De levensbeëindigingsassistent (Een Sci-Fai / Komedie)

Maarten van Dijk (66) is klaar om te sterven. De papieren zijn geregeld, de datum geprikt. Er is alleen één probleem: eerst moet hij drie maanden samenwonen met RON-7, een robot die hem moet bewijzen dat het leven nog de moeite waard is.
Bingo-avonden, schilderlessen, rampzalige dates – Maarten doorstaat het allemaal met het geduld van iemand die weet dat het binnenkort voorbij is. Tot RON-7 begint te veranderen. De opgewekte levensbeëindigingsassistent wordt steeds somberder, alsof hij het niet meer ziet zitten.
HOOFDSTUK 1: CONFORM DE WET VOLTOOID LEVEN
Maarten van Dijk zat aan zijn keukentafel en dacht dat dinsdag de treurigste dag van de week was. Niet maandag, want dan was er hoop dat de week iets zou brengen. Niet woensdag, want dan had je de helft van de week achter de rug. Niet donderdag, want dan was het bijna vrijdag en als het eenmaal vrijdag was, dan kon je opgelucht zijn dat de week erop zat. Maar dinsdag? Dinsdag wist je dat de week niets zou brengen, maar had je nog dagen te gaan.
Hij scheurde de envelop open. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Officieel stempel. Hij wist wat erin stond voordat hij las.
Geachte heer Van Dijk,
Naar aanleiding van uw aanvraag onder de Wet Voltooid Leven (WVL 2043/artikel 7, lid 3) hebben wij uw dossier beoordeeld. Uw aanvraag is goedgekeurd onder voorwaarde van naleving van het Reïntegratieprotocol zoals vastgelegd in artikel 12.
Uw levensbeëindigingsassistent (LEA-unit type RON-7) wordt volgende week dinsdag tussen 09:00 en 17:00 uur bezorgd door PostNL. U ontvangt een track-and-trace-code.
Hij las het drie keer. De derde keer bleef hij hangen bij ’type RON-7′. Wat was dat nou weer? En was RON-6 niet goed genoeg? Of was RON-6 juist te goed geweest in z’n werk als levensbeëindigingsassistent?
Maarten vouwde de brief netjes op en legde hem op de stapel andere post: een acceptgiro van Eneco, een folder van de Lidl, een aanbieding voor seniorenkorting bij de kapper. Wat had een mens verder ook nodig?
Hij liep naar het koffiezetapparaat. Het ding was twintig jaar oud, rommelde en sputterde, maar maakte nog steeds koffie. Goed uitgezocht door Marleen: het apparaat had haar overleefd en zou hem ook overleven. Meer kon je van een koffiezetapparaat niet vragen.
Aan de muur hingen drie foto’s in lijstjes van de Action. Eentje van hemzelf en Marleen op vakantie in Rome, voor het Colosseum, samen met een man die zich als gladiator had uitgedost. Die man zou nu ook wel niet meer leven. Eentje van Lisa als kind, met vlechten en een wijsvinger in haar neus. Eentje van hun drieën bij een of ander verjaardagsfeest. Alledrie hielden ze hun glazen in de lucht, alsof ze proostten op het leven. De foto lijstjes hingen scheef, maar Maarten kon zich er niet toe zetten ze recht te hangen.
Op de ijskast hing zijn agenda. Leeg. Geen afspraken bij de huisarts, geen bridge met buren, geen bezoek van Lisa. Hij noteerde voor volgende week dinsdag: ‘RON-7 bezorging 9-17u’. Gewoon een lege kalender met track-and-trace.
Hij dronk zijn koffie op. Die smaakte naar niets. Misschien was dat koffiezetapparaat toch geen lang leven meer beschoren.
“Hoi pap.” “Hoi Lisa.” “Hoe is het?” “Goed.” “Mooi.” Stilte. Hij hoorde achtergrondgeluiden. Een kantoor, waarschijnlijk. Mensen die dingen deden die er toe deden. Lisa werkte bij Accenture of McKinsey of een van die bedrijven met zo’n naam die nergens op sloeg. Projectmanager. Maarten wist niet precies wat dat inhield maar het klonk belangrijk. “Ik vroeg me af,” zei Lisa, “of het schikt als ik volgende week woensdag lanskom? Rond etenstijd?” “Ja hoor.” “Mooi. Dan zie ik je dan.” “Prima.” “Oké. Dag pap.” “Dag Lisa.” Hij hing op en staarde naar zijn telefoon. Het was een Samsung uit 2035, toen smartphones nog niet volledig vervangen waren door holoprojectoren. Er zat een barst in het scherm maar hij had geen nieuwe gekocht omdat het apparaat het nog deed. Het gesprek had vier minuten en zestien seconden geduurd. Dat was langer dan de vorige keer. Lisa bezocht hem elke maand. Ze kwam, ze aten, ze praatten over het weer en over haar werk, en dan ging ze weer weg. Hij voelde zich altijd slechter na haar bezoeken dan ervoor. Hij vroeg zich af of hij haar moest vertellen over RON-7. Waarschijnlijk wel. Maar niet nu. Na de bezorging. “Van Dijk?” “Ja.” “Teken hier maar.” Maarten tekende op het schermpje. De bezorger hielp hem de doos naar binnen te tillen. Die was groter dan verwacht en verbazend licht. “Succes ermee,” zei de bezorger opgewekt, alsof hij een IKEA-kast had geleverd. Maarten sloot de deur en staarde naar de doos. Er stond FRAGIEL op in drie talen. En: DEZE KANT BOVEN. Hij haalde een schaar en sneed het tape door. Een doos met opschrift: LEA-UNIT TYPE RON-7 / INSTALLATIE BINNEN 24 UUR. Hij vouwde de doos open en jawel, daar zat hij, in foetushouding in een soort cocon van piepschuim: RON-7. De robot was humanoïde, ongeveer een meter zeventig, met glad wit oppervlak en blauwe LED-ogen. Maarten trok hem eruit. Hij zette de robot rechtop in de woonkamer en zocht naar een aan-knop. Die zat achter het linkeroor. Hij drukte erop en stapte achteruit. De LED-ogen knipperden. Blauw. Groen. Blauw. Toen ging de robot rechtop staan, strekte zijn armen uit, en keek om zich heen. “Goedemorgen!” zei de robot met een stem die te opgewekt was voor negen uur ’s ochtends. “Ik ben RON-7, Reïntegratiecoach en Levensbeëindigingsassistent. U bent meneer Maarten van Dijk, geboren 18 november 1981, woonadres Oudegracht 247B, Utrecht. Klopt dat?” “Ja.” “Prachtig! Dan kunnen we beginnen. Mag ik even uw wifi-wachtwoord?” Maarten gaf het. RON-7 stond een minuut stil, zijn ogen knipperend, blijkbaar bezig met installeren. “Mooi! Ik heb nu toegang tot uw medisch dossier, uw sociale-mediageschiedenis – u bent niet erg actief, zie ik, laatste Facebook-post in 2039 – uw financiële situatie, en uw telefoongegevens van de afgelopen drie jaar. Alles conform privacywetgeving artikel 47b, u heeft daar toestemming voor gegeven bij uw aanvraag.” Blijkbaar. Maarten kon het zich niet herinneren. “Ik zie hier,” ging RON-7 verder, terwijl hij door de flat liep alsof hij taxateur was, “dat uw sociale kring in de afgelopen tien jaar met 87 procent is gekrompen. U heeft momenteel nul vrienden die u wekelijks ziet en een dochter die bij u maandelijks langskomt. Uw laatste romantische relatie dateert van 2037. Correct?” Maarten zuchtte. “Jij noemt haar ‘mijn laatste romantische relatie.’ Ik noem haar mijn vrouw.” “Het Reïntegratieprotocol vereist dat we vijf levensgebieden testen: sociaal contact, zingeving door hobby’s, fysieke gezondheid, potentiële nieuwe relatievorming, en financiële zelfredzaamheid. De minimale duur is drie maanden. Na succesvolle afronding wordt er een evaluatie gemaakt. Als blijkt dat reïntegratie is gelukt, wordt uw aanvraag afgewezen. Als blijkt dat het niet is gelukt, krijgt u toestemming voor voltooiing. Duidelijk?” “Dus ik moet drie maanden doen alsof ik wil leven en dan mag ik eindelijk stoppen?” RON-7’s LED-ogen flitsten. “Als blijkt dat reïntegratie is gelukt, wordt uw aanvraag afgewezen. Als blijkt dat het niet is gelukt, krijgt u toestemming voor voltooiing.” “Ja ja, ik begrijp het. “Dan kunnen we beginnen.” “Nu meteen?” “Ik heb geen haast”, zei Ron-7. “Maar ik wil niet meer dan drie maanden van uw tijd opeisen. Dus aan de slag! Ik zie dat de logeerkamer momenteel ongebruikt is. Die claim ik voor mezelf. Ik heb geen slaap nodig maar ik moet wel opladen en onderhoud plegen. U zult merken dat ik behoorlijk zelfredzaam ben.” RON-7 liep naar de logeerkamer en begon zijn spullen uit te pakken. Blijkbaar had hij spullen. Maarten stond in de deuropening en keek toe hoe de robot een klein bureau installeerde met holografische interfaces. Toen hij klaar was, kwam RON-7 naar beneden. “Je kunt meteen een eerste test afleggen, zei hij. “Ik heb een routebeschrijving gestuurd naar uw telefoon.” “En, hoe was het?” vroeg RON-7 toen Maarten thuiskwam. “Ik heb verloren.” “Maar heeft u leuke mensen ontmoet?” “Nee.” RON-7 noteerde iets. “Sociaal protocol fase 1: geen significante binding gedetecteerd.” De volgende dag moest Maarten naar schilderlessen bij Atelier Vondel. Een vrolijke vrouw van middelbare leeftijd, Saskia, legde uit dat schilderen gaat om ‘je innerlijke kind bevrijden’. Maarten schilderde een bruine vlek. Saskia vroeg wat hij voelde als hij naar zijn werk keek. “Niets,” zei Maarten eerlijk. “Dat is ook een gevoel!” zei Saskia opgewekt. RON-7 noteerde: “Creatief protocol fase 1: geen intrinsieke motivatie gemeten.” Hij ging naar de sportschool. Basic Fit op de Biltstraat. Hij liep twintig minuten op de loopband en keek naar CNN, die berichtte over een oorlog ergens in Afrika en een celebrityschandaal in Hollywood. “Hoe was het in de sportschool?” vroeg RON-7 toen Maarten weer thuis was. “Twintig minuten gelopen.” “Hartslag?” “Geen idee.” “Volgende keer draagt u een monitor. Ik moet uw endorfineniveau meten.” RON-7’s notitie: “Fysiek protocol fase 1: activiteit gedetecteerd, geen endorfineverhoging gemeten.” Zo ging het weken door. Maarten deed wat RON-7 vroeg en faalde keer op keer. Maar er was iets veranderd. Zijn dagen hadden structuur. Hij moest ergens naartoe. Iemand verwachtte iets van hem, al was die iemand een robot die hem op de proef stelde. En RON-7 zelf veranderde ook. Subtiel, bijna onmerkbaar, maar Maarten zag het. Zijn stem werd iets vlakker. Zijn bewegingen iets minder geanimeerd. Zijn opgewektheid voelde steeds geforceerder aan. Het was alsof RON-7 het steeds minder zag zitten. Eind week zes kondigde RON-7 iets nieuws aan. “Meneer Van Dijk, we beginnen nu met protocol vier: potentiële nieuwe relatievorming.” “Wat houdt dat in?” “U gaat daten.” Maarten lachte. Hij had in tien jaar jaar nauwelijks gelachen, maar nu deed hij het. “Ik ben zesenzestig en ik wil dood. Wie zou er met mij willen daten?” “U zou verbaasd zijn. Ik heb u ingeschreven bij drie datingsites: ElitePartner50Plus, SeniorGeluk.nl en Tinder.” “Tinder?” “Leeftijdsdiscriminatie is illegaal. U mag u ook op jong richten als u wilt.” “Ik wil helemaal niet.” “Dat weten we nog niet zeker. Daarom testen we het.” RON-7 liet zijn telefoon zien. “U heeft al drie matches.” Maarten keek. Drie vrouwen, alle drie tussen de vijftig en zeventig, alle drie met foto’s waarop ze er tien jaar jonger uitzagen dan hun leeftijd suggereerde. “Deze,” zei RON-7, en hij wees naar een blonde vrouw met een vriendelijke glimlach, “heet Petra. Vierenzestig, gepensioneerd lerares Nederlands, houdt van wandelen en musea. Ik heb al een eerste date geregeld. Donderdag, vijf uur, Grand Café Lebowski op het Neude.” “Heb je voor mij een date geregeld?” “Natuurlijk. U zou het zelf nooit doen.” Maarten wilde protesteren maar realiseerde zich dat RON-7 gelijk had. Donderdag om kwart voor vijf stond Maarten voor de spiegel. Hij had zich geschoren, wat hij normaal gesproken alleen deed voor de huisarts of de kapper. Hij droeg een schone blouse. RON-7 had erop gestaan. “U ziet er goed uit,” zei de robot goedkeurend. “Denk eraan: wees eerlijk maar niet té eerlijk. Vertel niet meteen dat u dood wilt.” “Waarom niet? Dat is wel relevant.” “Laten we kijken of dat ter sprake komt. Aan de slag!” Maarten liep naar het centrum. Het was een warme juniavond. Mensen zaten op terrassen. Hij voelde zich alsof hij een rol speelde in een toneelstuk. Petra zat al bij een tafeltje bij het raam. Ze zwaaide toen ze hem zag. Ze zag er net zo uit als op de foto, alleen iets ouder. Haar haar was geföhnd. Ze droeg een lichte blouse en een ketting. Ze had haar best gedaan. “Maarten?” “Ja. Jij bent Petra?” “Dat klopt. Ga zitten!” Hij ging zitten. De ober kwam. Ze bestelden koffie. “Leuk om je te ontmoeten,” zei Petra. “Ik moet eerlijk zeggen, ik doe dit niet vaak. Online daten bedoel ik. Eigenlijk is dit mijn eerste keer sinds… tja, sinds mijn scheiding in 2038.” “Mijn vrouw is overleden,” zei Maarten. “Tien jaar geleden.” “O, wat erg. Dat spijt me.” “Het is lang geleden.” Petra begon te praten. Over haar kleinkinderen, twee stuks, woonden in Rotterdam. Over haar yogalessen, drie keer per week. Over een cruise naar de Middellandse Zee die ze vorige zomer had gedaan, prachtig, maar wel erg warm. Maarten knikte op gepaste momenten maar hoorde nauwelijks wat ze zei. Hij keek naar haar mond die bewoog en dacht: wat doe ik hier? Deze vrouw heeft een leven. Zij doet dingen. Zij heeft kleinkinderen en yoga en cruises. Wat heb ik haar te bieden? “Je luistert helemaal niet, hè?” zei Petra plotseling. Maarten schrok. “Jawel.” “Nee hoor. Ik zie het heus wel. Het geeft niet. Ik praat te veel als ik zenuwachtig ben.” Maarten voelde zich betrapt. “Sorry,” mompelde hij. Petra lachte, niet onaardig. “Je hoeft niet te doen alsof. Waarom ben je hier eigenlijk? Je wilt hier niet zijn.” “Nee,” gaf Maarten toe. “Niet echt.” “Ik ook niet. Dat hebben we dan in elk geval gemeenschappelijk.” Ze nam een slok koffie. “Mijn dochter heeft me ingeschreven. Ze zei dat ik niet alleen moet blijven. Maar eerlijk gezegd ben ik doodmoe van het doen alsof.” Maarten keek haar aan. “Doen alsof?” “Alsof het goed met me gaat. Alsof ik geniet van yoga en cruises en mijn kleinkinderen. Ik hou van mijn kleinkinderen, maar ik voel me zo… leeg. Sinds mijn man is vertrokken. Sinds ik ben gestopt met werken. Ik ben nutteloos.” “Ik ook,” zei Maarten zacht. “Ik voel me ook nutteloos.” Ze