Reset (Een Sci-Fai / Thriller)

Reset (Een Sci-Fai / Thriller)

SciencefictionThriller

Daan komt vrij na vijf jaar cel. Zijn misdaad: zijn neef Jordi bijna doodgeslagen. Maar Daan herinnert zich niets meer van die gewelddadige daad. In plaats daarvan heeft hij warme herinneringen aan zonnige vakanties, liefdevolle ouders en een gelukkige jeugd. Herinneringen die niet van hem zijn.

Het Reset-programma heeft zijn traumatische verleden vervangen door een zorgvuldig samengesteld nieuw leven. Op papier is hij een nieuwe man: een timmerman met een frisse start in Almere-Haven, met vriendelijke buren en misschien zelfs een kans op liefde. Maar algauw blijkt dat hij zijn echte verleden niet achter zich heeft gelaten.

HOOFDSTUK 1: EEN NIEUW MENS

1 (Aangepast)De poort van gevangenis Veenhuizen schuift open met een kabaal waar Daan na vijf jaar nog altijd niet aan gewend is. Twee bewakers laten hem uit. Hij hoort ze achter zijn rug om besmuikt praten. Roddelen over hem, natuurlijk. Hij probeert er geen acht op te slaan, zuigt de buitenlucht op en loopt door.

Farah staat bij een grijze Volvo. Zoals beloofd.

“Daan.” Ze geeft hem een hand. Stevig. Professioneel. Hij knikt. Zegt niets. Ze weet toch wel dat hij haar dankbaar is. Hij probeert de gedachte aan de twee roddelende bewakers te verdrijven.

Farah rijdt beheerst, handen op tien voor twee.

“Hoe voel je je?”

“Goed.” Het komt er vlak uit. Wat zouden die twee precies hebben gezegd?, vraagt hij zich af. Waarschijnlijk hadden ze het erover hoe lang voordat ze hem weer zouden zien. Want hij mag dan vervroegd zijn vrijgelaten, niemand in Veenhuizen twijfelt eraan of hij zou vroeg of laat terugkeren.

“Je mag ook eerlijk zijn.”

Daan ziet zijn gebalde vuisten op zijn bovenbenen. Zijn knokkels zijn wit. Hij ontspant ze bewust, probeert niet meer aan Veenhuizen te denken. “Moe.”

Farah knikt. “Logisch. Het is ook nogal wat.”

Ze rijden door vlak land. Weilanden, koeien, een rij populieren. Daan heeft dit in de afgelopen vijf jaar alleen door ramen gezien, altijd op afstand, altijd met tralies ertussen. Nu is er glas zonder tralies. Het maakt de wereld groter en angstaanjagender. Hij is vergeten hoe je je er staande houdt.

“Waar gaan we heen?”, vraagt hij. Want dat heeft Farah nooit gezegd. Of zou hij dat ook al vergeten zijn?

“Dat weet je toch? Alle Reset-deelnemers krijgen een eigen woning toegewezen.”

Ja, dat weet hij. “Maar waar?, bedoel ik, waar is die woning?”

“Je hebt geluk. Naast een vriendin van me. Ze is op de hoogte. En ze heeft er geen bezwaar tegen dat je daar komt wonen. Ik moest haar de situatie wel uitleggen. Dat je een nieuw mens bent. Ze vindt ook dat je een tweede kans verdient.”

“Dat begrijp ik, zegt Daan. “Dat je haar moest bijpraten, bedoel ik. Dank dat je zo je best voor me doet.”

‘Stel me niet teleur”, zegt Farah, half serieus, half grappend.

“Waarom zou ik je teleurstellen? Ik ben toch een nieuw mens?!”

HOOFDSTUK 2: DE BUURVROUW

2 (Aangepast)De flat in Almere-Haven is klein. Vierde verdieping, uitzicht op een parkeerplaats en in de verte water. Nieuwbouw, betonnen balkon, IKEA-meubels die in elkaar zijn gezet alsof iemand een verkeerde handleiding heeft gevolgd. Dat had ik beter gedaan, denkt Daan.

Daan pakt uit. Drie spijkerbroeken. Vijf T-shirts, allemaal met effen kleuren. Ondergoed, sokken. Een tandenborstel die nieuw ruikt. En een foto, 10×15, glanzend papier.

Hij en zijn ouders bij de zee. Scheveningen. Hijzelf misschien tien jaar oud, tussen hen in, lachend. De lucht boven hen strak blauw. Zijn vader in een versleten spijkerjasje. Zijn moeder met een hoofddoek tegen de wind. Hij zet de foto op de vensterbank. Kijkt ernaar. Probeert zich dat moment te herinneren – niet het plaatje, maar het gevoel. Zand tussen je tenen. De smaak van zout op je lippen. De hand van je moeder, droog en warm. Het is er. Vaag, maar aanwezig. Zoals een droom die langzaam vervluchtigt.

Daan sluit zijn ogen. Probeert zijn échte jeugd te herinneren. Wie was zijn echte moeder? Zijn echte vader? Ziet zijn moeder bij het fornuis, pannenkoeken bakken. Ruikt de vanille. Haar lach. Nog eentje, Daan? Zijn vader die hem leert fietsen, op een zondagmiddag, hand op zijn rug. Ik laat niet los. Beloofd. Het park bij hun huis, gras dat zo groen was dat het pijn deed aan je ogen. Hij opent zijn ogen. “Het voelt echt.”

Iemand klopt op de deur.

Daan verstijft. Zijn kaken spannen zich aan. Dan ontspant hij bewust. Rustig. Ze weten niet dat je hier woont. Nog niet.

Hij opent de deur op een kier.

Een vrouw, rond de vijfendertig, met een hoofddoek, met vriendelijke ogen. Ze houdt een schaal vast met iets dat naar kaneel ruikt.

“Welkom”, zegt ze. “Ik ben Yasmin. Ik woon hiernaast. Dacht, nieuwe buurman, misschien heeft hij nog geen tijd gehad om…” Ze steekt de schaal naar voren. “Bastani. Ijs met rooswater.”

