Hayatira – Proloog (Een Sci-Fai sprookje)
Verhalen zijn in de Stad verboden. Niet omdat ze zinloos zijn, maar omdat ze gevaarlijk zijn. Mensen die verhalen horen, worden gelukkiger. En gelukkige mensen hebben de Stad niet nodig.
Shara Miran is de dochter van de man die dit verbod heeft ingevoerd.
Vanavond gaat ze naar een verhaal luisteren.
Een sciencefictionverhaal geïnspireerd op de 1001 Nacht.
Dit verhaal begint met een getal. Wat bijzonder vreemd is, aangezien het verhaal verder niet over getallen gaat, juist niet zelfs.
Maar goed, een getal dus. Het getal 61,4. Dat was het gemiddelde van Shara’s ‘body battery’ in de afgelopen maand, wist ze van haar lijfarts, dr. Yara Solis. Wat het precies betekende dat Shara’s ‘body battery’ 61,4 bedroeg en niet 60 of 70? Ze had het haar lijfarts gevraagd, en die had haar uitgelegd dat het te maken had met haar ‘energieniveau’. Natuurlijk kon zij niet precies zoals een batterij worden opgeladen of juist leeglopen. Maar zoiets was het: haar – wat haar arts bij gebrek aan een beter woord ‘vitaliteit’ noemde – was 61,4 op een schaal van 0 tot 100. Voldoende. Alleen was haar body battery een jaar geleden nog gemiddeld 78 geweest en twee jaar geleden 84. Ze had dus steeds minder ‘energie’. Geen wonder dat ze zich zo vaak slap, vermoeid en somber voelde.
Dr. Solis had daarom een heel schema voor haar opgesteld: wat ze moest eten (en wanneer ze haar ijzerpillen en andere voedingssupplementen moest nemen), hoe vaak ze moest sporten (elke dag, maar steeds een andere spiergroep) en hoeveel uur ze moest rusten (en wanneer – vooral het moment van opstaan was volgens Dr. Solis belangrijk). Maar het hielp niet. Of in elk geval niet genoeg om dat langzaam weglekken van haar energie te keren. Nog een paar jaar en ze zou helemaal geen fut meer hebben.
“Shara”, zei Dr. Solis nu bezorgd. “Er is geen biogenetische verklaring. Op celniveau, op hormonaal niveau, op neurologisch niveau is er niets mis met je. Niet dat ik kan zien tenminste.”
“Dus?”, had Shara gezegd. Die ‘uitleg’ klonk haar als loze woorden in de oren. Net zo weinig verhelderend als de uitleg die Solis haar had gegeven van wat haar ‘body battery’ nu eigenlijk uitdrukte. Shara was niet dom, had de duurste en daarmee vermoedelijk ook beste opleidingen van het land doorlopen. Maar op een of andere manier raakte ze in gesprekken met Solis over haar lichaamsconditie keer op keer verstrikt in een web van woorden.
“Dus? Dus is het iets anders. En… dus is er misschien ook een andere remedie.” Solis zuchtte: “Er zijn mensen die beter worden van dingen die het systeem niet registreert.”
Ze had gewacht op de vervolgzin. Die was niet gekomen. Solis had haar naar het raam gekeken zien staren en uiteindelijk gezegd: “Er zijn mensen die beter worden van dingen die het systeem niet registreert. Sommige mensen worden ziek door gebrek aan fantasie. Aan verbeelding. Ze worden beter als ze daarmee in contact komen. Met verhalen, met beelden, met dingen die buiten de productieve cyclus vallen.”
Shara zei niets.
“Daar zijn sterke aanwijzingen voor. Alleen zijn die nooit openbaar gemaakt.”
“Want?”
“Het zou vervelend zijn als dat gebeurde. Want die mensen worden dan wel beter. Maar het worden geen betere mensen, begrijp je?”
“Nee.”
“Misschien is het ook niet goed als jij dit weet”, zuchtte Solis zuchtte.
“Ik kan je dwingen”, zei Shara, half ernstig, half schertsend.
“Goed. Maar ik moet je waarschuwen. Wat ik je nu ga vertellen moet je echt voor je houden. Dat zeg ik als vriend, niet als je arts.”
“Natuurlijk. Als artsen geheimen van hun patiënten kunnen bewaren, waarom zouden patiënten dan geen geheimen van hun artsen bewaren?”
Solis glimlachte en begon. “Je weet wat NPC is?”
“Non Player Character?” Shara herinnerde zich die term uit de games die ze vroeger als kind had gespeeld – enkele jaren terug, toen gamen voor de meeste burgers al was verboden. Als kind van de elite in de Binnenring gold dat verbod voor haar destijds niet, en had ze zich vol enthousisame overgegeven aan allerlei ‘games’. Ook games met NPCs – figuren zonder eigen wil, figuranten die alleen dienden als opsmuk van de wereld waarin de hoofdrolspelers de dienst uit maakten.
“Nee. Niet echt. Bepaald niet zelfs”, zei Shara. “NPC staat voor Niet-Productieve Cognitie. Kennis die geen praktisch nut heeft. Zinloze kennis. Misschien betreft het helemaal geen echte kennis, en gaat het slechts om voortbrengselen van de menselijke geest die volstrekt overbodig zijn. Dromen, dagdromen, verhalen, schilderijen en andere kunst.”
