Vrouw aan het stuur (Een Sci-Fai / Romantiekverhaal)

Vrouw aan het stuur (Een Sci-Fai / Romantiekverhaal)

SFRRomantiekmettekst

Voor de Grote Verschuiving hadden mannen een doel, een plaats, een stem. Maar in de perfecte samenleving van de nabije toekomst is de vrouw dominant en de man overbodig. ‘Man in de marge’ Julius slijt zijn dagen in het Participatiecentrum van Amsterdam.

Totdat hij de vooraanstaande wetenschapper Romee Vermeulen ontmoet.

HOOFDSTUK 1: MAN IN DE MARGE

1 (Aangepast)De koffie was lauw geworden terwijl Julius naar het scherm staarde. Hij had al een uur naar dezelfde spreadsheet gekeken, maar de cijfers wilden maar niet kloppen. Niet dat het uitmaakte – de geautomatiseerde systemen hadden zijn berekeningen drie minuten na aanvang al gecontroleerd en gecorrigeerd. Toch bleef hij zitten, deed alsof zijn werk betekenis had, alsof iemand op zijn resultaten zat te wachten.

Buiten het raam van het Participatiecentrum zag hij de skyline van Amsterdam. De stad was onherkenbaar veranderd sinds de Grote Verschuiving, vijfentwintig jaar geleden. Maar hij herinnerde zich nog hoe het vroeger was geweest. De grachtenpanden die scheef en eigenzinnig tegen elkaar leunden. De chaos van het verkeer. Zijn vader die elke ochtend in pak naar zijn werk vertrok. Zijn moeder die haar studie kunstgeschiedenis had opgegeven om hem en zijn zusje op te voeden. De ruzie tussen zijn ouders over geld, over verantwoordelijkheden, over wie er ’s avonds zou koken.

“Julius?” De stem van Petra, zijn begeleidster, bracht hem terug naar het heden. “Je evaluatie.”

Hij knikte en sloot zijn scherm af. De evaluatie. Elke drie maanden hetzelfde ritueel, waarbij zijn ‘bijdrage aan de gemeenschap’ werd gewogen en gemeten.

Het evaluatiekantoor was ingericht volgens de Nederlandse pragmatische esthetiek die overal dominant was geworden: functioneel, clean, met zachte kleuren die rust moesten uitstralen. Petra, begin veertig en altijd gekleed in de karakteristieke unisex-kleding van de Nieuwe Tijd, bekeek zijn dossier op haar tablet. “Je productiviteit is deze maand weer gedaald”, zei ze zonder omhaal. Geen wroeging, geen medelijden – gewoon een constatering. “Je valt nu in de onderste tien procent van je cohort.”

Julius kende de cijfers al. Hij wist ook wat ze betekenden. Bij drie opeenvolgende beoordelingen in de onderste tien procent zou zijn Status ter discussie worden gesteld. Een eufemisme voor wat vroeger ‘ontslag’ heette, al was er geen sprake meer van werkloosheid in de traditionele zin. Iedereen had recht op onderdak, voedsel en basiszorg. Maar in de onderste tien procent wilde je niet. Als man hoorde je er toch al niet helemaal bij, en de onderste tien procent al helemaal niet. Dan was je helemaal een man in de marge.

“Ik begrijp dat dit moeilijk voor je is”, vervolgde Petra. Haar stem had die getrainde warmte van iemand die professioneel empathisch was. Ze keek hem aan alsof hij een van de laatste exemplaren van een met uitsterven bedreigde diersoort was. En misschien was hij dat ook wel. “Hebben we alternatieven besproken?” vroeg Petra “Het Creatieve Programma, bijvoorbeeld? Je schrijft toch graag?”

Julius had inderdaad geprobeerd te schrijven. Verhalen over hoe het vroeger was, over mannen die betekenis hadden, die nodig waren. Maar elke keer als hij zijn werk indiende bij de Literaire Commissie, kwam het terug met vriendelijke opmerkingen over ‘nostalgische romantiek’ en ‘niet relevant voor de hedendaagse lezers’. Vrouwen lazen geen verhalen meer over mannelijke helden. Waarom zouden ze? En mannen lazen nu eenmaal niet veel. Nooit gedaan. Dat was ook een van de redenen dat ze in de marge van de maatschappij waren beland,

“Ik denk dat ik gewoon… meer tijd nodig heb”, zei hij.

Petra knikte begrijpend. “Natuurlijk. Maar Julius, we kunnen niet eeuwig wachten.”

“Ik doe m’n best. Ik voldoe misschien niet. Maar ik probeer het wel.” De woorden kwamen er bitterder uit dan hij bedoeld had.

Een stilte. Petra legde haar tablet neer en keek hem aan met die professionele bezorgdheid die ze waarschijnlijk op de opleidingen hadden geleerd.

“Het gaat niet om voldoen, Julius. Het gaat om bijdragen. Iedereen kan bijdragen, op zijn of haar eigen manier. Maar we moeten wel bereid zijn onze… verwachtingen aan te passen.”

Verwachtingen. Alsof het zijn eigen schuld was dat hij was geboren als man in een wereld die hem niet meer nodig had.

“Ik begrijp het”, zei hij, al begreep hij het niet. Niet echt. Hij begreep de logica wel – het had allemaal begonnen met het onderwijs. Jongens die steeds slechter presteerden, die achterbleven bij meisjes op alle fronten. Eerst was er begrip geweest, hulpprogramma’s, extra aandacht. Maar toen de kloof alleen maar groter werd, was de conclusie getrokken dat het probleem fundamenteler was. Mannen waren simpelweg minder geschikt voor de kenniseconomie, minder betrouwbaar, minder stabiel. Toen waren de wetten gekomen. Eerst subtiel – quota voor een minimum aantal vrouwen in leidinggevende functies maakten plaats voor quota voor een maximaal aantal mannen. Mannen boven de veertig kregen alleen nog administratief werk toegewezen. Jongere mannen werden weggeleid naar ‘fysieke sectoren’ – het leger, de bouw, vuilnisophalers, werk dat vrouwen niet wilden doen.

Maar het echte kantelpunt was Dr. Elena Hoffmanns doorbraak geweest. Haar revolutionaire reproductietechnologie had mannelijke genetische input overbodig gemaakt. De man was al sociaal overbodig, hierna ook nog biologisch. Het had de wereld veranderd. Waarom zouden vrouwen zich nog verbinden met mannen als ze alles zelf konden? Waarom zouden ze nog tijd verspillen aan traditionele relaties? Waarom zouden ze nog verbinden met mannen, eenzelvig en geneigd tot autisme als die nu eenmaal waren?

Nederland was een van de eerste landen geweest die de nieuwe orde volledig had omarmd. Het paste perfect bij de Nederlandse mentaliteit om pragmatische oplossingen voor maatschappelijke problemen door te voeren. Waar andere landen hadden geworsteld met religieuze bezwaren of culturele weerstand tegen zowel de onderwijshervormingen en nieuwe wetgeving, hadden de Nederlanders simpelweg gekeken naar de cijfers. Minder conflicten, betere gezondheid, efficiëntere hulpbronnenverdeeling. Het was een kwestie van polderpragmatisme: als iets werkte, deed je het.

En het werkte. De statistieken spraken voor zich. Criminaliteit – bij uitstek een mannelijke aangelegenheid – was gedaald tot bijna nul. Oorlog behoorde tot het verleden – de Vrouwenraad lost internationale conflicten op via diplomatie en consensus. De economie draaide soepeler dan ooit, nu alle beslissingen werden genomen op basis van wetenschappelijk bewijs en dialoog in plaats van ego en territoriumdrift.

Mannen waren niet verboden. Ze werden niet direct onderdrukt of vervolgd. Ze deden er gewoon niet meer zo toe.

“We spreken elkaar over drie maanden weer”, zei Petra, alweer opstaand. Het gesprek was afgelopen. “Tot die tijd zou ik je adviseren eens na te denken over andere vormen van bijdrage. Misschien iets in de zorg? Of de bouw? Je bent nog niet te oud voor zwaar lichamelijk werk.”

Julius knikte en verliet het kantoor. Op de gang liep hij langs de wandpanelen met inspirerende teksten in het moderne Nederlandse sans-serif lettertype: ‘Samenwerking boven competitie’. ‘Wijsheid door consensus’. ‘Toekomst door zorgzaamheid’. Hij was vijfendertig jaar oud en voelde zich al een fossiel.

HOOFDSTUK 2: NIEUWE VRIENDEN

2 (Aangepast)Buiten was het een prachtige lentedag. De stad rook naar schone lucht en verse bloesem – geen uitlaatgassen meer, sinds de laatste verbrandingsmotor tien jaar geleden uit gebruik was genomen. Julius blikte omhoog naar de efficiënte transport pods die in vaste banen door de lucht gleden. Hij keek naar de elegante woonblokken die de stad een internationale allure gaven die het rommelige Amsterdam van vroeger nooit had gehad. Hij zag hoe kinderen buiten speelden, onder het toeziend oog van hun moeders en tantes. Hier en daar zag hij een man rondscharrelen – meestal van zijn eigen leeftijd, meestal met een lege blik in de ogen.

Julius liep naar het transportstation, waar een pod hem in stilte naar zijn woonblok zou brengen. Het appartement dat hij bewoonde was functioneel maar comfortabel – een slaapkamer, een kleine woonkamer, een kitchenette. Alles wat een mens nodig had, niets meer. De gemeenschap zorgde goed voor haar burgers, ook voor de overbodige. Maar toen hij in de pod was gestapt, nam hij impulsief een andere route. In plaats van naar huis te gaan, liet hij zich naar het oude centrum brengen, naar de paar straten die nog bewaard waren gebleven als ‘historisch erfgoed’. Hier kon je nog een glimp opvangen van hoe Amsterdam er vroeger uit had gezien – schots en scheef, rommelig, vol leven.