Daan neemt de schaal aan. Het voelt koud door het plastic. “Dank je. Farah heeft me al over je verteld.”

Yasmin glimlacht. “En Farah heeft mij over jou verteld. Over het programma. Ik vind het moedig.”

“Moedig?”

“Om helemaal opnieuw te beginnen. Om alles achter je te laten. Om voor een ‘Reset’ te kiezen.”

“Er was niet zoveel om achter te laten. Geloof ik. Ik weet het niet meer.”

Yasmin glimlacht. “Je hebt je toch maar mooi aangemeld. Als je iets nodig hebt… Ik ben vaak thuis. Met Senna, mijn dochter. Vijf jaar. Ze wil je ook graag leren kennen.”

Daan kan niet geloven wat hij hoort. “Dat is aardig. Ik kom zeker een keer langs.”

“Oké”, zegt Yasmin. “Ik laat je met rust. Fijne avond.”

Ze draait zich om. Daan kijkt hoe ze haar deur opent. Binnen hoort hij een kind lachen.

Hij sluit zijn deur. Zet de schaal op het aanrecht. Maakt hem niet open. Gaat op de bank zitten, die nieuw ruikt en hard aanvoelt.

Buiten wordt het donker. Lantaarns flitsen aan. Ergens jankt een auto-alarm, houdt dan op.

Daan zit stil. Vraagt zich af of hij moe genoeg is om te slapen. Of hij weer nachtmerries krijgt. Dromen waarin zijn valse herinneringen oplossen en plaats maken voor – voor wat? Echte herinneringen? Angstbeelden? Hij zou echt het niet weten.

HOOFDSTUK 3: HET TIMMERBEDRIJF

3 (Aangepast)Timmerbedrijf Van Dalen ruikt naar zaagsel en verf. Een grote werkplaats, ramen hoog aan de muren, machines die Daan niet allemaal kent. Twee mannen bij een zaagbank. Een vrouw bij een computer, tekeningen op het scherm.

Marcel van Dalen is gezet, begin vijftig, grijze haren. Handen vol littekens. Hij schudt Daans hand met een kracht die pijn doet. Zijn vriendelijke blik doet vermoeden dat het niet intimiderend bedoeld is.

“Daan. Goed dat je er bent.” Hij gebaart naar de werkplaats. “Klein bedrijf. We doen vooral keukens, kastenwanden en trappen. Als het werk er is. En er is al altijd werk, dus je kunt zo aan de slag.”

Daan knikt.

“Farah zegt dat je het programma hebt doorlopen. Reset.” Marcel kijkt hem aan. Geen oordeel in zijn ogen, alleen een soort rustige nieuwsgierigheid. “Ik geloof in tweede kansen. Als je goed werk levert, heb je hier een plek. Simpel.”

“Simpel”, herhaalt Daan. “Dat spreekt me wel aan.” Echt waar, denkt hij. Mijn leven is al ingewikkeld genoeg.

Marcel roept een jongen van een jaar of vierentwintig. “Dennis. Dit is Daan. Neem hem mee, laat hem zien hoe we werken.”

Dennis knikt. Kort haar, gespierd, een tattoo op zijn onderarm die Daan niet goed kan zien. Hij wenkt Daan om hem te volgen. Ze lopen door de werkplaats. Dennis legt uit – deze machine voor zagen, die voor schaven, daar staan de verfpotten. Zijn stem is vlak, zakelijk. Maar dan zegt hij, net hard genoeg dat Daan het hoort maar Marcel niet: “Net uit de gevangenis. Heeft iemand tot moes geslagen.”

Hij zegt het tegen niemand in het bijzonder. Misschien tegen zichzelf. Maar een andere man, bij de verfpotten, kijkt op. Kijkt naar Daan. Kijkt weer weg.

Daan zegt niets. Concentreert zich op Dennis’ uitleg. Probeert de informatie vast te houden. Ze beginnen aan een kast. Dennis zaagt, Daan houdt vast. Het hout ruikt naar hars en vers zaagsel. Daan mag schuren. Hij vindt een ritme – heen en weer, gelijkmatig, adem in de beweging. Zijn handen weten wat ze doen. Geen denken, alleen bewegen.

Om één uur hebben pauze. Iedereen gaat naar een kleine kantine. Daan blijft in de werkplaats. Eet de boterham die hij van huis meenam. Hoort stemmen uit de kantine – gelach, een verhaal over iemands schoonmoeder. Een vrolijke boel.

Marcel komt na tien minuten naar buiten. “Alles oké?”

“Ja.”

“Je mag binnen eten.”

“Ik weet het.”

Marcel knikt. Gaat weer naar binnen.

Om vijf uur zegt Marcel: “Je werkt netjes. Precies. Kom morgen maar weer.”

Daan knikt. Voelt iets wat op trots lijkt. Of opluchting. Dat hij iets kan. Dat hij niet alleen maar een Reset-nummer is, een dossier, een man die zijn neef bijna doodsloeg.

Buiten, op de fiets naar huis, voelt de wind koud tegen zijn gezicht. Het is oktober. Bladeren op straat. Oranje lantaarnlicht.

Hij fietst langs de bouwmarkt. Grote letters: PRAXIS. De parkeerplaats is halfvol. Misschien moet ik gereedschap kopen, denkt hij. Een eigen setje. Niet lenen van Marcel. Morgen, besluit hij. Vandaag heeft hij al genoeg meegemaakt.

HOOFDSTUK 4: LAURA

4 (Aangepast)De bouwmarkt op zaterdagochtend is rustig. Daan loopt door de gangpaden tussen rekken vol spijkers, schroeven en hout in nette stapels. Alles heeft een prijs, een barcode, een plek. Rust en regelmaat, zoals hij dat in Veenhuizen ook gewend was. Hij voelt zich er thuis.

Hij heeft een lijstje. Gemaakt op advies van Farah: lijstjes bieden structuur, zei ze. Ze heeft gelijk. Het werkt.