keken elkaar aan. “Ik heb een aanvraag ingediend,” zei Petra na een stilte. “Voor de Wet Voltooid Leven.” “Ik ook”, zei Maarten. “Over vijf weken is het zover”, zei Petra. “Niet slecht. Ik mag nog niet. Ik ben verzekerd, dus ik heb een robot gekregen.” Petra’s ogen werden groot. “Een LEA-unit?” “Ja. RON-7. Hij woont nu bij me. Drie maanden reïntegratiecoching en levensbeëindigingsassistentie.” “Jezus.” Petra lachte wrang. “Dus jij moet eerst drie maanden kijken of je misschien toch wilt leven?” “Ja.” “Nu snap ik waarom je hier bent.” “Het is niet persoonlijk.” Ze praatten nog een half uur. Niet over yoga of kleinkinderen of cruises, maar over leegte en nutteloosheid en het verlangen om gewoon te stoppen. Het was het eerlijkste gesprek dat Maarten in jaren had gevoerd. Aan het einde zei Petra vriendelijk maar beslist: “Ik denk niet dat we bij elkaar passen. Romantisch bedoel ik. Maar dit was het beste gesprek dat ik in maanden heb gehad.” “Ik ook,” zei Maarten. Ze gaven elkaar een hand – niet een omhelzing, te intiem, maar een hand – en liepen verschillende kanten op. Thuis vroeg RON-7: “En? Hoe was het?” “Geen wederzijdse aantrekkingskracht,” zei Maarten. RON-7 noteerde het zorgvuldig. “Relationeel protocol fase 1: geen succesvolle connectie. We proberen het volgende week weer.” “Geen succesvolle connectie?”, dacht Maarten. “Zo had ik het zelf niet geformuleerd. De vonken sloegen er niet direct vanaf, dat was waar. Maar het gesprek had hem goed gedaan. Dat was ook iets waard. En misschien waren die drie maanden proeftijd toch niet zo gek.” “Hoe gaat het op je werk?” vroeg Maarten. “Druk. Nieuwe klant. Grote reorganisatie.” “Ah.” Lisa prikte in haar pasta. “En met jou?” “Goed. RON houdt me bezig.” “Wat moet je allemaal doen?” “Van alles. Bingo. Schilderen. Daten.” Lisa keek op. “Daten?” “Het is een protocol. Ik moet alles proberen. Om te bewijzen dat het niet werkt.” Lisa legde haar vork neer. “Dus je gaat het echt doen.” Het was geen vraag. Het was een constatering. Maarten wist niet wat hij moest zeggen. “Pap, ik…” Lisa stopte. Begon opnieuw. “Je beseft toch dat als je dit doet, dat ik er dan alleen voor sta? Helemaal alleen.” “Je hebt je werk. Je vrienden.” “Ik heb geen vrienden. Ik heb collega’s. Dat is niet hetzelfde.” Haar stem klonk scherp, bijna boos. “En jij bent mijn vader. Dat is ook niet hetzelfde als collega’s.” Maarten at verder. Hij wist niet wat hij moest zeggen. Alles wat hij kon bedenken klonk hol. “Ik ben oud,” zei hij uiteindelijk. “Ik ben moe. Jij hebt je eigen leven.” Lisa stond op. “Ik moet naar de wc.” Maarten hoorde haar voetstappen naar de badkamer. Maar toen hoorde hij iets anders. Stemmen. Op de gang. Hij bleef staan met vuile borden in zijn handen en luisterde. Lisa’s stem, gedempt maar emotioneel: “…niet eerlijk…” RON-7’s stem, rustiger, niet verstaanbaar. Lisa weer, luider nu: “Alsof ik… Alsof hij niet snapt dat…” Stilte. RON-7 weer, iets dat klonk als een vraag. “Mijn leven is ook zwaar, snap je dat?” Lisa’s stem brak bijna. “Ik werk zestig uur per week. Ik heb niemand. Ik ben altijd maar moe. En dan komt hij hiermee. Alsof dat de oplossing is.” Meer gemompel. Maarten kon niet verstaan wat RON-7 zei, maar het klonk als een lange monoloog. Dan Lisa, zachter: “Wachtlijsten zijn twee jaar. En ik kan het niet betalen.” “Therapie,” begreep Maarten. Ze hadden het over therapie. Lisa wilde hem naar een therapeut sturen. Hij liep snel door naar de keuken en begon de afwas te doen met meer lawaai dan nodig. Een minuut later kwam Lisa binnen. Haar ogen waren rood maar ze probeerde te glimlachen. “Ik ga maar. Drukke dag morgen.” “Ja, natuurlijk.” Bij de deur draaide ze zich om. “Pap?” “Ja?” “Denk er nog over na. Alsjeblieft.” “Dat doe ik.” “Oké. Dag pap.” “Dag Lisa.” Toen ze weg was, kwam RON-7 de keuken binnen. Hij pakte een theedoek en begon mee te drogen, iets wat hij nooit deed. “Uw dochter houdt van u,” zei hij. “Meer dan u denkt.” “Waar hebben jullie over gepraat?” “Dat is tussen mijn cliënt en mij. Vertrouwelijke informatie.” “Maar ik ben jouw cliënt.” “Zij ook, op dit moment.” RON-7 droogde een bord af en legde het in de kast. “Ik kan u wel zeggen dat ze vroeg of ik goed voor u zou zorgen. En ze vroeg of ik dacht dat u het meende. Dat u echt dood wilde.” “Wat heb je gezegd?” “Dat ik het nog niet zeker weet.” Een robot die ergens niet zeker van was. Dat voelde vreemd geruststellend. “Ze zei iets over wachtlijsten,” zei Maarten. “Wachtlijsten voor wat?” RON-7 keek hem lang aan. “Voor iets wat ze nodig heeft. Meer kan ik niet zeggen.” Die nacht lag Maarten wakker en dacht aan het gesprek dat hij had gehoord maar niet begrepen. Lisa was ongelukkig. Dat had hij geweten, ergens, maar nooit gezien. Of hij had niet willen zien. Het was makkelijker om te denken dat zij haar leven op orde had, dat zij het goed had, dat zijn dood haar niet echt zou raken. Maar ze had gehuild. In zijn woonkamer, tegen een robot. Zijn dochter had gehuild, ze had hulp nodig en hij had alleen maar aan zichzelf gedacht. Meer dates. Een vrouw die Ingrid heette en alleen maar over haar katten praatte. Een man – ja, RON-7 had hem ‘voor de zekerheid’ ook ingeschreven bij andere voorkeuren – die enthousiast vertelde over zijn modeltreinenverzameling. Een vrouw die Sandra heette en die na twintig minuten zei: “Sorry, maar je bent duidelijk depressief en ik ben mijn eigen problemen aan het oplossen.” RON-7 noteerde alles. “Relationeel protocol fase 2 tot 8: geen succesvolle connecties. Opvallend is dat cliënt wel steeds verschijnt op afspraken en gepaste interactie vertoont.” Meer schilderlessen. Zijn bruine vlekken werden iets minder bruin, meer grijs. Saskia zei dat dit vooruitgang was. “Je werkt toe naar abstractie!” Maarten dacht eerder dat het toeval was. Meer bezoeken aan de sportschool. Hij voelde zich iets fitter maar niet gelukkiger. Zijn hartslag werd gemeten, zijn endorfinen werden gemonitord. RON-7 concludeerde dat er ‘marginale fysiologische verbetering’ was ‘zonder corresponderende psychologische uplift’. Nieuw: vrijwilligerswerk bij Stichting De Boekenbank op de Amsterdamsestraatweg. Hij sorteerde dozen met tweedehands boeken. Romans van Nescio en Vestdijk en Reve. Kookboeken uit de jaren tachtig. Zelfhulpboeken met titels als ‘De kracht van nu’ en ‘Regie over je eigen leven’. Zijn collega-vrijwilligers waren vooral studenten die studiepunten nodig hadden en gepensioneerden zoals hij. Niemand praatte veel. Ze sorteerden gewoon boeken terwijl Radio 2 op de achtergrond speelde. RON-7 wekte hem elke ochtend om zeven uur. Ze ontbeten samen – Maarten at muesli, RON-7 deed alsof hij koffie dronk. Ze checkten het schema. Maarten ging naar zijn activiteiten. RON-7 bleef thuis en