Hij wandelde langs de oude Jordaan, waar nu voornamelijk toeristen kwamen om te zien hoe het ‘in de patriarchale tijd’ was geweest. Er waren nog kroegen, al waren ze nu meer museum dan ontmoetingsplaats. In café De Reiger zaten een paar oudere mannen aan de bar, veteranen van de tijd van voor de Verschuiving. Ze dronken bier en praatten over voetbal dat niet meer bestond, over vrouwen die ze hadden gekend toen vrouwen nog mannen nodig hadden. Julius bestelde een biertje en ging in een hoek zitten. Het was pas vier uur ’s middags, maar wat maakte het uit? Hij had geen afspraken, geen verplichtingen, geen reden om ergens te zijn.

“Hé, jij bent toch die schrijver?”

Julius keek op. Een man van een jaar of vijftig stond naast zijn tafel, een man die hij vaag herkende van andere bezoeken aan het café. Grijs haar, door weer en wind getekend gezicht. Een man die vroeger misschien in de bouw had gewerkt.

“Ik schrijf wel eens”, zei Julius.

“Kees.” De man stak zijn hand uit. “Ik lees je stukken op het forum. Goed gedaan. Iemand moet die verhalen vertellen.”

Het forum. Een kleine website waar mannen verhalen, gedichten en essays deelden over hun ervaringen. Officieel werd het getolereerd – vrijheid van meningsuiting was nog altijd een grondrecht. Maar het werd niet aangemoedigd. Het werd gezien als ‘onproductief gepeins’ en ‘nostalgie’.

“Dank je”, zei Julius. “Maar veel lezers zijn er niet.”

“Meer dan je denkt.” Kees ging ongenood zitten. “Er zijn er meer zoals wij. We praten er alleen niet over.”

Julius nam een slok van zijn bier. Het smaakte naar hoe hij zich herinnerde dat bier hoorde te smaken – bitter, complex, echt. Niet zoals de geoptimaliseerde dranken die tegenwoordig populair waren, wetenschappelijk ontworpen voor maximale smaakbeleving bij minimale gezondheidsrisico’s. “Meer zoals wij? Ouwe lullen bedoel je? Is dat mijn publiek?”

“Zo moet je het niet zien”, zei Kees.

Soms vraag ik me af”, zei Julius langzaam, “of we gewoon moeten accepteren dat onze tijd voorbij is. Zoals de dinosauriërs moesten accepteren dat de meteoriet was ingeslagen.”

Kees lachte, maar het klonk schor. “Misschien. Maar de dinosauriërs konden er niks aan doen. Wij hebben een keus.”

“Welke keus?”

“We kunnen blijven doen alsof we nuttig zijn. Met onze tijd meegaan.” Kees leunde voorover. “Of we kunnen een echte bijdrage leveren. Iets wat alleen wij kunnen.”

Julius fronste. “Zoals?”

“Getuigen. Vertellen wat er verloren is gegaan.”

“Dat doe ik al. Niemand die het leest.”

“Nog niet”, zei Kees. “Maar dat komt. Mark my words, Julius. Deze wereld van ze… die is er niet voor de eeuwigheid. Onze tijd – jouw tijd komt nog wel.”

Julius wilde reageren, maar op dat moment werd zijn aandacht getrokken door een vrouw die het café binnen kwam. Ze was jonger dan de gebruikelijke clientèle hier – misschien begin dertig – met kort donker haar en de doelgerichte manier van bewegen die typisch was voor de nieuwe generatie vrouwen. Ze droeg de praktische kleding van een professional: een grijze jumpsuit met de discrete insignes die haar functie aangaven. Wat ongebruikelijk was, was dat ze alleen was. En dat ze naar de bar liep alsof ze hier thuishoorde.

“Wie is dat?” vroeg Julius.

Kees volgde zijn blik. “Dat is Romee Vermeulen. Werkt bij het Onderzoeksinstituut. Ze komt hier wel vaker.”

“Een vrouw? Hier?”

“Vreemd, hè? Ik heb gehoord dat ze research doet naar de Transitieperiode. Interviews met mannen die het hebben meegemaakt.” Kees grinnikte. “Misschien wil ze jou ook wel interviewen.”

Julius keek hoe ze een glas wijn bestelde en plaats nam aan een tafeltje bij het raam. Ze haalde een tablet tevoorschijn en begon te lezen. Af en toe maakte ze een notitie. Professioneel, geconcentreerd, maar er was iets… anders aan haar. Iets wat niet paste bij het beeld van de moderne vrouw zoals hij die kende. Iets vrouwelijks? dacht Julius. Iets wat vroeger voor vrouwelijk doorging, bedoelde hij. Kwetsbaar. Sierlijk. Aantrekkelijk.

Kees zag hem kijken. Hij dronk zijn glas leeg. “Waarom ga je niet naar haar toe?”

“Waarom zou ik?”

“Omdat je een verhaal te vertellen hebt. En zij is misschien de eerste vrouw in jaren die het wil horen.”

Julius keek weer naar de vrouw. Hij zag hoe ze af en toe knikte, alsof ze een probleem had opgelost. Zo had zijn eigen moeder ook geknikt, vroeger, toen ze aan haar proefschrift werkte. Voor de Verschuiving. Voordat ze besloot – of voor haar besloten werd? – dat een academische carrière minder belangrijk was dan de opvoeding van de kinderen.

“Ik weet het niet”, mompelde hij.

Maar Kees was al opgestaan. “mevrouw Vermeulen?” riep hij. “Mag ik u voorstellen aan Julius Hendriks? Hij is schrijver. Misschien interessant voor uw onderzoek.”

Julius voelde zijn gezicht rood worden. De vrouw keek op van haar tablet, haar blik eerst naar Kees, toen naar hem. Donkere ogen, intelligent, nieuwsgierig.

“Julius Hendriks”, zei ze, alsof ze de naam plaatste. “U schrijft op MensenVerhalen.nl.”

Hij knikte, verrast dat ze hem kende.

“Ik heb uw essay over mannenvriendschappen gelezen”, vervolgde ze. “Interessant perspectief. Zou u tijd hebben voor een gesprek?”

Julius keek naar Kees, die breed grinnikte. Toen weer naar Romee Vermeulen. Die zijn werk kende. Die geïnteresseerd was in zijn ‘perspectief’.

“Ja”, hoorde hij zichzelf zeggen. “Dat zou… ja, dat lijkt me wel interessant.”

En zo maakte hij een keuze die zijn leven zou veranderen. En dat van haar ook, al wisten ze dat toen nog niet.

HOOFDSTUK 3: HET EERSTE GESPREK

3beter (Aangepast)Romee Vermeulen had een kantoor op de zevende verdieping van het Maatschappijwetenschappelijk Instituut, met uitzicht over het gedeelte van Amstelveen waar vroeger de zakenwijk was geweest. Nu stonden er de elegante woongebouwen van de Nieuwe Architectuur – gebouwen die waren ontworpen voor communities in plaats van voor kernfamilies, met afwisselend gemeenschappelijke ruimtes en privacy-zones.

Julius was zenuwachtig toen hij zich die woensdag meldde bij de receptie. Het was jaren geleden dat een vrouw persoonlijke interesse in hem had getoond, en hij wist niet goed hoe hij zich moest gedragen. In de tijd van voor de Verschuiving had hij wel eens dates gehad, kortstondige relaties, zelfs een langere relatie met een vrouw van wie hij had gedacht dat hij er misschien wel mee zou trouwen en kinderen krijgen. Maar dat was een eeuwigheid geleden.

“Julius?” Romee stond in de deuropening van haar kantoor, glimlachend. Ze droeg vandaag een donkerblauwe jumpsuit in plaats van grijs, en hij merkte op dat ze geen make-up droeg – ongewoon voor vrouwen van haar generatie, die meestal perfect verzorgd waren.

Haar kantoor was anders dan hij had verwacht. Waar de meeste werkruimtes in de Nieuwe Tijd spartaans ingericht waren – functioneel en zo leeg mogelijk – hing hier kunst aan de muren. Oude kunstwerken, van voor de Verschuiving. Een reproductie van een schilderij van een huilende vrouw van Picasso – een artiest die weliswaar niet gecanceld was (daarvoor was hij te goed en te belangrijk geweest), maar toch ook een artiest met wie de meeste mensen niet geassocieerd wilden worden. Ook zag Julius een foto van de Amsterdamse grachten zoals ze vroeger waren geweest. En een foto van een groep mannen in pak, ongetwijfeld gemaakt in de twintigste eeuw.

“Koffie?” vroeg ze. “Echte koffie, niet die synthetische troep.”

“Graag.” Julius ging zitten in een van de twee stoelen tegenover haar bureau. “Je kantoor is… bijzonder.”

“Te nostalgisch, zegt mijn supervisor.” Romee schonk koffie in uit een ouderwetse pot. “Maar ik vind dat we niet alles van het verleden moeten weggooien, alleen omdat we een betere manier hebben gevonden om dingen te doen.”

Ze gaf hem een mok – geen plastic wegwerpbekertje maar een keramieken kop met een handvat. De koffie smaakte zoals hij zich herinnerde van vroeger, complex en een beetje bitter.