Hamer (klauwhamer)

Setje steekbeitels

Waterpas (60 cm)

Meetlint (5 m)

Setje schroevendraaiers

Bij het gereedschap staat een vrouw. Lang blond haar in een vlecht, sproeten, naamkaartje op haar borst: LAURA. Ze sorteert dozen, controleert iets op haar tablet.

“Kan ik je helpen?” Ze kijkt op, glimlacht.

“Ik zoek dit.” Daan laat zijn lijstje zien.

Laura leest het. “Ah. Voor werk?”

Daan knikt. “Timmerman.”

“Dan krijg je de beste kwaliteit van me”, glimlacht ze. Niet de beledigende of bedreigende glimlach die Daan kent uit de gevangenis, maar eerder een glimlach waar waardering uit spreekt. Die hem aanmoedigt? “De meeste mensen weten niet precies wat ze nodig hebben. Lopen wat rond, kopen maar wat. Jij weet wat je wilt.”

Daan weet niet wat hij moet zeggen. Yasmin was vriendelijk, maar dat was uit beleefdheid. Marcel was vriendelijk, maar dat was omdat hij een goede leidinggevende wilde zijn. Deze vrouw vindt hem aardig. Dat is het. En ze wil dat hij haar aardig vindt.

Laura pakt de spullen van zijn lijst. Legt ze in een karretje. “De klauwhamer, de sterkste die we hebben. Beitels van Duitse makelij, die gaat lang mee.”

Bij de kassa zegt ze: “Ik ben Laura.”

“Ah… ik zou ik nooit geraden hebben. Ze zouden jullie naamplaatjes moeten geven”, grapt Daan. “Ik ben Daan. Ze zouden mij ook een naamplaatje moeten geven.”

“Tot de volgende keer, Daan”, lacht Laura gul.

Buiten, fiets beladen met tassen, denkt Daan: voor haar ben ik gewoon een klant. Een timmerman met een lijstje. Een leuke man. Ze weet niet wie ik ben. Ze weet niet wat ik heb gedaan. Ze heeft geen idee wie ik ben.

HOOFDSTUK 5: RODE VERF

5 (Aangepast)Daan komt thuis van werk. Het is bijna donker. Hij pakt zijn fiets, rijdt naar zijn nieuwe woning. Zijn rug doet zeer – de hele dag met zware planken gesjouwd. Hij ziet het al van ver. De brievenbus bij de voordeur: volgespoten met rode verf. Druppels, als bloed. En op zijn deur, in grove letters, met een spuitbus:

MOORDENAAR

Daan blijft staan. Zijn tas valt uit zijn hand. Een schroevendraaier rolt eruit, klettert op het beton.

Hij kijkt om zich heen. Niemand. De parkeerplaats is stil. Ergens een kind dat huilt, ver weg, in een andere flat.

Hij haalt zijn telefoon tevoorschijn. Belt Farah.

Ze neemt meteen op. “Daan?”

“Iemand heeft…” Hij zoekt woorden. “Verf. Op mijn brievenbus. En mijn deur.”

Stilte. Dan: “Wat staat er?”

Hij leest het voor. Zijn stem blijft vlak.

“Oké”, zegt Farah. Haar stem is helderder nu, zakelijker. “Iemand heeft je herkend. Misschien iemand die je foto zag in het reclasseringsdossier. Wil je aangifte doen?”

“Waartegen?” vraagt Daan. “Ze hebben gelijk.”

“Nee, Daan. Jij bent niet meer die persoon.”

“Hoe weet jij dat?” De woorden komen er scherper uit dan hij bedoelt. “Hoe weet ík dat?”

Farah zwijgt even. “Wil je verhuizen? We kunnen je ergens anders plaatsen. Andere stad, andere naam misschien.”

Daan denkt aan Marcels werkplaats. Aan het ritme van schuren, de geur van zaagsel. Aan Yasmins glimlach. Aan Laura die zei: “De meeste mensen weten niet wat ze nodig hebben.” Mensen die hem zien zonder te weten wie hij was. Voor het eerst in jaren heeft hij iets wat aanvoelt als een nieuw begin. “Nee”, zegt hij. “Ik blijf.”

“Weet je het zeker?”

“Ja.”

Na het gesprek staat hij nog steeds voor zijn deur. De rode verf glinstert in het licht van de gangen. Hij pakt zijn tas op. Gaat naar binnen. Sluit de deur achter zich.

Hij gaat niet schoonmaken. Niet vanavond. Vanavond wil hij alleen maar zitten.

Die nacht slaapt hij slecht. Droomt dat zijn valse herinneringen oplossen. Zijn moeder bij het fornuis verdwijnt als rook. Zijn vader houdt zijn rug vast maar er is geen hand meer. Het park lost op, gras wordt grijs. Een jongen die hem in een wurggreep houdt. Die hem betast.

Hij wordt zwetend wakker. Het is drie uur ’s nachts. Buiten: de donkere stad, lantaarns, stilte. Hij vraagt zich af: als ik niets meer heb – geen valse herinneringen, geen echte herinneringen – wat blijft er dan over?

De volgende ochtend klopt Yasmin aan. Daan opent de deur. Ze kijkt naar de rode verf, haar gezicht trekt even samen.

“Wie heeft dit gedaan?”

“Mensen die me kennen.”

Ze knikt. “Heb je iets om te schrobben? Soda? Azijn?”

“Waarom zou je helpen?” vraagt Daan.

Yasmin kijkt hem aan. “Natuurlijk help ik je.”

Ze gaat naar binnen, komt terug met een emmer, schoonmaakspullen. Daan helpt haar. Ze schrobben zwijgend. De verf komt moeilijk los. Yasmins dochter, Senna, komt kijken. Groot ogen, donker krullend haar, een Frozen-pyjama.

“Waarom staat er verf op de deur?”

Yasmin: “Iemand maakte een fout, schatje.”

Senna kijkt naar Daan. “Ben jij de nieuwe meneer?”

Hij knikt.

“Mijn mama zegt dat je vriendelijk bent.”

