Zo werkt muziek toch niet helemaal (Over ‘Hoe muziek werkt’ van David Byrne)

Zo werkt muziek toch niet helemaal (Over ‘Hoe muziek werkt’ van David Byrne)

“Hoe muziek werkt’ van David Byrne is ‘geen autobiografie en ook geen reeks denkstukken, maar een beetje van beide’, schrijft hij in het dankwoord achterin het boek. Alleen al door die opzet – een beetje over zichzelf, een beetje over muziek in het algemeen – laat het boek zich lastig samenvatten. Zelfs twee samenvattingen (eentje over de autobiografische hoofdstukken en eentje over de muziektheoretische beschouwingen) zouden niet volstaan, daarvoor waaiert het boek naar te veel kanten uit.

In de autobiografische gedeelten zit nog wel enige lijn. Die gaan vooral over hoe hij en de andere leden van The Talking Heads begonnen, hoe ze zich ontwikkelden en gaandeweg meer greep kregen op hoe hun muziek klonk. Over hoe David Byrne zich daarna als artiest verder groeide – niet zozeer als zanger, muzikant of als componist, maar als iemand die steeds beter weet hoe hij via muziek kan oproepen wat hij beoogt. Die rode draad is in de theoretische beschouwingen ver te zoeken. Het ene hoofdstuk gaat over ‘Wat is muziek?’,  het andere over ‘Is sommige (klassieke) muziek ‘beter’ dan andere?’, over ‘Hoe werkt de muziekindustrie?’ of ‘Hoe kun je als muzikant geld verdienen?’. Om maar een paar onderwerpen te noemen.

Voor zover dit boek een kern heeft, zegt Byrne, dan (misschien) deze: ‘de gedachte dat wij geen muziek maken – zij maakt ons’. Dat wil zeggen: “Men denkt dat alles wat je zegt of zingt (of zelfs speelt) voortkomt uit een of andere autobiografische impuls. Zelfs wanneer ik de song van een ander zing, neemt men aan dat die song bij zijn ontstaan autobiografisch was voor die ander en dat ik niet alleen dat feit erken maar ook aangeef dat het toepasbaar is op mijn eigen biografie. Onzin! Het maakt niet uit of iets de schrijver wel of niet is overkomen – of de persoon die de song interpreteert. Integendeel, onze emoties worden gewekt door de songtekst en de muziek, niet andersom.”

Natuurlijk kan een artiest best uitdrukking geven aan zijn gevoelens, alleen Byrne gaat het niet om die ‘gevoelens’ maar om die ‘uitdrukking’ – hoe zit een muziekstuk in elkaar en wat voor effect heeft het bij de luisteraar. Bij Byrne geen adviezen voor songwriters in de trant van ‘schrijf over wat je het beste kent’, ‘blijf dicht bij jezelf’ en ‘houd het klein’. Je krijgt hier en daar zelfs de indruk dat hij juist vindt dat voor de gevoelens van de kunstenaar maar moeten wijken, aangezien die maar verstorend kunnen werken. Dat gevoelens alleen maar afleiden van het precisiewerk dat voor een hecht doortimmerd muziekstuk nodig is.

Je hoort het Byrne bijna zeggen, met z’n enigszins nasale stem die in al die licht vervreemdende nummers van The Talking Heads klinkt. Hier is geen artiest aan het woord die zijn emoties in z’n werk kwijt wil, maar een behoorlijk onpersoonlijke vakman. Die, paradoxaal genoeg, juist vanwege dat onpersoonlijke altijd zo herkenbaar is. En die, alweer een paradox, eerder een goede conceptuele kunstenaar is dan een  goede muzikant en weinig weet van compositieleer, maar daardoor waarschijnlijk des te onbevangener kan beoordelen wat voor effect een muziekstuk kan hebben. Die, zie de titel, waarschijnlijk veel beter weet ‘hoe muziek werkt’ dan iemand die ervoor heeft doorgeleerd hoe je akkoordenschema’s, modulaties en tempowisselingen kunt toepassen. Zoals Byrne in de inleiding schrijft: “Welke uitwerking muziek heeft of juist niet heeft, wordt niet alleen bepaald door wat ze geïsoleerd is (als zoiets al bestaat) maar ook sterk door wat haar omringt, waar en wanneer je haar hoort. Hoe ze wordt uitgevoerd, hoe ze wordt verkocht en gedistribueerd, hoe ze wordt opgenomen, wie haar uitvoert, met wie je haar beluistert en tot slot uiteraard hoe ze klinkt: die dingen bepalen niet alleen of een muziekstuk werkt – of het slaagt in zijn doel – maar ook wat het is.”

Toch is een muziekstuk niet helemaal een onpersoonlijke aangelegenheid voor Byrne. “De schepping hoeft niet kil, mechanisch en harteloos te zijn omdat de vorm die je werk zal aannemen van tevoren is bepaald en opportuun is (dat wil zeggen dat je iets maakt omdat de gelegenheid zich voordoet)”, schrijft hij. En: “Het emotionele verhaal – ‘iets waarover ik m’n hart moet uitstorten’ – wordt wel verteld, maar de vorm ervan wordt bepaald door bestaande contextuele beperkingen.” De bekende uitspraak van Marshall Mc Luhan ‘The medium is the message’, wordt bij Byrne zoiets als ‘The medium molds the message’. 

Byrne gaat in detail in op de grote rol die deze ‘contextuele beperkingen’ in de geschiedenis van de muziek hebben gespeeld. Byrne laat bijvoorbeeld zien hoe zangers live probeerden te klinken zoals op de plaat, hoe primitief de opnametechniek ook was. Hoe zangers zachter gingen zingen (‘croonen’, à la Frank Sinatra) toen ze eenmaal ‘naar de microfoon konden zingen. Hoe de lengte van nummers bepaald werd door wat er op een singletje paste. Dat hele genres hun ontstaan danken aan technologische vooruitgang. Dat Chicago blues en rock-‘n’-roll hun ontstaan aan de elektrische gitaar danken. Dat de synthesizer aan de wieg van de elektronische muziek stond. Dat rap en hiphop ondenkbaar zijn zonder de techniek om samples te maken. En dat ‘emotionele verhaal’ dan? Geen zorgen: “We uiten onze emoties, reacties op gebeurtenissen, een scheiding of een verliefdheid wel degelijk, maar de manier waarop – de kunst ervan – is ze in voorgeschreven vormen te gieten die perfect passen bij een bepaalde context.”

Byrne’s boek heeft enthousiaste recensies gekregen, en het moet gezegd: het is erg goed geschreven, het zet aan tot nadenken, en Byrne weet ongelofelijk veel over muziek. Toch ben ik niet helemaal overtuigd door zijn stelling dat artiesten hun ‘emoties’ wel even in die mal van de ‘voorgeschreven vorm’ kunnen persen. Ik denk dat veel artiesten moeite hebben zich aan die ‘voorgeschreven vorm’ te houden, laat staan dat ze er hun emoties erin kwijt kunnen. Modes komen en gaan, ook in de muziek. En niet iedereen lukt het even goed om zich aan te passen de stroming die op dat moment populair is.

Frank Sinatra had het geluk dat hij een stem had die paste bij de stand van de techniek uit zijn tijd, zijn zachte stem niet hoefde te forceren. Maar een hedendaagse Frank Sinatra zou waarschijnlijk niet uitgroeien tot idool. In elk geval zou hij met z’n bedaagde flow en z’n oudemannen-pakken het als rap-artiest niet ver hebben geschopt.

(Beeld: Jason Rosewell op Unsplash)

Deel:

Geef een antwoord