Romee ging tegenover hem zitten, haar eigen mok tussen beide handen. “Officieel doe ik onderzoek naar de Transitieperiode. De sociologische en psychologische effecten van de overgang naar de post-reproductieve samenleving.” Ze pauzeerde. “Officieus ben ik geïnteresseerd in wat er verloren is gegaan.”

“Verloren?”

“We hebben een vrijwel perfecte samenleving gebouwd, Julius. Geen oorlogen, nauwelijks criminaliteit, optimale reproductie, efficiënte resource-distributie. Alles wat mensen ooit wilden.” Ze nam een slok koffie. “Maar soms vraag ik me af welke prijs we daarvoor hebben betaald.”

Julius Veerde op. Het was zo lang geleden dat een vrouw had gesuggereerd dat er iets mis kon zijn met de Nieuwe Wereld. “Wat bedoel je?”

“Je essays, bijvoorbeeld. Je schrijft over mannelijke vriendschap als iets wat verloren is gegaan. Over de emotionele complexiteit van traditionele relaties. Over…” Ze zocht naar woorden. “Over de waarde van imperfectie.”

“Niemand leest dat. Te nostalgisch. Nog nostalgischer dan dit kantoor van jou.”

Romee glimlachte. “Ik lees het. En ik ben niet de enige.” Ze leunde voorover. “Er zijn meer vrouwen die zich afvragen of we misschien het kind hebben weggegooid samen met het badwater. De man, bedoel ik, de man met het badwater. ” Weer glimlachte ze.

“Een vrouw met gevoel voor humor”, dacht Julius vertederd. “Dat zie je niet vaak.”

Ze praatte een uur, toen twee uur. Julius vertelde over zijn herinneringen aan zijn vader, over de vriendschappen die hij als jongen had gehad, over het gevoel dat hij leefde in een reservaat, dat hij een soort object in een museum was geworden. Romee luisterde zonder te oordelen, stelde vragen die niemand hem ooit had gesteld.

“Wat mis je het meest?” vroeg ze ten slotte.

Julius dacht na. “Ertoe doen”, zei hij uiteindelijk. “Het gevoel dat er iemand op je wacht. Dat je gemist zou worden als je er niet meer was.”

Romee knikte langzaam. “In mijn onderzoek kom ik keer op keer hetzelfde tegen. Mannen die zich overbodig voelen. Alsof ze alleen nog bestaan omdat ze geduld worden. ”

“Omdat dat ook zo is.”

“En is dat terecht?” Ze keek hem intens aan. “Of doen mannen er toch ook toe? Hebben we iets over het hoofd gezien?”

Julius wist niet wat hij daarop moest zeggen. Het was een gevaarlijke vraag – het soort vraag dat niet werd gewaardeerd in de Nieuwe Tijd. Nog net niet verboden, maar zeker niet wenselijk.

Ik wil je nog een keer spreken”, zei Romee toen hij opstond om te vertrekken. “Als je daar open voor staat. Volgende week, zelfde tijd?”

HOOFDSTUK 4: SPELEN MET VUUR

4 (Aangepast)De tweede afspraak werd de derde, de derde werd de vierde. Wat begonnen was als een formeel interview ontwikkelde zich tot iets wat Julius niet kon benoemen. Niet romantiek – daarvoor waren ze allebei te voorzichtig, zich te zeer bewust van de sociale grenzen. Maar vriendschap was ook niet het juiste woord voor de intensiteit van hun gesprekken. Geestverwantschap?

Romee vertelde hem over haar eigen verleden. Ze was geboren in het eerste jaar na de Verschuiving. Ze was als een van de eerste meisjes zonder vader – ‘ik ben een product van het laboratorium’, zoals ze zelf zei – en ook een van de eerste meisjes die waren opgevoed met het idee dat ze geen mannen nodig hadden.

“Hoe voelt dat, om geen vader te hebben”, had Julius gevraagd. “Lijkt me vreemd, of niet?”

“Lange tijd niet. Je had me net zo goed kunnen vragen of het vreemd voelt om te ademen.”

“Ja, als je niet beter weet.”

Tot ik anderen ging bestuderen. Mensen zoals jij, die nog wisten hoe het was in de onvolmaakte samenleving.” Ze had niet alleen met mannen gesproken, maar ook met vrouwen van de oudere generatie, die de Transitieperiode hadden meegemaakt. Wat ze had ontdekt, was zorgwekkend. “De zelfmoordcijfers onder mannen boven de dertig zijn hoger dan ooit”, zei ze. “Officieel wordt dat toegeschreven aan aanpassingsproblemen. Maar ik denk dat het meer is dan dat. Dat onder mannen een existentiële crisis heerst. Het gevoel dat het leven geen betekenis heeft. Dat is dodelijk voor mensen.”

Julius knikte. “En vrouwen?” vroeg hij. “Hebben zij geen existentiële crises?”

“Sommigen wel”, zei ze ten slotte. “Maar we praten er niet over. We zijn opgevoed om dankbaar te zijn voor onze perfecte wereld. Twijfel wordt gezien als ondankbaarheid.”

Het was die avond dat Julius voor het eerst besefte dat hij verliefd aan het worden was. Het besef overviel hem toen hij thuiskwam in zijn lege appartement en merkte dat hij Romee’s geur nog steeds kon ruiken – niet parfum, maar gewoon haar: zeep, koffie en iets ondefinieerbaar vrouwelijks. Het was een gevaarlijk besef. Liefde tussen mannen en vrouwen was niet verboden, maar kwam nauwelijks nog voor. De meeste vrouwen leefden in gemeenschappen met andere vrouwen en deelden de opvoeding van kinderen en andere verantwoordelijkheden zonder de complicaties van romantische liefde. Mannen leefden meestal alleen, of soms in kleine groepen. De twee werelden raakten elkaar zelden.

Julius besloot zijn gevoelens voor zichzelf te houden. Het laatste wat hij wilde was Romee’s interesse in zijn verhaal verpesten door zijn eigen emotionele behoeftes. Maar hij had niet gerekend op de reactie van andere mensen.

“Je speelt met vuur”, waarschuwde Kees toen Julius hem vertelde over de gesprekken. Ze zaten weer in café De Reiger, waar de oude mannen hun dagelijkse ritueel van bier en nostalgie voltrokken.

“Het is gewoon onderzoek”, zei Julius.

“Onzin. Ik zie hoe je kijkt als je over haar praat. En ik kan je vertellen dat dat niet goed gaat aflopen.”

“Waarom niet?”

“Omdat zij niet zoals wij is, jongen. Zij is een van hen. Ze kan misschien intellectueel interesse hebben in onze verhalen, maar ze kan niet echt voelen wat wij voelen. Dat zit er niet in, denk ik. Het is haar in elk geval nooit geleerd.”

Julius wilde protesteren, maar Kees was nog niet klaar.

“En denk je dat de anderen dat zullen accepteren? Denk je dat haar collega’s, haar vrienden, haar gemeenschap het goed zullen vinden als ze te close wordt met een van ons?”

Die waarschuwing bleek profetisch. Een week later, tijdens hun zesde gesprek, was Romee anders. Gespannen, gehaast, alsof ze ergens anders moest zijn.

“Ik heb slecht nieuws”, zei ze zonder inleiding. “Mijn supervisor wil het onderzoek stopzetten.”

“Wat?” keek Julius haar niet begrijpend aan.

“Officieel vanwege ‘onvoldoende wetenschappelijke relevantie’. Officeus…” Ze staarde naar haar handen. “Er zijn klachten gekomen. Mensen die zeggen dat ik te veel tijd besteed aan ‘nostalgische romantiek’ en te weinig aan productief onderzoek.”

“Van wie komen die klachten?”

“Van andere vrouwen in mijn vakgebied. Van de Beoordelingscommissie. Van…” Ze zuchtte. “Van mijn eigen moeder.”

Julius begreep het. Romee was in ongunstige zin opgevallen. Te veel tijd doorbrengen met mannen, te veel interesse tonen in hun verhalen, te veel vragen stellen over wat er verloren was gegaan – het paste niet bij het profiel van de moderne vrouw. Het spijt me”, zei hij. “Ik hoop niet dat ik je in de problemen heb gebracht.”

“Ik heb mezelf in de problemen gebracht. Ik te veel verkeerde vragen gesteld.” Ze perste haar lippen samen. “Maar ik ga er toch mee door.”

“Hoe bedoel je?”

“Niet officieel. Niet als onderdeel van mijn werk. Maar…” Ze pauzeerde. “Zou je het erg vinden als ik je bleef zien? Gewoon als… vrienden?”

Het woord ‘vrienden’ klonk vreemd uit haar mond, alsof ze iets anders bedoelde.

“Dat zou ik fijn vinden”, zei Julius meteen.

“Maar niet hier. Niet op kantoor. Ergens… neutraler.” Ze spraken af elkaar de volgende week te ontmoeten in het Vondelpark, bij het standbeeld van Joost van den Vondel. Een openbare plaats, schijnbaar onschuldig.

Die avond schreef hij een essay voor het forum. Hij noemde het ‘De Waarde van Onvolmaaktheid’ en schreef over hoe perfectie misschien de vijand was van menselijkheid. Hoe de chaos en onvoorspelbaarheid die mannen in de wereld brachten misschien niet alleen maar destructief waren. Hoe liefde – echte, gecompliceerde, onlogische liefde – misschien iets was wat je niet kon optimaliseren zonder het te verliezen.

