Laïcité – over de scheiding tussen kerk en staat

Verslag van een bijeenkomst over het Franse concept ‘laïcité’, gisteren gehouden door de vrijmetselaarsloge Saint-Napoléon in Amsterdam in samenwerking met de Parijse zusterloge Bonheur Guiderot.

Wat bij mij is blijven hangen:

De term ‘laïcité’ heeft diepe historische wortels. Het woord komt van het Griekse ‘laos’, wat verwijst naar het gewone volk, in tegenstelling tot de geestelijkheid. Hoewel het begrip pas in de jaren 1870 voor het eerst officieel werd gebruikt, bestond er al in de middeleeuwen een zekere scheiding tussen kerkelijke en wereldlijke macht in Frankrijk. Deze vroege vormen van scheiding waren echter nog ver verwijderd van wat we nu onder laïcité verstaan, aldus de eerste spreker, professor Yolande Jansen van de Universiteit van Amsterdam en de Vrije Universiteit Amsterdam.

De echte doorbraak kwam tijdens de Derde Republiek (1870-1940), toen de eerste laïcité-wetten werden ingevoerd. De wet van 1905 vormde hierin een belangrijk keerpunt. Deze wet, die vaak wordt gezien als de hoeksteen van de Franse laïcité, garandeerde gewetensvrijheid en regelde de formele scheiding tussen kerk en staat. Die scheiding blijkt lastig: enerzijds wordt volledige privatisering van religie verwacht, terwijl anderzijds religieuze praktijken en tradities onvermijdelijk zichtbaar blijven in de publieke ruimte. Het risico bestaat dat het streven naar religieuze neutraliteit onbedoeld bijdraagt aan processen van racialisering en uitsluiting.

Stine Jensen, professor publieke filosofie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, presenteerde een kritische analyse van de verschillen tussen de Franse en Nederlandse benadering van religie in de publieke ruimte. Als startpunt gebruikte ze haar recent gepubliceerde manifest “Goddeloos”, waarin ze pleit voor wat zij noemt ‘zacht atheïsme’ – een positieve vorm van atheïsme als levensfilosofie, in plaats van alleen een afwijzing van religie.

Jensen illustreerde haar betoog aan de hand van twee concrete casussen uit haar onderzoekspodcasts. De eerste casus betrof Tariq Ramadan, die in 2007 naar Rotterdam kwam als ‘bruggenbouwer’ tussen Europa en de islam. Wat in Nederland opvallend was: terwijl er in Frankrijk al lang kritische debatten waren over Ramadans standpunten tegen laïcité, werd hij in Nederland aanvankelijk vrijwel kritiekloos verwelkomd. Dit verschil verklaart Jensen deels door de Nederlands-Angelsaksische mediaoriëntatie, waardoor kritische Franse stemmen, zoals die van Caroline Fourest, hier nauwelijks doordrongen.

De tweede casus betrof de moord op Samuel Paty in Frankrijk en de daaropvolgende reacties in beide landen. Deze gebeurtenis legde de fundamentele verschillen bloot tussen het Franse onderwijssysteem, gebaseerd op laïcité, en het Nederlandse systeem van ‘verzuiling’. In Nederland is slechts 45% van het onderwijs openbaar, terwijl 55% bijzonder onderwijs is, vaak met een religieuze grondslag. Dit verschil wordt wettelijk verankerd in artikel 23 van de grondwet.

Sowieso ligt in Nederland de focus op multiculturalisme en het respecteren van verschillen. Nederland heeft veel weg van een ‘saladebowl’, waarin verschillende groepen naast elkaar bestaan terwijl ze hun eigen identiteit behouden en hun eigen belangen kunnen verdedigen. Dit leidt volgens Jensen tot een paradoxale situatie: progressieve mensen neigen er in Nederland naar minderheden te verdedigen, zelfs als die opvattingen hebben die haaks staan op hun waarden. Het feminisme is hier bijvoorbeeld geneigd minderheden te verdedigen, ongeacht hoe conservatief en vrouwonvriendelijk ze zijn. Hierdoor wordt kritiek op conservatief-religieuze standpunten soms gezien als culturele ongevoeligheid of zelfs racisme.