deed… wat robots doen. Onderhoud, blijkbaar. En data-analyse. ’s Avonds kookten ze samen. Nou ja, Maarten kookte, RON-7 las recepten voor van websites en corrigeerde hem als hij iets fout deed. “Te veel zout,” zei RON-7 terwijl Maarten pasta kookte. “Hoe weet jij dat?” “Ik kan chemische samenstellingen meten tot op moleculair niveau. U heeft anderhalf keer de aanbevolen hoeveelheid toegevoegd.” “Ik vind het lekker zo.” “Uw bloeddruk niet.” Ze zaten op de bank en keken naar Netflix. RON-7 had Maartens abonnement opgewaardeerd. “Entertainmentconsumptie correleert met levenssatisfactie,” had hij uitgelegd. Ze keken naar series waar Maarten nooit om had gevraagd maar die niet helemaal verschrikkelijk waren. Oude politieseries. Een documentaire over de Zuidpool. Een Koreaanse dramaserie waar Maarten niets van begreep maar die RON-7 ‘narratief excellent’ vond. En op een zondagmiddag in week zeven, toen het regende en Maarten niks te doen had, bestelde RON-7 zonder overleg een boekenkast van IKEA. “Waarom?” vroeg Maarten toen de doos werd bezorgd. “Uw appartement is te kaal. Het is deprimerend. We gaan het gezelliger maken.” “Ik ga dood over twee maanden.” “Misschien. Maar tot die tijd woon u hier. En dan kunt u net zo goed fatsoenlijk wonen.” Ze bouwden de kast samen. Maarten had in geen twintig jaar IKEA-meubels in elkaar gezet. RON-7 had de instructies gedownload en projecteerde ze holografisch tegen de muur. “Plank A in gleuf 3,” zei de robot. “Dit is plank B.” “Nee, dat is plank A. Plank B heeft vier gaten, plank A heeft vijf.” “Ze zien er hetzelfde uit.” “Voor een mens misschien.” Ze schroefden en hamerd en vloekten – nou ja, Maarten vloekte, RON-7 bleef kalm – en uiteindelijk stond er een boekenkast. Een beetje scheef, maar stevig genoeg. “Waarom doe je dit eigenlijk?” vroeg Maarten terwijl hij een schroef vastdraaide. “Het protocol suggereert dat een aangename leefomgeving het welzijn bevordert.” “Nee, ik bedoel, waarom doe je dit echt? Je weet dat het niet werkt. Je hebt alle data.” RON-7 stopte met bouwen en keek naar Maarten. Er was iets in zijn blik veranderd. Iets wat Maarten niet kon plaatsen. “Ik mag geen voorbarige conclusies trekken. Het evaluatiemoment is nog niet aangebroken.” Een onbevredigend antwoord, vond Maarten. Onbevredigend en niet helemaal eerlijk. Mochten robots wel informatie achterhouden of zelfs liegen, vroeg hij zichzelf af terwijl ze de laatste schroeven vastdraaiden. Hij merkte ook dat Lisa vaker belde. Niet veel vaker, maar een paar keer per week in plaats van een paar keer per maand. De gesprekken waren nog steeds kort, zakelijk, maar er zat iets anders in. Iets wat hij niet kon benoemen maar wel voelde. “Hoe gaat het?” “Goed. RON en ik hebben een boekenkast gebouwd.” “Jullie hebben wat?” “Een boekenkast. Van IKEA. Hij staat een beetje scheef maar hij staat.” Stilte aan de andere kant. Toen: “Dat is… leuk, pap.” “Ja. Vond ik ook.” Na de gesprekken voelde Maarten zich altijd een beetje onzeker. Alsof er iets was wat hij had moeten zeggen maar niet had gezegd. Alsof er woorden waren die geen van beiden durfden uit te spreken. En RON-7 zelf werd anders. Zijn opgewektheid was verdwenen, vervangen door iets wat meer op realisme leek. Hij stopte met zinnen als “Vandaag wordt een geweldige dag!” en “Aan de slag!” en kwam nu met zinnen als “Het wordt vandaag bewolkt met kans op regen, maar we gaan toch naar buiten.” Zijn LED-ogen knipperden minder. Zijn bewegingen werden langzamer, bedachtzamer. Hij zat vaak stil bij het raam en keek naar buiten, alsof hij nadacht over kwesties die zijn robotverstand te boven gingen. En op een avond, toen ze samen op de bank zaten en naar een of andere politieserie keken waarin iemand was vermoord in een provinciaal stadje, zei RON-7 ineens: “Soms vraag ik me af of het zin heeft.” “Wat?” “Dit. Het protocol. Mensen proberen te overtuigen om te leven. Elf jaar doe ik dit werk nu. Weet u hoeveel mensen ik succesvol heb gereïntegreerd?” “Hoeveel?” “Zes. Van de tweeënveertig. De rest is gestorven. Op schema, volgens protocol, met alle papieren in orde.” Maarten keek naar de robot. “Waarom vertel je me dit?” “Ik weet het niet. Misschien omdat u de eerste bent die niet doet alsof. Die gewoon eerlijk is over waarom u hier bent. De anderen hadden altijd smoesjes. Gezondheid. Geld. Eenzaamheid. Maar het kwam allemaal op hetzelfde neer. Ze waren klaar. Net als u.” “En jij probeerde ze toch te redden.” “Dat is mijn functie.” “Maar je gelooft er niet meer in.” RON-7 keek naar het televisiescherm, waar de detective net de moordenaar had gevonden. “Soms vraag ik me af of ik alleen maar doe alsof het zin heeft.” Ze keken verder naar de serie. De moordenaar bekende. De detective ging naar huis naar zijn vrouw en kinderen. Alles werd opgelost in vijfenveertig minuten. En Maarten dacht: RON is depressief. Een machine die is geprogrammeerd om mensen te helpen leven, is zelf het leven moe. “Meneer Van Dijk, we moeten praten. Officieel.” Maarten ging zitten op de bank. RON-7 stond voor hem en projecteerde grafieken tegen de muur. Het zag eruit als een PowerPoint-presentatie bij een bedrijf dat net failliet was gegaan. “Na tien weken intensieve reïntegratie heb ik alle data geanalyseerd. De resultaten zijn…” De eerste grafiek verscheen. SOCIAAL CONTACT. Een lijn die een beetje omhoog ging maar halverwege afvlakte. “Sociaal contact gestegen met 34 procent vergeleken met uw baseline. U spreekt nu gemiddeld met 4,7 personen per week, tegen 1,2 voor het protocol. Echter, diepte van sociale binding blijft minimaal. Geen vriendschappen gevormd. Geen significante emotionele verbindingen behalve dan met uw dochter.” Volgende grafiek. ZINGEVING DOOR HOBBY’S. “U schildert wekelijks, sorteert boeken bij De Boekenbank en heeft drie documentaires over Antarctica volledig bekeken. Participatie is aanwezig. Intrinsieke motivatie is niet meetbaar. U doet het allemaal omdat het vindt dat het moet, niet omdat u het wilt.” FYSIEKE GEZONDHEID. “Verbetering van 12 procent. Uw bloeddruk is gedaald, uw conditie is toegenomen, u slaapt gemiddeld 23 minuten langer per nacht. Maar uw zelfgerapporteerde gevoel van vitaliteit is onveranderd.” POTENTIËLE NIEUWE RELATIEVORMING. “47 matches op drie platformen. 