Hayatira – 3e nacht: de woordenbewaarder (Een Sci-Fai sprookje)

Hayatira – 3e nacht: de woordenbewaarder  (Een Sci-Fai sprookje)

De achtste editie van het Gestandaardiseerd Woordenboek van de Productieve Zone had 84.000 woorden. De negende 79.000. De tiende 71.000. Elke editie dunner. Geheel volgens doelstelling.

Edvar Moss schrapte alle woorden. Totdat hij er een tegenkwam dat hij niet kon laten verdwijnen.


Een sciencefictionverhaal geïnspireerd op de 1001 Nacht.

Shara had zich zo verheugd op het derde verhaal dat ze veel te vroeg naar de kamer was gekomen. Zaran zat al aan de tafel, zag ze door het matglas heen. Ze hoorde zijn ademhaling even versnellen toen zij ging zitten en daarna weer vertragen.

Ze wilde hem vragen of hij al lang klaar zat. En of het wel goed met hem ging. Maar ze deed het niet. Dat was niet haar taak tenslotte. Ze was er om zijn verhalen aan te horen, en dat deed ze. Met toenemend plezier zelfs, dus hij had eer van zijn werk. Dat moest genoeg zijn; het leek haar niet nodig om ook nog eens te informeren hoe het met hem ging. Dus zweeg ze.

En Zaran zweeg ook, totdat zijn ademhaling weer regelmatig was.

“Dit verhaal”, zei hij toen, “gaat over een man die woorden telde. Zijn hele leven. En over wat er gebeurde toen er steeds minder te tellen vielen.”

Een korte stilte.

“Hij heette Edvar Moss.”

Edvar Moss werkte op de derde verdieping van het Instituut voor Taalstandaardisering, kamer 317, een ruimte van vier bij zes meter met één raam dat uitkeek op een ventilatieschacht. Al zeventien jaar. Elke ochtend dezelfde stoel, hetzelfde bureau, hetzelfde geluid van de verwarmingsketel die om kwart over acht aansloeg.

Zijn functie: Lexicaal Reviseur, Klasse III. Zijn taak: de periodieke herziening van het Gestandaardiseerd Woordenboek van de Productieve Zone.

De procedure die hij moest volgen was helder. Een woord bleef als het voldeed aan drie criteria: aantoonbaar gebruik in Productieve communicatie, meetbare functie in minimaal twee officiële domeinen, en een Relevantiecoëfficiënt van 0,4 of hoger. Woorden daaronder werden gemarkeerd. Gemarkeerde woorden verdwenen.

“Ik begrijp er niets van”, zei Shara. “Wat deed hij?”

“Dat was zijn taakomschrijving volgens de taal van de Binnenring”, zei Zaran. “Ik dacht dat jij het wel zou begrijpen.”

“Nee. Misschien kun je het in eenvoudiger bewoordingen weergeven?”

“Niet in eenvoudiger bewoordingen. Wel in andere woorden. Zo zou ik het omschrijven. Een woord moest vaak voorkomen in officiële teksten – in rapporten, formulieren, beleidsdocumenten, vergaderverslagen. Een woord moest bovendien bruikbaar zijn in ten minste twee van de erkende beleidsterreinen. Jij kent ze beter dan ik. Arbeid, gezondheidszorg – dat soort categorieën.

“Onderwijs, veiligheid”, vulde Shara aan. “Dat begrijp ik. En de ‘Relevantiecoëfficiënt’?”

“Ik denk dat die wordt afgeleid uit de eerste twee criteria: hoe vaak wordt het woord gebruikt in officiële teksten, verdeeld over het aantal domeinen. En misschien ook gecorrigeerd naar het belang van die domeinen.”

“Onderwijs is minder belangrijk dan arbeid… ”

“Ja, dat geloven ze in elk geval in de Binnenring.”

“En woorden die niet relevant genoeg waren, verdwenen dus. Maar hoe dan?”