Filosoof Menno de Bree ging in op de historische en filosofische grondslagen van de scheiding tussen kerk en staat.

De kern van zijn betoog draait om de vraag waarom veel samenlevingen historisch gezien op religie zijn gebaseerd, en wat de implicaties zijn van een verschuiving naar een seculier model. Hij begint bij Aristoteles’ concept van de ‘polis’ – de gedachte dat mensen van nature sociale wezens zijn die niet alleen willen overleven, maar ook een goed leven willen leiden op basis van gedeelde waarden. Deze waarden werden traditioneel door religie verschaft.

De Bree identificeert drie historische functies van religie in de samenleving: als basis voor identiteit (gedeelde waarden), als fundament voor autoriteit (macht ontleend aan God), en als grondslag voor ethiek (morele regels). Hij illustreert dit met een interessant voorbeeld uit de hedendaagse context: het Nederlandse koningshuis. De vraag waarom de koninklijke familie speciale privileges geniet, werd traditioneel beantwoord met een beroep op goddelijke autoriteit.

Alleen kan die samenleving het wellicht ook zonder religie stellen. Dit blijkt uit het Euthyphro-dilemma, oorspronkelijk geformuleerd door Plato. Dit dilemma stelt de fundamentele vraag: is iets goed omdat God het wil, of wil God iets omdat het goed is? Deze vraag raakt aan de kern van religieus gefundeerde ethiek. Als iets goed is omdat God het wil, wordt moraliteit willekeurig. Als God iets wil omdat het goed is, bestaat er blijkbaar een van God onafhankelijke morele waarheid.

Welke rol kan religie dan spelen? De Bree behandelt enkele theorieën van latere denkers zoals Machiavelli, die religie als een nuttig instrument voor machthebbers zag, en Thomas Hobbes, die een radicaal andere visie op de menselijke natuur presenteerde. Waar Aristoteles de mens als natuurlijk sociaal wezen zag, beschouwde Hobbes de natuurtoestand als een oorlog van allen tegen allen. Dit leidde tot zijn pleidooi voor een sterk centraal gezag, niet gebaseerd op goddelijke autoriteit maar op menselijke rationaliteit en eigenbelang.

In de moderne liberale democratie is religie naar de privésfeer verwezen. In dit model hebben mensen de vrijheid hun eigen religie te praktiseren, zolang ze anderen niet beperken in dezelfde vrijheid. De moraal is geminimaliseerd tot (juridische) regels voor vreedzame coëxistentie, in plaats van een omvattende visie op het goede leven. De vraag is nu: hoe creëren we betekenisvolle gemeenschappen zonder gedeelde religieuze waarden? Hoe gaan we om met religieuze claims in een seculiere staat?

Tot slot een presentatie over de ontwikkeling van secularisme in Turkije door Erik-Jan Zürcher, emeritus hoogleraar Turkse talen en culturen aan de Universiteit Leiden.

Het verhaal van secularisme in Turkije begint met een opmerkelijke paradox. Hoewel Turkije momenteel al 23 jaar wordt bestuurd door een islamistisch geïnspireerd regime, was het land in 1923 juist opgericht als een van de meest uitgesproken seculiere staten in de islamitische wereld. Deze spanning tussen religie en secularisme heeft diepe historische wortels die teruggaan tot het einde van het Ottomaanse Rijk.

De oorsprong van het Turkse secularisme ligt bij de Jonge Turken, een beweging die in 1889 werd opgericht – niet toevallig samenvallend met de honderdste verjaardag van de Franse Revolutie. Deze beweging ontstond onder studenten van de Militaire Medische School in Istanbul, die streefden naar modernisering en liberalisering van het Ottomaanse Rijk. Ze verzetten zich tegen het autoritaire en religieus georiënteerde bewind van Sultan Abdulhamid en pleitten voor een rationeel en wetenschappelijk bestuur gebaseerd op een grondwet.