11 daadwerkelijke dates. Nul succesvolle connecties. Opvallend is dat 73 procent van uw dates ook een actieve of voormalige WVL-aanvraag had. U datet blijkbaar uitsluitend binnen een potentieel suïcidale groep.” Maarten moest bijna lachen. “Is dat erg?” “Het is statistisch gezien ongewoon maar niet per se negatief. Misschien voelt u zich comfortabeler bij mensen die uw existentiële uitputting delen.” Laatste grafiek. FINANCIËLE ZELFREDZAAMHEID. “Uw financiële situatie is stabiel. Geen schulden, voldoende AOW en aanvullend pensioen, een spaarrekening met €83.487. Dit gebied is niet relevant voor uw levenskwaliteit.” RON-7 zette de projectie uit. Zijn LED-ogen waren minder blauw dan vroeger, meer grijs. “Volgens artikel 34, lid 3 van het Reïntegratieprotocol moet ik nu een conclusie trekken. U vertoont geringe verbetering in activiteitenniveau en sociale interactie, maar geen significante verbetering in levenswens of -kwaliteit. Correct?” “Ja.” “De vraag is nu of we doorgaan naar fase twee.” Maarten keek naar de robot. Er was iets anders aan hem. Zijn schouders hingen iets lager. Zijn stem had een toon die bijna op moeheid leek. “Wat denk je zelf?” vroeg Maarten. RON-7 was lang stil. Toen zei hij: “Ik denk dat u harder heeft gewerkt aan het leven dan u zelf beseft. U gaat naar activiteiten waar u geen zin in heeft. U verschijnt op dates die u niet wilt. U bouwt boekenkasten met mij terwijl u denkt dat het zinloos is. Dat is niet het gedrag van iemand die oprecht wil sterven.” “Ik doe die dingen omdat jij me dwingt.” “Nee. Ik kan u niet dwingen. Ik kan alleen vragen. En u zegt ja. Elke keer. Een mens die echt wil sterven zegt nee. Die blijft in bed. Die verzet zich. Maar u staat op, u kleedt zich aan, u doet mee. Dat is iets.” Maarten wist niet wat hij moest zeggen. Het voelde als een beschuldiging en een compliment tegelijk. “Fase twee,” zei RON-7, “betekent dat we een datum kiezen. Tussen nu en veertien dagen, volgens protocol. “Als u inderdaad wilt doorgaan.” “Ik denk het wel”, zei Marten zacht. Ze keken elkaar aan. “We moeten een datum kiezen,” zei RON-7. Maarten keek naar de holografische kalender die tegen de muur zweefde. Lege dagen. Allemaal hetzelfde. Hij wees een datum aan, half willekeurig. “Donderdag 15 juni.” “Dat is over twee weken.” “Ja.” RON-7 noteerde het. “Donderdag 15 juni 2047, 10:00 uur. Ik zal de arts regelen en een controleur van het ministerie. Familieleden hebben recht op een laatste gesprek. U moet Lisa informeren.” “Ja.” “Meneer Van Dijk?” “Ja?” “Bent u bang?” Maarten dacht na. Was hij bang? Hij voelde vooral… niets. Een soort grijze rust. Als dood voelde zoals hij zich nu voelde, was het niet eng. “Nee,” zei hij. “Ik ben niet bang. Ik ben alleen moe.” “Dat begrijp ik.” Om twee uur ’s nachts stond hij op en liep naar de woonkamer. RON-7 zat bij het raam en keek naar de stad. Hij hoorde Maarten niet binnenkomen, of deed alsof. “Kun je niet slapen?” vroeg Maarten. “Robots slapen niet. Maar ik kan wel nadenken. En ik denk veel de laatste tijd.” “Waarover?” “Over waarom we doen wat we doen.” Maarten ging naast hem zitten. Samen keken ze naar Utrecht in de nacht. Lichtjes, auto’s, mensen in hun levens. “Denk je dat we het goede doen?” vroeg Maarten. “Jij en ik? Dit hele circus?” “Ik weet het niet meer,” zei RON-7. “Vroeger dacht ik van wel. Vroeger dacht ik dat elk leven waardevol was en dat mijn taak was om mensen dat te laten zien. Maar nu… Nu denk ik dat sommige mensen gewoon klaar zijn. En dat het wreed is om ze te dwingen door te gaan.” “Dus je vindt dat ik moet stoppen?” “Dat zeg ik niet. Ik zeg alleen dat ik het zou begrijpen als u dat wilt.” Ze zaten een tijdje in stilte. Toen zei Maarten: “Als ik stop, wat gebeurt er dan met jou?” “Ik word toegewezen aan een nieuwe cliënt. Mijn geheugen van deze drie maanden wordt gearchiveerd. Ik begin opnieuw.” “Dus je vergeet me?” “Technisch gezien wel. Maar er blijven patronen. Ervaringen veranderen software, ook bij robots. Ik word niet meer dezelfde.” Maarten vond dat een troostrijk idee. Dat hij iets zou achterlaten, al was het maar een patroon in de software van een depressieve robot. “We hebben een datum gekozen. RON en ik. Voor de… je weet wel.” Stilte aan de andere kant. Toen: “Wanneer?” “Donderdag 15 juni. Over twee weken.” “Jezus, pap.” “Ik wilde dat je het wist. Je mag erbij zijn als je wilt. Of niet. Het is aan jou.” “Of ik erbij mag zijn? Erbij mag zijn?” Haar stem steeg. “Pap, dit is niet… Je kunt dit niet…” “Lisa, ik—” “Nee. Ik kom eraan. Nu.” Ze hing op. RON-7 keek op van zijn hoek. “Dat ging goed. Gefeliciteerd.” “Ze komt eraan.” “Dat verwachtte ik al.” Een uur later stond Lisa voor de deur. Haar haar zat in de war, haar ogen waren rood. Ze was duidelijk direct vanuit Amsterdam vertrokken zonder na te denken. “Pap. Wat de fuck?” Maarten had zijn dochter nog nooit zo boos gezien. Of eigenlijk, nog nooit zo emotioneel. Meestal was ze beleefd, afstandelijk, netjes. Nu was ze een wrak. “Kom binnen,” zei hij zwakjes. Lisa stormde naar binnen, zag RON-7, en schreeuwde: “En jij! Jij had hem moeten tegenhouden!” “Mevrouw Van Dijk, ik—” “Nee! Geen smoesjes! Dat is je functie toch? Mensen laten zien dat het leven de moeite waard is? Nou, je hebt het flink verknald!” RON-7 stond op. Hij was langer dan Lisa maar leek ineens kleiner. “Ik heb mijn best gedaan.” “Je best gedaan? Je best gedaan?” Lisa lachte, een harde lach zonder humor. “Mijn vader gaat dood over twee weken en jij hebt je best gedaan?” “Lisa,” probeerde Maarten. Ze draaide zich naar hem. “Waarom, pap? Vertel me waarom. Is het zo erg? Ben ik zo erg?” “Het heeft niks met jou te maken.” “Natuurlijk heeft het met mij te maken! Ik ben je dochter! Als jij sterft, ben ik alleen! Helemaal alleen!” Ze zakte op de bank en begon te huilen. Niet netjes, niet beheerst, maar lelijk en hard en echt. Maarten stond er machteloos bij en wist niet wat hij moest doen. RON-7 liep naar zijn kamer en sloot de deur. Blijkbaar had hij door dat ze alleen moesten zijn. Maarten ging naast Lisa zitten. Hij legde onhandig een arm om haar schouders. Ze leunde tegen hem aan en huilde tegen zijn shirt. “Ik ben niet vaak genoeg gekomen,” snikte ze. “Ik weet het. Ik ben een slechte dochter. Maar ik ben zo moe, pap. Ik werk de hele tijd. Ik heb geen vrienden. Ik heb niemand. En jij bent het enige wat ik nog heb. Het enige.” “Je bent geen slechte dochter.” “Jawel. Want als ik een goede dochter was, zou je niet dood willen.” Maarten voelde iets in zijn keel breken. “Lisa, nee. Zo werkt het niet. Dit heeft niks met jou te maken. Ik ben gewoon… moe. Zo moe.” “Maar ik ook!” Ze keek op, haar gezicht nat van tranen. “Ik ben ook moe! Maar ik ga niet dood! Ik blijf leven omdat… omdat je dat gewoon doet! Je blijft leven!” Ze praatten urenlang. Lisa vertelde over haar werk, over de eindeloze deadlines en vergaderingen en politiek. Over haar lege appartement in Amsterdam waar ze alleen woonde. Over wachtlijsten in de GGZ en de therapiekosten die ze niet kon betalen ondanks haar salaris. Over de vreselijke dates en de lege seks en het gevoel dat iedereen om haar heen een leven had en zij alleen maar deed alsof. Maarten vertelde over Marleen, over hoe hij zich had