Frits Spangenberg en Martijn Lampert (Motivaction): ‘Don’t shoot the messenger’

Eind 2009 publiceerde onderzoeksbureau Motivaction het boek De grenzeloze generatie en de eeuwige jeugd van hun opvoeders. Dat hebben de auteurs Frits Spangenberg en Martijn Lampert geweten. Het ene na het andere kritische artikel verscheen, waarin hun bezorgdheid over de Nederlandse jeugd werd gehekeld. De twee blikken terug: “De ouders en de jongeren zelf geven ons gelijk.”

De grenzeloze generatie en de eeuwige jeugd van hun opvoeders is verschenen ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van het Motivaction. Het boek – verschenen bij Nieuw Amsterdam en grotendeels gebaseerd op uitkomsten van de afgelopen tien jaar van het bekende Mentality-onderzoek van het bureau – is vooral bedoeld als zinvolle bijdrage aan een betere toekomst van onze samenleving. Het is onmiskenbaar opgezet als een discussiestuk, van de inleidende woorden van de altijd spraakmakende denker Theodore Dalrymple tot de uitdagende conclusies, waarin de schaduwzijden worden belicht van de in Nederland gangbare antiautoritaire opvoeding, van onze aan de jaren zestig overgehouden verheerlijking van de jeugd, van onze vrije, om niet te zeggen bandeloze omgangsvormen en van onze afkeer van gezag.

Martijn Lampert: “Ook veel trendwatchers en marketeers verheerlijken jongeren. Ze spreken van een generatie Einstein, waartegen wij ouderen eigenlijk enorm moeten opkijken, en doen alsof de jeugd in een heerlijk ‘Youthtopia’ leeft. Wij vinden die hallelujaverhalen bedrog. De werkelijkheid is veel rauwer. Er is de afgelopen decennia onder jongeren een tweedeling ontstaan. Aan de ene kant is er inderdaad een groep die zich heel goed kan redden in de samenleving, al betreft het hier zeker niet allemaal ‘Einsteins’. Daarnaast is er een grote groep, zo’n 40 procent van de jongeren, die veel minder zelfredzaam is. Hier tref je jongeren aan die lijden onder schulden, die kampen met obesitas, die agressief zijn, die voortijdig hun school verlaten. Geen wonder, want het aantal plichtsgetrouwe ouders is enorm teruggelopen en daar is narcisme voor in de plaats gekomen. Veel jongeren hebben van huis uit geen discipline meegekregen. Ze nemen de waarden van hun ouders over – en een groeiende groep ouders voelt zich buitenstaander in de maatschappij. Deze groep is vaak intolerant en stelt zich op als consument richting overheid. Op deze groep vestigen wij de aandacht in ons boek.”

Frits Spangenberg: “Het gaat zeker niet om alleen laagopgeleiden en ook niet om allochtonen, zoals je misschien zou denken. Deze jongeren tref je in alle lagen van de bevolking aan, bij een veel grotere groep dan de bekende 10 procent probleemjongeren. Misschien zijn lageropgeleiden wat materialistischer en voelen ze zich wat vaker buitengesloten. Maar obesitas en schulden komen juist veel bij middengroepen voor. Je kunt in elk geval niet alles verklaren uit sociodemografische factoren zoals opleiding en afkomst. Het gaat om een egocentrische mentaliteit die enorm breed is verspreid.”

Er is veel kritiek op het boek gekomen. Wat is jullie reactie daarop?

Spangenberg: “We zijn blij dat het zo veel heeft losgemaakt. Alleen is de kritiek niet allemaal even fair. Veel critici doen ons boek af als ouderwets – alsof dat een inhoudelijk argment is tegen ons betoog. Of ze zeggen dat problemen met jongeren van alle tijden zijn, en dat die vanzelf wel verdwijnen wanneer de jongeren volwassen worden. Op zich klopt dat, maar het gaat hier om eigentijdse problemen, die om eigentijdse oplossingen vragen. En waarom wachten tot de problemen zichzelf oplossen, als je dat kunt versnellen? Dan zijn er nog mensen die erop wijzen dat de Nederlandse jeugd de gelukkigste ter wereld is. Dat is misschien wel zo, maar wat heb je aan kortstondig geluk, terwijl het funest is voor je toekomst, omdat je schulden zich opstapelen?”

