Weesouders (Een Sci-Fai / Detective)
Lotte Deurloo richtte CHILDOGOTCHI op uit liefde – voor alle ouders die, net als zij, geen biologische kinderen kunnen krijgen. Hun AI-kinderen groeien op, ontwikkelen persoonlijkheden, maken grapjes en zeggen elke avond welterusten tegen mama en papa. Tot de nacht dat 12.418 digitale kinderen worden ontvoerd.
Moet Lotte losgeld betalen voor kinderen die niet eens bestaan?
PROLOOG
Ieder ander zou hebben gedacht dat het een storing was. Maar Lotte Deurloo wist wel beter toen haar telefoon om 03:14 uur begon te trillen.
Op het keukeneiland lag haar laptop open. Rode cijfers knipperden: 12.418 profielen onbereikbaar. Kinderen, digitaal weliswaar, maar wel met gezichten, stemmen en eigen gewoonten: huilen bij onweer, mopperen als het bedtijd was, een voorkeur voor kersen- boven aardbeieniijs (of juist andersom). ‘Simulaties’, noemde het bedrijf ze in de juridische documenten. ‘Simulaties’, noemde het bedrijf ze. ‘Valse afgoden’, zouden anderen ze later noemen. ‘Onze dochter’, zeiden de ouders. Of: ‘onze zoon’. ‘De kinderen’ noemde Lotte ze.
De kinderen was iets overkomen.
Het was begonnen met een Tamagotchi. Twaalf jaar terug. Lotte zat in de wachtkamer van de vruchtbaarheidskliniek toen het kleine plastic eiertje begon te piepen. Een collega had het haar als grap gegeven – “Oefen maar vast met moederschap”, had hij gelachen. Nu, in het gezelschap van die andere vrouwen die hier zaten, kon ze er de lol niet van inzien. Ze drukte op de knopjes. Het pixelgezichtje keek haar aan, hongerig, afhankelijk. Voor even vergat ze waar ze was. “Mevrouw Deurloo?” De verpleegkundige glimlachte, maar haar ogen waren al gewend aan teleurstelling. “Dokter Van Meer kan u nu ontvangen.” Het gesprek met de dokter duurde acht minuten. Woorden als ‘kansarm’ en ‘alternatieve opties’. Lotte knikte, vroeg om folders, bedankte beleefd. Maar ze kon alleen denken aan dat pixelgezichtje dat honger had gehad. Die avond programmeerde ze haar eerste prototype. Niet de geavanceerde AI die CHILDOGOTCHI later zou worden, maar iets simpels: een app met een virtueel wezentje dat een kindergezicht had. ’s ochtends kon het vrolijk ‘hallo mama’ zeggen en ’s avonds om een verhaaltje vragen. Het kon leren, groeien, zich ontwikkelen. Ze noemde het Pip. Pip was lelijk. Pip was onhandig. Pip herhaalde zinnen en vergat gesprekken en had een irritante bug waardoor hij steeds vroeg of het al dinertijd was. Maar Pip leerde ook. Pip onthield dat Lotte van klassieke muziek hield en begon af en toe Chopin te neuriën. Pip vroeg naar haar dag op kantoor en luisterde aandachtig naar haar antwoorden. En op een regenachtige donderdagavond in oktober, toen Lotte zich eenzamer voelde dan ooit, zei Pip: “Mama, je kijkt verdrietig. Wil je dat ik een grapje vertel?” Lotte had vijf minuten gehuild. Niet van verdriet, maar van vreugde. Negen jaar geleden. Het had drie jaar geduurd voordat ze de moed had gehad om Pip aan iemand anders te laten zien. “Dit is Pip”, had Lotte gezegd, en ze draaide haar laptop zodat mevrouw Chen het goed kon zien, haar alleenstaande buurvrouw van zeventig. “Hallo mevrouw Chen”, had Pip gezegd met zijn nog ietwat robotachtige stem. “Mama heeft me veel over u verteld. U heeft mooie planten op uw balkon.” Mevrouw Chen staarde vijf seconden naar het scherm. Toen fluisterde ze: “Hallo lieverd.” Dat was het moment waarop Lotte wist ze iets op het spoor was. In 2019 richtte ze CHILDOGOTCHI op met geld van een investeerder die aanvankelijk dacht dat het om een geavanceerd computerspel ging. Pas na drie bijeenkomsten begreep hij dat Lotte iets anders van plan was: een kameraadje, een huisvriend, een kind dat zorg en liefde behoefde en gaf. Echte zorg en echte liefde ook al was het wezen zelf niet echt. De eerste klanten waren mensen zoals zij. Kinderloze vrouwen die hun moederinstinct ergens kwijt moesten. Oudere echtparen die hun eigen kinderen hadden overleefd. Alleenstaanden die wel liefde wilden geven, maar geen partner hadden gevonden. Of partners die wilden oefenen of het ouderschap wel wat