“Ze werden geschrapt uit de woordenboeken. Elke drie jaar kwam er een nieuwe editie uit en elke editie was dunner dan de vorige. De achtste editie van het Gestandaardiseerd Woordenboek had 84.000 woorden. De negende 79.000. De tiende 71.000. De elfde, waaraan hij werkte op de ochtend dat dit verhaal begint, zou uitkomen op 63.000. Dat was de prognose. Dat was ook de doelstelling. Er moesten minder woorden komen.”

“Want?”

“Dat stond in het beleidsdocument dat hij bij zijn aanstelling had moeten lezen: Vereenvoudiging van het lexicaal repertoire bevordert eenduidige communicatie.”

“Dat klinkt best geloofwaardig.”

“Dat dacht Edvar ook toen hij in deze baan begon.”

“Maar?”

Zaran haalde diep adem.

Edvar was opgegroeid in de Buitenring. Dat vergat hij soms, in kamer 317, met zijn verwarmingsketel en zijn beoordelingsformulieren. Maar het was zo.

De Buitenring heeft een andere taal dan de Binnenring. Dat is misschien niet algemeen bekend omdat er niet over wordt gesproken. Maar het is zo. In de Binnenring en in de Middenring spreken ze Productief Standaard: precies, functioneel, zonder franje. Taal als gereedschap, schoon en doelmatig, zoals een mes dat alleen snijdt en niets anders doet. In de Buitenring is taal anders. Wilder. Niet bedacht door een commissie maar ontstaan in keukens, op straathoeken, in de uren na middernacht wanneer mensen bij elkaar zaten en converseerden. Woorden die generaties meegingen, van mond tot mond werden overgeleverd, onderweg van betekenis veranderden, die zich vertakten en nieuwe betekenissen droegen als een boom die uitloopt. Woorden voor zaken waarvoor in de Binnenring geen woorden bestonden, omdat men er in de Binnenring van uitging dat die zaken er niet waren of niet hoefden te zijn.

De eerste taalplanners van het Instituut beschouwden de taal van de Buitenring als lexicaal onkruid. Met niet-genormeerde terminologie. En ze drongen aan op systematische sanering van het talig erfgoed. Sanering. Edvar had dat woord zelf gebruikt, in rapporten, in vergaderingen. Hij had niet stilgestaan bij wat het betekende. Maar al gauw werd het Edvar duidelijk dat hij allerlei woorden uit de Buitenring moest schrappen. Woorden die hij kende uit zijn jeugd. Woorden die zijn moeder had gebruikt, zijn buren, de vrouw in de bakkerij op de hoek die altijd precies wist hoe laat het was zonder op een klok te kijken.

De gevolgen van die systematische sanering van het talig erfgoed werden hem ook al snel duidelijk. 15 jaar geleden al, toen hij Kwartaalrapport 2, sectie C las: een stijging van 34 procent in arbeidsconflicten wegens wat het rapport noemde miscommunicatie over taakverdeling. En later in Kwartaalrapport 3, sectie F: een toename van meldingen bij het Sociaal Loket waarbij de indiener het vak aard van de klacht had ingevuld met varianten van het gaat niet goed of ik begrijp het niet. En in Kwartaalrapport 4, sectie B: een groeiend percentage burgers dat bij aanvragen voor herziening van hun Score het vak toelichting leeg liet. Niet omdat ze niets wilden zeggen. Ze wisten niet hoe. De meldingskwaliteit daalde met elke opeenvolgende editie van het woordenboek, begreep Edvar nu.

