Hayatira – 2e nacht: de geheime tuin (Een Sci-Fai / Romantiekverhaal)

Hayatira – 2e nacht: de geheime tuin (Een Sci-Fai / Romantiekverhaal)

Als iets eenmaal een registratienummer heeft, is het van iemand. En van iemand zijn betekent hier: gesloopt kunnen worden.
Dit is van niemand. Daarom is het er nog.
Voorlopig.

Een sciencefictionverhaal geïnspireerd op de 1001 Nacht.

De verteller zat al klaar aan de tafel, verscholen achter het matglas, toen Shara werd binnengelaten door een bewaker. Ze kon zien dat hij zijn handen op tafel had. Ze hoorde hem zwaar ademen. Omdat hij niets zei, nam zij maar het woord nadat zij had plaatsgenomen aan haar kant van de tafel.

“Je hebt beloofd vannacht een heel ander verhaal te vertellen dan het vorige,” zei ze.

“Als je wilt.”

“Ik denk het.”

“Misschien weet je dat pas achteraf.”

“Dan is het te laat. Of kun je zorgen dat je verhaal weer onverteld is?”

“Alleen als jij niet geluisterd hebt. Dan is het verteld en toch onverteld.”

Shara lachte: “Ik zal zeker zeker luisteren.” Ze waren nog niet begonnen en ze voelde zich al weer nog iets beter dan gisteren.

“Dan vertel ik je vanavond over een man die zijn werk goed deed. Altijd. Jarenlang. Tot hij op een ochtend een fout vond die hij had moeten melden.”

“Wat voor een man?”

“Marek. Hij werkte bij het Kadaster. Je weet wat het Kadaster is?”

“Natuurlijk. De instelling die bijhoudt welk stuk grond van wie is, wat erop staat en wat de status ervan is.”

“Precies. En hij vergeleek nieuwe data — satellietbeelden, bouwaanvragen, kadastrale updates, gemeentelijke meldingen — met wat er al in het systeem stond. Als er ergens een garage was bijgebouwd, moet dat kloppen met de perceelregistratie. Als een stuk grond een andere bestemming kreeg, moest de database dat reflecteren. Hij moest nagaan of het register nog wel de werkelijkheid representeerde. En als hij een afwijking vond, moest hij zorgen dat gaten tussen de werkelijkheid en het register werden gedicht. Snap je?”

“Zo’n beetje. Ik wist niet dat er mensen waren die dat deden.”

“Hij deed niet anders.”

“En als hij een gat tussen de werkelijkheid en het register vond dat moest worden gedicht? Dan werkte hij het register bij?”

“Of hij werkte de werkelijkheid bij.”

“Misschien snap ik het toch niet.”

“Daar gaat het verhaal over”, zei de verteller. Hij haalde diep adem, alsof hij zijn krachten verzamelde. En hij begon.

Op een dinsdag in november opende Marek op zijn computer een satellietfoto van Sector 14-Noord in de Buitenring en vergeleek de afbeelding met de kaart uit het gemeentelijk register. Alles klopte, behalve een rechthoek van iets minder dan tweehonderd vierkante meter, ingeklemd tussen de achterwand van een distributiehal en een stuk asfalt dat al jaren niet meer in gebruik was. Het perceel stond niet in het register.

Hij had het moeten rapporteren. Dat wist hij. Een niet-geregistreerd stuk grond was een anomalie van categorie B: meldplicht binnen 48 uur, doorsturen naar Grondinspectie, wachten op instructie. In plaats daarvan sloot hij zijn computer af.

Die avond, toen hij naar huis fietste, reed hij om via Sector 14-Noord.

De achterwand van de distributiehal was van ruwbeton, grauw en lang. Het asfalt ernaast stond vol scheuren. Marek liep langs de muur tot hij een smalle opening vond. Geen deur, geen toegang, gewoon twee muren die niet helemaal op elkaar aansloten.

Hij wrong zich erdoorheen en verkreeg zo toegang tot de geheime tuin. Aanvankelijk moest hij zich een weg banen door de struiken die tot z’n middel reikten, de klimplanten die tegen de muren aan weerszijden van de tuin opgroeiden, tot hij uitkwam bij een hoge boom met een stam die hem deed denken aan de pilaar van een oude Griekse of Romeinse tempel. Achter de boom lag een overgroeid paadje dat naar een slecht onderhouden houten bank leidde. Marek ging erop zitten en pakte zijn telefoon om een van de bloesems van de klimplanten die om de bank slingerden te determineren. Hij haalde zijn telefoon tevoorschijn, zette de botanische herkenningstool aan en richtte de camera op de bleekgele, zoetgeurende bloesem met de paarsgele kern. “Geen overeenkomst gevonden”, kreeg hij als mededeling.

In de weken daarop zou hij de geheime, geheimzinnige tuin vrijwel dagelijks na zijn werk bezoeken. Hij ging dan op het bankje zitten totdat de zon onderging. Hij leerde de tuin kennen alsof hij er al jaren kwam. Hij wist waar die ene losse steen lag, waar de klimplant naar rechts boog in plaats van naar links, hoe het licht om halfvier inviel langs de rechterbovenkant van de ene muur.

Tot de dag dat hij opeens onbekende voetafdrukken zag. De voetafdrukken waren kleiner dan de zijne en liepen naar de boom. Daar was een tak van afgebroken, zag hij. En een klein stuk van de schors was glad geworden, alsof iemand er lang tegenaan had geleund. Hij ging gewoon op de bank zitten en wachtte af wat er zou gebeuren.