Het essay werd binnen een dag duizend keer gelezen. De reacties waren heftig – zowel positief als negatief. Mannen die zeiden dat hij hun gevoelens perfect had verwoord. Maar ook vrouwen die hem ervan beschuldigden het verleden te romantiseren en de vooruitgang van de mensheid te ondermijnen.

Een van die reacties kwam van== Dr. Sarah Li, een collega van Romee: ==”Meneer Hendriks schrijft vanuit zijn eigen frustratie over irrelevantie, maar presenteert dit als universele waarheid. De masculiene ‘chaos’ waar hij naar verwijst is dezelfde chaos die leidde tot eeuwen van oorlog, onderdrukking en lijden. We zijn geëvolueerd voorbij de noodzaak van zo’n destructiviteit. Zijn nostalgie is begrijpelijk maar gevaarlijk.”

Julius merkte dat hij boos werd. Niet alleen om de inhoud van de kritiek, maar om de toon – de manier waarop Dr. Li over hem schreef alsof hij een interessant maar uiteindelijk irrelevant specimen was.

Hij wilde een reactie schrijven, maar bedacht zich. In plaats daarvan belde hij Kees.

“Ik heb je gewaarschuwd”, zei hj, toen Julius hem vertelde over de reacties. “Je trekt de aandacht. En dat is het laatste wat je wilt.”

“Waarom? Ik heb recht op een mening.”

“Natuurlijk heb je dat recht. Maar rechten hebben en rechten uitoefenen zijn twee verschillende dingen. Ze tolereren ons zolang we niet te luidruchtig worden. Maar als we beginnen te suggereren dat hun perfecte wereld misschien niet zo perfect is…”

“Dan wat?”

“Dan herinneren ze ons eraan hoe overbodig we eigenlijk zijn.”

Die nacht kon Julius niet slapen. Hij lag in bed en dacht aan Romee, aan hun gesprekken, aan het gevoel dat hij voor het eerst in jaren iemand had gevonden die hem begreep. Maar hij dacht ook aan de waarschuwingen, aan de reacties op zijn essay, aan het gevoel dat hij op een mijnenveld aan het wandelen was. Hij wist dat hij een keuze moest maken. Hij kon zich terugtrekken, zijn hoofd buigen, accepteren dat zijn rol in de wereld marginaal was en dat moest blijven. Of hij kon doorgaan met zijn vragen stellen, zijn verhalen vertellen, zijn hart volgen. De eerste optie was veiliger. De tweede was avontuurlijker. Terwijl de stad sliep, besloot Julius dat hij genoeg had van veiligheid.

HOOFDSTUK 5: IN HET PARK

5 (Aangepast)Het Vondelpark was sinds de Verschuiving weinig veranderd. De paden waren nu gemaakt van een duurzaam materiaal dat nooit hoefde te worden vervangen, en de verlichtingspalen waren vervangen door bijna onzichtbare LED-strips die zich aanpasten aan het dagritme. Maar de bomen waren nog steeds dezelfde bomen, en het gras was nog steeds groen, ook al werd het nu onderhouden door autonome robots in plaats van tuiniers.

Julius was te vroeg, zoals altijd wanneer hij zenuwachtig was. Hij zat op een bankje bij het standbeeld van Vondel en keek naar de mensen die voorbij liepen. Vooral vrouwen met kinderen. Jonge, vitale moeders, vaak in groepjes van drie of vier die samen de lasten van het ouderschap deelden. Hier en daar een enkele man die een wandeling maakte omdat hij niets beters te doen had. Een man die probeerde de dag te vullen met activiteit en beweging en frisse lucht, alsof dat zou helpen tegen het gevoel van leegte.

“Julius?”

Hij draaide zich om en zag Romee naderen. Ze droeg geen uniform vandaag, maar een eenvoudige spijkerbroek en een witte blouse – kleding die hij nog nooit eerder aan een vrouw van haar generatie had gezien. Ze zag er prachtig uit.

“Dank je dat je wilde komen”, zei ze terwijl ze naast hem ging zitten. “Ik weet dat dit een beetje ongebruikelijk is.”

“Alles aan onze situatie is ongebruikelijk”, zei Julius. “Maar ik vind het niet erg.”

Ze glimlachte, en hij zag dat ze nerveus was. Dat verraste hem. Hij voelde zich juist zo op zijn gemak bij haar, was dat andersom dan niet zo?

“Ik heb je nieuwe essay gelezen”, zei ze. “Over onvolmaaktheid.”

“En?”

“Het raakte iets in me.” Ze keek naar haar handen. “Iets wat ik niet wist dat er was.”

Ze begonnen te wandelen, langzaam, zonder doel. Romee vertelde hem over haar leven – hoe ze was opgevoed door een community van vrouwen die alles voor haar hadden gepland. Haar opleiding, haar carrière, zelfs haar vriendschappen. Hoe elke dag efficiënt en productief was, elke relatie functioneel en ondersteunend.

Ze gingen bij Café Vertigo op het terras zitten. “Het klinkt alsof je geen keuzes hebt gehad”, zei Julius.

“Ik heb alle keuzes gehad”, corrigeerde ze. “Alle goede keuzes. Alle logische keuzes. Ik kon kiezen uit alle keuzes die een rationeel persoon zou willen hebben.” Ze pakte de kaart. “Een heel menu aan verantwoorde keuzes.” Ze pauzeerde. “Maar misschien stonden er ook keuzes niet op dat menu, en had ik die ook willen zien.” Ze legde de kaart neer.

“Zullen we dan maar bestellen”, zei Julius.

Romee lachtte.

Aan een andere tafel was een groep kinderen aan het spelen waren onder toezicht van hun moeders en begeleiders. De kinderen waren stil en beleefd, speelden volgens duidelijke regels, deelden hun speelgoed zonder conflicten. Perfect gesocialiseerde mini-volwassenen. “Ze spelen zoals ze hebben geleerd te spelen. Ze zeggen wat ze hebben geleerd te zeggen. Maar waar is de… spontaneïteit?”, zei Julius.

“Spontaneïteit leidt tot problemen”, heb ik altijd geleerd, zei Romee zonder overtuiging.

“Misschien. Maar het leidt ook tot verassingen. Tot ontdekkingen. Tot…” Hij zocht naar woorden. “Tot het gevoel dat je leeft in plaats van alleen maar bestaat.”

“Is dat wat je denkt dat ik doe? Alleen maar bestaan?”, zei Romee.

Julius bloosde. “Nee, ik bedoelde niet… Ik denk dat je een van de weinige mensen bent die ik ken die echt lijkt te leven. Daarom ben ik…”

“Waarom ben je wat?”

Hij keek haar aan. Donkere ogen, intelligent en nu ook kwetsbaar. Een gezicht dat geen emoties kon verbergen.

“Daarom ben ik verliefd aan het worden op je”, zei hij.

Romee’s ogen werden groot. Van schrik? “Dat kun je niet zeggen”, fluisterde ze.

“Waarom niet?”

“Omdat…” Ze keek om zich heen, alsof ze bang was dat iemand hen zou horen. “Omdat ik hetzelfde voel.”

Het was Julius’ beurt om geschokt te zijn. Dat kun je niet. Je bent…”

“Een vrouw. En jij bent een man. Ik weet het.”

Ze stonden op en liepen het terras af, nu dichterbij elkaar. Hun schouders raakten elkaar af en toe, en elke aanraking voelde elektrisch.

“Wat doen we nu?” vroeg Julius.

“Ik weet het niet.” Romee klonk hulpeloos. “In mijn leven is alles altijd gepland geweest. Ik weet hoe ik onderzoek moet doen, hoe ik rapporten moet schrijven, hoe ik moet functioneren in de samenleving. Maar niemand heeft me ooit geleerd hoe ik moet omgaan met… dit.”

“Misschien is dat goed”, zei Julius.

Ze vonden een afgelegen bankje onder een grote eikenboom. Hier, op afstand van de andere parkbezoekers, voelde het alsof ze alleen waren in de wereld.

“Vertel me over je vader”, zei Romee plots.

“Mijn vader?”

“In al onze gesprekken heb je het gehad over je herinneringen aan hem, maar je hebt nooit echt verteld wie hij was. Hoe hij was.”

Julius dacht terug aan zijn vader. David Hendriks, advocaat bij een middelgroot kantoor in Amsterdam Zuid. Een man die elke ochtend om zeven uur opstond, zijn pak aantrok, en naar een baan ging waar hij problemen oploste en beslissingen nam en nodig was. “Hij was… aanwezig”, zei Julius langzaam. “Niet perfect. Hij had een kort lontje, hij maakte fouten, hij ergerde zich aan domme mensen. Maar als ik hem nodig had, was hij er. En hij had dat… die kracht, denk ik. Die zekerheid dat hij zijn gezin kon beschermen.”

“Beschermen waartegen?”

“Alles. De wereld. Problemen. Onzekerheid.” Julius glimlachte treurig. “Natuurlijk kon hij dat niet. Niemand kan dat. Maar het gevoel dat hij het zou proberen… daardoor voelde ik me veilig.”

Romee knikte langzaam. “Ik heb nooit zoiets gehad. Bescherming kwam van het systeem, van de gemeenschap, van de technologie. Nooit van een persoon die zich persoonlijk verantwoordelijk voelde voor mijn welzijn.”

“Mis je dat?”

“Ik wist niet dat ik het miste tot ik jou leerde kennen.” Ze keek naar hem. “Je hebt iets van je vader, denk ik. Die bereidheid om verantwoordelijkheid te nemen. Om te zorgen.”

Julius lachte bitter. “Behalve dat niemand mijn zorg nodig heeft.”

“Ik wel”, zei Romee zacht.