Daan weet niet wat hij moet zeggen. Yasmin glimlacht, legt haar hand op Senna’s hoofd. “Ga je tanden poetsen.”

Na een uur is de verf grotendeels weg. Vage rode schaduwen blijven zichtbaar. Yasmin staat op, wrijft over haar rug.

“Ze weten wie je bent. Wie je was.”

Daan knikt.

“Farah heeft het me verteld toen je kwam. Wat je gedaan hebt. Het programma.” Ze kijkt hem aan. “Mijn broer… hij had zoiets nodig. Farah heeft geprobeerd hem te helpen. Maar hij kreeg het niet. Zit nu weer vast. Hij heeft het opgegeven. Dan weet je zeker dat het misgaat.”

Daan knikt.

“Ik wil je best helpen. Voor Farah. Voor jou. Maar het werkt alleen als je er zelf in gelooft.”

Ze heeft gelijk, denkt Daan. Ik heb een tweede kans gekregen, een kans om iemand anders te worden. Maar als ik niet geloof dat ik iemand anders ben? Dan ben ik wie ik altijd geweest ben. En verpruts ik het weer.

HOOFDSTUK 6: ZWART-WIT

6 (Aangepast)Op het werk probeert Daan zich gedeisd te houden. Maar Dennis laat hem niet zo makkelijk los. Op woensdag laat Dennis ‘per ongeluk’ een plank vallen. Het scheelt centimeters of het raakt Daans hoofd. Dennis zegt: “Sorry man, glipte uit mijn handen.” Iedereen die er bij is hoort dat hij het niet meent.

Marcel kijkt op, zegt niets. Maar hij kijkt hoofdschuddend naar Dennis. Dat is tenminste iets, denkt Daan.

Tijdens de lunch eet Daan weer alleen in de werkplaats. Hoort Dennis en twee anderen praten. Niet gefluister. Gewoon praten, alsof hij er niet is.

“Die Reset-programma’s zijn belachelijk.

“Vijf jaar is toch niet niks?”

“Vijf jaar voor iemand bijna doodslaan? Zou levenslang moeten zijn.”

Daan blijft zitten. Eet zijn boterham. Proeft niets.

Om drie uur neemt Marcel hem apart. Ze staan bij de verfpotten, niemand in de buurt.

“Trek je er niets van aan”, zegt Marcel. “Ik zal erover met Dennis praten. Mensen… veel mensen begrijpen het niet. Ze denken zwart-wit. Zij vinden het moeilijk te veranderen. Zij. Niet jij.”

“Misschien hebben ze gelijk.”

Marcel schudt zijn hoofd. “Ik was twintig jaar geleden niet de man die ik nu ben. Sommige mensen veranderen wel. Waarom zou jij dat niet kunnen?”

Daan wil het geloven. Maar de twijfel zit diep, als een splinter die je niet kunt zien maar altijd voelt.

Die avond komt Daan komt thuis. Zijn autoruiten zijn ingegooid. Overal glas op de grond, glinsterend in het lantaarnlicht.

Hij pakt de glasscherven op. Zorgvuldig, een voor een. Toch snijdt hij zich aan een scherp randje. Zijn duim bloedt. Hij zuigt eraan, het smaakt metalig.

HOOFDSTUK 7: MELISSA

7 (Aangepast)

Maandagochtend, bij de werkplaats, staat een oude vrouw te wachten. Klein, mager, donker haar in een strakke staart. Donkere kringen onder haar ogen.

“Jij bent Daan.”

Hij stopt. “Ja.”

“Ik ben Melissa.”

Daan reageert niet meteen.

“Je zus.”

Daar heeft hij niet van terug. Zus? “Ik heb geen zus”, zegt hij.

Melissa lacht. Het is een bitter geluid. “Natuurlijk niet. Ze hebben je een nieuw gezinnetje gegeven. Een perfect plaatje.” Ze gooit foto’s op de grond.

Op de eerste foto staan twee jongens. De ene jongen nog een klein kind. Zes of zeven misschien. Hij is het zelf, hij herkent zijn ogen. Maar die blik. Geen angst. Geen blijdschap. Alleen een soort kilte. Die blik heeft hij nu niet meer. Hij heeft een blauwe plek op z’n arm. De andere jongen is een kop groter en kijkt brutaal de camera in.

Op de andere foto staat die brutale jongen weer, maar nu met een vrouw die hem omhelst. Zijn moeder? De vrouw die Daan nu, jaren later, zijn leven is komen binnenvallen? Zijn zus?

“Dit is jouw échte familie”, zegt Melissa.

Daan neemt de andere foto’s vluchtig door. Probeert iets te voelen. Maar er is niets. Hij kan beredeneren wie deze mensen zijn – hijzelf, zijn oudere zus, haar zoon – maar het zijn vreemden voor hem. Ze hadden net zo goed niet kunnen bestaan.

“Sorry, maar ik herinner het me niet.”

“Natuurlijk niet!” Melissa’s stem wordt luider. “Ik wou dat ze mijn herinneringen hadden weggehaald. Al die pijn, ik wou dat het weg was. Maar ik moet er mee leven! Jordi kan nauwelijks praten. En jij? Jij krijgt een mooi baantje en een schone lei?”

Marcel komt naar buiten. “Is er een probleem?”

Melissa draait zich naar hem. “Vraag je werknemer wat hij met zijn neefje heeft gedaan.”

Ze vertrekt. Laat de foto’s liggen. Daan bukt, raapt ze op. Marcel kijkt toe.

“Wil je erover praten?” vraagt hij.

“Nee.”

Die middag werkt Daan mechanisch. Zaagt, meet, timmert. Zijn handen weten wat ze moeten doen, maar zijn hoofd is ergens anders. Bij die foto’s. Bij het meisje met de blauwe plek. Bij de jongen met kille ogen.

Was ik dat? denkt hij. En ben ik dat nog steeds?

HOOFDSTUK 8: BITTERE AFDRONK

8 (Aangepast)Zaterdagmiddag. Daan gaat naar de bouwmarkt. Hij heeft niets nodig, niet echt. Maar hij wil… wat? Iemand die hem ziet voor wie hij is? Iemand die hem niet veroordeelt?