Lampert: “Je ziet dezelfde reacties als bij het integratiedebat. Ook dit is een onderwerp dat heel erg leeft bij de bevolking, en ook hier zie je dat een aantal linkse intellectuelen en publicisten er niet aan wil. De verharding van de samenleving is de belangrijkste bron van zorgen voor de Nederlandse burger – volgens burgers urgenter dan de economische crisis, de integratie of duurzaamheid. Tegelijkertijd is er een enorm verlangen naar meer gemeenschapszin, meer gezamenlijkheid, meer wij-gevoel. Alleen, zeggen wij, dat komt allemaal niet vanzelf aanwaaien, dat moet je aan kinderen leren. Daar worden wij dan op aangevallen: ‘Je mag geen kritiek hebben op de jeugd, en al helemaal niet op hun opvoeders, want die doen al zo hun best’, heet het dan. Het onderzoek deugt niet, is de reactie. Daarmee lijkt het debat misschien in de kiem gesmoord. Maar ondertussen broeit het enorm in de samenleving en wordt het thema meer en meer serieus genomen. Dus ik zou zeggen: don’t shoot the messenger.”

Wat moeten bestuurders dan doen?

Spangenberg: “De overheid kan een bindende rol spelen. Nu zien steeds meer burgers de overheid als vijand. Dat komt doordat allerlei beleidsvragen zijn opgedeeld in kleine deeltaken en regeltjes. Dat is misschien prettig voor rijksinkopers en politieagenten, maar veel mensen ontgaat het waartoe al die betutteling en bureaucratie dient. Je neemt mensen zo ook hun eigen verantwoordelijkheid af, wat de gemeenschapszin bepaald niet ten goede komt: ze vegen hun stoep niet meer schoon als het sneeuwt, omdat ze verwachten dat de gemeentereiniging dit wel even zal doen. Het alternatief? De overheid zou een langetermijnvisie moeten ontwikkelen en daarop beleid stoelen. Dat biedt burgers houvast, zeker als er ook wordt aangegeven wat er van hen wordt verwacht.”

Lampert: “Uit onze peilingen blijkt ook keer op keer dat er behoefte is aan richting, visie en sturing door de politiek. Heel begrijpelijk. De samenleving is steeds ingewikkelder geworden, mede door de toenemende transparantie. Kijk alleen maar naar de etiketten van levensmiddelen. De overheid hoopt obesitas tegen te gaan, bijvoorbeeld door veel informatie op zo’n etiket verplicht te stellen. Waarna blijkt dat de meeste mensen – zeker jongeren – er geen wijs uit kunnen. Waarom niet gewoon duidelijk pedagogisch advies gegeven, als onze zelfredzaamheid te gering is? Alleen ontkennen veel beleidsmakers dit probleem. Met als gevolg dat er ook weinig goed beleid wordt ontwikkeld. Al zijn er natuurlijk ook tegenvoorbeelden te geven. Denk aan de succesvolle herintroductie van ambachtsscholen in de grote steden, waar leerlingen structuur en regelmaat krijgen opgelegd en een vak leren waarop ze trots kunnen zijn. Voor de minder zelfredzame groep jongeren heel wat beter dan het studiehuis en het competentiegericht leren met zijn nadruk op zelfontplooiing – gedachtespinsels van mensen die het doen voorkomen alsof kinderen in de piek van de piramide van Maslow zitten. Een bizarre schijnwerkelijkheid die in het geheel niet strookt met wat je in de samenleving aantreft. Als je daar je beleid op baseert, richt je heel veel schade in de samenleving aan.”

Jullie hebben niet alleen aanbevelingen voor de overheid en het onderwijs, maar ook voor ouders en kinderen. Tot wie richten jullie je voornamelijk?

Lampert: “Tot de ouders. Dat zijn degenen die in de praktijk zorg dragen voor de toekomst van een kind. En daarmee is het boek natuurlijk ook interessant voor beleidsmakers, omdat we trends signaleren. Maar we hebben het heel toegankelijk geschreven, in een taal die ook ouders, onderwijzers en jongeren zelf aanspreekt.”

Spangenberg: “We zijn er heel erg van overtuigd dat je het probleem alleen kunt oplossen door de verantwoordelijkheid bij het individu te leggen, vandaar dat we vooral de ouders aanspreken.”

En wat vinden die van jullie boek?

Lampert: “Die herkennen zich goed in het beeld dat we schetsen, blijkt uit onderzoek. En ze zien het als een steun in de rug. Het is ook niet makkelijk om je kinderen goed op te voeden. Het is makkelijker om toegeeflijk te zijn en ze te vriend te houden.”

Spangenberg: “Jongeren steunen ons ook. Zij zien ook wel in dat het toch te gek is dat een leraar wiskunde eerst een kwartier met zijn leerlingen moet onderhandelen of ze hun koptelefoon willen afzetten, voordat hij met de les kan beginnen. Ik sprak laatst nog een jongen die een tijd verslaafd was geweest aan gamen en surfen op internet. Hij gaat zijn kinderen straks een minder vrije opvoeding geven dan hij zelf heeft gehad. Zijn kinderen krijgen pas een computer op hun eigen kamer als ze maat kunnen houden. ‘Ik heb mezelf bijna verloren. Dat mag mijn kinderen niet overkomen.'”

Artikel voor Second Sight

 

Deel:

Geef een antwoord