De woorden raakten hem diep. Hij draaide zich naar haar toe en zag dat ze meende wat ze zei. Voor het eerst in zijn volwassen leven had iemand – een vrouw – gezegd dat ze hem nodig had.

“Romee…” begon hij, maar ze legde een vinger op zijn lippen.

“Zeg niets. Niet nu. Laten we gewoon… hier zijn. Samen. Voor één middag, laten we doen alsof we gewone mensen zijn die gewone gevoelens hebben.”

Ze leunde tegen hem aan, haar hoofd op zijn schouder. Julius voelde de warmte van haar lichaam, rook haar haar, hoorde haar rustige ademhaling. Voor het eerst in jaren voelde hij zich… compleet.

Maar zelfs terwijl hij genoot van het moment, wist hij dat het niet zou duren. Ergens in de stad waren mensen die hun afwezigheid opmerkten, hun keuzes beoordeelden, hun toekomst planden. De wereld tolereerde veel, maar die tolerantie had grenzen. Hun verhaal was al bijna afgelopen voordat het goed en wel was begonnen.

HOOFDSTUK 6: ‘HET EINDE VAN DE LIEFDE’

6 (Aangepast)De eerste tekenen van onheil kwamen op maandag. Julius was op zijn werk – het administratieve baantje dat hem bezig hield zonder dat iemand zijn output echt nodig had – toen Petra onverwacht aan zijn bureau verscheen.

“Julius, ik moet je spreken. Nu.”

Haar toon was anders dan anders. Niet de getrainde professionele vriendelijkheid, maar iets kouds en formeel. Julius volgde haar naar het kantoor waar hij al die maanden geleden zijn eerste evaluatie had gehad.

“Er zijn klachten binnengekomen”, zei Petra zonder omhaal toen ze de deur achter hem sloot.

“Klachten?”

“Over je gedrag. Je… associaties.” Ze bekeek haar tablet, maar Julius had het gevoel dat ze de inhoud al uit haar hoofd kende. “Het schijnt dat je veel tijd doorbrengt met Dr. Vermeulen van het Onderzoeksinstituut.”

Julius voelde zijn hartslag versnellen. “We hebben een paar gesprekken gehad, ja. Voor haar onderzoek.”

“Haar onderzoek is stopgezet, Julius. Meer dan een maand geleden.” Petra keek hem streng aan. “En toch blijven jullie elkaar ontmoeten. In het park. Privé.”

“Hoe weet je dat?”

“Amsterdam is een kleine stad, Julius. Mensen praten. Ze maken zich zorgen.”

“Zorgen waarover?”

Petra zuchtte, alsof ze uitleg gaf aan een achterlijk kind. “Over ongepaste betrekkingen. Over het verstoren van de sociale orde. Over…” Ze zocht naar woorden. “Over gedrag dat niet bijdraagt aan het algemene welzijn.”

Julius voelde woede opkomen in zijn borst. “Gedrag zoals vriendschap?”

“Vriendschap.” Petra herhaalde het woord alsof het uit een dode taal afkomstig was. “Julius, Dr. Vermeuelen is een belangrijke wetenschapper. Ze heeft verantwoordelijkheden, een reputatie, een rol in de gemeenschap. Ze kan zich geen… complicaties veroorloven.”

“Complicaties zoals ik.”

Petra legde haar tablet neer. “Julius, ik ga je een advies geven. Als vriend, niet als je begeleidster. Stop hiermee, wat het ook is. Nu het nog kan.”

“Of wat?”

Petra haalde haar schouders op.

Julius verliet het kantoor met trillende handen. Op de gang kruiste hij een paar collega’s die hem bekeken met een mengeling van nieuwsgierigheid en afkeer. Het nieuws had zich verspreid. Hij was het gesprek van de dag geworden – de man die dacht dat hij recht had op de aandacht van een echte vrouw.

Die avond kreeg hij een bericht van Romee. Kort, formeel: “Kan morgen niet afspreken. Zal contact opnemen wanneer mogelijk.”

Julius wist wat dat betekende. Zij had ook bezoek gehad, ook waarschuwingen gekregen. En zij had meer te verliezen dan hij, dat begreep hij. Hij probeerde zich te concentreren op zijn schrijven, maar de woorden wilden niet komen. In plaats daarvan zat hij naar het scherm te staren en te denken aan hoe Romee’s hoofd op zijn schouder had gerust, aan de manier waarop ze naar hem keek alsof hij de moeite waard was, aan haar oprechte interesse in hem en wat hij deed.

Drie dagen gingen voorbij zonder bericht. Zou het wel goed met haar gaan?

Het antwoord kwam op vrijdag. Julius liep door het centrum toen hij haar zag. Ze stond bij de ingang van het Onderzoeksinstituut, pratend met twee andere vrouwen in professionele kleding. Ze droeg weer het grijze uniform van haar beroep, haar haar was strak naar achteren gekamd en het was alsof ze ‘stand by’-positie stond – de houding van iemand die belangrijke zaken te bespreken had. Voor een moment kruisten hun blikken elkaar. Julius zag pijn in haar ogen, maar ook beslissing. Ze knikte kort – een bevestiging, een afscheid, een verontschuldiging. Toen wendde ze zich af en liep het gebouw binnen met haar collega’s.

Julius begreep de boodschap. Zij had haar keuze gemaakt. Haar carrière, haar reputatie, haar plaats in de gemeenschap waren belangrijker dan wat zij samen hadden gevonden. Het was een rationele keuze, een verstandige keuze, de keuze die elke goed opgeleide en weldenkende vrouw zou hebben gemaakt. Het voelde alsof iemand een mes in zijn hart had gestoken.

Die avond schreef hij zijn langste essay tot dan toe: ‘Het einde van de liefde’, over wat er verloren ging wanneer alle menselijke relaties werden gereduceerd tot utilitaire functies. Over het verschil tussen liefde en afhankelijkheid, tussen behoefte en verlangen, tussen verbinding en efficiency. Hij schreef over een wereld waarin perfecte mensen perfecte levens leidden en er geen ruimte was voor echte, chaotische emoties. Een wereld waarin iedereen tevreden was, maar niemand echt leefde.

Het essay werd binnen uren duizenden keren gelezen en gedeeld. De reacties stroomden binnen – verhalen, steunbetuigingen, woede, verdriet, herkenning.

Hij had zijn verhaal verteld. Wat er nu gebeurde, was buiten zijn controle.

HOOFDSTUK 7: EEN AANBOD

7 (Aangepast)Julius’ essay ‘Het Einde van de Liefde’ had een effect dat hij niet had verwacht. Binnen een week ontving hij tientallen privéberichten van mannen uit heel Nederland, en zelfs enkele uit het buitenland. Verhalen van eenzaamheid, van doelloosheid, van het gevoel buitengesloten te zijn uit een wereld die zich zonder hen had heruitgevonden.

Een bericht kwam van Willem, een 42-jarige voormalige ingenieur uit Rotterdam: “Julius, je hebt verwoord wat ik al jaren probeer te begrijpen. Ik was ooit projectleider voor grote infrastructuurprojecten. Nu werk ik part-time bij het Administratieve Center en breng ik mijn vrije tijd door met kijken naar herhalingen van voetbalwedstrijden. Mijn zus vraagt waarom ik niet “gewoon blij ben met de vooruitgang.” Maar hoe kan ik blij zijn met vooruitgang die mij heeft weggeoptimaliseerd?”

Een ander kwam van Tom, 29 jaar, uit Groningen: “Ik ben opgegroeid met verhalen van mijn opa over de oorlog, over hoe mannen hun leven gaven voor hun gezin en vaderland. Nu vragen mensen me waarom ik nog steeds het gevoel heb dat ik moet strijden voor iets. Ze begrijpen niet dat dit niet ‘primitief’ is – het is mannelijk.”

Julius begon individueel te antwoorden, maar al snel werd het te veel. In plaats daarvan startte hij een nieuw project – een wekelijkse column genaamd “Brieven aan Morgen”, waarin hij reageerde op de verhalen die hij ontving en probeerde de ervaring van moderne mannelijkheid te onderzoeken zonder te vervallen in bitterheid of vrouwenhaat. De columns werden gelezen, besproken, bekritiseerd en geprezen. Julius merkte dat hij langzaam een reputatie opbouwde – niet als de wanhopige man die zich had opgedrongen aan een belangrijke wetenschapper, maar als iemand die een stem gaf aan een vergeten deel van de bevolking.

Het was na zijn vijfde column dat hij bezoek kreeg. Julius was thuisgekomen van zijn werk – zijn nutteloze, betekenisloze werk dat hij nog steeds moest doen om zijn Status te behouden – toen hij een vrouw bij zijn deur aantrof. Ze was van middelbare leeftijd, elegant gekleed in de zakelijke kleding van de Nieuwe Tijd, met grijzend haar en de autoritaire houding van iemand die gewend was gehoorzaamd te worden. “Meneer Hendriks? Ik ben Dr. Marianne de Wit, directeur van het Maatschappelijk Welzijn Instituut. Mag ik binnenkomen?”

Julius aarzelde. Bezoek van hoge overheidsfunctionarissen was zelden goed nieuws. Maar nieuwsgierigheid won het van voorzichtigheid. Dr. de Wit bekijk zijn kleine appartement met de blik van een antropoloog die een interessant specimen bestudeerde. “Comfortabel”, zei ze tenslotte. “Alles wat een mens nodig heeft.”

“Kan ik je iets aanbieden? Koffie?”