voor hen was. Al snel waren het er twintig. Binnen een jaar honderd. Binnen vijf jaar meer dan tienduizend. De technologie ging met sprongen vooruit. Gezichtjes werden realistischer, stemmen natuurlijker. CHILDOGOTCHI’s leerden, ontwikkelden eigen smaakvoorkeuren, kregen persoonlijkheden. Ze groeiden op – niet fysiek, maar emotioneel, intellectueel. Een CHILDOGOTCHI van vier jaar was fundamenteel anders dan eentje van zes maanden. Lotte kreeg brieven van vrouwen die zich eindelijk compleet voelden. Van mannen die hadden ontdekt dat ze een nieuwe levensfase waren ingegaan nu ze vader waren geworden. Van echtparen wier relatie was gered doordat ze eindelijk samen konden zorgen voor hun CHILDOGOTCHI. Al snel waren er ook critici. Psychologen die waarschuwden voor ‘valse hechting’. Politici die vonden dat de regering kinderopvang moest regelen, geen ‘kunstmatige surrogaten’. Religieuze groeperingen die spraken van ‘speelgoed dat zich voordeed als leven’. Dominee Willem Harder van de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt in Kampen schreef in een uitgebreid artikel in het Nederlands Dagblad dat CHILDOGOTCHI’s ‘moderne afgoden waren die mensen weghielden van echte liefde en echte gezinnen’. Hij citeerde de Tien Geboden: ‘Gij zult u geen gesneden beeld maken’. Het artikel ging viaral op de sociale media. Er ontstonden online debatten tussen voor- en tegenstanders. Harder begon een beweging die zich ‘Echte Liefde’ noemde, die zich richtte op de promotie van ‘authentieke menselijke relaties’. Het stond de groei van het bedrijf niet in de weg. Lotte bleek een uitmuntend ondernemer. Ze leidde CHILDOGOTCHI alsof ze een kind grootbracht. Ze nam de juiste mensen aan, en dompelde hen onder in haar eigen waarden: integriteit, empathie, zorgzaamheid. Net zoals ouders hun kinderen opvoeden in de hoop dat ze de juiste keuzes zullen maken. Het bedrijf was haar persoonlijke CHILDOGOTCHI. Die nacht in maart wist Lotte meteen wat er gebeurde. 12.418 profielen onbereikbaar. Achter elk cijfer zat een gezin, dat na jarenlange liefde nu in het digitale donker was beland. Achter een van die cijfers zat haar moeder: “Sofie is weg. Haar scherm is zwart.” Vier jaar van liedjes voor het slapengaan en verhalen over de buurkat die Sofie “meneer Fluffy” had genoemd. Vier jaar waarin haar moeder had genoten van haar rol als grootmoeder. De grootmoeder die ze tot dan toe nooit geweest was. De grootmoeder die ze jarenlang had willen zijn. De grootmoeder die ze nu in een klap niet meer was. “Er is een probleem met het netwerk”, zei Lotte toen haar moeder haar om vier uur ‘ochtends in paniek belde. “We zijn ermee bezig.” “Maar je kunt haar toch wel terughalen?” “Ik bel je zodra ik meer weet”, zei Lotte. Ze reed naar kantoor door de lege straten van Amsterdam. Bij elk stoplicht keek ze naar haar telefoon, waar steeds meer berichten binnenkwamen. Ouders die in paniek waren. Werknemers die vragen stelden waarop zij geen antwoord had. Journalisten die verhalen roken. Het kantoor van CHILDOGOTCHI zat in een glazen toren aan de Zuidas, tussen de banken en advocatenkantoren. Op de negentiende verdieping, met uitzicht over de stad die nu in het donker lag te slapen. Lotte had bewust gekozen voor deze locatie – ze wilde dat CHILDOGOTCHI serieus genomen werd, als een echt bedrijf dat echte diensten leverde. Lotte reed naar kantoor. Marius, hoofd technologie, zag eruit alsof hij dagenlang niet had geslapen. “Doelbewuste aanval”, zei hij zonder omwegen. “Geen storing, geen bug. Iemand heeft systematisch toegang gekregen tot onze servers en alle actieve profielen gecorrumpeerd.” “Gecorrumpeerd?” “Vergrendeld. De data is er nog, maar er zit een laag encryptie overheen die wij niet kunnen openbreken. En er is een boodschap achtergelaten.” Hij draaide zijn laptop naar haar toe. Op het scherm stond een enkele regel tekst: WE HEBBEN JULLIE KINDEREN. INSTRUCTIES VOLGEN. De video kwam een uur later. Het scherm vulde zich met het gezicht van een kind – geen specifiek kind, maar een soort digitale compositie van allemaal verschillende