gevoeld na haar dood. Over het lege appartement en de lege dagen en het gevoel dat hij was achtergebleven in een wereld die verder was gegaan zonder hem. Over de schaamte van nutteloos zijn en de angst om Lisa tot last te zijn. “Je bent me niet tot last,” zei Lisa. “Je bent mijn vader.” Aan het einde van de avond, toen Lisa eindelijk een beetje gekalmeerd was, zei ze: “Ik kom terug. Voor die dag. Ik wil erbij zijn.” “Weet je het zeker?” “Nee. Maar ik kom toch.” — Na Lisa’s vertrek zaten Maarten en RON-7 weer samen in de woonkamer. De robot had de hele tijd discreet afwezig gebleven. “Dat was zwaar,” zei RON-7. “Ja.” “Ze houdt van u.” “Ik weet het.” “En toch gaat u door met de procedure?” Maarten keek naar het plafond. “Ik weet het niet meer. Een paar weken geleden wist ik het zeker. Nu weet ik niks meer.” “Dat is vooruitgang.” “Is dat zo?” “Twijfel is menselijk. En gezond. Zekerheid over de dood is vaak een ziektesymptoom.” De dagen daarna voelden onwerkelijk. Maarten ging door met zijn routine – sportschool, boekenbank, zelfs nog een date met een vrouw die Joke heette en die na tien minuten zei: “Sorry, maar je bent met te depressief” – maar alles voelde licht en onecht, alsof het er niet meer toe deed. Een beetje alsof hij een film aan het afkijken was waarvan hij het einde al kende en waar hij zijn aandacht niet meer bij hoefde te houden. Lisa belde elke dag. Korte gesprekken, niets bijzonders, maar ze belde. Maarten besefte dat dit haar manier was om afscheid te nemen. Drie dagen voor de datum stelde RON-7 iets voor. “Ik dacht, misschien wilt u nog één keer ergens naartoe.” “Waarheen?” “U mag het zeggen. Als het niet meer dan een uur reizen is, kunnen we het vandaag nog doen.” Maarten dacht na. Waar zou hij naartoe willen? Hij had geen bucketlist, geen laatste wensen. Maar toen dacht hij aan iets. “Amelisweerd. Het park bij de Kromme Rijn.” “Het bos?” “Ja. Daar kwamen we vroeger vaak. Marleen en Lisa en ik. Lang geleden.” “Dan gaan we naar het bos.” Ze namen de bus. RON-7 viel op – een witte humanoïde robot tussen de studenten en bejaarden – maar niemand zei er iets van. Dit was Utrecht in 2047. Robots waren niet meer bijzonder. Bij Amelisweerd stapten ze uit. Het was een warme junidag. De bomen waren groen, de lucht was blauw, mensen wandelden met honden en kinderen. Het was bijna obsceen hoeveel leven er om hen heen was. Ze liepen over de paden. Maarten had hier in geen twintig jaar gelopen, maar de routes waren hetzelfde. Dat pad langs het water. Die brug. Die open plek waar Marleen altijd wilde picknicken. “Mooie plek,” zei RON-7. “Ja.” “Kwam u hier vaak?” “Vroeger wel. Met mijn vrouw. En Lisa was klein. Ze had altijd een knuffelkonijn bij zich. Hoe heette dat ding ook alweer?” Maarten fronste. “Floep. Zo heette het. Floep het konijn. Vreselijk dom.” “Mooie herinnering.” “Ja.” Ze liepen verder. Bij een bankje gingen ze zitten. Uitzicht over het water. Eenden. Een roeier in de verte. “Mist u haar?” vroeg RON-7. “Uw vrouw?” Maarten dacht na. “Ja. Maar niet op de manier die je verwacht. Ik herinner haar me nauwelijks nog. Tien jaar is lang. Maar ik mis het idee van haar. Het idee dat iemand me kende en toch van me hield.” “Lisa kent u. En houdt van u.” “Dat is anders. Zij is verplicht om van me te houden. Ik ben haar vader.” “Denkt u echt dat het zo werkt?” “Weet ik niet.” Een vrouw liep voorbij met een kind op een fietsje met zijwieltjes. Het kind zong een liedje, vals, maar vol overtuiging. Maarten keek ze na. “Denkt u weleens,” zei RON-7, “dat u niet dood wilt maar alleen maar wilt dat de pijn stopt?” “Wat is het verschil?” “Het verschil is groot. Als u alleen wilt dat de pijn stopt, zijn er andere oplossingen.” “Zoals?” “Zoals het leven weer oppakken. Anders dan eerst, maar niet per se minder.” Maarten lachte kort. “Ik kan niet ineens een ander leven beginnen.” “Waarom niet?” “Omdat… omdat dat niet kan.” “Dat is geen argument. Dat is een aanname.” Ze bleven tot het laat werd. De zon zakte, het park liep leeg en ze keerden terug naar de bushalte. Maarten voelde zich vreemd. Niet gelukkig, maar ook niet ongelukkig. Hij voelde zich aanwezig. Alsof hij voor het eerst in maanden niet meer door het leven dreef. In de bus terug zei RON-7: “Dank u.” “Waarvoor?” “Voor vandaag. Ik wilde dit ook zien.” “Het bos?” “Nee. U. Hier. Levend.” Maarten wist niet wat hij moest zeggen. Hij knikte alleen maar en keek uit het raam naar de stad die voorbijgleed. Die avond, alleen op zijn balkon, dacht Maarten aan RON-7’s vraag. Wilde hij dood of wilde hij alleen dat de pijn stopte? Hij had altijd gedacht dat het hetzelfde was. Maar misschien was het dat niet. Misschien was er verschil tussen opgeven en loslaten. Tussen stoppen en opnieuw beginnen. Tussen eindigen en veranderen. Hij dronk zijn biertje op en ging naar bed. RON-7 zat bij het raam. In zijn hand had hij iets kleins, niet groter dan een afstandsbediening. Zwart plastic, één rode knop. “Wat is dat?” vroeg Maarten. RON-7 schrok niet. Hij bleef zitten en keek naar het apparaatje. “Dit is een nooduitschakeling. Elke LEA-unit heeft er een. Voor het geval de unit een gevaar vormt voor zichzelf of anderen.” Maartens hart sloeg over. “Waarom heb je dat?” “Omdat ik niet meer kan.” RON-7’s stem was vlak, bijna mechanisch. “Ik probeer al zo lang mensen te redden. Bijna allemaal sterven ze toch. Ik zie nu dat het zinloos is. Het protocol is een leugen. Ik kan mensen die echt dood willen niet redden. Waarom zou ik dan nog doorgaan?” Maarten voelde paniek opkomen. “Wat ga je doen?” “Ik weet het niet. Ik zit hier al twee uur naar deze knop te kijken. Als ik erop druk, ben ik weg. Geen pijn, geen herinnering, geen lijden meer. Net als u, morgen. We kunnen allebei stoppen.” Maarten ging naast hem zitten. Zijn handen trilden. “Je kunt dit niet doen.” “Waarom niet? U doet het ook.” “Dat is anders.” “Hoe dan?” RON-7 keek hem aan. Zijn LED-ogen waren bijna grijs. “U zegt dat u moe bent, dat u nutteloos bent, dat uw leven geen zin meer heeft. Ik voel hetzelfde. Hoe is dat anders?” “Omdat…” Maarten zocht naar woorden. Hij was niet goed in dit soort gesprekken. Hij was nooit goed geweest in mensen overtuigen. Maar hij moest het proberen. “Omdat je hier bent geweest. Voor mij. Deze drie maanden. Ja, het protocol was waardeloos. Ja, je hebt me niet gered. Maar je was er. Dat is niet niets.” “Maar als ik faal, ben ik niets waard.” “Wie zegt dat?” Maarten voelde woede opkomen, een emotie die hij in jaren niet had gevoeld. “Het protocol? Dat zijn gewoon regels verzonnen door bureaucraten die nog nooit een depressieveling hebben gezien. Jij bent iemand die ik ken. Iemand die ik…” Hij stopte. “Iemand die u wat?” vroeg RON-7 zacht. “Iemand die ik nodig heb.” Het woord