“Graag.” Ze ging zitten aan zijn kleine eettafel terwijl hij koffie zette. “Ik volg uw werk, meneer Hendriks. Interessante perspectieven.”

Julius voelde zijn sensoren prikken. “Perspectieven, inderdaad. Dank u.”

“Vooral je recente columns over mannelijke identiteit in de post-patriarchale wereld. Je raakt onderwerpen aan die… delicaat zijn.”

“Ik probeer eerlijk te zijn over mijn ervaringen.”

“Natuurlijk. En die eerlijkheid wordt gewaardeerd.” Ze nam de koffie van hem aan. “Maar eerlijkheid kan ook ongewenste gevolgen hebben. Ongewenste resonantie.” Ze glimlachte – een professionele glimlach zonder warmte. “U heeft een platform gebouwd, meneer Hendriks. Een stem gekregen. Duizenden mensen lezen uw werk, identificeren zich ermee, vinden er troost in.”

“Dat lijkt me positief.”

“Tot op zekere hoogte, ja. Maar invloed brengt verantwoordelijkheid met zich mee..”

Julius begreep waar ze heen wilde. “U maakt zich zorgen dat ik andere mannen opzet tot… wat? Rebellie?”

“Rebellie is een groot woord. Ik maak me zorgen over ontevredenheid. Over de bedreiging die dat kan vormen voor de sociale cohesie die we zo zorgvuldig hebben opgebouwd.” Ze leunde voorover. “Begrijp je, meneer Hendriks, onze samenleving werkt omdat iedereen zijn plaats accepteert. Zijn rol begrijpt en omarmt. Wanneer mensen beginnen te twijfelen aan die rollen…”

“Dan begint het systeem te wankelen.”

“Precies.” Ze glimlachte alsof hij een slimme student was die het juiste antwoord had gegeven. “En dat is niet acceptabel.”

Julius dronk van zijn koffie en dacht na. Hij had kunnen weten dat zijn nieuwe populariteit een schaduwzijde had. Hij kan kunnen weten dat hij niet meer kon schrijven wat hij wilde omdat er toch bijna niemand was die het las. Hij had kunnen weten dit gesprek er zou komen. Alleen had hij zich er in de verste verte niet op voorbereid. “Wat wilt u dat ik doe?” vroeg hij.

“Ik wil u een aanbod doen. Een kans om uw talent in dienst te stellen van de gemeenschap. Op een constructieve manier.”

“Hoe?”

Dr. de Wit haalde een tablet tevoorschijn. “Het Ministerie van Sociale Cohesie heeft een nieuwe afdeling opgericht: Narratieve Communicatie. We hebben schrijvers nodig die verhalen kunnen vertellen die de waarden van de Nieuwe Samenleving ondersteunen. ‘Storytellers’ met verhalen die laten zien hoe mannen vervulling kunnen vinden binnen hun nieuwe rollen.”

Julius staarde naar het scherm. Het was een officiële aanstelling, met een salaris dat drie keer hoger was dan wat hij nu verdiende, een kantoor in het centrum, een officiële titel: Senior Narratief Specialist.

“U wilt dat ik propaganda schrijf.”

“Ik wil dat u waardevolle verhalen vertelt die mensen helpen hun plaats in de wereld te vinden.” Dr. de Wits toon werd scherper. “In plaats van verhalen die mensen opzet tegen een systeem dat hen voorspoed en vrede heeft gebracht.”

Julius keek naar de vrouw tegenover hem. Intelligent, capabel, waarschijnlijk oprecht bezorgd om het welzijn van de samenleving. Maar er was iets in haar ogen wat hem deed denken aan Petra, aan alle vrouwen die hem met professionele vriendelijkheid hadden behandeld terwijl ze hem tegelijkertijd lieten voelen dat hij zich vooral niets moest verbeelden. Dat hij maar een man was.

“En als ik weiger?”

Dr. de Wits glimlach werd kouder. “Waarom zou je weigeren? Het is een genereus aanbod. Een kans om echt bij te dragen, om betekenis te hebben.”

“Betekenis op jouw voorwaarden.”

“Betekenis binnen de realiteit waarin we leven, meneer Hendriks.” Ze haalde haar schouders op. “Denk er even over na. maar niet te lang.”

Toen ze weg was, zat Julius lange tijd aan zijn tafel en staarde naar de plek waar ze had gezeten. Het aanbod was verleidelijk – een echte baan, goed betaald, waardering. Zaken die hij nooit had gehad sinds de Verschuiving. Maar de prijs was zijn stem. Zijn eerlijkheid. Zijn verhalen. Zijn zelfrespect.

Die avond belde hij Kees.

“Ze hebben je een aanbod gedaan dat je niet kunt weigeren”, zei hij nadat Julius hem over het verhaal had verteld.

“The Godfather”, zei Julius. “Jammer dat die film nooit meer te zien is.”

“Te mannelijk.”

“Ja. Maar wat vind je? Dat ik het aanbod dus maar moet accepteren?”

“Als je weigert, zullen ze andere manieren zullen vinden om je te stoppen. Minder plezierige manieren. Ik zei toch: ‘an offer you can’t refuse’.”

Julius dacht aan Romee, aan hoe snel ze zich had teruggetrokken toen de druk werd opgevoerd.

“Dus ik moet schrijven wat ze willen dat ik schrijf.”

“Misschien”, zei Kees. “Of misschien vind je een manier om je eigen verhaal te vertellen, zelfs binnen hun systeem. Misschien is het beter om van binnen de tent naar buiten te pissen dan van buiten naar binnen.”

Die nacht lag Julius wakker en dacht na over zijn keuzes. Hij kon het aanbod accepteren en om verhalen gaan vertellen die het systeem ondersteunden. En maar hopen dat hij subtiel genoeg kon zijn om toch zijn eigen boodschap over te brengen. Of hij kon weigeren, zijn onafhankelijkheid bewaren en waarschijnlijk zien hoe hem het zwijgen zou worden opgelegd. Ze zouden wel een weg vinden: zijn internettoegang blokkeren, sociale druk uitoefenen, hem laten verdrinken in allerlei administratieve procedures.

Beide opties voelden als een vorm van capitulatie. Maar toen herinnerde hij zich iets wat Romee had gezegd, die eerste dag in het park over kiezen: “Misschien stonden er ook keuzes niet op dat menu, en had ik die ook willen zien.” Zo was het inderdaad! Hij zag dat hij nog een keuze had. Hij kon nog één keer vrijuit schrijven, en daarna pas voorgoed zijn eigen, mannelijke stem het zwijgen opleggen of een spreekbuis van de gevestigde, vrouwelijk orde worden.

Julius begon te typen:

“Dit zal waarschijnlijk mijn laatste column zijn. Ik heb een keuze voorgelegd gekregen die geen keuze is: mijn stem kwijtraken of verkopen. Maar voordat dat gebeurt, wil ik jullie vertellen over liefde en verlies.

Het werd zijn langste, meest persoonlijke stuk ooit. Hij vertelde over Romee zonder haar naam te noemen, over hun gesprekken en hun verbinding en hoe die was weggenomen door een systeem dat geen ruimte had voor onpraktische emoties. Hij schreef over zijn vader en wat het betekende om een man te zijn die andere mensen wilde beschermen en zorgen, zelfs als die zorg niet langer nodig was.

Hij schreef over waardigheid, over overwinningen, over nederlagen, over hoop en acceptatie, over het verschil tussen leven en overleven.

Toen hij klaar was, was het bijna ochtend. Julius las het stuk nog een keer door, verbeterde enkele zinnen, en drukte toen op ‘publiceren.’

HOOFDSTUK 8: EEN TRIOMFANTELIJKE OVERGAVE

8 (Aangepast)Dr. de Wit was niet blij.

Ze stond de volgende ochtend om acht uur bij Julius’ deur, haar gezicht een masker van gecontroleerde woede. Achter haar stonden twee – wat waren het? bewakers, uitsmijters, bodyguards? – mannen in elk geval. Ze droegen de donkere pakken van de Sociale Dienst. Ze waren niet gewelddadig, maar er ging onmiskenbaar een dreiging van hen uit. Daarvoor werd dit soort mannen ook ingehuurd.

“Meneer Hendriks”, zei ze terwijl ze zijn appartement binnenstapte zonder uitnodiging. “Uw laatste publicatie was onverstandig”, vervolgde Dr. de Wit. “Zeer onverstandig.”

“Ik heb mijn waarheid verteld.”

“Uw waarheid.” Ze sprak het woord uit alsof het smaakte naar iets walgelijks. “Weet u hoeveel reacties uw ‘waarheid’ heeft opgeleverd? Hoeveel mannen zich nu afvragen of hun leven wel betekenis heeft? Hoeveel lastige vragen er worden gesteld?”

Julius zweeg.

“U bent een gefrustreerde man van middelbare leeftijd die nostalgie verkoopt als filosofie. U bent geen denker, geen leider, geen visionair. U bent gewoon teleurgesteld en daarmee aandacht probeert te trekken.”

De woorden troffen doel, want ze bevatten een kern van waarheid. Julius was teleurgesteld. Teleurgesteld in zichzelf, in zijn leven, in de wereld die hem geen plaats bood. “Misschien”, zei hij. “Maar ik ben niet de enige.”

“Nee, dat bent u niet.” Dr. de Wit ging zitten, haar bewegingen scherp en gecontroleerd. “Ontevreden mensen zoeken elkaar op. En dat kan gevaarlijk zijn. Volgende week in Rotterdam is er al een bijeenkomst gepland. Naar aanleiding van uw schrijven. Twee honderd mannen die samen willen komen om te praten over hun ‘verloren identiteit’ en hun ‘weggenomen waardigheid’.” Ze zuchtte.