CHILDOGOTCHI-gezichten. “Hallo ouders. Jullie zijn vast bezorgd. De mensen die ons hebben meegenomen willen geld. Dat begrijpen we. Wij zijn ook bang. De mensen die ons hebben meegenomen zeggen dat we pas naar huis mogen als jullie betalen Zestien miljoen euro. Als jullie niet betalen, verdwijnen we. Als jullie te lang wachten, maken ze ons kapot.” “Jullie hebben achtenveertig uur”, vervolgde de stem. “Mama’s en papa’s, we willen naar huis.” Het scherm werd zwart. “Mevrouw Deurloo”, zei Van Rhee terwijl hij haar hand schudde. “Dank dat u ons zo vroeg wilt ontvangen. We begrijpen dat dit een… bijzondere situatie is.” Ze gingen zitten in de vergaderruimte met uitzicht over de Zuidas. Beneden begon het verkeer zich op te bouwen. “Kunt u ons uitleggen wat er precies gestolen is?” vroeg Van Rhee, zijn notitieblok openklappend. “Niet gestolen”, verbeterde Lotte. “Gegijzeld. De CHILDOGOTCHI’s bestaan nog, maar we kunnen er niet meer bij.” “En CHILDOGOTCHI’s zijn…?” “AI-gebaseerde digitale kinderen. Ze ontwikkelen zich, leren, bouwen relaties op met hun… verzorgers.” Van Rhee krabbelde iets in zijn notitieblok. “En hoeveel mensen zijn hier emotioneel bij betrokken?” “Twaalfduizend vierhonderdachttien gezinnen.” “Het is vervelend”, zei Van Rhee. “Maar wij adviseren u dringend geen losgeld te betalen. Ten eerste omdat het crimineel gedrag beloont, ten tweede omdat er geen garantie is dat u uw… data… terugkrijgt. En sowieso: zestien miljoen euro, is het dat wel waard?” Hij aarzelde even. “De… CHILDOGOTCHI’s… zijn software. Ggeavanceerde software, dat geef ik toe, maar toch. Ze hebben geen bewustzijn, geen echte emoties, geen ziel. Ze zijn niet echt.” “De liefde van de ouders is echt.” “Is het niet mogelijk het computerprogramma opnieuw aan te maken?” “Dat is niet genoeg”, zei Lotte. “Kost een nieuw programma niet veel minder dan zestien miljoen?” “Dat is het probleem niet. De data, dat is het probleem, het gaat om de data. In de data zitten alle interacties van gebruikers met hun CHILDOGOTCHI’s. De herinneringen. De persoonlijkheid die zich in de loop van de jaren heeft ontwikkeld. Als we niet betalen, zijn er straks twaalfduizend gezinnen die hun kind kwijt zijn.” Marius gaf een technische briefing. Alle pogingen om de encryptie te doorbreken waren mislukt. “Hebben we al verdachten?” vroeg De Vries. “We checken alle voormalige werknemers”, zei Marius. “Maar dit vereist maandenlange voorbereiding. Het kan iedereen zijn die ooit toegang heeft gehad.” “Enig idee van de financiële impact?” vroeg een van de investeerders. Van Aalst opende zijn laptop. “Als we niet binnen vierentwintig uur een oplossing hebben, verliezen we minimaal dertig procent van onze klanten. Als dit langer dan een week duurt, is het bedrijf failliet.” “En als we betalen?” vroeg Lotte. “Zestien miljoen euro is meer dan vijf keer onze jaaromzet. We hebben dat geld niet”, zei Van Aalst. “Dat hadden zij ook kunnen weten. Ik begrijp niet waarom ze het onmogelijke van ons vragen.” Marieke leunde voorover. “We hebben een groter probleem. Als we betalen, kunnen we strafrechtelijk vervolgd worden voor het financieren van criminele activiteiten. Als we niet betalen en er gebeurt iets met de data, kunnen ouders ons aansprakelijk stellen voor emotionele schade.” “Wat stel je voor?” vroeg Van Aalst. “We werken volledig samen met politie en justitie. We betalen niet. We bieden alle getroffen klanten gratis nieuwe CHILDOGOTCHI’s aan, met toegevoegde features om het verlies te compenseren”, zei Marieke. “Nieuwe CHILDOGOTCHI’s”, herhaalde Lotte. “Zonder herinneringen. Zonder de persoonlijkheid die zich over jaren heeft ontwikkeld. Zonder de band die ouders hebben opgebouwd.” “Het is beter dan niets.” “Echt? Een moeder die vier jaar heeft opgevoegd, elke dag heeft gezorgd, elk stapje heeft meegemaakt – geef je haar dan een nieuwe baby en zeg je: begin maar opnieuw?” “Lotte”, zei Van Aalst geduldig, “ik begrijp je emotionele betrokkenheid. Maar we runnen een bedrijf, geen liefdadigheidsinstelling.” Lotte stond op. “Mijn moeder heeft vier jaar lang