Bas en ik

Voor het eerste nummer van Nani Ka werden Bas van der Schot (tekeningen) en Jan Bletz (tekst) aan elkaar gekoppeld door uitgever Akimoto. Een verslag van deze vruchtbare (non)samenwerking.

‘Filosofie op Havo-VWO’, staat er onderaan een plaatje van schoolbord. Op het bord zelf lezen we: ‘1. Wie ben ik?’ En daarnaast zien we de juf, de armen over elkaar. ‘Niet afkijken, Marjolein!’, zegt ze.

Nog een plaatje. ‘Mental coach’ staat eronder. Een op sterven na dode oude man klampt een stoel vast, om niet weggeblzen te woorden door het gebrul van een Anton Geesink-achtige verschijning: ‘EN ALS HET LEVEN GEEN ZIN HEEFT, DAN MAAK JE MAAR ZIN!’

Nog eentje dan. Een ‘Derrida-werkgroep’ heeft een bijeenkomst belegd. Over de tafel worden geërgerde blikken uitgewisseld. Irritatie alom over een van de deelnemers, een man die wij alleen van achteren zien. ‘Verdomme Willem. Denk nou eens deconstructief mee.’

En zo heb ik nog vele tekeningen van Bas van der Schot in huis hangen. Ik ken hem sinds hij voor Filosofie Magazine werkt, een blad met een kleine oplage maar een hoog soortelijk intellectueel gewicht. Een blad waar Bas van der Schot volkomen op z’n plaats is, met z’n bevrijdende, Monty Python-achtige humor: altijd to the point, luchtig, nuchter en ter zake doend. De laatste jaren kom ik hem ook elders tegen, de laatste tijd vooral in NRC Handelsblad.

Ik vind zijn werk daarvoor wat minder dan voor Filosofie Magazine; hij kan m.i. als geen ander een tijdloos verhaal een actuele draai geven, terwijl hij enige moeite heeft om actueel nieuws te verluchtigen. Maar, begrijp me niet verkeerd: ook zijn werk voor NRC Handelsblad is geweldig, zoals alles wat uit zijn handen komt. Bas van der Schot is briljant.

En met die briljante Bas van der Schot zou ik gaan samenwerken. Ik, Jan – my name is nobody – Bletz. Ik en Bas van der Schot. Pardon, Bas van der Schot en ik.

Wat een enorm vriendelijk gebaar van Akimoto om ons te koppelen voor de eerste editie van Nani Ka. Wat was ik dankbaar, toen ik het hoorde. Wat was ik vereerd. Als ik ergens was, en er lag een NRC Handelsblad op tafel, sloeg ik de krant open op de pagina waarop een tekening van Bas van der Schot stond. Met de maker hiervan ga ik samenwerken, zei ik dan.

Flutverhaal

Tot ik uit de hoogte neerviel. Bas van der Schot en ik? Hoe had ik me dat dan voorgesteld? Wat zou mijn inbreng dan moeten zijn? Bas van der Schot kan met het grootste gemak op bestelling een briljante cartoon afleveren, maar ik? Om samen te werken, moet je elkaar versterken. Iets kunnen wat de ander niet kan. En, zeker zo belangrijk, je moet ook iets niet kunnen, ergens niet in excelleren – terwijl je partner daar juist in uitblinkt. De lamme helpt de blinde, inderdaad. En Bas van der Schot is allerminst lam, en in het geheel niet blind. Bas van der Schot redt zich wel. Hij heeft niemand nodig. Mij al helemaal niet – een soort omgekeerde Bas van der Schot: waar hij de ene na de andere tekening maakt waar de wereld prijs op stelt, maak ik teksten waar werkelijk niemand op zit te wachten. Man, wat had ik me verbeeld?

Of kon ik misschien toch wel enige ‘toegevoegde waarde’ toevoegen? Je wist maar nooit. Misschien dat hij het juist prettig vond om met mij te werken. Hitchcock verfilmde ook liever een flutverhaal van een onbekende schrijver dan een literair hoogstaande roman van een succesauteur, omdat hij dan zelf makkelijker z’n stempel kon drukken op de film. Misschien dat Bas van der Schot mijn Hitchcock kon zijn, en ik zijn flutschrijver? Misschien…

Intussen waren al enkele weken verstreken na de uitnodiging van Akimoto. Moest ik afwachten tot Bas met mij contact opnam – playing hard to get? Of zou het juist beter zijn om hem zelf te benaderen? Me niet te veel blootgeven, natuurlijk, niet alle kaarten op tafel leggen, wel iets van interesse laten doorschemeren, maar hem niet meteen afschrikken met mijn mateloze bewondering. Ik besloot er een mailtje aan te wagen. Dat ik wel wat wilde schrijven. Of misschien dat hij wat wilde tekenen, dan schreef ik er wel een begeleidend verhaal bij – wat hij maar wilde. Afstandelijk en zakelijk. ‘I’m your greatest fan’, dacht ik terwijl ik op ‘send’ drukte. En weg was mijn beleefde bedelbrief, in een flits door cyberspace. En nog voor mijn hart een slag had kunnen overslaan bereikte mijn mailtje met een missie de inbox van Bas van der Schot.

Aansprekend

Ik wachtte.

En wachtte.

Weken later kwam het antwoord:

Dag Jan

Excuus voor late reactie, ik zit nu in Berlijn.

Bedankt voor je mail.