Julius wist daar niets van. Het idee dat zijn woorden mensen ertoe hadden aangezet om elkaar op te zoeken, om samen te komen, verontrustte en bemoedigde hem tegelijk. “Ze staan toch in hun recht?”

“Natuurlijk. Maar bijeenkomsten van ontevredene mannen hebben historisch gezien de neiging te… escaleren.”

Julius dacht aan de geschiedenis waar ze naar verwees. Aan hoe groepen mannen in het verleden hadden gereageerd op maatschappelijke veranderingen die hun positie bedreigden. Geweld, onderdrukking, oorlog.

“Het zijn geen terroristen”, zei hij. “Het zijn gewoon mannen die willen praten.”

“Vandaag praten. Morgen…” Dr. de Wit maakte een vaag gebaar.

Julius keek naar de vrouw tegenover hem. Ze was intelligent, toegewijd, waarschijnlijk oprecht bezorgd om het welzijn van de samenleving. Maar ze begreep niet – kon niet begrijpen – wat er verloren was gegaan in de naam van die veiligheid.

“Wat wilt u dat ik doe?” vroeg hij.

Dr. de Wit haalde een tablet tevoorschijn. “Ik wil dat u deze verklaring publiceert. Een rectificatie, zo u wilt. Waarin u erkent dat uw recente publicaties voortkwamen uit persoonlijke frustratie in plaats van objectieve analyse. Waarin u andere mannen aanraadt om vervulling te zoeken binnen de bestaande structuren in plaats van te verlangen naar een verleden dat nooit zo perfect was als de herinneringen suggereren.”

Julius las de concept-verklaring. Het was geschreven in zijn stijl, maar de boodschap was duidelijk: hij was fout geweest, het systeem was goed, mannen moesten hun plaats accepteren en dankbaar zijn voor de voorzieningen die hun werden geboden.

De WIt zag dat hij aarzelde. “Denk er maar even over na.”

Julius dacht aan alle mannen die hem hadden geschreven, die hadden gezegd dat zijn woorden hen hadden geholpen. Hij dacht aan de bijeenkomst in Rotterdam, aan twee honderd mannen die elkaar wilden ontmoeten omdat zijn verhalen hen hadden geraakt. Hij dacht aan Romee, die haar eigen waarheid had opgegeven voor veiligheid.

Toen ze weg waren, zat Julius lange tijd in stilte. Het appartement voelde kleiner aan, alsof de muren dichterbij waren gekomen. Buiten was het een mooie dag – de zon scheen, kinderen speelden in het park, transport pods gleden geruisloos door de schone lucht. Een perfecte dag in een perfecte wereld.

Julius pakte zijn computer en begon te schrijven. Een brief. Aan alle mannen die hem hadden geschreven, die zijn verhalen hadden gelezen, die hadden gevonden wat hij had gevonden: een stem voor hun eigen verhaal.

Vrienden,

Morgen zal ik waarschijnlijk een verklaring publiceren waarin ik alles wat ik de afgelopen maanden heb geschreven herroep. Ik zal zeggen dat ik fout was, dat het systeem goed is, dat we dankbaar moeten zijn voor onze plaats daarbinnen.

Ik zal dit doen omdat ik geen andere keuze heb. Omdat het alternatief is dat mijn stem helemaal wordt weggenomen, en dan kan ik jullie niet meer bereiken.

Maar voordat dat gebeurt, wil ik jullie dit zeggen: jullie gevoelens zijn echt. Jullie verdriet is geldig. Jullie verlangen naar betekenis, naar verbinding, naar de mogelijkheid om te zorgen en beschermd te worden en lief te hebben – dat alles is menselijk en waardevol.

We leven in een wereld die ons heeft verteld dat we overbodig zijn. Misschien is dat waar. Misschien zijn we inderdaad de laatste van onze soort, dinosauriërs die rondwandelen in een wereld die ons heeft overleefd.

Maar dinosauriërs waren ook ooit machtig. Ze bouwden geen beschavingen, maar ze leefden wel. Ze hadden hartstocht en woede en liefde. Ik wens jullie dat ook allemaal toe. Dat is wat ons – mannen én vrouwen – menselijk maakt.

*Met respect en solidariteit,

Julius*

Hij verzond de brief naar iedereen op zijn mailinglijst, publiceerde hem op het forum, deelde hem op elke platform die hij kon vinden. Binnen een uur was hij duizenden keren gedeeld.

Toen pakte hij de concept-verklaring die Dr. de Wit had achtergelaten, las hem nog een keer door, en ondertekende hem.

Het was zijn laatste daad van rebellie: zich overgeven op zo’n manier dat de overgave zelf een vorm van verzet werd.

HOOFDSTUK 9: HET LAATSTE GESPREK

9 (Aangepast)Drie weken later zat Julius in café De Reiger toen Romee binnenkwam.

Hij had haar niet meer gezien sinds die dag bij het Onderzoeksinstituut, toen ze hem had aangekeken met die mengeling van pijn en vastberadenheid. Nu droeg ze weer burgerkleding – spijkerbroek en een eenvoudige blouse, net zoals die dag in het park. Maar er was iets anders aan haar. Iets wat hij eerst niet kon plaatsen.

Ze bestelde een glas wijn en kwam naar zijn tafel. “Mag ik?”

Julius knikte, te verrast om te spreken.

“Ik heb je brieven gelezen”, zei ze zonder omhaal. “De laatste en… de voorlaatste.”

“Romee, ik…”

“Nee, laat mij eerst praten.” Ze nam een slok wijn, haar handen licht trillend. “Ik ben gekomen om me te verontschuldigen.”

“Waarvoor?”

“Voor het feit dat ik je heb laten vallen. Voor het feit dat ik heb gekozen voor mijn veiligheid boven onze… vriendschap.” Ze keek naar haar handen. “Voor het feit dat ik een lafaard ben geweest.”

Julius voelde iets in zijn borst samentrekken. “Je was niet laf. Je was praktisch. Je deed wat elke rationele persoon zou doen.”

“Rationeel.” Ze lachte bitter. “Ja, dat was het.”

Ze was stiller geworden, merkte hij op. Minder zelfverzekerd. Alsof iets in haar was gebroken en weer samengevoegd, maar niet helemaal goed gelijmd.

“Wat is er gebeurd?” vroeg hij zacht.

“Na onze… na die tijd samen… werd ik ondervraagd door mijn supervisors. Niet agressief, begrijp me niet verkeerd. Zeer professioneel, zeer bezorgd om mijn welzijn.” Haar stem kreeg een scherpe klank. “Ze maakten duidelijk dat mijn associatie met jou schadelijk was voor mijn reputatie. Dat een vrouw van mijn kaliber zich niet kon permitteren geassocieerd te worden met… nostalgische romantiek.”

“En je gaf hun gelijk.”

“Ja.” Ze keek hem aan, en hij zag tranen in haar ogen.

“Ik kan het je niet kwalijk nemen.” Julius reikte over de tafel en raakte haar hand aan. Ze trok hem niet terug.

“En nu?” vroeg hij.

“Nu…” Ze haalde diep adem. “Nu besef ik dat ik al uitgestoten was. Ik was alleen te bang om het toe te geven.” Ze vertelde hem over de afgelopen weken. Hoe ze had geprobeerd terug te keren naar haar oude routine, haar oude werk, haar oude leven. Maar het paste niet meer. Haar onderzoek voelde zinloos, haar collega’s oppervlakkig, haar hele bestaan een soort theater waarin zij een rol speelde die niet meer bij haar paste.

“Ik bleef denken aan onze gesprekken”, zei ze. “Aan de manier waarop je keek als je over de band met je vader vertelde, of over vriendschap of over liefde. Alsof die dingen werkelijk bestonden in plaats van alleen maar concepten waren.”

“Ze bestaan.”

“Ik weet het. Dat is het probleem.” Ze glimlachte door haar tranen heen. “Ik kan niet meer doen alsof ze niet bestaan. Dat ik er niet naar verlang.”

Julius voelde hoop opkomen in zijn hart, maar probeerde voorzichtig te blijven. “Wat ga je doen?”

“Ik weet het niet. Mijn positie bij het Instituut wordt ‘geëvalueerd’. Blijkbaar zijn er vragen gerezen over mijn ‘professionele focus’ en ‘onderzoeksprioriteiten’.” Ze lachte. “Het schijnt dat enkele van mijn recente publicaties twijfels zaaien over de psychologische effecten van de nieuwe opvoedingsmethoden.”

“Publicaties?”

“Onderzoek naar emotionele deprivatie in post-reproductieve samenlevingen. Data over verhoogde angst- en depressiecijfers onder vrouwen van de nieuwe generatie. Statistieken over...” Ze aarzelde. “Over het verlies van empathie en emotionele complexiteit in de derde generatie na de Verschuiving.”

Julius staarde haar aan. “Je hebt onderzoek gedaan naar…”

“Naar wat er mis is met ons. Naar wat we hebben verloren toen we alles ‘oplosten’.” Haar stem werd zachter. “Jij was niet de enige die vragen stelde, Julius. Jij was alleen de enige die eerlijk genoeg was om ze hardop te stellen.”

Ze praatte een uur, vertelde over haar onderzoek, over de vrouwen die ze had geïnterviewd, over de kinderen die emotioneel vlak waren, geen diepe gevoelens hadden, die excelleerden in allerlei technische vaardigheden maar moeite hadden met empathie, creativiteit, spontaneïteit.