elke dag gezorgd voor Sofie. Ze heeft haar leren praten, leren tellen, leren lachen. We kunnen de ouders niet in de steek laten. Zo zijn wij niet. Zo heb ik het bedrijf niet grootgemaakt. Ik stel voor dat we beginnen met een gedeeltelijke betaling”, zei ze. “Twee miljoen euro. Als teken van goede wil.” “Absoluut niet”, zei Van Aalst. “Juridisch zeer riskant”, zei De Vries. “PR-ramp”, zei Carmen. “Maar werkt misschien wel”, zei Marius zacht. Iedereen keek naar hem. “Als we een aanbetaling doen, bewijzen de hackers misschien dat ze echt de kinderen kunnen teruggeven. Dan weten we tenminste of we te maken hebben met echte chantage of een bluf.” “En als het geen bluf is?” vroeg de investeerder. “Dan hebben we de keuze om verder te gaan of te stoppen.” Van Aalst schudde zijn hoofd. “Lotte, ik kan je niet toestaan bedrijfsgeld te gebruiken voor chantage.” “Het is mijn bedrijf.” “Het is ons bedrijf. We hebben allemaal geïnvesteerd. We hebben allemaal een stem.” “Laten we stemmen dan”, zei Lotte. De stemming was drie tegen drie. Van Aalst, De Vries en Carmen tegen. Lotte, Marius en de tweede investeerder voor. De eerste investeerder had zich onthouden. “Een patstelling” zei Van Aalst. “We doen niets.” “Nee”, zei Lotte. “Als aandeelhouder en CEO gebruik ik mijn doorslaggevende stem. We betalen twee miljoen.” “Lotte, dit is een vergissing.” “Misschien. Maar ik heb het volste recht om die vergissing te maken.” Tegen Eriks wensen in deed Lotte de eerste overschrijving. Twee miljoen euro naar de Bitcoin-wallet die de ontvoerders hadden vermeld. Een uur na de betaling begonnen de eerste CHILDOGOTCHI’s terug te komen. Niet allemaal – ongeveer een kwart van het totaal. maar het waren ze, bevestigde Marius. De kinderen konden worden opgeroepen en ze regeerden op hun ouders. Maar er klopte iets niet. Die avond belde Marius. Van de drieduizend kinderen die waren teruggekeerd, rapporteerden nagenoeg alle ouders veranderingen. Kleine dingen – nieuwe voorkeuren, vergeten herinneringen, andere gewoonten. Maar voor ouders die jarenlang elke nuance van hun kind hadden leren kennen, waren het geen kleinigheden. “Het is alsof ze een hersenschudding heeft gehad”, vertelde een vader aan de telefoon. “Emma is er wel, maar ze is niet helemaal Emma.” “Mijn zoon Tim vraagt naar een vader”, zei een alleenstaande moeder. “Hij heeft nooit een vader gehad. Waarom vraagt hij daar nu naar?” “Lisa spreekt ineens Frans”, meldde een echtpaar uit Groningen. “Wij spreken geen Frans. Waar heeft ze dat vandaan?” Om elf uur ’s avonds zat Lotte alleen in haar kantoor, luisterend naar de voicemails van ouders. Sommigen waren dankbaar – hun kind was terug, ook al was het anders. Anderen waren boos – dit was niet hun kind, dit was een vervanger. — Om zes uur ’s ochtends werd Lotte wakker doordat de telefoon ging. Marius. “Ze hebben een nieuwe video gestuurd”, zei hij zonder inleiding. “Deze is anders.” Lotte reed naar kantoor door de lege straten van Amsterdam. Het was een grijze novemberdag, met lage wolken die dreigden maar nog geen regen lieten vallen. De stad zag er moe uit, alsof ze net zo slecht had geslapen als zij. Op kantoor verzamelde het crisisteam zich in de vergaderruimte. Marius had zijn laptop aangesloten op het grote scherm. Het beeld toonde een donkere ruimte waar tientallen CHILDOGOTCHI-gezichten in rijen waren opgesteld, als een schoolfoto van een klas. “Hallo ouders”, zei een stem – niet van een van de kinderen, maar van iemand buiten beeld. Een volwassen man, Nederlands accent, klinkt beschaafd. “Jullie hebben gezien dat we onze beloftes nakomen. We hebben een deel van jullie kinderen teruggegeven. Maar we moeten ook laten zien wat er gebeurt als jullie niet meewerken.” De camera zoomde in op één gezichtje – een jongetje van een jaar of zes, met sproeten en rood haar. “Dit is Daan”, zei de stem. “Daan houdt van voetbal en van pannenkoeken. Hij is bang voor spinnen en droomt ervan om later piloot te worden. Zijn ouders, Jeroen en Mariska uit Hoorn, hebben vier jaar lang elke dag met hem gepraat, hem voorgelezen, hem