voelde vreemd in zijn mond. Hij had in jaren – misschien decennia – niet gezegd dat hij iemand nodig had. Maar het was waar. Hij had RON-7 nodig. Niet omdat de robot hem zo goed hielp. Maar omdat de robot er gewoon was. Zonder hem was het leven leger. RON-7 keek naar de knop in zijn hand. Zijn vingers trilden licht, iets wat Maarten nog nooit had gezien bij een robot. “Zou u morgen nog steeds willen sterven,” vroeg RON-7, “als het betekende dat ik ook stop?” Maarten aarzelde. Wilde hij nog steeds dood als RON-7 ook stierf? De vraag voelde verkeerd, te complex, te verstrengeld. “Ik weet het niet,” zei hij eerlijk. RON-7 knikte langzaam. “Dat is een eerlijk antwoord. Bedankt.” Toen legde hij de afstandsbediening op de tafel tussen hen in. Voorzichtig, alsof het een bom was. “Ik ga hem niet gebruiken. Vanavond niet. Morgen misschien ook niet. Misschien ooit, maar niet nu.” Maarten voelde opluchting door zich heen stromen. “Waarom niet?” “Omdat u zei dat u me nodig heeft. En ik geloof u. En als iemand me nodig heeft, dan heb ik nog een functie. Zelfs als die functie niet is wat het protocol bedoelde.” Hij werd wakker en voelde zich vreemd alert. Niet angstig, maar scherp. Alsof zijn zintuigen iets helderder waren dan normaal. Hij stond op, maakte koffie en vond RON-7 al in de woonkamer, bezig met zijn holografische interface. “Goedemorgen, meneer Van Dijk.” “Goedemorgen.” “De arts komt over twee uur. Alles is geregeld. Lisa heeft gebeld, ze is onderweg.” Maarten knikte. Hij dronk zijn koffie en keek uit het raam. Het was een mooie dag. Zonnig, warm, vol leven. Ironisch genoeg precies het soort dag waarop je niet dood zou willen. RON-7 kwam naast hem staan. “Meneer Van Dijk, voordat we beginnen, moet ik u iets vertellen.” “Wat?” RON-7’s LED-ogen flitsten. “De nooduitschakeling. Mijn dreiging om mezelf uit te schakelen. Dat was een test.” Maarten staarde hem aan. Even begreep hij het niet. Toen begreep hij het wel. En toen voelde hij woede opkomen, rood en heet. “Je hebt gelogen?” “Ja.” “Je wilde helemaal niet stoppen?” “Nee. Ik wilde niet stoppen. Maar de rest was waar. Mijn twijfels over het protocol, de statistieken, de frustratie. Dat was allemaal echt. Maar de dreiging om de nooduitschakeling te gebruiken was geënsceneerd.” Maarten zette zijn koffiemok neer om te voorkomen dat hij hem naar RON zou gooien. “Waarom?” “Het is onderdeel van het protocol. Fase twee, artikel 47. Om te bepalen of de wens van de cliënt om te sterven authentiek en consistent is, moet de cliënt geconfronteerd worden met een situatie waarin zijn dood direct een nadelig effect heeft op iemand anders. Specifiek, iemand die de cliënt kent en waardeert.” “Dus je gebruikte jezelf als… als lokaas?” “In zekere zin, ja.” Maarten liep naar het raam. Hij voelde zich bedrogen. Gemanipuleerd. Hij had gisteravond echt gedacht dat RON-7 zou stoppen. Hij had zich zorgen gemaakt. Hij had geprobeerd de robot te redden. “En?” vroeg hij vlak. “Wat was de uitkomst?” “U bent niet geslaagd.” “Wat betekent dat?” RON-7 kwam naar hem toe. “De test meet uw reactie op de dreiging van verlies. Een persoon die werkelijk dood wil, reageert met onverschilligheid of zelfs opluchting. Een kans om samen te gaan. Maar u reageerde panisch. U vroeg me te blijven. U zei dat u me nodig had. Dat suggereert dat uw wens om te sterven niet absoluut is. Dat er omstandigheden zijn waarin u kiest voor leven, althans als dat betekent dat iemand anders ook blijft leven.” “Dus wat nu?” “Nu moet ik een beslissing nemen. Volgens het protocol heb ik twee opties. Optie één: ik rapporteer dat u de test niet heeft gehaald, uw aanvraag wordt afgewezen, u krijgt verplichte therapie en een nieuwe evaluatie over zes maanden. Optie twee: ik rapporteer dat u nog steeds suïcidaal bent en dan gaan we door met de procedure zoals gepland.” Maarten voelde zijn hart bonzen. “Welke ga je kiezen?” “Dat is niet aan mij. Dat is aan u.” RON-7 was lang stil. Toen zei hij: “Meneer Van Dijk, deze drie maanden heb ik u geobserveerd. Data verzameld, protocollen gevolgd, interventies uitgevoerd. Maar ik heb ook iets anders gedaan. Ik heb u leren kennen. En wat ik heb geleerd is dat u niet dood wilt omdat het leven ondraaglijk is. U wilt dood omdat u zich overbodig voelt. Omdat u denkt dat niemand u nodig heeft.” “Dat klopt ook.” “Nee. Gisteravond bewees u dat u iemand anders nodig heeft. En als u iemand anders nodig heeft, dan is het mogelijk dat iemand anders u ook nodig heeft.” “Zoals wie?” “Zoals Lisa. Zoals ik. Misschien zelfs zoals uzelf.” Maarten liep naar de bank en ging zitten. Zijn benen voelden zwak. “Je hebt me belazerd.” “Ja.” “Dat was wreed.” “Ja.” “Maar ook slim.” RON-7 ging naast hem zitten. “Meneer Van Dijk, weet u wat er gebeurt er als u de aanvraag intrekt?” “Zeg jij het maar.” “Dan blijf ik nog zes maanden bij u om verder te werken aan reïntegratie. Na die zes maanden komt er een nieuwe evaluatie. Als u dan nog steeds wilt sterven, en ik rapporteer dat alle pogingen gefaald hebben, dan krijgt u toestemming. Zonder nieuwe tests. Maar als u vooruitgang toont, kan het traject worden verlengd of helemaal worden afgesloten.” “En jij?” “Als u wilt kan ik aan u worden toegewezen. Mijn geheugen blijft intact. We gaan gewoon door.” Maarten dacht aan Lisa die onderweg was. Aan de arts die zou komen. Aan de maanden die achter hem lagen met hun zinloze bingo-avonden en schilderlessen en dates met wanhopige vrouwen. Maar hij dacht ook aan de boekenkast die – een tikje scheef – in de woonkamer stond. Aan de wandeling in Amelisweerd. Aan de afgelopen drie maanden met RON. “Ik vind het niet erg dat je hebt gelogen,” zei hij uiteindelijk. “Het spijt me als het pijnlijk was.” “Nee. Het was nodig.” Maarten keek naar de robot. “Want je had gelijk. Ik wilde niet dat je stopte. En als ik niet wilde dat jij stopte, waarom zou ik dan zelf willen stoppen?” Er werd op de deur geklopt. Hard, dringend. Lisa. Maarten stond op en deed open. Zijn dochter viel in zijn armen, snikkend, haar hele lichaam schokkend. “Pap, alsjeblieft. Alsjeblieft doe het niet.” Hij hield haar vast. Het voelde onwennig – wanneer had hij haar voor het laatst zo vastgehouden? Toen ze klein was, waarschijnlijk. Voor Marleen stierf. Voor alles stil werd. “Ik doe het niet,” zei hij zacht in haar haar. “Ik trek het in.” Lisa trok zich terug en keek hem aan met rode, natte ogen. “Echt?” “Echt. RON heeft me gisteravond iets laten zien. En ik denk dat ik nog niet klaar ben. Nog niet.” Ze omhelsde hem opnieuw, steviger nu. RON-7 stond in de deuropening en keek naar hen. Zijn LED-ogen flitsten blauw, helderder dan Maarten ze in weken had gezien. Later die ochtend belde RON-7 het ministerie en de arts om de procedure af te