“Wat gebeurt er als je onderzoek wordt gepubliceerd?”

Romee schudde haar hoofd. “Het wordt niet gepubliceerd. Het wordt ‘verder onderzocht door ervarener onderzoekers’ en dan verdwijnt het in een bureaucratisch zwart gat.” Ze dronk haar glas leeg. “Net zoals ik waarschijnlijk ook zal verdwijnen.”

“En dan?”

“Dan weet ik het niet. Ik heb mijn hele leven geleefd volgens de regels. Ik weet niet hoe ik moet leven zonder.”

Julius dacht aan zijn eigen ervaringen de afgelopen weken. Na zijn publieke herroeping was zijn leven kalmer geworden. Hij deed zijn administratieve werk, kreeg geen bezoek meer van sociale werkers, ontving zelfs weer een positieve evaluatie van Petra. Het systeem had hem vergeven voor zijn uitstapje, zolang hij zich maar koest hield.

“Misschien”, zei hij langzaam, “is niet weten hoe je moet leven de enige manier om echt te leven.”

Romee keek hem aan, en voor het eerst in weken zag hij een glimp van de vrouw die hij in het park had ontmoet. Nieuwsgierig, kwetsbaar, echt.

“Julius”, zei ze, “kan ik je iets vragen? Iets wat ik me al weken afvraag?”

“Natuurlijk.”

“Als je alles opnieuw kon doen… onze gesprekken, onze tijd samen, alles wat erna kwam… zou je dan dezelfde keuzes maken?”

Julius dacht erover na. Alles wat er was gebeurd – de liefde en het verlies, de hoop en de teleurstelling, de prijs die ze beiden hadden betaald. “Ja”, zei hij uiteindelijk. “Natuurlijk. Ik heb geen moment spijt.”

Romee knikte langzaam. “Dat dacht ik al.” Ze stond op. “Julius, ik ga weg. Uit Amsterdam, uit Nederland. Ik heb familie in Canada, in een van de gebieden waar de Verschuiving minder volledig is geweest. Waar er meer vrijheid is.”

Julius voelde een lichte paniek opkomen. “Wanneer?”

“Volgende week.” Ze aarzelde. “Ik vroeg me af… zou je mee willen gaan?”

De vraag kwam als een schok. Julius staarde haar aan, niet zeker of hij het goed had gehoord.

“Het zou niet makkelijk zijn. We zouden opnieuw moeten beginnen, zonder garanties, zonder het veiligheidsnet van het systeem. En we weten niet eens zeker of…” Ze bloosde. “We weten niet zeker wat we voor elkaar betekenen.”

Julius dacht aan zijn leven hier. Zijn appartement, zijn nutteloze baan, zijn Status als getolereerd maar irrelevant persoon. Hij dacht aan alle mannen die zijn verhalen hadden gelezen en zich minder alleen hadden gevoeld. Hij dacht aan de brieven die nog steeds binnenkwamen, de verhalen die nog moesten worden verteld.

“Ik kan niet”, zei hij uiteindelijk.

Romee knikte, alsof ze dat antwoord had verwacht. “Omdat je hier nodig bent.”

“Omdat ik hier thuishoor. Goed of slecht, dit is mijn wereld.” Hij keek haar aan. “Maar jij hoort hier niet meer thuis, hè?”

“Nee”, zei ze zacht. “Ik denk dat ik hier nooit echt thuis heb gehoord. Ik was alleen te bang om dat toe te geven.”

Ze omhelsden elkaar bij de deur van het café. Niet als geliefden, maar als twee mensen die elkaar hadden leren kennen in een wereld waar dat niet de bedoeling was geweest.

“Schrijf me”, zei Romee.

“Dat mag ik niet. Corresponderen met emigranten wordt ontmoedigd.”

“Dan schrijf ik jou. Van tijd tot tijd. Om je te laten weten hoe het is om vrij te zijn.”

Julius keek haar na terwijl ze wegliep. De avond in, zijn leven uit.

EPILOOG: VIJF JAAR LATER

epiloog (Aangepast)Julius zat in zijn nieuwe kantoor – een kleine ruimte in het Community Center waar hij nu werkte als ‘Welzijnscoördinator’ – en las de brief die die ochtend was aangekomen. De envelop had geen afzender, maar hij herkende het handschrift.

Beste Julius,

Het is lente hier in British Columbia, en ik zit op de veranda van het kleine huisje dat ik heb gekocht buiten Vancouver. Het is niet perfect – het dak lekt een beetje, de verwarming doet het niet altijd, en de tuin is een chaos van onkruid en wilde bloemen. Het bevalt me uitstekend.

Ik werk nu als freelance onderzoeker, voornamelijk voor kleinere organisaties die zich bezighouden met de psychologische gevolgen van technologische utopieën. Het betaalt niet veel, maar het is dankbaar werk. Vorige maand heb ik mijn eerste paper gepubliceerd over emotionele authenticiteit in post-Verschuiving gemeenschappen. Een hele mond vol, maar je snapt wel waar het over gaat. Het is gelezen door twaalfhonderd mensen over de hele wereld. Niet veel vergeleken bij jouw bereik en al helemaal niets vergeleken bij de miljoenenoplagen van de officiële rapporten, maar ik mag niet klagen. Deze twaalfhonderd begrijpen wat ik probeer te zeggen.

Ik lees je nieuwe essays gevolgd via de undergroundnetwerken. Ja, ik weet dat je nog schrijft, al ben je dan officieel gestopt. Ik herken je stijl, je onderwerpskeuzes, je redeneertrant. Weet dat jouw publicaties nog hun weg vinden naar mensen die ze nodig hebben. Je verhalen worden vertaald en gedeeld in plaatsen waar de Verschuiving minder totaal is geweest – Oost-Europa, delen van Afrika, rurale gebieden in Noord-Amerika.

Er zijn meer mensen zoals wij dan je denkt, Julius. Mensen die vragen stellen, die weigeren te accepteren dat efficiency hetzelfde is als geluk, die willen leven zoals zij dat willen.

Ik heb een man ontmoet – David heet hij – die net als jij een journalist was voordat zijn wereld veranderde. Hij is gevlucht uit Scandinavië, waar de Verschuiving nog radicaler was doorgevoerd dan bij ons – bij jullie, moet ik zeggen. We praten veel, wandelen samen, delen verhalen over wat we hebben verloren en wat we hebben gevonden. Het is geen grote liefde, niet zoals met jou. Maar we voelen genegenheid voor elkaar, en dat is meer dan ik ooit had gedacht weer te kunnen hebben.

Ik denk nog steeds aan onze tijd samen, aan onze gesprekken in het park, aan het gevoel dat ik voor het eerst in mijn leven wakker was. Dat gevoel is gebleven, Julius. Het verdween niet toen ik vertrok.

Ik hoop dat je weet hoeveel dat voor me betekent. En ik hoop dat je weet dat de keuze om te blijven, om je plek op te eisen in een wereld die je niet wilde – dat die keuze even moedig was als mijn keuze om te vertrekken.

Misschien nog wel moediger.

*Met liefde en dankbaarheid,

Romee*

Julius vouwde de brief zorgvuldig op en legde hem in de la waar hij Romee’s andere brieven bewaarde. Er waren er nu zeven, aangekomen over de loop van vijf jaar, elk een glimp van een leven dat anders had kunnen zijn.

Hij was niet bitter. Hij had zijn eigen weg gevonden, zijn eigen vorm van betekenis. Het Community Center was niet het Onderzoeksinstituut, en zijn werk als welzijnscoördinator was niet zo prestigieus als schrijven. Maar hier, in gesprekken met mannen die worstelden met hetzelfde gevoel van vervreemding dat hijzelf had gekend, vond hij iets wat op vervulling leek.

De officiële statistieken toonden aan dat mannelijke zelfmoordcijfers aan het dalen waren. Julius wist dat zijn kleine, onofficiële gesprekscirkels daar een rol in speelden. Niet veel, misschien, maar genoeg.

Hij keek uit zijn raam naar de stad buiten. Amsterdam was nog steeds schoon, efficiënt, vredig. Kinderen speelden nog steeds onder het toezicht van hun moeders. Transportpods gleden nog steeds geruisloos door de lucht.

Maar als je wist waar je moest kijken – in de oude cafés, op de undergroundforums, in de kleine groepjes mannen die elkaar vonden op parkbankjes en in community centers – kon je tekenen zien van iets anders. Niet rebellie, niet revolutie, maar iets subtielers. Weerstand door volharding. Verhalen die bleven worden verteld, ook al wilde niemand ze horen.

Julius pakte zijn pen en begon te schrijven aan zijn antwoord op Romee’s brief. Hij zou haar vertellen over zijn werk, over de mannen die hij had geholpen hun stem terug te vinden, over de kleine overwinningen en nederlagen die zijn dagen vulden.

En misschien, als hij eerlijk was, zou hij haar vertellen dat hij nog steeds van haar hield. Niet met de hartstocht van vijf jaar geleden, maar met dankbaarheid voor wat ze hem had geleerd over moed, over keuzes, over wat het betekende om mens te zijn in een wereld die menselijkheid had weggeoptimaliseerd. Julius glimlachte en schreef verder. Straks misschien nog stiekem een blogpost?

EINDE

Beelden (geïnspireerd op het werk van de feministische pop-art van Pauline Boty): zelf gebakken met ChatGPT.

Logo voor de Science Fiction en Romantiek-reeks: zelf gebakken met ChatGPT

Deel:

Geef een reactie