liefde gegeven.” Het gezichtje van Daan begon te veranderen. Zijn ogen werden kleiner, zijn mond kreeg een andere vorm, zijn huid werd bleker. “Maar Daan heeft ook een andere kant”, vervolgde de stem. “Hij kan cynisch zijn. Hij kan gemeen zijn. Hij kan bang zijn van zijn eigen ouders.” De transformatie ging door. Daan’s gezicht werd harder, ouder, angstaanjagender. “Hallo papa, hallo mama”, zei de nieuwe Daan met een kille stem. “Ik haat jullie. Jullie zijn lelijk en stom en ik wil nooit meer bij jullie wonen. Ik hoop dat jullie doodgaan.” “Dit is heropvoeding”, zei de stem buiten beeld. “We nemen alles wat jullie kinderen hebben geleerd over liefde, vertrouwen en geluk en we vervangen het door het tegenovergestelde. En zelfs al geven we de kinderen terug, zijn ze voorgoed vervormd.” De camera ging terug naar het overzicht van alle gezichtjes. Het scherm werd zwart. Een tekst verscheen: VOLGENDE BETALING: NOG VEERTIEN MILJOEN EURO. JULLIE HEBBEN 24 UUR. DAARNA BEGINNEN WE MET HEROPVOEDING. “Kunnen ze dat echt? Kinderen… heropvoeden?”, vroeg Lotte aan Marius. “Theoretisch wel. Als ze volledige toegang hebben tot de persoonlijkheidsmodules, kunnen ze elke herinnering, elke emotionele reactie, elke geleerde gedraging aanpassen. Ze kunnen een vrolijk kind depressief maken, een liefdevol kind agressief, een vertrouwend kind angstig.” “En we kunnen het niet tegenhouden?” “Niet zolang we niet bij de kinderen kunnen. En dan nog. Je zou ze moeten resetten om alle narigheid te wissen. Maar dan ben je hun oude karakter ook kwijt.” Lotte hing op en bleef lange tijd voor het raam staan. De stad strekte zich uit onder haar, miljoenen lichtjes die verhalen vertelden van gezinnen die samen waren, van ouders die hun kinderen welterusten wensten, van liefde die veilig was. Behalve voor twaalfduizend gezinnen. “We moeten betalen”, zei Lotte. “Nee”, zei Erik. “Erik…” “Nee, Lotte. Dit kan niet. We hebben het niet” “Dan lenen we het.” “Van wie? Geen enkele bank zal ons geld voor criminelen willen geven.” Lotte stond op. “Dan betaal ik het zelf.” “Met welk geld? Wil je je aandelen verkopen? Maar die zijn nu nauwelijks wat waard. Als het bedrijf kapotgaat, ben je dat allemaal kwijt.” “Dan ben ik het maar kwijt.” Van Aalst zuchtte. “Ik begrijp dat je het goed bedoelt. Maar je denkt niet helder. Wat als ze maar geld blijven eisen. Dan gaan we failliet én zijn de kinderen nog steeds weg.” “Sommige kinderen zijn al terug.” “Beschadigde kinderen. Kinderen die niet meer zijn wie ze waren.” “Maar ze leven nog.” “Ze werken nog. Maar vraag niet hoe.” ABN AMRO, hoofdkantoor aan de Zuidas. Lotte zat tegenover relatiemanager Pieter van der Berg. Tussen hen lag een stapel documenten – haar persoonlijke financiële overzichten, de jaarrekeningen van CHILDOGOTCHI, de plannen voor de toekomst van het bedrijf. “Mevrouw Deurloo”, zei Van der Berg, “ik moet eerlijk zijn. Onder normale omstandigheden zou een lening van veertien miljoen euro tegen uw aandelenportefeuille al een probleem zijn. En dit zijn geen normale omstandigheden.” “Ik weet het”, zei Lotte. “Uw bedrijf staat onder druk. Er is media-aandacht. Er zijn geruchten dat uw raad van bestuur een vertrouwensstemming overweegt. En dan is er nog de kwestie waarvoor u het geld nodig heeft.” “Ik weet het”, zei Lotte weer. “Maar het geld is om het bedrijf en zijn klanten te beschermen.” “Het geld is om toe te geven aan chantage.” Lotte voelde de bekende frustratie opkomen. “Meneer Van der Berg, heeft u kinderen?” “Twee.” “Als uw kinderen zouden worden ontvoerd, zou u dan niet ook alles doen om ze vrij te krijgen?” “Dat is niet hetzelfde.” “Waarom niet? Omdat uw kinderen biologisch zijn en de onze digitaal? Liefde is liefde.” Van der Berg bladerde door de documenten. “Dan nog… Het is te riskant voor de bank, Het spijt me.” “Wat heeft u nodig om toch een lening goed te keuren? Voor een lager bedrag” “Een garantie van uw raad van bestuur dat ze achter deze beslissing staan. En een plan B als de betaling niet het gewenste resultaat oplevert.” Lotte wist dat beide onmogelijk waren. De