In het weekend ging hij weer naar de tuin, dit keer ochtends vroeg. En weer ging hij op de bank zitten, en weer wachtte hij af. Dit keer kwam er wel iemand de tuin in. Een vrouw die zich naar binnen wrong door de smalle opening die naar de tuin leidde. Ze schrok even toen ze hem zag zitten op de bank en maakte al aanstalten om te vluchten. Maar toen hij haar wenkte om vooral dichterbij te komen, bedacht ze zich en ging naast hem zitten.

“Dina”, zei ze.

“Marek. En ik heb dit niet gemeld”, zei Marek.

“Ik ook niet”, zei Dina.

Marek duwde een van de bloemen die tussen hen in hing weg.

“Die bloesems”, zei Dina. “Ik heb ze opgezocht in een oude bibliotheekdatabank. Ik ken iemand die toegang heeft.”

“En?”

“Ze zijn uitgestorven sinds 1987. De soort heet Vesper pallida.”

Ze pakte haar telefoon erbij en las voor: “Een nachtbloeiende, zilverachtig bleke plant die haar bloemen opent bij schemering. De kroonbladen zijn dun en bijna doorschijnend, waardoor ze in het laatste licht zacht opgloeien. Ze groeit op droge, stenige grond en verspreidt ’s avonds een lichte, kruidige geur om nachtvlinders aan te trekken.” Dina pauzeerde even. “Het laatste bekende exemplaar is gestorven in een botanische tuin in het Oosten van de stad.”

“Toch groeien ze hier”, zei Marek.

Ze kwamen terug, de weken daarna. Niet dat ze samen afspraken, ze kwamen elk wanneer het schikte, en soms was de ander er al en soms niet. Als ze allebei aanwezig waren, zaten ze op de bank en spraken over de tuin. Over de boom, over de manier waarop de klimplant na een nacht vorst weer verder groeide alsof de vorst hem niets kon schelen. Over de stenen die op het pad lagen, die niet uit de streek leken te komen. Ze spraken niet over hun werk. Ze vroegen niet naar elkaars woonomstandigheden.

“Denk jij dat iemand dit heeft aangelegd?”, vroeg Marek.

“Ja”, zei Dina. “Lang geleden. Door iemand die hoopte dat het niet zou worden gevonden.”

“Ja. Maar waarom?”

Dina haalde haar schouders op.

Marek zweeg.

‘Als iets eenmaal een registratienummer heeft,’ zei Dina, ‘is het van iemand. En van iemand zijn betekent hier: gesloopt kunnen worden.’ Ze keek naar de boom. ‘Dit is van niemand. Daarom is het er nog.’

Marek zei niets.

In februari ontving Dina bericht dat ze werd overgeplaatst naar een filiaal van het bedrijf op de Noordelijke eilanden.

Ze ging nog één keer naar de tuin, op de laatste dag van februari.

Marek was er al.

Ze zei het hem. Hij knikte zonder haar aan te kijken.

Ze zaten een tijd lang samen op het bankje, langer dan ze ooit hadden gezeten. De zon was al bijna weg toen Dina opstond. De bloesems van de Vesper pallida begonnen al licht te geven.

Toen stond Dina op, kuste Marek vluchtig op zijn voorhoofd en liep het pad af langs de boom. Ze wrong zich door de opening en weg was ze.

Drie maanden later opende Marek een scanbestand van Sector 14-Noord.

Hij vergeleek de satellietafbeelding met het gemeentelijk register.

De rechthoek was leeg. Een betonvloer, zag hij. Vers gestort, de kleur nog licht. Geen boom. Geen struiken. Geen bank.

Hij opende het register en vond het perceel meteen: Niet-geregistreerd bouwterrein, status: gesaneerd. Datum: 14 maart. Geen verdere aantekeningen.

Het gat tussen de werkelijkheid en het register was gedicht.

Hij opende het raam van zijn kantoor — iets wat hij bijna nooit deed, de instructie was om de klimaatregeling te laten werken — en bleef staan. Heel even dacht hij de zoetige geur van de Vesper pallida te ruiken, maar dat kan ook zijn verbeelding zijn geweest.

“De ambtenaar”, zei Shara. “Hij had het moeten melden.”

“Ja.”

“En hij deed het niet. Omdat hij de tuin wilde beschermen?”

“Ik denk het.”

“Of bestond de tuin helemaal niet?”

“Waarom denk je dat?”

“Omdat er planten stonden die al lang waren uitgestorven.”

“Dat is inderdaad merkwaardig.”

“En hij rook een geur die niet kon bestaan.”

“Ook dat.”

“En die vrouw?”, vroeg Shara. “Zijn ze nooit…”

“Dat vermeldt het verhaal niet.”

“Ik denk het niet”, zei Shara. “Al is dat wel jammer.”

“Voor het verhaal is het misschien beter.”

Shara hoorde de verteller hevig ademen. Het klonk alsof hij net een steile trap was opgehold. Misschien een astma-aanval? Of misschien lag het aan haar? Iemand die zich zelf niet goed voelt, zal zich niet zo snel afvragen hoe het met de ander gaat. Zo iemand was zij lange tijd geweest. Maar nu voelde ze zich echt een stuk beter dan gisteren (en toen ging het al beter dan de dag daarvoor). Ze had het idee dat ze daardoor meer oog had voor de omgeving. Misschien dat de verteller eerder ook al als een blaasbalg had geklonken, maar was het haar gewoon niet opgevallen.

Ze durfde er niets over te zeggen, maar vroeg wel voorzichtig: “Ik geloof niet eens dat ik je naam weet.”

“Zaran”,  zei de verteller. “Zo kun je me noemen als je wilt.”

“Zaran”, proefde ze. “Zaran. Zal ik morgen weer komen? Ik ben benieuwd.”

“Graag”, zei hij. “Ik ben ook benieuwd.”

Deel:

Geef een reactie