Hayatira – 1e nacht: de man die één vraag niet kon beantwoorden (Een Sci-Fai sprookje)
De opdracht was duidelijk: stel vast wat een mensenleven waard is. Tarim had zes weken om een rapport te schrijven. Hij kende de methoden. Hij kende de literatuur. Hij beschikte over de cijfers. Hij kwam met een rapport dat uit één zin bestond.
Een sciencefictionverhaal geïnspireerd op de 1001 Nacht.
De opdracht aan Tarim, voormalig hoofd Kwantitatieve Analyse bij het Centraal Planbureau, was duidelijk. De Commissie voor Herziening van de Sociale Basiswet had een probleem: het moest voor eens en voor altijd duidelijk worden wat een mensenleven waard was. Er moest, zoals het officieel heette, ‘een monetaire waardering’ komen.
Tarim keek er niet van op. “Schaarse publieke middelen moeten eerlijk worden verdeeld. Beleidsmakers moeten beslissen hoeveel een veiligheidsmaatregel op een spoorwegovergang mag kosten, welke behandelingen in het zorgpakket thuishoren, hoeveel gewicht milieuvervuiling krijgt in de regelgeving. Zonder monetaire waardering worden die beslissingen ook genomen, maar dan zonder goede onderbouwing.”
Je zag in de gezondheidszorg al tot welke ontsporingen dat leidde: lange wachtlijsten (terwijl er misschien mensen waren die zoveel waard waren dat ze meteen moesten worden geholpen), peperdure behandelingen voor patiënten die het misschien helemaal niet waard waren (waardoor er geen geld was voor andere, misschien wel veel belangrijkere behandelingen) en grote financiële tekorten waarvan niemand wist of die wel gerechtvaardigd waren. Met monetaire waardering zou die willekeur die de gezondheidszorg nu teisterde kunnen worden teruggedrongen. Op z’n minst zouden afwegingen zichtbaar en bespreekbaar worden. In het beste geval zou die waardering eindelijk leiden tot de best denkbare gezondheidszorg.
Tarim had zes weken de tijd om zich van zijn taak te kwijten.
Zoals elke wetenschapper zou doen, begon hij met onderzoek. Het bleek dat er al veel was gepubliceerd over het onderwerp. De geleerden waren het er weliswaar niet met elkaar over eens hoe je de waarde van een mensenleven moest berekenen of wat de waarde van een mensenleven was. Maar dat het mogelijk was om tot een monetaire waardering te komen? Daar waren ze van overtuigd.
Hij zette de methoden op een rij:
Hij begon met de menselijke-kapitaalmethode: een leven is wat iemand produceert. Je neemt het verwachte toekomstige inkomen, je verdisconteert dat naar het heden en klaar ben je op. Een arbeider van veertig: 620.000 eenheden. Een ingenieur van 50: 1,4 miljoen. Een kind van vijf was lastiger, maar je zou met scenario’s kunnen werken en dan afhankelijk van de intelligentie van het kind op een bovengemiddelde of benedengemiddelde waarde uitkomen. Toen dacht hij aan zijn moeder. Gepensioneerd. Geen productieve output meer. Haar waarde, in dit model, was negatief. Iets stond hem daarin tegen.
De tweede methode werd in veel zones al bij wijze van experiment gebruikt in de gezondheidszorg. Hier wordt ervan uitgegaan dat een jaar in goede gezondheid een bepaalde waarde heeft (80.000 eenheden was het getal dat meestal werd genoemd in de literatuur). De waarde van een medische behandeling is dan afhankelijk van in hoeverre deze bijdraagt aan een langer en aangenamer leven. Inderdaad: langer én aangenamer, gemeten in Quality-Adjusted Life Years (QALY’s).
Hij sprak met een verzekeringsarts, die nogal schamper deed over deze methode.
“Stel dat iemand verlamd raakt”, zei ze. “Hoe hoog schat u zijn kwaliteit van leven daarna in?”
“Lager”, zei Tarim.
“Hoeveel lager?”
‘Zestig procent van normaal. Vijftig.’
Ze knikte. “Dat zeggen de meeste mensen. Maar als je mensen vraagt die daadwerkelijk verlamd zijn geraakt dan rapporteren ze een kwaliteit van leven van 85, soms 90 procent van normaal.”
‘Dat klinkt te hoog.’
‘Vanuit uw perspectief nu, ja. Maar mensen passen zich aan. Ze richten hun leven anders in dan ze tot dan toe gewend waren. Het kan jaren duren en niet iedereen leert leven met zijn handicap. Maar mensen zijn in het algemeen veerkrachtiger dan je zou denken.”
“En lijkt de waarde van een levensjaar in goede gezondheid al snel hoger dan deze werkelijk is.”