“Zaken die nu verboden zijn.”
“Juist. Maar weet je ook waarom?”
“Ik was te klein om te begrijpen waarom het werd verboden.”
“Omdat ze worden gezien als een afwijking. Een inefficiëntie. Iets wat moet worden weggesneden. Burgers die een hoge NPC-consumptie hebben, scoren ook inderdaad significant lager op de productiviteitsschaal…”
“Mmm. En wat heeft dat met mijn conditie te maken?”
“… maar hun welzijn is ook hoger. Niet van allemaal. Maar mensen die gevoelig zijn voor verhalen, gedichten, schilderijen en andere kunstuitingen zijn wel degelijk bovengemiddeld gelukkig. Alleen zoeken die mensen minder bevestiging van buiten dan de meesten. Ze hebben iets wat van henzelf is. NPC-consumptie maakt hen onafhankelijk.”
Shara begreep het. “En dat is wel het laatste wat mijn vader wil.”
Solis knikte. “En dat is volgens mij ook de belangrijkste reden dat het nu verboden is om kunst te maken in dit land. Niet omdat het zinloos is. Nee, omdat het een bedreiging kan vormen. Een bedreiging van mensen als jouw vader, inderdaad.” Solis pauzeerde: ‘Maar dit heb je dus allemaal niet van mij.”
“Ik snap dat je niet wilt dat ik dit verder vertel”, zei Shara om haar gerust te stellen. “Maar begrijp ik dat je denkt dat ik zo iemand ben die gelukkiger wordt van een hoge NPC-consumptie?”
“Ja. Hoe lang kennen wij elkaar wel niet? Ik weet het wel zeker.”
“Maar wat heb ik aan die wijsheid? Ik kan toch niet tegen de wetten die mijn eigen vader heeft ingevoerd ingaan? En trouwens: er is toch helemaal geen Niet-Productieve Cognitie meer? Wie droomt, krijgt medicijnen om die te onderdrukken. Kunstenaars bestaan niet meer.”
“Ze bestaan nog wel. Alleen zijn ze gestopt. En wie niet wilde stoppen, is veroordeeld.” Solis dacht even na. Ze keek naar Shara. “Er is een man. Vijf jaar lang heeft hij in de Buitenring en de Middenring verhalen verteld aan iedereen die het wilde horen. Vijf jaar. Dat is voor zover bekend de langste onafgebroken verspreiding.”
“Je denkt dat het goed is als ik naar zijn verhalen ga luisteren?”
“Hij is gearresteerd. Drie jaar geleden. Hij zit in Faciliteit 7. Ik ken de gevangenisarts. Alleen…”
“Alleen?”
“Alleen gaat hij dood. Drie jaar onder de grond, zonder daglicht, zonder contact met andere mensen – dat heeft hem geen goed gedaan. Maar er is ook iets anders. Hij fluistert elke nacht verhalen tegen de muren van zijn cel. Alsof hij er niet mee kan ophouden. Misschien put dat hem ook uit.”
“Alsof hij levenskracht weggeeft door te vertellen? De levenskracht die zijn toehoorders winnen?”
“Ik weet niet of het zo werkt. Alle onderzoek naar NPC is verboden.”
“Maar je vindt dat ik hem moet ontmoeten”, concludeerde Shara. “In het geheim.”
“Ik kan dat regelen”, zei Solis. “In het geheim. Vannacht.”
—

Solis had Shara door een netwerk van tunnels, trappen en smalle gangetjes naar de Faciliteiten onder de grond geleid, waar mensen die veroordeeld waren voor NPC-verspreiding gevangen werden gehouden. Daar had Solis haar overgedragen aan de gevangenisarts, een oudere, timide man wiens naam Shara niet had opgevangen. De arts had haar naar een kamertje gebracht, met middenin een tafel met twee stoelen aan weerszijden en in het midden een groot scherm van matglas.
De gevangenisarts nodigde haar uit op de ene stoel te gaan zitten. Door het matglas kon ze nog net zien hoe hij de deur uitliep en terugkwam met iemand anders, die plaatsnam op de stoel aan de andere kant van het glas. Shara kon zijn silhouet ondeerscheiden, maar had geen idee hoe hij er verder uit zag.
Moest zij het woord nemen? Hij was toch de verteller? Dan moest hij toch ook beginnen? Maar de figuur aan de andere kant van het glas leek alleen maar te zitten. Tot Shara het woord wilde nemen. Alsof hij dat had aangevoeld, was hij haar net voor.
“U bent de dochter van Miran Shahr”, zei hij.
“Ja”, zei ze.
“En toch bent u hier.”
“Ja.”
Ze hoorde hem ademen. Langzaam, moeizaam, zelfbewust. Iemand voor wie elke ademtocht telt.
“Ik heb niet veel tijd meer”, zei hij.
“Ik hoorde het.”
“Dan stel ik voor dat we geen tijd verspillen.”











