De zieke mens in de romanliteratuur: beter door ziekte

De zieke mens in de romanliteratuur: beter door ziekte

In de reeks ‘Intelligente boeken om te lezen tijdens een al dan niet intelligente lockdown’: De zieke mens in de romanliteratuur van Simon Vestdijk.

“Over de zieke mensch,
Zijn slokdarm, reet en pens,
Zijn kotsen, bloeden, beven,
Is schriklijk veel geschreven.
En over dat geklooi
Schrijf ik nu weer: heel mooi.”

Zo dichtte Simon Vestdijk in het exemplaar van De zieke mens in de romanliteratuur dat hij zijn biograaf Nol Gregoor cadeau deed eind 1964.

‘Mooi’ is niet het eerste woord dat de moderne lezer van dit boek te binnenschiet. ‘Ouderwetsch’, dat is een toepasselijker term. Vestdijk is lang van stof (100 pagina’s voor een essay). Hij lijkt er af en toe vooral op uit om zijn – inderdaad indrukwekkende – belezenheid en intelligentie te demonstreren. Ook heeft hij een niet altijd even goed te verdedigen (ziekelijke?) behoefte om zaken te categoriseren en de lezer om de oren te slaan met zelfbedachte termen als ‘ziekteromans’  versus ‘ziekeromans’ en ‘tijdelijke ziekten’ versus ‘ruimtelijke ziekten’ en ‘positivistisch-romantische’ versus ‘renaissancistisch-christelijke’ boeken.

Wie zich door dit alles niet uit het veld laat slaan, staat toch een ‘heel mooie’ – boeiende, leerzame – leeservaring te wachten. Zo attendeert Vestdijk de lezer op enkele boeken waar je tegenwoordig weinig van hoort, maar die zeker niet verouderd zijn. Les Jeunes Filles van Henri Montherlant, bijvoorbeeld, De Grote Zaal van Jacoba van Velde, Antoine et Julie van Georges Simenon en nog wat van die boeken die zo op de stapel ‘te lezen’ kunnen. Nog interessanter is dat Vestdijk een ‘filosofie over het raadsel van de ziekte’ probeert te schetsen om ‘een bruikbaar uitgangspunt te vinden voor beschouwingen over het antwoord van de mens op de ziekte, als uitdaging van zijn ontraadselend vernuft, maar ook van zijn hogere levenskunst.’

Deze filosofische aap komt overigens pas op bladzijde 85 van het boekje uit de mouw. Rijkelijk laat dus, maar hier valt alles op z’n plaats: Vestdijk wil onderzoeken hoe we het beste kunnen omgaan met ziekten.

Om dit te doen aan de hand van ‘de romanliteratuur’ ligt niet voor de hand, maar het is duidelijk wat Vestdijk voor ogen staat. Hij probeert de literatuur als een soort virtueel laboratorium aan te wenden, met de personages als proefdieren en de verhalen als experimenten om daaruit allerlei levenslessen te trekken. De literatuur als leermeester van het leven gebruiken, met andere woorden. Volgens Vestdijk leent vooral de moderne literatuur zich hier goed voor, vanaf 1800 of daaromtrent. Want, zegt hij: iemand die ziek is, wordt in de moderne cultuur (en dus ook de literatuur) zuiver als ‘geval’ gezien – waar hij vroeger als ‘beproefde, zondaar of wellicht uitverkorene’ zou gelden. Bovendien zijn de gevalsbeschrijvingen die de literatuur tegenwoordig geeft in zijn ogen behoorlijk nauwkeurig, aangezien ‘deze doortrokken is van dezelfde de critische geesteshouding waarmee men de ziekte tegenwoordig benadert’ – anders dan vroeger, toen ‘speculatieve of fantastische opvattingen opgeld deden’.

Hier komt bij dat in de moderne – ‘positivistisch-romantische’ – literatuur talrijke ziektebedden, sterfgevallen, alcoholvergiftigingen en depressies figureren. De stroom romans die Vestdijk kan gebruiken begon in de Romantiek met boeken als Het leiden van de jonge Werther van Goethe (die het romantische als ‘het zieke’ beschouwde) en zwol vervolgens aan tot een hele vloedgolf – denk aan Flauberts Madame Bovary, De idioot van Fjodor Dostojevski, Thomas Manns De toverberg, Dood in Venetië en Dr. Faustus en aan De pest van Albert Camus.

Wat kunnen we leren van al deze boeken? Sowieso dat er verschillende manieren zijn waarop we kunnen omgaan met ziekten. Aan het ene uiterste heb je mensen die berusten in hun ziekte – mensen die Vestdijks sympathie duidelijk niet hebben. Hij noemt de Jezuïetenpater Panaloux uit De pest als voorbeeld van dit specimen, die de ziekte die zijn woonplaats aanvaardt als straffe Gods. Aan het andere uiterste staan mensen die genezing zoeken voor hun ziekte. Het is voor Vestdijk even zoeken om daar een goed personage bij te vinden. Hij wijst erop dat de arts Rieux uit De pest geen voorbeeld is, aangezien hij de pest wel bestrijdt, maar zonder de overtuiging dat hij daarmee levens redt (het absurdisme van Camus in een notendop).

Uiteindelijk vindt Vestdijk de ideale kandidaat in Adrian Leverkuhn uit Dr. Faustus, de op ‘good old’ Nietzsche geïnspireerde componist die zich ‘zijn ziekte ten nutte maakt’, ‘hanteert als een werktuig’ en zodoende ‘overwint’ door de louterende werking van zijn ziekte aan te spreken.

“Een ziekelijk type kan niet gezond worden, laat staan zichzelf gezond maken; voor een gezond type daarentegen kan ziekte zelfs een krachtige stimulans zijn tot leven, tot meer-leven”, citeert Vestdijk met instemming uit Nietzsches autobiografie Ecce Homo.  Hij voegt daaraan toe: “Het is heel goed mogelijk, dat ziekte niet zozeer een stoornis is als wel een overdrijving van normale levensprocessen, die het organisme de gelegenheid bieden zich in deze processen te oefenen.” En zonder oefening geen kunst: “Niet alleen de wil, het uithoudingsvermogen, de zelfbeheersing worden geoefend in en door de ziekte, maar ook het intellect en de gevoeligheid.”

Vestdijk gaat nog net niet zo ver om te zeggen dat je blij mag zijn als je ziek bent – het idee van ziekte als kans, die je vooral moet opzoeken. Wel vindt hij dat je, als je dan toch ziek bent, er het beste van kunt maken – en de ziekte aangrijpen om jezelf te ontwikkelen. Misschien genees je niet van je ziekte. Maar ook als je niet beter wordt, kun je beter worden dankzij je ziekte.

Beeld: 【微博/微信】愚木混株 【Instagram】cdd20 via Pixabay

Deel:

Geef een antwoord