Laura staat bij de verf. Ze ziet hem, glimlacht.

“Daan. Je bent er weer.”

“Ja.”

Ze heeft pauze over vijf minuten. “Wil je koffie?”

Buiten, op het terras van de Subway ernaast, drinken ze koffie uit papieren bekers. Laura praat over haar leven – gescheiden ouders toen ze zestien was, gepest op school om haar accent (ze kwam uit Limburg), enkele jaren op de kunstenaar waarna haar droom om kunstenaar te worden doodbloedde.

“Soms denk ik: dit is het? Rondhangen in een bouwmarkt?” Ze lacht. Het klinkt niet verbitterd. “Maar dan denk ik ook: iedereen heeft wel wat..”

Daan zwijgt. Weet dat dit het moment is. Dat hij het moet zeggen of nooit.

“Ik kom net uit de gevangenis.”

Laura verstijft. Haar hand om de beker spant zich even aan. “Waarvoor?”

“Geweld. Ik heb mijn neef mishandeld. Hij zit nu in een rolstoel.”

Stilte. Lang. Een auto rijdt voorbij, muziek bonkt uit de open ramen.

“Wanneer?” vraagt Laura.

“Vijf jaar geleden. Ik ben pas vrij.”

Ze knikt. Langzaam. Neemt een slok koffie. Denkt na.

“Vertel me één ding”, zegt ze uiteindelijk. “Ben je iemand anders dan toen?”

Daan denkt aan zijn werk. Aan Yasmin die de verf afschrobde. Aan Marcel die zei: mensen veranderen. Aan zijn valse herinneringen – warm, veilig, leugens die aanvoelen als waarheid.

“Ik weet niet meer wie ik toen was. Ik kan me niet eens meer voorstellen hoe het was.”

Laura kijkt hem aan. “Dan maakt het misschien niet uit wie je was. Je bent nu iemand anders. Een nieuw mens. ”

Maar Daan weet: voor anderen maakt het wel uit. Voor Melissa. Voor Dennis. Voor degene die rode verf achterliet. Voor Jordi.

Hij drinkt zijn koffie op. Bittere afdronk.

HOOFDSTUK 9: ZWARTE MARKER

9 2 (Aangepast)Woensdag. Daan komt thuis van werk. De deur van zijn flat staat op een kier.

Hij blijft staan. Luistert. Niets. Duwt de deur verder open.

Binnen: chaos. De bank omgekieperd. De IKEA-kast ligt op zijn kant. De kleren zijn uit de kast gegooid. Zijn gereedschap ligt op de grond. De waterpas is kapot, glas gebarsten.

Op de muur, in zwarte marker:

MONSTER

Daan blijft in de deuropening staan. Hij voelt iets kolken – woede, angst, wanhoop. Alles tegelijk. Hij balt zijn vuisten. Ontspant ze weer.

Hij belt Farah.

Ze komt binnen een uur. Kijkt rond, maakt foto’s met haar telefoon. “Dit kunnen we niet negeren. Dit is niet veilig meer.”

“Het is nergens veilig”, zegt Daan.

“We moeten je weghalen. Andere stad, andere naam, nieuwe start. Een derde kans.”

“Nee.” Het komt er harder uit dan hij bedoelt. “Dit gebeurt overal. Ik kan blijven verhuizen, elke keer wegrennen. Of ik kan…” Hij zoekt woorden. “Blijven. Bewijzen dat ik ben veranderd.”

“Wat bewijs je door te blijven? Dat bewijst toch niets.”

Farah zucht. “Het Reset-programma… we kunnen je herinneringen versterken. Meer positieve ankers creëren.”

“Me met nog meer leugens volstoppen, bedoel je.”

Ze zwijgt.

“Nee”, zegt Daan. “Geen Reset. Ik moet dit zelf doen.”

“Ik kan je niet dwingen, dat weet je.”

Later komt Yasmin. Ze ziet de puinhoop, zegt niets. Begint gewoon te helpen opruimen. Voor hij er erg in heeft, staat de bank weer rechtop. Zijn de kleren gevouwen. Het gereedschap verzameld.

“Je slaapt vannacht bij ons”, zegt ze.

Daan wil protesteren. Maar hij is moe. Zo moe. “Oké”, zegt hij.

Yasmins flat ruikt naar kaneel en andere oosterse kruiden. Daan zuigt de geuren op, en merkt dat hij rustiger wordt doordat hij met aandacht in- en uit ademt. Senna zit op de grond, verdiept in een kleurboek. Daan gaat op de bank zitten. Hij is nog steeds niet helemaal tot rust gekomen, merkt hij. Hij ademt maar weer eens diep in.

Yasmin brengt thee. “Je hoeft niks te zeggen.”

Maar Daan wil praten. Voor het eerst sinds zijn vrijlating voelt hij de behoefte om woorden te vinden voor wat er in hem zit.

“Jij vindt me vriendelijk, zei je dochtertje. Ik probeer ook vriendelijk te zijn. Dat gaat meestal wel goed. Ik heb nu warme herinneringen aan mijn jeugd. Ik denk dat ik daardoor minder agressief ben dan vroeger. Maar ik weet niet of Reset me echt heeft veranderd. Niet als het er echt op aankomt. Misschien ben ik ben nog steeds die lafaard die wegloopt in plaats van confrontatie aan te gaan.”

“Was je een lafaard? Ik dacht dat je gewelddadig was.”

“In elk geval ging het gesprek niet aan als het even tegen zat.” Daan denkt aan de foto’s die Melissa hem liet zien. Aan het dossier dat Farah voorlas in de auto. “Volgens het dossier… Jordi confronteerde me met iets. Misbruik, denken ze. Iets uit onze jeugd. En in plaats van het gesprek aan te gaan…” Hij maakt een boksgebaar. “Ik wilde het gewoon niet horen. Dat bedoel ik als ik zeg dat ik een lafaard was.”