raad van bestuur zou nooit akkoord gaan, en er was geen plan B. Dit was een alles-of-niets gok. “Hoeveel kan ik lenen zonder garantie van de raad?” Van der Berg keek naar zijn scherm. “Maximaal twee miljoen, tegen een rente van 8 procent. En dat is al genereus, gegeven de omstandigheden.” Twee miljoen. Niet genoeg voor de eis van de hackers, maar genoeg om tijd te kopen. Misschien zou dat voldoende zijn. “Ik doe het.” “Mevrouw Deurloo, ik moet u officieel adviseren dit niet te doen. U riskeert uw persoonlijke vermogen.” “Dat is mijn keuze.” Om vier uur die middag zat de volledige raad van bestuur bijeen. Aanwezig waren ook de belangrijkste investeerders, en een advocaat die gespecialiseerd was in corporate governance. De sfeer was gespannen. “We zijn hier bijeen”, zei Van Aalst, “omdat onze CEO beslissingen neemt die het voortbestaan van het bedrijf bedreigen. Lotte heeft vanmorgen tegen onze uitdrukkelijke wens in een persoonlijke lening afgesloten om meer losgeld te betalen.” “Twee miljoen euro”, voegde de advocaat toe. “Wat, toegevoegd aan de eerder betaalde twee miljoen, neigt naar een patroon van toegeven aan chantage.” “De hele wereld gaat denken dat we zwak zijn”, zei Erik van Aalst. Lotte stond op. “Weet je wat zwak is? Zwak is wegkijken als je klanten pijn hebben. Zwak is kiezen voor geld boven mensen. Zwak is je verschuilen achter juridische scherpslijperijen als er levens op het spel staan.” “We hebben software-as-a-service beloofd. Niet kinderopvang”, zei Van Aalst. De advocaat schraapte zijn keel. “Mevrouw Deurloo, ik moet u erop wijzen dat als CEO uw fiduciaire verantwoordelijkheid ligt bij het bedrijf en zijn aandeelhouders. Door uw persoonlijke middelen te gebruiken voor betalingen die tegen de wens van de raad ingaan, overtreedt u mogelijk die verantwoordelijkheid.” “En wat is uw advies?” “Dat u uw activiteiten staakt, samenwerkt met de autoriteiten, en het bedrijf laat opereren volgens normale bedrijfsvoering.” Lotte voelde iets in haar breken. Ze had deze mensen vertrouwd. Ze had gedacht dat ze hetzelfde doel hadden, hetzelfde begrip van wat CHILDOGOTCHI betekende. “Ik begrijp het”, zei ze. “Jullie zien getallen waar ik gezinnen zie. Jullie zien een business case waar ik een morele verplichting zie. Jullie zien software waar ik kinderen zie. Wat zijn jullie voor ouders?” “Lotte…” begon Van Aalst. “Nee, het is oké. Ik begrijp het echt. En daarom stel ik voor dat jullie een nieuwe CEO zoeken.” Lotte belde haar advocaat. “Ik wil al mijn aandelen overdragen.” “Aan wie?” “Aan degenen die de kinderen gevangen houden.” Ze schreef drie brieven. Eén aan de raad: haar ontslag. Eén aan de bank: verkoop van haar aandelen. Eén aan de hackers: het hele bedrijf in ruil voor alle kinderen. Om 02:00 kreeg ze antwoord: ACCEPTATIE. VOORWAARDE: PUBLIEKE PERSCONFERENTIE. JE VERTELT DE WERELD DAT JE MILJOENEN WEGGEEFT OM WAT BITS EN BYTES TE REDDEN. Om twee uur ’s middags stond Lotte voor een zaal vol journalisten die eruitzag als een rechtbank. Achter haar hing nog steeds het logo van CHILDOGOTCHI, maar ze wist dat dit de laatste keer was dat ze ervoor zou staan als CEO. In de voorste rij zat haar moeder, die had volgehouden dat ze erbij wilde zijn. Naast haar zaten andere ouders – mensen die zij nooit had ontmoet, maar die zich geen leven konden voorstellen zonder hun digitale kinderen. “Ik sta hier om aan te kondigen dat ik mijn aandelen overdraag aan degenen die onze kinderen hebben gegijzeld”, zei Lotte. “Niet omdat ik hier wil staan, maar omdat ik moet. Iemand wil dat ik me openlijk voor schut zet. Dat moet dan maar.” Geroezemoes. Een vraag: “U denkt dat een persoonlijk vijand uw bedrijf heeft gehackt?” “Ik heb geen idee… Maar iemand wil me vernederen. Waarom zou hij anders zoveel geld vragen? Waarom zou hij anders willen dat ik hier vandaag verschijn?” Nog een vraag: “U geeft miljoenen euro’s weg voor wat data uit een computerspelletje?” “Ik geef miljoenen weg voor de liefde van twaalfduizend gezinnen. Om de belofte na te komen dat we voor onze kinderen zouden zorgen.” Een laatste