Het voorstel voor het nieuwe blad klonk heel aansprekend. Alleen heb ik angst dat ik te weinig tijd heb voorafgaand aan de eerste deadline om iets goeds te maken. Ik ga namelijk half januari naar NY en Washington om getekende reportages te maken (o.a over Obama-inauguratie). Nog veel te doen vooraf.

Had jij op zich iets in je hoofd?

groet

Bas

Wat bedoelde hij met dat ‘op zich’?, vroeg ik me af. Ik herinnerde me een cartoon van Bas van der Schot, gemaakt voor het filosofencafé Felix & Sofie. Een paar jongens – naar we mogen aannemen filosofiestudenten – spreken hun bewondering uit voor een vrouw naast hen: “Lekker ding an sich.”

‘Op zich’ had ik niets in mijn hoofd. Maar dat mocht ik hem natuurlijk niet laten weten. Hij moest me zien als een sparring partner, had ik bedacht.

Er zijn vele soorten samenwerkingsverbanden, maar twee soorten springen er uit: het type ‘Jagger en Richards’ (Rolling Stones) en het type ‘Lennon en McCartney’ (Beatles). Richards en Jagger werken meestal afzonderlijk van elkaar. De nummers schrijven ze bijvoorbeeld ieder voor zich, Keith Richards de meeste. Voor Richards is Jagger een soort instrument om zijn nummers uit te voeren. Geen wonder dat de soloplaten van Richards klinken als de Stones maar dan met een verkeerde zanger. Lennon en McCartney inspireerden elkaar over en weer, en zelfs als ze niet samen met elkaar schreven, waren hun nummers het resultaat van een al dan niet opzettelijke gezamenlijke inspanning: omdat ze geschreven waren met elkaar in gedachten, bijvoorbeeld, of omdat de nummers waren samengesmeed uit elementen fragmenten van de afzonderlijke componisten (We can work it out, bijvoorbeeld. Hoofdzakelijk een compositie van McCartney, maar de ‘middle eight’ – “Life is very short…” – is van Lennon). Geen wonder dat de soloplaten van Lennon en McCartney zo anders klinken dan de platen van de Beatles. Het geheel was in hun geval meer (of in elk geval anders) dan de samenstellende delen.

Zo’n Lennon en McCartney-achtige samenwerking zouden Bas en ik misschien ook kunnen hebben, hoopte ik. Ik begreep best dat hij het druk had, maar wellicht dat we elkaar toch konden inspireren. Elkaar af en toe zien, bellen of mailen – dat moest toch mogelijk zijn? Wie weet welke artistieke hoogten we konden bereiken!

En ik mailde hem weer. Dat ik wel een artikel kon schrijven over het (door de kredietcrisis en alle financiële schandalen geschonden) vertrouwen in de samenleving en hoe dat te herstellen.Of over fraude. Mensen met een winnaarsmentaliteit spelen nu eenmaal vals, is mijn theorie. Wil je het valsspelen tegen gaan, dan zul je hiertegen moeten optreden. Maar niet verbaasd zijn dat die winnaars valsspelen. En valsspelen al helemaal niet veroordelen, want dan zou je ook tegen een winnaarsmenatliteit moeten zijn. Of wilde Bas dat ik wat zou schrijven over maatschappelijk verantwoord ondernemen, of dat nu wel of niet goed is voor de winstgevendheid van een onderneming? Een thema waar we de komende jaren nog veel over zullen horen.

Tegenslagen

Het antwoord liet deze keer slechts een weekje op zich wachten:

Excuus voor late reactie, Jan

Mooie onderwerpen. Alleen heb ik momenteel teveel aan mijn hoofd om iets goeds te maken, vrees ik. Tegen Gijsbert heb ik ook al gezegd dat ik dit nummer verstek laat gaan.

Over de hebzucht heb ik voor NRC iets gemaakt.

Veel inspiratie en geluk in 2009

Bas

Bijgesloten was een echte Van der Schot. Obama zweeft als een engel boven een optocht van allerlei figuren die in 2008 het nieuws domineerden. Voorop lopen zo te zien zakenbankiers. Lopen ze nieuwe bonussen achterna? Of stuurt Obama ze het beloofde land uit? Een intrigerende illustratie van een presidentiële tekenaar! De Lennon in mij (of is het de McCartney) roerde zich.

Dus ik mailde:

Ok, jammer. Maarreh: kunnen wij dat plaatje niet gebruiken? Ik schrijf er wel een verhaal omheen. Waarom bonussen niet werken of zo.

Jan

De McCartney (of is het Lennon) in Bas voelde zich echter niet aangesproken:

Van mij mag het natuurlijk, maar ik weet niet wat de uitgever ervan vindt. Het is dan niet meer exclusief.

Goed uiteinde!

B

Waarom ondertekent hij nu opeens met het afstandelijke B en niet gewoon met Bas?, vroeg ik me af. Had ik iets verkeerd gezegd, gedaan of juist nagelaten? Ik zette me aan het schrijven, om de broze relatie met Bas te herstellen. Waarom de relatie nu al afkappen, terwijl we nog niet eens echt samen iets hadden?

Het verhaal over ‘waarom bonussen niet werken of zo’ is er niet gekomen. En misschien heb ik ook niet aan het verzoek van Akimoto voldaan. Maar op een bepaalde manier heb ik toch echt met Bas van der Schot samengewerkt. Zonder hem had ik dit artikel in elk geval nooit kunnen schrijven.

Jan Bletz (en volgens mij ook Bas van der Schot)

(Opdracht Nani Ka)

 

Deel:

Geef een reactie