“Ja. Al zeg ik niet dat de waarde van een mensenleven al snel te hoog wordt geschat.”
De derde methode dan: waardebepaling op grond van de *Willingness to pay*: je meet wat mensen bereid zijn te betalen voor een marginale verlaging van een risico. Heel simpel. Je vraagt mensen: Wat heb je over voor een airbag? Een vaccin? Een schoner luchtfilter? En nog wat van die vragen, waarbij je idealiter alle risico’s die een mens kan lopen meeneemt. Je telt die bedragen bij elkaar op en deelt ze door het aantal mensen dat je hebt geïnterviewd. Je weet dan wat een gemiddeld mens zijn eigen leven waard vindt. Per land verschilde dit, zag Tarim. Althans dat was de overheersende indruk die kleinschalige experimenten opriepen. In geïndividualiseerde zones ten Noorden van De Stad, leek het erop dat mensen hun leven wel 2,7 miljoen eenheden waard vonden. In de collectieve zones ten Oosten van de stad was 200.000 eenheden al veel. Waren dat dan werkelijk zulke superieure of juist minderwaardige mensen?, vroeg Tarim zich af. En bovendien, schreef Tarim in zijn aantekeningen: *Deze methode meet niet de waarde van een leven. Ze meet de koopkracht van de angst.*
Toch zetten het relaas van de verzekeringsarts en de literatuur over de *Willingness to pay* Tarim op het spoor van een model dat volgens hem wel door de beugel kon. Of eigenlijk was het geen model, het was hooguit een methode: vraag mensen welke waarde ze zelf toekennen aan hun leven. En de enige manier om daar achter te komen, was om het mensen zelf te vragen.
Daarom schoot hij de volgende dag zijn collega Hinde aan. “Hypothetische vraag”, zei hij. “Wat denk jij dat jouw leven waard is?”
“Dat is echt een rare vraag voor een maandag”, zei Hinde.
“Dinsdag. Niet dat het ertoe doet.”
‘Het doet er juist wel toe!”, had ze gezegd. “Het verschilt van dag tot dag. Op sommige dagen is het antwoord heel veel. Op andere dagen vraag ik me dat af.’ Op maandagen zeker.”
Hij besloot z’n vraag te herformuleren: wat maakte dat het leven waarde had? Misschien zou dat hem verder brengen.
In de weken die volgden, stelde hij die vraag aan dertien mensen. Zijn buurman, de vrouw achter de balie van zijn sportschool, twee oud-studenten, een collega van de afdeling Macro, zijn vader via de telefoon. Hij stelde de vraag aan een onbekende vrouw in de trein die tegenover hem zat.
Ze noemden namen. Ze noemden momenten. Een geur: jasmijn in een tuin die er al lang niet meer was. De eerste keer dat iemand echt naar hen luisterde. Een zin in een boek die ze niet meer wisten maar waarvan de toon hen was bijgebleven als een melodie zonder woorden. Niemand had het erover hoeveel die momenten, die geur, die aandacht of die zin precies waard was. Tarim had er naar gevraagd, maar het had alleen maar glazige blikken opgeleverd.
Zijn rapport bestond – na een lange inleiding waarin de opdracht werd geformuleerd en de drie modellen werden uiteengezet – uit één zin: “De waarde van een mensenleven is niet in geld uit te drukken, wat niet wil zeggen dat het waardeloos is.”
Zijn aanstelling werd niet verlengd.
—
De verteller zweeg.
Shara keek naar hem door het matglas. Ze kon zijn silhouet onderscheiden, zijn schouders, de manier waarop zijn handen stil lagen. “Hij had toch iets kunnen opschrijven?”, zei ze. “Een van de drie modellen? Of een combinatie?”
“Ja.”
“Dan was hij niet ontslagen.”
“Nee.”
“Waarom deed hij dat dan niet?”
De verteller haalde adem. Langzaam. “Dat vermeldt het verhaal niet. Misschien omdat hij wist dat zijn model zou worden gebruikt door beleidsmakers? Omdat dat beleid nooit recht zou doen aan de werkelijke waarde van al die mensenlevens?”
“Maar er moet toch beleid zijn?”
“Op grond van een ondeugdelijk model?”
Shara zuchtte geïrriteerd.
“Als u morgen weer komt”, zei de verteller,”dan vertel ik u een heel ander verhaal. Dat bevalt u hopelijk beter.”
“Het is niet dat het me niet bevalt”, zei ze. “Meer dat ik het niet begrijp.”
“Misschien hoeven we het niet te begrijpen.”
Shara dacht na. “Morgen kom ik weer”, zei ze ten slotte. Want het gekke was: ze had het verhaal misschien niet begrepen, ze voelde zich wel beter dan ze in lange tijd had gedaan.