“Maar jij herinnert je dat allemaal toch niet meer?”

“Nee. Maar daarom is het nog wel gebeurd.”

“Voor jou niet.”

‘Voor andere mensen wel.”

Senna komt naar hem toe. Geeft hem een tekening. Een huis met een zon erboven. Alles in felle kleuren.

“Voor jou”, zegt ze. “Ik wil niet dat je niet verdrietig bent.”

Daan neemt de tekening aan. Voelt iets breken in zijn borst. Iets warms en pijnlijks tegelijk.

“Dank je”, zegt hij. Zijn stem kraakt.

HOOFDSTUK 10: IETS VAN SPIJT

11 (Aangepast)De brief komt op donderdag. Een witte envelop, met een handgeschreven adres. Daan opent hem aarzelend.

“Daan,

Jordi kan het je zelf niet vragen, vandaar deze brief. Hij wil je zien. Hij denkt dat het hem kan helpen.

Zondagmiddag misschien?

We begrijpen het als je nee zegt. Maar de uitnodiging staat.

Melissa, Peter en Jordi Derks”

Farah raadt hem aan om niet te gaan. “Je bent ze niets verplicht. Dit kan je herstel schaden.”

Maar Daan denkt: misschien moet ik juist wel. Misschien is dit confrontatie die ik nodig heb. “Ik ga”, zegt hij.

De familie Derks woont in een rijtjeshuis in Zeewolde. Goed onderhouden tuin. De gordijnen zijn dicht.

Daan belt aan. Zijn hart bonkt. Hij wil weglopen. Maar blijft staan. Weglopen kan altijd nog, spreekt hij zichzelf moed in.

De deur gaat open. Een man, begin zestig, grijs haar. “Daan. Kom binnen.”

Binnen: een woonkamer vol foto’s. Jordi als kind. Jordi als tiener op een voetbalveld. Jordi als jongeman, met zijn arm om een meisje dat lacht.

Jordi’s moeder zit op de bank. Melissa staat bij het raam. En in een rolstoel, bij de eettafel, zit Jordi.

Daan kijkt. Probeert de man te herkennen van de foto’s. Maar Jordi is veranderd. De linkerkant van zijn gezicht hangt naar beneden. Zijn linkerarm rust bewegingloos op de leuning.

Jordi’s vader, Peter, gebaart. “Ga zitten.”

Daan gaat zitten. Handen op zijn bovenbenen. Hij kijkt niet naar Jordi, hij durft niet.

Jordi’s moeder zet haar tablet aan. Toont video’s. Jordi als kind, schommelt in een tuin. Jordi op een voetbalveld, scoort een goal, teammaten omhelzen hem. Jordi met het lachende meisje, hand in hand, op een bruiloft. Een rijk leven, zo te zien.

Dan foto’s na het incident. Ziekenhuis. Operaties. Buizen. Jordi die in coma ligt met een gezwollen gezicht. Jordi die wakker is en met holle ogen de wereld in kijkt.

Daan probeert iets te voelen – schuld, berouw, afschuw. Maar er is alleen summier verstandelijk besef. Hij weet wat hij heeft gedaan. Maar waarom? Wat er precies gebeurd is? Hij heeft geen idee. Misschien dat hij daarom ook niets voelt. Daarvoor is het allemaal te ver weg, te abstract, te zeer alsof hij net de video’s en foto’s van een vreemde heeft gezien. Wat verwachten ze van hem?

“Het spijt me”, zegt hij. De woorden klinken hol.

Melissa haalt haar schouders op. “Het spijt je? Je kunt het je niet eens herinneren!”

Daan staat op. “Jullie hebben gelijk. Misschien is het te makkelijk. Ik wou dat ik het me kon herinneren. Maar ik kan alleen maar zeggen: de persoon die ik nu ben, zou dit nooit doen.”

Melissa lacht bitter. “Maar je bent die persoon niet echt hè.”

Daan knikt. “Misschien niet. Maar hier moet ik het mee doen.”

Hij loopt naar de deur. Voor het eerst durft hij Jordi aan te kijken. Zijn ogen ontmoeten die van Jordi. Het is Daan bijna te veel. “Het spijt me”, zegt hij maar weer. Deze keer meent hij het. Geen spijt om wat hij gedaan heeft misschien, maar het doet hem verdriet dat deze mensen zo lijden. Dat is toch ook spijt? Iets van spijt, tenminste.

Maar niemand reageert en niemand houdt hem tegen, dus hij laat zichzelf maar uit. Buiten, bij zijn auto, staat hij stil. Haalt diep adem. Voelt zijn handen trillen.

HOOFDSTUK 11: ONTLADING

12 (Aangepast)

Daan parkeert de auto en stapt uit.

“Daar is ie.”

Hij draait zich om. Vijf jongens, begin twintig. Een herkent hij. Blond haar, tatoeage op zijn hals. Van een foto in Jordi’s woonkamer? Een vriend misschien? Of ook familie?

“Het monster.”

Ze omcirkelen hem. Daan blijft staan, handen langs zijn lichaam. Rustig blijven. Niet reageren.

De blonde jongen geeft hem een schouderduw.

Daan zegt niets. Kijkt naar de grond.

Een andere jongen – kleiner, nerveus – slaat hem in zijn gezicht. Daan wankelt, maar blijft staan. Zijn wang brandt.

Ademhalen. Je bent niet die persoon meer.

De blonde jongen slaat zijn oor. Hard. Precies. Daans oor suist. Alles wordt wazig.

En iets breekt.

Zijn vuist schiet uit. Raakt de blonde jongen vol in zijn gezicht. Het bloed spuit eruit. De jongen valt neer.

Daan vecht. Niet beheerst. Niet gecontroleerd. Als een dier. Slaat, schopt. Grijpt een jongen bij zijn keel, smijt hem tegen de auto. Het glas breekt.

De nerveuze jongen vlucht meteen. Twee blijven op de grond. Een staat erbij, trillend. Eentje heeft zijn handen omhoog. De blonde jongen krabbelt overeind, het bloed gutst nog steeds uit zijn neus. “Oké, oké, we stoppen.”