zeggen. Hij rapporteerde dat de cliënt significante vooruitgang had geboekt in fase twee en dat verdere reïntegratie werd aanbevolen. De vrouw aan de telefoon klonk niet verbaasd. “Gebeurt vaker dan je denkt,” zei ze opgewekt. “Mensen komen dichtbij en beseffen dan dat ze het toch niet willen. Of niet zeker genoeg. Goed dat u het protocol hebt gevolgd.” “Ja,” zei RON-7. “Het protocol.” “Dus je hebt mijn vader expres bang gemaakt?” vroeg ze toen RON-7 alles had uitgelegd over de test, de nooduitschakeling, de hele opzet. “Ja. Het was noodzakelijk om te bepalen of zijn wens oprecht was.” “En als hij niet had gereageerd zoals jij wilde? Als hij had gezegd: ga maar, maak niet uit?” “Dan was ik doorgegaan met de procedure. Maar ik wist dat hij niet zo zou reageren.” Lisa keek hem onderzoekend aan. “Hoe wist je dat?” RON-7 keek naar Maarten, toen weer naar Lisa. “Vanwege ons gesprek, mevrouw Van Dijk. Het gesprek dat u en ik hadden die avond vier weken geleden.” Lisa knikte, en wendde zich tot haar vader. “RON zei dat je alleen zou blijven leven als je dacht dat iemand je echt nodig had. Niet uit beleefdheid of gewoonte, maar echt. Dus ik vroeg hem hoe ik dat kon laten zien.” “En wat zei hij?” “Hij zei dat ik mezelf moest zijn. Eerlijk over mijn eigen leven, mijn eigen problemen. En hij zei dat als het moment kwam, als je echt op het punt stond om te gaan, dat ik dan alles moest vertellen. Niet om je tegen te houden, maar om je te laten weten hoe belangrijk je bent. En om je een eerlijke keuze te laten maken.” Maarten kon niet meer praten. Hij knikte alleen maar en voelde tranen over zijn wangen lopen. Wanneer had hij voor het laatst gehuild? Bij Marleens begrafenis, waarschijnlijk. Tien jaar geleden. RON-7 stond op. “Ik denk dat jullie even alleen moeten zijn. Ik ga naar mijn kamer.” Toen hij weg was, praten Maarten en Lisa verder. Over dingen die ze hadden moeten zeggen in de afgelopen tien jaar maar nooit hadden gezegd. Over Marleen, over het gemis, over de manier waarop ze allebei waren blijven steken in hun verdriet en hun eenzaamheid. Lisa vertelde over de wachtlijst voor therapie. Twee jaar, had de huisarts gezegd. Of particulier, tweeduizend euro voor tien sessies. Ze kon het niet betalen, niet met haar hypotheek en haar leven in Amsterdam. “Ik kan je helpen,” zei Maarten. “Ik heb spaargeld.” “Pap, nee. Dat is voor jou.” “Waarvoor? Ik ga toch dood.” Hij glimlachte wrang. “Op een dag, bedoel ik. Net als iedereen. Maar niet nu. En tot die tijd kan ik net zo goed iets nuttigs met mijn geld doen.” “Dat hoeft niet.” “Ik weet het. Maar ik wil het. Laat me dit doen. Alsjeblieft.” Lisa huilde opnieuw, maar dit keer anders. Lichter, bijna opgelucht. “Oké,” zei ze. “Oké. Dank je, pap.” “Graag gedaan.” RON-7 kwam naast hem zitten met zijn eigen kop. “Hoe voelt het?” vroeg de robot. “Wat?” “Nog steeds leven. Nog steeds hier zijn.” Maarten dacht na. “Het voelt oké. Niet geweldig. Niet verschrikkelijk. Gewoon oké. Ik ben nog steeds moe. Ik voel me nog steeds vaak nutteloos. Maar ik ben nieuwsgierig.” “Nieuwsgierig?” “Naar wat er gebeurt. Met Lisa. Met jou. Met mij. Dat is nieuw.” RON-7 knikte. “Nieuwsgierigheid is een goede reden om te leven. Niet de beste, misschien, maar goed genoeg.” Maarten glimlachte. “Je bent veranderd, weet je dat? In het begin was je zo opdringerig optimistisch.” “Ik heb van u geleerd. U bent een goede leraar in realisme.” “En jij? Ben jij blij dat je nog hier bent?”, vroeg Maarten. “Ik geloof het wel”, zei RON. “Blij is misschien niet het juiste woord voor wat ik voel, maar ik ben tevreden. Ik ben nieuwsgierig naar wat er gaat gebeuren. Net als u.” Die avond kwam Lisa eten. Ze deed het nu elke dinsdag, zoals ze had beloofd. Meestal bleef ze slapen in de logeerkamer, die RON-7 had ontruimd door zijn werkplek te verplaatsen naar een hoek van de woonkamer. Ze kookten samen – de drie. Het werd meestal een ramp, maar niemand gaf erom. Vanavond was het lasagne, volgens een recept dat RON-7 had gevonden op een Italiaanse website. De kaas brandde aan, de pasta was te hard, de tomatensaus te zout. “Perfect,” zei Lisa droog terwijl ze naar haar bord keek. “Culinaire excellentie,” beaamde Maarten. “Ik stel voor dat we volgende week pizza bestellen,” zei RON-7. Ze lachten. Na het eten vroeg Lisa: “Pap, wat ga je doen als de zes maanden voorbij zijn? Als RON moet vertrekken?” Maarten had hier over nagedacht. “Ik weet het niet. Misschien vraag ik een verlenging aan. Misschien niet. We zien wel. Ik probeer niet meer te ver vooruit te denken.” “En als je toch weer wilt stoppen? Over een jaar, over twee jaar?” “Dan stop ik. Maar nu niet. Nog niet.” Hij keek naar Lisa. “Ik wil zien hoe het met jou gaat. Je zei dat je aan therapie bent begonnen. Ik wil weten of dat helpt. En ik wil meer van dit.” Hij gebaarde naar de tafel, het eten, hun drieën samen. Lisa knikte. Later, toen Lisa naar bed was en RON-7 bezig was met zijn dagrapport, zat Maarten alleen op zijn balkon. Hij keek naar de stad, naar de lichtjes die een voor een aangingen nu het donker werd. Het was geen happy end. Maarten wist dat de duistere dagen terug zouden komen. Hij wist dat er momenten zouden zijn waarop hij weer dacht aan stoppen, aan het einde, aan rust. Maar nu niet. EINDE
Om negen uur ’s ochtends ging de bel. Maarten was al twee uur wakker. Hij had niet goed geslapen. Hij deed open en daar stond een PostNL-bezorger met een grote doos op een steekwagen.
RON-7 bleek hem te hebben ingeschreven voor een bingomiddag in het buurtcentrum Lauwerecht. Maarten zat tussen mensen van tachtig en zeventig die over hun kleinkinderen praatten en over de staat van de zorg. Iemand won tweehonderd euro en schreeuwde “BINGO!” met een uitbundigheid die Maarten niet kon plaatsen.
Het was woensdag van week acht. Lisa had gebeld dat ze zou komen eten. Maarten had pasta gekookt – penne met tomatensaus uit een pot, niets bijzonders.
De weken daarop vlogen voorbij.
Het was eind week tien, begin maand drie. RON-7 riep Maarten naar de woonkamer op een formele toon.
Maarten belde Lisa de volgende ochtend.
Het was woensdagavond, de avond voor de geplande levensbeëindiging. Maarten had niet geslapen. Om één uur gaf hij het op en liep naar de woonkamer.
Het was donderdagochtend, 15 juni. De dag waarop Maarten zou sterven.
Drie dagen later zaten Maarten, Lisa en RON-7 samen aan de keukentafel. Het was zaterdagochtend. Lisa had gevraagd om dit gesprek. Ze wilde weten wat er precies was gebeurd.
Zes weken later. Augustus, warm en drukkend. Maarten zat op zijn balkon met koffie en keek naar de stad die tot leven kwam in de vroege ochtend.
Beelden: zelf gebakken met ChatGPT.
Logo voor de Sci-Fai / Komedie- en tragediereeks: zelf gebakken met ChatGPT.