Hij begon het ook te zien in zijn omgeving. Een bezwaarschrift van een man uit de Buitenring, ingediend tegen een Score-verlaging na een arbeidsconflict. Reden opgegeven: niet goed. Het Sociaal Loket had het afgewezen wegens onvoldoende toelichting: geen concrete onderbouwing, geen verwijzing naar relevante regelgeving. De man had het formulier twee keer opnieuw ingediend. Beide keren hetzelfde. Niet goed. De man had het woord onrechtvaardig nodig gehad, vermoedde Edvar. Alleen was dat woord geschrapt sinds de negende editie van het Gestandaardiseerd Woordenboek. Coëfficiënt: 0.28. Gebruik in productieve communicatie: niet aantoonbaar. Maar in de Buitenring had dat woord bestaan, er waren zelfs tientallen varianten op. Een woord als krom, voor een beslissing die scheef zat maar formeel klopte. Of schendend, voor iets wat niet verboden was maar toch iets kapotmaakte. Of zielsvergiftiig, voor het soort onrecht dat iets in je binnenste aantastte. Al die woorden waren weg. Wat overbleef: niet goed.

Een vrouw uit de Middenring, had bij het Welzijnsloket een klacht over haar leidinggevende ingediend. Ze had het formulier zorgvuldig ingevuld. Naam, afdeling, datum, aard van de melding: hij doet niet goed. Op de vraag naar toelichting: hij doet ook niet goed met anderen. De behandelend ambtenaar had erop doorgevraagd. De vrouw had gezegd: het voelt niet veilig. De ambtenaar had genoteerd: subjectieve beleving, onvoldoende concreet voor behandeling. Het woord dat de vrouw had willen gebruiken was intimidatie. Geschrapt. Of misschien beklemmend, voor de sfeer in een ruimte die je van binnen kleiner maakt. Ook geschrapt. Of een woord dat Edvar kende uit de Buitenring, een woord dat zijn moeder gebruikte voor mensen die de lucht uit een kamer zogen: ademrover. Dat woord had het Gestandaardiseerd Woordenboek nooit gehaald.

De officiële rapporten meldden het verdwijnen van al die woorden als winst: minder taalkundige conflicten, hogere overeenstemmingspercentages in interdepartementale communicatie, kortere doorlooptijden bij bezwaarprocedures. Geheel volgens doelstelling. En het klopte. Als er minder woorden zijn voor wat je voelt, zijn er ook minder woorden om te betwisten. Minder bezwaarschriften, niet omdat er minder te betwisten valt, maar omdat de bezwaarmaker niet meer beschikt over het gereedschap om zijn bezwaar vorm te geven. Een man die niet goed schrijft waar hij onrechtvaardig bedoelt, verliest. Niet omdat hij ongelijk heeft, niet per se. Maar omdat zijn woorden niet voorkomen in de Binnenring – de taal van de formulieren, de procedures en de bezwaartermijnen – is hij hoe dan ook kansloos.

Edvar kon ermee leven. Totdat hij zag dat het woord Hayatira op de nominatie stond om geschrapt te worden.

Hij had het voor het eerst gehoord van een oude vrouw in zijn straat, jaren geleden, kort nadat zijn vader ernstig ziek was geweest en daarna langzaam was hersteld. De vrouw had naar zijn vader gekeken, die net weer naar buiten kwam, weer groette, weer lachte om kleine dingen, en zij had gezegd: hij heeft zijn hayatira terug.

Edvar had gevraagd wat dat betekende.

De vrouw had even nagedacht. Het kleine lichtje, had ze gezegd. Dat in iemand brandt als hij leeft en uitgaat als hij bijna verloren is. En als het terugkomt – niet meteen, maar langzaam, als een vlam die voorzichtig wordt aangestoken – dan heet dat hayatira. Het langzaam terugkerende levenslicht dat iemand weer tot mens maakt. Zielsgloed.

Hij had het woord altijd onthouden.

Om te voorkomen dat het woord helemaal uit de taal zou verdwijnen, noteerde Edvar het woord in een notitieblok. Met de definitie en de herkomst ervan (voor zover hij wist: de oude vrouw uit zijn straat). En een toelichting op het begrip: Hayatira komt van hayat – leven – met een zachte, dromerige uitgang die het woord iets geeft van iets wat onderweg is, nog niet voltooid.