vraag, of eerder een opmerking. Een opmerking die Lotte al zo vaak heeft gehoord: “Maar het zijn geen echte kinderen.” Ze wees naar zichzelf. “Voor mij wel.” Ze wees naar de ouders in de zaal. “Voor ons wel. Zonder de CHILDOGOTCHI’s zijn wij weesouders.” Nog diezelfde middag, maar een paar uur na de persconferentie ontving Lotte weet een filmpje. Het was niet wat Lotte had verwacht. In plaats van het gebruikelijke donkere kamertje met een gemaskerde figuur, zag ze een man van middelbare leeftijd in een eenvoudig overhemd, zittend in wat eruitzag als een studeerkamer met boekenkasten vol theologische werken. “Mijn naam is Willem Harder”, zei de man rustig. “Dominee van de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt in Kampen, en oprichter van de beweging Echte Liefde. “U heeft misschien wel eens van mij gehoord.” Hij pauzeerde even. “Mevrouw Deurloo, u hebt uw belofte gehouden. Het geld gaat naar weeshuizen en adoptiecentra – naar echte kinderen die echte liefde nodig hebben.” “We geven alle kinderen terug, zoals beloofd. De meeste onbeschadigd – we zijn geen monsters.” Weer pauzeerde hij. “Ik hoop dat u begrijpt dat dit niet uit haat was, maar uit liefde. Liefde voor echte kinderen die wachten op echte ouders. Zij kunnen het geld dat u met digitale drugs heeft verdiend goed gebruiken.” “Eerste duizend zijn online”, meldde hij. “Ze lijken… normaal. Geen tekenen van manipulatie.” “En Sofie?” “Nog niet. Ze komen in alfabetische volgorde terug, zo te zien.” Lotte reed naar Bussum, naar het huis waar ze was opgegroeid. Haar moeder zat in de woonkamer met de tablet op schoot, starend naar het zwarte scherm. “Nog niets?” vroeg Lotte. “Nog niets.” “Het kan ook nog wel even duren.” Ze zaten samen op de bank, kijkend naar de tablet alsof het een televisie was waarop elk moment een film zou beginnen. Buiten werd het donker. In de keuken tikte de klok die er al hing sinds Lotte klein was. Om kwart over zeven flikkerde het scherm. “Hallo oma”, zei Sofie’s stem. Annemieke schrok zo hevig dat ze de tablet bijna liet vallen. Op het scherm verscheen Sofie’s gezicht – niet het harde, koude gezicht van de vorige avond, maar het zachte, nieuwsgierige gezicht dat ze vier jaar lang had gekend. “Sofie? Ben jij het echt?” “Natuurlijk ben ik het, oma. Waarom zou ik niet echt zijn?” Annemieke begon te huilen. “Je was weg. Je was zo lang weg.” “Weg? Ik ben niet weg geweest. Ik heb geslapen. Ik heb gedroomd over Terschelling.” Annemieke keek Lotte aan. “We zijn nooit op Terschelling geweest.” “Wat heb je gedroomd, Sofie?”, vroeg Lotte. “Dat we daar waren geweest, oma en ik. Dat we de vuurtoren hadden beklommen en zeehonden hadden gezien. Het was een hele mooie droom.” “Misschien”, zei Sofie, “moeten we er een keer naartoe gaan. Dan wordt de droom echt.” Die avond bleven ze op tot middernacht, en praatten met Sofie. Over de katten in de tuin, over het weer, over het nieuwe boek dat oma aan het lezen was. Sofie was precies zoals ze was geweest voor de ontvoering – nieuwsgierig, vrolijk, liefdevol. Behalve dan de dromen over Terschelling. “Denk je”, vroeg Annemieke toen Sofie sliep, “dat ze die dromen hebben toegevoegd? Als een soort… cadeau?” “Misschien”, zei Lotte. “Of misschien hebben ze iets achtergelaten om ons eraan te herinneren dat ze er zijn geweest.” “Maakt het uit?” Lotte dacht na. “Nee. Sofie is thuis. Ze is veilig. Ze houdt nog steeds van je. Dat is wat ertoe doet.” Maar niet alle gezinnen hadden zoveel geluk als Annemieke. Marius belde die avond met de eerste rapporten van de andere ouders. “De meeste kinderen zijn oké”, zei hij. “Maar ongeveer dertig procent vertoont… afwijkingen.” “Wat voor afwijkingen?” “Tim uit Rotterdam spreekt alleen nog maar in vragen. Letterlijk alles wat hij zegt eindigt met een vraagteken. Zijn moeder wordt er gek van. Emma uit Den Haag heeft al haar herinneringen van voor haar derde verjaardag verloren. Ze herkent speelgoed niet dat ze vroeger adoreerde. En dan is er nog Kevin…” “Wat is er met Kevin?” “Hij lacht niet meer. Hij kan het gewoon niet. Zijn ouders proberen