Daan staat boven hen. Hijgend. Zijn handen bloeden. Hij kijkt ernaar alsof hij ze voor het eerst ziet.

En voelt: opluchting. En daaronder: trots. Dit is wie hij is. Dit gevoel – kracht, controle, het wegslaan van angst. Dit is echt. Echter dan alle valse herinneringen van pannenkoeken en fietsen.

Achter hem: “Daan… wat heb je gedaan?”

Hij draait zich om. Yasmin staat bij haar auto, geschokt. Senna’s gezicht achter het raam, huilend.

Daans opluchting en trots vallen weg en maken plaats voor schuldgevoel. “Het spijt me”, zegt hij maar weer eens.

HOOFDSTUK 12: HET POLITIEBUREAU

13 (Aangepast)Farah komt naar het politiebureau. Daan wordt net verhoord. Hij slaat zijn ogen neer als hij haar ziet. Zijn handen zijn verzorgd – pleister op knokkels, ontsmettingsmiddel dat prikt.

“Drie jongens in het ziekenhuis. Eén: gebroken kaak. Eén: hersenschudding. Eén: ontwrichte schouder.”

Nu moet hij Farah wel aankijken. Ze ziet er moe uit. Teleurgesteld. Daan zegt niets.

“Je was zo goed bezig.”

“Ik ben nog steeds wie ik was”, zegt Daan. Vlak. Zonder emotie. “Reset heeft niet gewerkt. Reset was een pleister; nu die eraf is getrokken kun je zien dat de wond eronder nog steeds bloedt.”

“Dat weten we niet. Je werd geprovoceerd. Vijf tegen één. Je verdedigde jezelf…”

“Ik wist wat ik deed”, onderbreekt hij haar. “En ik koos ervoor. Ik had weg kunnen lopen. Ik had ze hun gang kunnen laten gaan. Of proberen ze om te praten.

Farah zwijgt. Schrijft iets op. Dan: “De jongens trekken de aanklacht in. Zij begonnen. Het was zelfverdediging. Dus er is verder niets aan de hand.”

Maar Daan weet wel beter. Het was geen zelfverdediging. Het was wraak. Geweld om het geweld. Het had goed gevoeld om zich eens helemaal te laten gaan.

HOOFDSTUK 13: DE NASLEEP

14 (Aangepast)

Bij Van Dalen kijkt Dennis hem aan met een blik die lijkt te zeggen: zie je wel, altijd al geweten. Jij bent wie ik dacht dat je was.

Marcel neemt hem mee naar zijn kantoor. Klein, rommelig en donker doordat de bureaulamp te zwak is om de hele ruimte te verlichten. Daan blijft in de schaduw staan.

“Wil je erover praten?”, vraagt Marcel.

“Ze hadden gelijk”, zegt Daan. “Ik ben nog steeds die man.”

“Of je had een slechte dag. Eén moment maakt je geen monster.”

“Hoeveel momenten voordat het een patroon is?”

Marcel zucht. “Ga gewoon aan het werk. We praten later wel verder.”

Maar Daan weet: Marcel heeft hem een tweede kans gegeven. Als er weer wat gebeurt, krijgt hij z’n ontslag. Ook als het niet zijn schuld is. Maar niemand wil werken met iemand die te vaak in opspraak is. Dat geeft te veel onrust. Slecht voor de werksfeer.

Thuis staat hij stil voor Yasmins deur. Hij hoort Senna zingen. Hij klopt aan, maar niemand reageert. Hij klopt nog een keer. Het zingen stopt, maar niemand doet open. Hij geeft het op. Thuis appt hij Laura. Ook al geen reactie.

Maar dan staat Yasmin bij hem voor de deur. Kennelijk heeft ze zich bedacht. Hij laat haar binnen.

“Senna vraagt naar je”, zegt ze. “Ze mist je.”

“Het spijt me dat ze het moest zien.”

“Mij ook.” Yasmin komt binnen. Gaat zitten zonder uitnodiging. “Ik heb met Farah gepraat. Ze heeft alles verteld. Ik wist niet dat de jongens je eerst sloegen.”

Daan, eerlijk: “Ja. En ik sloeg terug. En weet je… dat voelde goed.”

Yasmin knikt. “Je bent tenminste eerlijk.” Ze zwijgt. “Mijn broer kwam ook uit de gevangenis. Probeerde opnieuw te beginnen. Toen liep iemand per ongeluk tegen hem aan. Mijn broer sloeg hem het ziekenhuis in. Hij zei hetzelfde: dat het goed voelde.”

Stilte.

“Maar Daan, het verschil is: Jij bent teruggekomen. Je bent hier. Je verstopt je niet. Mijn broer deed dat wel. Hij vluchtte, dook onder, werd opnieuw gepakt.”

“Misschien ben ik gewoon langzamer in opgeven.”

“Of je bent aardiger dan je denkt. Weet je, voor sommige mensen is het glas halfvol, voor andere half leeg.”

“Dan is het in elk geval voor 50 procent gevuld”, grapt Daan.

Yasmin lacht niet begrijpend. “Nou dan, zegt ze. Senna wil je haar nieuwe tekening laten zien. Kom je weer eens langs?”

Daan gaat naar de bouwmarkt. Hij ziet dat Laura hem ziet. Hij ziet dat ze aarzelt. Maar ze komt dan toch zijn kant op.

“Ik heb gehoord wat er gebeurd is.”

“En nu denk je: die man wil ik niet meer zien. Te gevaarlijk.”

“Nee.” Ze kijkt hem aan. “Ik denk: iedereen heeft grenzen. Jij bent over die van jou gegaan. Maar je hebt je beheerst. Je had ook veel verder kunnen gaan.”

“Misschien was dat juist mijn fout. Misschien had ik verder moeten gaan.”

“En nog meer geweld gebruiken?”

“Als dat is wie ik ben… dan is dat misschien wie ik moet zijn.”