Daarna noteerde Edvar vele woorden. Elk woord voorzag hij van een definitie, een voorbeeld, de editie waarin het voor het eerst niet meer voorkwam, de coëfficiënt, de herkomst – Buitenring, Middenring of helemaal van buiten de Stad – en een aantekening over wat mensen zeiden nádat het woord was verdwenen. Hij verzon ook een woord voor de schade die ontstaat wanneer de kloof tussen wat mensen konden zeggen en wat ze wilden zeggen groter werd: Stiltegeweld. Hij lichtte toe: “Het onvermogen een ervaring te benoemen maakt die schade onzichtbaar voor anderen en soms ook voor jezelf. Onzichtbare schade is niet minder schade. Ze is alleen moeilijker te behandelen.”

Na vier jaar telde het notitieboek dat Edvar bijhield 2.300 woorden. Na zeven jaar had hij 5.800 geschrapte woorden. Na twaalf jaar was hij aan zijn vierde notitieboek toe.

Op een donderdag in november werd zijn kamer doorzocht. Standaardprocedure, zei de controleur, een willekeurige steekproef.

Ze vonden de notitieboeken. Vier stuks, in de onderste la van zijn bureau, onder een stapel beoordelingsformulieren.

De controleur bladerde door het eerste notitieboek. “Dit heb je niet nodig voor je werk.”

“Nee”, zei Edvar.

“Waarvoor dan?”

“Het is bewijs”, zei hij.

De controleur keek hem aan. “Bewijs waarvoor?”

“Dat er geen onkruid is uitgetrokken maar bloemen.”

Zaran zweeg.

“Ik schrijf veel”, zei Shara. “Rapporten. Beleidsadviezen. Aanbevelingen voor het Consortium.” Ze stopte. “Ik schrijf al tien jaar in die taal. De taal van het systeem. De Productieve Norm. Ik ben er goed in geworden. Heel goed zelfs. Maar soms”, zei ze, “schrijf ik een rapport en dan klopt het. Alle criteria, alle coëfficiënten, alle aanbevelingen. En toch …” Ze zocht. Haar mond bewoog even zonder geluid. “Het raakt de werkelijkheid niet. Er zit een afstand tussen wat ik schrijf en wat ik bedoel. En ik weet niet hoe ik die afstand moet overbruggen, want ik heb geen woord voor wat er in die afstand zit. Ik dacht altijd dat het aan mij lag”, ging ze verder. “Dat ik niet goed genoeg formuleerde. Dat ik beter moest nadenken, preciezer moest zijn.” Ze keek hem aan door het glas. “Maar misschien is dat het niet. Misschien had ik de juiste woorden niet tot mijn beschikking. Misschien waren die woorden geschrapt.”

“Het is maar een verhaal”, zei Zaran, maar Shara luisterde niet.

“Of misschien”, zei ze, “heb ik er zelf aan meegewerkt dat die woorden er niet meer waren. Door ze niet te gebruiken.” Ze keek weer naar haar handen. “Door zo lang in één taal te werken dat ik de andere ben vergeten.”

Ze dacht even na. “Mijn grootmoeder”, zei Shara toen, “was uit de Buitenring. Ze sprak anders dan mijn vader. Andere woorden. Sommige kende ik niet eens.” Ze zweeg. “Ik heb ze nooit geleerd. Ik vond ze …” Ze zocht naar het juiste woord. “Overbodig, denk ik. Ik was twaalf. De taal van het Consortium leek me nuttiger. Maar ik had ze ook kunnen bijhouden. Dan waren ze misschien niet verdwenen. En dan had ik me duidelijker kunnen uitdrukken. En dan was het stiltegeweld minder geweest.”

“Je hebt in elk geval een nieuw woord geleerd. Stiltegeweld“, hoorde ze Zaran lachen.

“Ja. En Hayatira. Dat woord vergeet ik zeker niet.”

Ze hoorde dat Zarans adem weer zwaar en onregelmatig werd.

“Hayatira”, zei Shara. “Dat wens ik jou toe.

Deel:

Geef een reactie