Na een mislukte poging tot revolutie vluchtten veel Jonge Turken naar Parijs, waar ze in contact kwamen met Franse radicale republikeinen tijdens de hoogtijdagen van de Dreyfus-affaire. In Parijs raakten ze sterk beïnvloed door het Franse positivisme en anticlericale gedachtegoed. Ze bouwden nauwe banden op met Franse vrijmetselaars en linkse groeperingen, waaronder de Parti Radical, die een centrale rol zou spelen bij de Franse wet op de scheiding van kerk en staat in 1905.

In 1908 slaagden de Jonge Turken erin een constitutionele revolutie te ontketenen die de sultan dwong een parlement in te stellen. Dit succes was echter van korte duur. In 1909 brak een contrarevolutie uit, geleid door conservatieve officieren en religieuze leiders die de terugkeer van de sharia eisten. Hoewel deze opstand werd neergeslagen, zorgde deze ervaring ervoor dat de Jonge Turken nog sterker overtuigd raakten van de gevaren van religieuze reactie.

Na de nederlaag van het Ottomaanse Rijk in de Eerste Wereldoorlog leidde Mustafa Kemal Atatürk een succesvolle onafhankelijkheidsoorlog die resulteerde in de oprichting van de Turkse Republiek in 1923. Tijdens deze strijd werd islam nog gebruikt als middel om de overwegend rurale bevolking te mobiliseren. Maar zodra de overwinning was behaald, zette Atatürk een radicaal seculariseringsprogramma in gang.

In snelle opeenvolging werden het kalifaat afgeschaft (1924), religieuze stichtingen genationaliseerd, het onderwijs verenigd onder staatstoezicht, de sharia vervangen door een seculier burgerlijk wetboek naar Zwitsers model (1926), en islam geschrapt als staatsreligie (1928). Deze hervormingen gingen gepaard met culturele modernisering zoals de overgang van het Arabische naar het Latijnse alfabet.

Deze secularisering kende echter twee fundamentele problemen die tot op de dag van vandaag doorwerken. Ten eerste was een strikte scheiding tussen kerk en staat zoals in Frankrijk onmogelijk in een islamitisch land, omdat er geen equivalent bestaat van de katholieke kerk als onafhankelijke institutionele structuur. In plaats daarvan nam de Turkse staat zelf de controle over religieuze instellingen over – imams werden staatsambtenaren.

Ten tweede stuitte dit seculariseringsbeleid op aanzienlijke weerstand onder de bevolking, wat leidde tot soms gewelddadig verzet. Dit versterkte op zijn beurt weer de anticlericale houding van het regime. Het resultaat was een sterk gepolariseerde samenleving waarin secularisme van bovenaf werd opgelegd door een elite die wantrouwig stond tegenover volksreligiositeit.

Deze erfenis is nog steeds zichtbaar in het hedendaagse Turkije. Voor tegenstanders van het huidige islamitische regime blijft laïcité een kernwaarde die verdedigd moet worden, zoals bleek tijdens de massale protesten in 2007 en 2013. Tegelijkertijd worstelt Turkije nog steeds met de vraag hoe religie en moderniteit met elkaar te verzoenen zijn op een manier die recht doet aan zowel de seculiere als de religieuze aspiraties van zijn burgers.

Deze geschiedenis laat zien hoe complex de relatie tussen religie en staat kan zijn in een islamitische context, en hoe pogingen om westerse modellen van secularisme te importeren onbedoelde gevolgen kunnen hebben die generaties later nog doorwerken in politieke en maatschappelijke spanningen.

N.B. De tekst is deels AI-gegenereerd en niet geverifieerd door de sprekers. Ik kan er dus niet helemaal voor instaan dat deze weergave recht doet aan hun presentaties. Maar denk het wel.

Deel:

Geef een reactie