Laura schudt haar hoofd. “Dat lijkt me onzin. Maar misschien snap ik het gewoon niet.” Ze geeft hem een pakje. Een nieuwe waterpas. “Deze is sterker. Gaat niet zo snel kapot.”

HOOFDSTUK 14: JORDI

15 (Aangepast)

De dagen daarop hervat het leven van Daan zijn oude loop. Op het werk gaat het goed. Het kost hem steeds minder moeite Dennis te negeren en Dennis’ pest hem minder nu Daan hem negeert.

Hij gaat langs bij Yasmin en Senna, blijft eten en krijgt een tekening mee – dit keer van hem en Senna. Hij heeft een soort cape aan, ziet hij. Moet hij soms Superman voorstellen? Ze heeft het er niet over, maar misschien is ze het gevecht niet vergeten. Hij zou het haar kunnen vragen, maar het lijkt hem niet zo’n goed idee. Soms kun je zaken maar beter niet oprakelen en het verleden het verleden laten.

En Laura? Laura wil hem zien, en stelt geen lastige vragen. De man die hij ooit was lijkt haar niet te interesseren. De man die hij is des te meer. En daardoor kan hij misschien de man worden die hij zou willen zijn. De man die zij verdient.

Maar die zaterdag staat Melissa voor zijn deur. Daan doet open. Wacht. “Ik heb gehoord wat er gebeurd is”, zegt ze. Klinkt moe.

“Ik ben het al bijna vergeten”, grapt Daan.

Melissa reageert niet, er kan niet eens een glimlach je af.

“Kom je zeggen dat je gelijk had? Dat ik nog altijd dezelfde ben? Dat je dat altijd al wist?”, vraagt Daan.

“Nee.” Ze komt binnen zonder te vragen. Kijkt rond. “Jordi wil je zien. Weer. Hij zegt…”

“Kan hij praten?”

“Een beetje. Hij zegt dat hij ziet dat je veranderd bent. Hij zag iets in je ogen. Angst. Angst voor jezelf. Niet alleen woede. Dat maakt je anders dan de man die hem sloeg. Zegt hij.”

Daan fronst. “Dan ziet hij meer dan de meeste mensen, Meer dan ik. Wanneer wil hij me zien.”

“Wanneer je maar wilt.”

“Mijn auto is stuk, de voorruit moet worden gemaakt.”

“Je kunt met me meerijden.”

“Hoe was je jeugd?” vraagt Melissa wanneer ze in de auto zitten.

“Zoals je al zei: het perfecte plaatje. Een sprookje. Aaar vakanties. Alleen maar mooi weer. Een lieve moeder. Een zorgzame vader.”

“En je gelooft dat het echt zo was?”

“Ja, ook al weet ik van niet. Het voelt echt.”

“En dat helpt je?”

“Ik denk het. Ik hoop het: dat ik positiever in het leven sta dan wanneer ik me alleen mijn nare jeugd zou herinneren. Dat is tenminste het idee: dat ik een ‘positievere grondhouding’ heb gekregen, Zo noemen ze dat. Maar het Reset-programma is nog een experiment, het is nog niet zeker of het werkt.”

“En je hebt helemaal geen herinneringen aan hoe het vroeger was?”

“Nee. Ik herinnerde me jou in elk geval helemaal niet, sorry.”

“En Jordi?”

“Ook niet. Alleen soms…”

“Soms?”

“Ik geloof dat ik wel eens van hem droom.”

“En dan?”

“Dat hij mij slaat. Of erger.”

Dat had hij misschien beter niet kunnen zeggen. “Nou moet je ophouden”, dreigt ze. “Jordi zou jou nooit wat aandoen.”

“Dat zeg ik ook niet. Maar dat droom ik wel eens. Ik hecht er verder geen waarde aan. Maar ik kan er toch ook niets aan doen wat ik droom.”

“En je droom nooit over papa?”

“Nee.”

“Hij was het die je wat heeft aangedaan. En mij. En Jordi. Je zou over hem moeten dromen.”

“Misschien moet ik het eens proberen.”

Ze hebben het huis van de familie Derks bereikt.

“Ik laat jullie twee alleen”, zegt Melissa.

Jordi in zijn rolstoel. Daan op de bank tegenover hem.

Lange stilte.

Jordi praat langzaam, elke lettergreep lijkt hem inspanning te kosten.

“Ik… herinner… me… jouw… ogen”, zegt Jordi. “Voor… je… sloeg. Vol… woede. Maar… ook… vol… pijn. Nu zie ik iets anders.”

Daan haalt zijn schouders op.

“Je… bent… bang.”

Daan: “Zeker.”

“Dat… je… nog steeds… dezelfde bent. Die man.”

Daan knikt. “En ik heb weer gevochten. Vorige week.”

Jordi zegt: “Ik… denk… je… sloeg… mij… maar… wilde… vader… slaan.”

“Ik weet het niet”, zegt Daan. Zijn stem breekt. “Ik kan het me niet herinneren. Misschien was het zo. Misschien lag het aan jou. Misschien was ik gewoon… slecht.”

Jordi schudt zijn hoofd. “Wij zijn niet slecht. Maar we zijn allebei gewond… door… zelfde… man. Dezelfde familie. Dezelfde mensen. Wij zijn hetzelfde.”

Jordi steekt langzaam zijn hand uit. Zijn arm trilt van inspanning. “Zullen het vergeten? Het loslaten?”

Daan kijkt naar die uitgestoken hand. Hij begrijpt het is geen cadeau. Het is een keuze. Jordi’s keuze – om de woede achter zich te laten. Om te zeggen: ik ben meer dan wat me is aangedaan. Ik ben daar bovenuit gestegen.

Nu is het Daans beurt te kiezen wie hij wil zijn: een man die wordt achtervolgt door een verleden dat hij zich niet herinnert of een man die zich daarvan heeft bevrijd.

EINDE

Beelden: zelf gebakken met ChatGPT.

Logo voor de Science Fiction- en Thrillerreeks: zelf gebakken met ChatGPT.

Deel:

Geef een reactie