugens het moeilijk had gevonden om samen te leven met een iemand die elke dag loog over zijn werkloosheid.
“Waarom heb je niets gezegd?”
“Mensen zijn ingewikkeld. En soms is een leugen vriendelijker dan de waarheid.”
Pieter voelde tranen opwellen – van opluchting, van schaamte, van iets wat hij niet kon benoemen. Lange stilte. “Ik schaamde me. Na al die jaren, plotseling weggestuurd. Ik wist niet hoe ik het moest zeggen. Elke ochtend opstaan, me aankleden, doen alsof. Verhalen verzinnen over mensen die niet bestaan, problemen die ik niet had. Het was…” Hij zocht naar woorden. “Het was alsof ik mezelf uitwiste, elke dag een beetje meer. Ik wil helemaal niet hoeven liegen.”
“En nu?”
“Nu voel ik me opgelucht. Het was uitputtend elke dag een fictief leven te leiden. En wat het geld betreft… we redden het wel.”
Marloes voelde geen jeuk: hij sprak de waarheid. “Als het moet kan ik weer adviesopdrachten gaan doen. Dat beviel me eigenlijk wel.”
Ze hadden het zo slecht nog niet, bedacht Marloes die nacht toen ze samen in bed lagen, volmaakt ontspannen nu hun leugens niet voor ongemak zorgden.
Totdat Pieter zijn lichaam tegen het hare aan drukte. Toen ze niet reageerde, zei hij: “Je hebt toch wel zin? Eerlijk zeggen.” Marloes, hoewel ze vermoeid als wat was, had geantwoord “Met jou altijd”.
Ze had het nog niet gezegd of Pieter ging rechtop zitten in bed en deed het slaapkamerlicht aan. Marloes zag hem krabben in zijn nek. Zijn gezicht werd vlekkerig.
Marloes stond op om naar de keuken te gaan. “Volgens mij kun jij een goed glas wijn gebruiken.”
EINDE
Beelden: zelf gebakken met ChatGPT.
Logo voor de Sci-Fai / Komedie- en tragediereeks: zelf gebakken met ChatGPT.