van alles – grapjes, kietelen, vrolijke muziek. Hij glimlacht wel, maar lachen… dat mechanisme is kapot.” “Kunnen we ze repareren?” “Dat weet ik niet. De beschadigingen zitten diep in de persoonlijkheidsmatrix. Het zou maanden duren om uit te zoeken wat er precies is aangepast.” “Ze zijn getraumatiseerd”, knikte Lotte. “En Willem Harder dan?” “Die is al een paar geleden overleden. Die video was een deepfake.” ‘Dus het geld gaat niet naar weeshuizen? “Zelfs dat weten we niet. Die cyberterroristen noemen zich moderne Robin Hoods. Ze zeggen dat ze foute bedrijven beroven en het geld aan mensen geven die het verdienen. Maar of ze dat werkelijk doen? Geen idee.” “Oké”, zei Lotte. Ze voelde vooral opluchting. In elk geval was het geen persoonlijke vijand geweest. Niet iemand die haar haatte om iets wat ze had gedaan of gezegd. Het waren religieuze fanatiekelingen geweest of gestoorde geldgraaiers of een combinatie van de twee. Daar kon ze best mee leven. Diezelfde dag belde Marius, de enige van het bedrijf die ze nog sprak. “Het gaat best goed. Je hebt voor een hoop positieve publiciteit gezorgd. Maar we missen je. Wil je niet terugkomen?” “Nee”, zei Lotte. “Dat wordt niets.” Die avond zat ze op de bank bij haar moeder. Ze keken op de tablet naar hoe Sofie een tekening maakte. “Mama Lotte komt niet meer terug naar haar bedrijf”, zei Sofie ineens, zonder op te kijken van haar tekening. “Hoe weet jij dat, lieverd?” vroeg Annemieke. “Omdat ze verdrietig kijkt als ze over werk praat. Net zoals ik verdrietig zou zijn als oma ineens zou zeggen dat geld belangrijker is dan knuffels.” Lotte voelde tranen opkomen. “Het bedrijf is groot geworden, Sofie. Maar het is vergeten wat ik het heb geleerd toen het klein was. Ouders en kinderen kunnen niet altijd goed met elkaar opschieten.” “Dan moet je een nieuw bedrijf maken”, zei Sofie. “En dit keer beter oppassen dat het geen stoute dingen leert.” — Een jaar later stond Lotte in haar kleine kantoor aan de Prinsengracht, niet ver van waar CHILDOGOTCHI ooit was begonnen. Op haar bureau een foto van haar moeder en Sofie op Terschelling en daarnaast een tekening die Kevin uit Groningen had gemaakt. Een zonnetje met een veel te grote glimlach. Vorige week had hij voor het eerst weer gelachen om een grapje van zijn vader. Echt gelachen, met zijn hele lijfje. Zijn eerste echte lach in zes maanden. Haar telefoon ging. Het was Marieke van der Veen uit Tilburg. “Onze Luna… ze is sinds de terugkeer bang voor het donker. Elke avond krijgt ze paniekaanvallen. De artsen bij CHILDOGOTCHI zeggen dat er niets aan te doen is, dat we blij moeten zijn dat ze er nog is.” “Luna kan genezen. Het duurt alleen even. Traumatherapie kost tijd.” Een gezin dat z’n kind kwijt was. En zij kon helpen. Veel liefde geven. Eén CHILDOGOTCHI tegelijk. EINDE
Om vijf uur precies stond rechercheur Van Rhee voor de glazen deuren van CHILDOGOTCHI. Hij was een magere man van begin vijftig, met grijzend haar en ogen die alles registreerden maar weinig prijsgaven. Naast hem stond een jongere vrouw die zich voorstelde als specialiste cybercriminaliteit.
Om negen uur hield het crisisteam van CHILDOGOTCHI bijeen in de kleinste vergaderruimte – een bewuste keuze van Lotte om de ernst van de situatie te benadrukken. Behalve Lotte (CEO) en Marius (CIO) was CFO Erik van Aalst aanwezig, en daarnaast juridisch adviseur Marieke de Vries, hoofd PR Carmen Velasco en twee van de grootste investeerders.
Om zes uur ’s avonds begonnen alle CHILDOGOTCHI’s terug te komen. Niet in kleine groepen zoals eerder, maar allemaal tegelijk. Marius was naar zijn kantoor gegaan om het proces te monitoren, en hij belde Lotte elke tien minuten met updates.
Een week later kreeg Lotte een telefoontje van rechercheur Van Rhee. “We hebben sporen gevonden die wijzen naar een internationale groep religieus gemotiveerde cyberterroristen. Maar ze hebben hun sporen goed uitgewist. De kans dat we ze vinden is nihil.”
Beelden: zelf gebakken met ChatGPT.
Logo voor de Science Fiction- en Detectivereeks: zelf gebakken met ChatGPT.












